Ferdinand Huyck online lezen

DigitalDroom Reader

Ferdinand Huyck

Jacob van Lennep · 39 hoofdstukken

← Terug naar de boekpagina

Historische spellingDigitale teksteditie
DigitalDroom Reader

Hoofdstuk I

I / XXXIX

Dikwijls, mijn kinderen! wanneer wij na afloop van den avonddisch een naauwer kring om den haard sloten, en ik nog een laatste pijp stopte, terwijl uw lieve grootmoeder, – half wakend, half slapend nieuwe hieltjens aan de versletene kousjens der kleintjens breidde, en een van u mij met een vleiende stem toeriep: ‘och, grootvader! vertel ons nog eens wat van den Carnaval te Venetiën, of van den Landgraaf van Hessen, of van de Frankforter mis!’ heb ik aan uw nieuwsgierigheid voldaan en u eenige der belangrijkste episoden verteld van die reis, welke ik als jongeling door Duitschland en Italiën deed: ja, zoo menigmalen hebt gij naar het gepraat van den ouden man geluisterd, dat gij op het laatst mijn ontmoetingen en wederwaardigheden zoo goed en beter kendet dan ik zelf, en vaak, wanneer mijn door ouderdom eenigzins verzwakt geheugen te kort schoot, mij de kleine bijzonderheden herinnerdet, welke tot aanvulling mijns verhaals moesten strekken. Nimmer echter heeft een uwer mij ondervraagd betreffende hetgeen mij na mijn terugkomst van die reize overkomen is; waarschijnlijk omdat gij, wetende hoe kalm en gerust ik, sedert mijn huwelijk, de dagen mijns levens in den schoot mijns huisgezins gesleten heb, verondersteldet, dat ik, te huis komende, zoo maar dadelijk een vrouw en een aanzienlijk vermogen gevonden had, en dat geene zorg noch wederwaardigheid die dagen van kalmte was voorafgegaan. Intusschen bedriegt gij u zeer: en het tijdvak, dat onmiddelijk op mijn reis volgde, was het gewichtigste en, in zijn bijzonderheden, het belangrijkste mijns levens. Dat ik er tot heden nimmer over gesproken heb, en dat ik ook thands, in plaats van u de voorvallen, die daarin plaats vonden, bij monde mede te deelen, die in geschrifte stel, ten einde gij die na mijn dood zoudt kunnen te weten komen, moet gij niet aan een dwazen gril toeschrijven: ik had daar een gezonde reden toe. De gebeurtenissen, waarbij mij de omstandigheden een werkzamen rol deden spelen of wier invloed zoo krachtdadig op mijn volgenden levensloop werkte, waren van dien aart, dat zij, deels uw jeugdig verstand te boven gingen, deels voor uw grootmoeder te droevige herinneringen opwekten: ja, ik zoude die geheel aan de vergetelheid opgeofferd hebben, ware het niet, dat gij, naar ik mij voorstelde, bij het vorderen in jaren, daaruit nutte les en leering zoudt kunnen trekken. Ik heb derhalve mijn herinneringen, zooveel in mij was, bijeenverzameld, ten einde niets te vergeten van hetgene in verband staat met de lotgevallen, welke de navolgende bladen zullen behelzen. Ofschoon ik voor u schreef, en u steeds gedurende mijn arbeid voor oogen had, heb ik, ter vermijding der verwarring, welke door het gebruik der tweede persoon zoo licht ontstaan kon in een verhaal, waarin zoovele samenspraken zijn ingelascht, dat verhaal zoodanig ingericht, als schreef ik voor dat groote publiek, jegens hetwelk men, uit eerbied, altijd de derde persoon moet bezigen, en welks welwillendheid ik, (die niet weet hoe het t’avond of morgen dit geschrijf onder de oogen krijgen kan) bij dezen inroep.

Het was in den zomer van het jaar 17 .., dat ik, na een afwezigheid van ruim twee jaren, den Vaderlandschen grond weder betrad. Een oudoom van mij, die te Leyden woonde, bij wien ik, gedurende mijn academie-jaren, dagelijks aan huis verkeerde, en die voor het einde mijner studiën overleed, had mij een vrij aartig sommetje gelegateerd, onder voorwaarde, dat ik daarvoor een reis naar Italiën zoude doen, iets hetwelk hij bij zijn leven altijd hoogstnoodzakelijk plach te stellen om de jeugd te vormen. Hij zelf was nooit verder dan den Haag geweest en zeide altijd, dat het hem genoeg speet; ofschoon ik de reden nog niet begrijp, welke hem, die ongehuwd en onafhankelijk was, heeft kunnen terughouden van datgene te doen, wat hij anderen aanprees.

Verschillende oorzaken hadden medegewerkt om mij langer te doen uitblijven, dan ik oorspronkelijk van meening geweest was, en onder die oorzaken waren de navolgende de voornaamsten. Tusschen het handelshuis van Bempden van Baalen en C o . te Amsterdam en een ander huis te Livorno, hadden, sedert een geruimen tijd, over een netelige handelsquaestie, briefwisselingen bestaan, welke tot geen beslissing leidden. Daar nu een mijner Tantes in het eerstgenoemde Huis een groot gedeelte van haar vermogen had zitten, schreef zij mij, of ik ook kans zoude zien, de zaak gedurende mijn verblijf in Italiën in het effen te brengen. Ik had, bij geluk, juist kennis gemaakt met een der deelgenooten der Livornoosche firma en, bij nog grooter geluk, zijn gunst en vertrouwen gewonnen: zoodat ik, minder ten gevolge mijner bekwaamheden als gevolmachtige, dan omdat ik met een rekkelijk man te doen had, die rede wist te verstaan, volkomen mocht slagen in het ter stand brengen eener schikking, waarmede beide partijen te vrede waren. – Hiermede echter was, hoe vlot het ook ging, toch altijd een vrij lange tijd verloopen.

Mij een paar maanden later te Napels bevindende, ontmoette ik den Jonker van Ypendael, een hoogst beminnelijk jongeling, die, even als ik, voor zijn genoegen reisde en wiens kennismaking mij ten uiterste welkom was. Wij vormden het besluit, onze reis gezamentlijk voort te zetten. In Siciliën overviel hem een kwaadaartige ziekte, welke van langen duur werd en waaruit hij slechts langzaam herstelde. Het spreekt van zelfs, dat ik mijn vriend en reisgenoot niet verliet en hem, zoo trouw ik kon, oppaste en verzorgde; maar dit onvoorziene toeval vertraagde mijn terugkomst op nieuw.

Des te zoeter was, na een zoo lang uitblijven, ons beider gevoel, toen wij voor het eerst, weder over Munsterland teruggekeerd, de moedertaal, al was het dan ook met den Overijsselschen tongval, hoorden spreken; en met aandoening was ik een dag later getuige van de heuchelijke vereeniging mijns reisgenoots met zijn familie, die een Ridderhofstad aan gene zijde van Amersfoort bewoonde. Ondanks mijn vrij natuurlijke begeerte om mijn weg zonder oponthoud te vervolgen, ten einde hetzelfde geluk te smaken, dat mijn vriend was te beurt gevallen, kon ik zijn dringend aanzoek niet weerstaan, om nog dien dag met hem te blijven doorbrengen en deel te nemen in het vrolijke familiefeest, waarop zijn behouden terugkomst gevierd werd en hetwelk, volgens de uitdrukking der blijde ouders, niet volkomen zoude zijn, indien de reisgenoot van hun zoon er aan ontbrak en zij de gelegenheid moesten missen van mij te danken voor de trouwe verzorging van hun Eduard. Ik kan niet anders zeggen of, niettegenstaande mijn gedachten meestal te Amsterdam waren, ik deed eer aan het maal en vergastte mij recht op de zoolang ontbeerde doperwtjens, op het heerlijk rundvleesch en de geurige fruit, die mij werden toegediend; want, welke voordeelen ook de Hoogduitsche keuken moge hebben, ik gaf toch aan den Hollandschen pot de voorkeur en groette elken mondvol, dien ik nam, met hetzelfde vermaak waarmede ik een lang gemisten vriend de hand zoude gedrukt hebben.

– ‘Kom, nog een glas borgonje!’ riep mij de oude, dikke landedelman toe, terwijl zijn bolle wangen gloeiden van het geluk, dat hem de wederkomst van zijn zoon verschafte, en van de herhaalde offers, aan Bacchus gebracht: ‘Deze wijn kan u geen kwaad; hij is van het echte merk en niet van die zure clairet – wijnen, waar men in mijn jongen tijd niets van af wist en waarmede men ons nu in de kleeren wil steken. Kom, mijn jonge! de gezondheid van uw vader! Lang moge hij leven, tot heil van Amstels burgerij, en tot handhaving der goede Justitie!’ –

– ‘Van harte gaarne!’ zeide de oudste broeder mijns vriends, zijn glas vullende: ‘en dat hij er spoedig in moge slagen, dien gevreesden Zwarten Piet meester te worden, die, gelijk men zegt, de verstrooide bende van wijlen Jaco heeft hereenigd en er het Sticht mede afloopt.’ –

– ‘Wel zoo!’ zeide lagchende Eduard, wilt gij die eer aan onze Stichtsche Baljuwen niet gunnen? Is dat nu een wensch voor den erfgenaam eener heerlijkheid, welke het recht van hooge en lage jurisdictie bezit? – maar genoeg daarvan : moeder schudt het hoofd en Leentje wordt bleek, wanneer wij zoo van dieven spreken. Ik laat den Hoofdschout daar, Ferdinand! en drink de gezondheid uws vaders.’ –

– ‘En dezen dronk,’ vervolgde de Baron, zijn geledigd glas weder vullende, ‘wijde ik uwer brave moeder!’ –

Het was reeds de derde reis, dat de goede man al de leden mijner familie met zijn toasten (gelijk men die thands noemt) was rond gegaan: en ik begon te vreezen, dat de gezondheid van de mijnen mij nog ziek zoude maken: ik verzocht dus, zoodra ik mijn glas geledigd had, om verlof, van mij naar mijn kamer te mogen begeven, tot verschoning bijbrengende, dat ik den volgenden dag, wilde ik nog met den avond te huis zijn, vroegtijdig vertrekken moest.

– ‘Het blijft dan uw vast besluit ons morgen te verlaten?’ vroeg de oude Heer.

– ‘UEd. kan zelve beoordeelen, of ik mijn vertrek langer mag uitstellen.’ –

– ‘De jonge Heer heeft gelijk,’ zeide mevrouw van Ypendael: en hoe gaarne wij langer zijn gezelschap zouden willen genieten, mogen wij hem echter niet tegen zijn zin hier houden; daar wij aan ons eigen hart kunnen gevoelen, hoezeer zijn familie naar zijn terugkomst verlangen moet. Wij zouden het ook niet aartig gevonden hebben, indien men onzen Eduard langer van huis gehouden had.’ – Met deze woorden drukte zij de hand van haar teruggekeerden lieveling.

– ‘Gij hebt wel gelijk, moeder!’ zeide deze, haar omhelzende: ‘ik vind mij nu zoo gelukkig: en zoude ik dan mijn vriend beletten, dat zelfde geluk zoo spoedig mogelijk te smaken?’

– ‘En hoe denkt gij de reis te doen?’ vroeg mij de Baron.

– ‘Mijn voornemen is, te voet tot Naarden, en verder per schuit te gaan.’ –

– ‘Te voet!’ zeide de oude Heer, lagchende: ‘gij zijt, dunkt mij, ook van de leer: haast u langzaam. Verbruid! ware ik in uwe plaats, en de zoon van een rijken Amsterdammer, ik nam te Amersfoort een wagentje bij Jan Stoffelsz, die rijdt flinke paarden: en dan: voort koetsier! den zweep er over gelegd en dubbel drinkgeld zoo hij dubbelen spoed maakt.’ –

– ‘Ik geloof,’ merkte glimlagchende de oudste zoon aan, ‘dat onze vriend Ferdinand een kleine huichelaar is, en als een apostel bij zijn vader te huis wil komen, om hem te doen denken dat hij op zijn gandsche reis altoos zoo zuinig op zijn équipage geweest is.’ –

Ik glimlachte en zweeg; want ik achtte het onnoodig, de ware reden mijner handelwijze bloot te leggen, namelijk dat ik geen geld genoeg meer bij mij had, om de onkosten van een rijtuig te dragen; want van den laatsten mij gezonden wissel op Munster had ik geen gebruik gemaakt, in den waan, dat hetgeen ik nog aan contanten overig had, toereikende zoude zijn om mij tot Amsterdam te brengen. Het bleek mij echter dat ik mij verrekend had; maar ik was nu te trotsch of te beschroomd om geld van mijn gastheer ter leen te vragen, en evenmin wilde ik een rijtuig op crediet nemen en bij mijn t’ huiskomst beginnen met mijn vader te verzoeken, het rijtuig te betalen: iets, dat hem voorzeker slechte denkbeelden van mijn wijze van huishouden zou hebben ingeboezemd; want hij was geen vriend van onnutte geldverteeringen; en ofschoon ik geloof, dat hij bij deze gelegenheid de kosten van een rijtuig zoude verschoond hebben, wilde ik echter geen gevaar loopen van een vermaning. Bovendien kende ik den zandigen weg van Amersfoort tot Naarden; en ondanks den lof, door den Heer van Ypendael aan de paarden van Jan Stoffelsz gegeven, wist ik zeer wel, dat wij de grootste helft stappende zouden afleggen, en dat ik te voet omtrent even spoedig, en zeker op een veel aangenamer wijze, mijn doel bereiken zou.

‘Nu,’ zeide de Baron: ‘een mensch zijn zin, een mensch zijn leven; – maar het eind is toch wat ver om geheel te loopen: wij zullen u van hier naar Amersfoort laten brengen!… ik denk dat Eduard zich daarmede wel zal belasten, zoo ik er hem vriendelijk om verzoek.’ –

Dit aanbod was te heusch om afgeslagen te worden. Na het drinken van een afscheidsdronk, en nog tot slotte van een glas cognacq, hetwelk de Heer van Ypendael zijn slaapmutsje noemde, werd het mij vergund den aftocht te blazen.

Den volgenden morgen te vijf ure, terwijl het geheele huisgezin nog in de armen der rust lag gedompeld, zat ik reeds met Eduard in een wagentje, met twee vlugge hitten bespannen, die ons met een prijsselijken spoed naar Amersfoort brachten. Na elkanderen herhaalde reizen gezondheid te hebben toegewenscht en onder belofte van briefwisseling, namen wij afscheid: hij keerde met zijn voertuig terug, in de hoop van de familie aan het ontbijt te vinden, en ik zette eenzaam mijn weg voort tusschen de bevallige bosschaadjen, aan weêrskanten van den weg gelegen.

Het was een heerlijke morgen; ja zelfs, voor een voetganger al te fraai weer. Er was weinig of geen wind: de lucht begon, naarmate het verder op den dag werd, meer heet en drukkend te worden, en was met die soort van spakerige nevelachtigheid bezwaard, welke niet zelden het voorteeken is van een verandering in den dampkring. Ten noordwesten stapelden zich dikke wolken op elkander, en eenige zeevogels, die krijschende rondzwierden, schenen zoovele boden, uitgezonden om zwaar weer aan den landbewoner te verkondigen. De zon was bloedrood, en haar stralen, stekend als breinaalden, hadden het zand van het rulle voetpad als in gloeiende asch herschapen. Groote zweetdroppels biggelden tappelings langs mijn wangen af, en, wanneer ik het oog op de verwijderde buien vestigde, zag ik met welgevallen den regen te gemoet, die de dorstige aarde laven en mijn pad wat gemakkelijker maken zoude. In afwachting daarvan, stapte ik echter rustig voorwaarts, en ik geloof zonder ijdelheid te kunnen zeggen, dat ieder landman, die mij met een vasten en gelijken tred zijn hoeve zag voorbij gaan, wel dadelijk bespeuren kon, dat een voetreis geen ongewone zaak voor mij was, en dat ik niet tegen de ongemakken opzag, die haar gemeenlijk vergezellen. Ik vergat dan ook de moeilijkheden van den weg, zoo dikwijls ik herdacht, dat elke stap, dien ik nederzette, mij nader bracht bij de voorwerpen mijner kinderlijke liefde, bij mijn welbeminde broeders en zusters, bij de vrienden mijner kindschheid en bij dat dierbare Amsterdam, hetwelk ik in zulk een geruimen tijd niet aanschouwd had. Aangename gedachten brengen bij den onbedorven mensch altijd welwillendheid voort: ik althands voelde mij hoe langer hoe meer gestemd om alles, wat mij ontmoette of bejegende, met hartelijkheid te behandelen; ik had een blijden groet over voor elken boer of daglooner, die langs den weg zijn zomerarbeid verrichtte, een paar duiten voor ieder kind, dat op de bloote voeten voor mij uitliep en over de greppen duikelde om mijn liefdadigheid op te wekken: en een scherts voor het frissche landmeisje, dat mij tegen kwam en soms nog, lang na dat ik voorbij was, het hoofd omwendde, met dien half verwonderden, half spottenden lach, welken alle eenigzins vreemde kleederdracht bij onze landgenooten gewoonlijk verwekt. En indedaad, ik moet bekennen dat mijn uiterlijke tooi niet van dien aart was, dat ik er hoog op roemen kon, en in het oog van de zoodanigen, die alleen naar het gewaad de lieden beoordeelen, zeer moest afsteken tegen de nette en zwierige kleedij der stedelingen van dien tijd: ja, dat ik bij de eerste beschouwing veel had van een eenvoudigen marskramer. De stoffaadje van mijn gewaad was fijn, maar helaas! door lang gebruik zoodanig versleten, dat niets van hetgeen ik droeg de blijken toonde van ooit nieuw te zijn geweest. Mijn hoed, op zijn Spaansch, met breede slappe randen voorzien, die mij ten zonnescherm strekten, was van leder, dat eenmaal zwart geweest was, maar door zon en regen met een rozeroode kleur begiftigd geworden, en hier en daar met enkele bruine en geele vlekken getijgerd. Mijn rok, van uitlandsch fatsoen en zonder eenig galon of borduursel, had insgelijks van den invloed der luchtgesteldheid geleden, en droeg bovendien de kenmerken van lange en trouwe diensten; want menige knoop had zijn post verlaten: en aan de ellebogen en opslagen zag men kale plekken van een geheel andere kleur dan die, welke den grond der stoffaadje uitmaakte.Het kamizool, dat van witte zijde was, met groene vloszijde geborduurd, had volkomen het aanzien, als ware het van een verkooping op de Noordermarkt afkomstig; maar daar onder blonk hetgeen ik altijd gewoon ben geweest als het echte kenmerk eens beschaafden mans te beschouwen, namelijk het heldere hemdslinnen, dat, dank zij mijn moeder, die het uit twintig stukken uitgezocht had, zoo fijn was, als men ergens bekomen kon, en zoo blank, als het stuivende stof toeliet, dat reeds mijn witte kousen en hooge schoenen bedekt had met die roodaartige kleur, welke aan het zand in die streken eigen is.

Een plunje als de mijne was niet geschikt om eenigen struikroover in verzoeking te brengen: ik had dan ook de pistolen en den degen, die mij op onze uitstapjens in Duitschland trouw vergezelden, bij mijn bagaadje gelaten, welke met den bolderwagen van Deventer op Naarden reisde, en meende tegen de gevaren, die ik van Amersfoort tot Naarden te vreezen mocht hebben, en waaronder ik de ontmoeting van een dollen hond als de ergste rekende, genoegzaam beveiligd te zijn door den kneppel, dien ik over den regter schouder droeg en waaraan een pakje bungelde, bestaande uit mijn nachtgoed en eenige andere onontbeerlijke benoodigdheden, in een bonten doek te samen geknoopt.

Ik sta met opzet bij deze bijzonderheden stil, die wellicht onbeduidend zullen schijnen; maar die mij toch voorkwamen vermeld te moeten worden, tot beter verstand van hetgeen verder volgen zal. Ik durf er, (want op mijn leeftijd kan het aan geen ijdelheid worden geweten,) nog dit bijvoegen, dat, zoo mijn uitlandsche en sobere opschik aan de meisjens een lach afdwong, het mij somtijds toescheen, alsof mijn persoon zelve haar anders niet mishaagde: ik was groot en sterk van gestalte; mijn kloeke lichaamsbouw gaf mij, ofschoon ik werkelijk jonger ware, het voorkomen van reeds boven de vijfentwintig jaren te zijn: mijn gelaat, ofschoon geroost door den invloed van zon en lucht, prijkte met den frisschen blos van jeugd en gezondheid: mijn tanden, die ik tot heden toe goed bewaard heb, hadden toen bovendien het voorrecht, van blank en welgeplaatst te zijn: en, naar de getuigenis van anderen, waren mijn lichtbruine oogen geheel niet van levendigheid ontbloot en onderscheidden zich ten minsten door een niet onaangename uitdrukking van goeden luim en welwillendheid. Wat mijn hairen betreft, zij waren blond, en ofschoon helaas! bestemd om bij mijn komst te Amsterdam door de schaar des kappers te worden afgemaaid, en voor een gekrulde paruik plaats te maken, zij golfden nog op dien ochtend in hun natuurlijken staat over mijn schouders en deden mij kennen als een onverbasterden afstammeling van het echte Noordsche ras.

Ik stapte dan, gelijk ik gezegd heb, vrolijk vooruit, met de vrij zekere overtuiging van tijdig genoeg binnen Naarden te zullen komen, om met de laatste schuit van daar naar Amsterdam te kunnen vertrekken. Immers, het was nog vroeg in den morgen, en de afstand naar genoemde vesting was zoo groot niet, of ik kon dien op mijn gemak afleggen, zelfs al dwong mij een regenbui, of vermoeidheid, of honger, hier en daar onder weg een uurtje te vertoeven.

Wat de laatste der drie genoemde redenen van oponthoud betreft, deze begon zich alreeds bij mij te doen gevoelen. Ik had bij mijn vertrek van de Ridderhofstad niets gebruikt, omdat het mij nog te vroeg was, en te Amersfoort had ik mij vergenoegd, een hartversterking tegen de morgenlucht te nemen. Het was dus niet zonder een innig genoegen, dat ik de torenspits van Zoest in het vizier kreeg, en dadelijk was mijn besluit genomen, om in dat dorp een oogenblik uit te rusten en eenige verversching te gebruiken.

Weldra vergunde mij een bocht, welke de weg daar ter plaatse maakt, om het geheele lichaam der kerk te zien, en mij te verlustigen in den aanblik van het lagchende en bevallige schouwspel, dat zij vooral van dien kant oplevert. Oogverblindend stak de grijze en eerwaardige vierkante toren, met zijn hooge spits, door het schelle licht der morgenzon beschenen, tegen de donkere lucht daar achter af, en tegen de groene boomen, die het gebouw omringden; terwijl de heuvelachtige grond, die mij nog van het dorp scheidde, met goudgeel koren of sneeuwwitte boekweit bedekt, niet weinig toebracht om de bekoorlijkheden van dit landgezicht te vermeerderen. Ik was nimmer een enthusiast; maar de aanblik der schoone, eenvoudige natuur, heeft altijd een diepen indruk op mij gemaakt, en thands ook gevoelde ik mij getroffen, zonder zelf te weten waarom: ik geraakte in een stille, eerbiedige stemming en ik wischte mij een traan uit het oog, toen ik het dorp binnen trad. –

Deze gemoedsgesteldheid was echter spoedig geweken, toen ik de voornaamste herberg in het oog kreeg: deze bevond zich op den hoek van een driesprong, welken de hoofdstraat met een zijweg vormt, en was kenbaar aan een vervooruitstekend uithangbord van ijzer, rijkelijk met krul- en snijwerk voorzien, en tot leuze een geschilderde zwaan voerende, met het gebruikelijk onderschrift: vrij wijn en meê . Eenige krebben, welke tegen over den ingang stonden, en een houten stalling, die naast het huis was opgeslagen, gaven bovendien te kennen, dat men hier zoowel te voet als te paard welkom was en verversching bekomen kon. Ook zag ik indedaad een niet gering aantal boerenwagens en karren uitgespannen op het plein staan, terwijl een magere oude knol bezig was zijn honger te stillen met het frissche gras, dat hem in een der voorgezette krebben werd toegediend. Genoemd dier was gespannen voor een ouderwetsche koetskar, met linnen huif, tegen welk voertuig een groot manspersoon aanleunde, wiens gelaat van mij was afgewend en bovendien overschaduwd door een hoed met afhangende randen, die eenige familietrekken had met den mijnen. Een lange roode mantel met opstaande kraag dekte zijn ledematen en schitterde in de zon, gelijk een vurige oven. Hij scheen zachtjens te praten met iemand die zich binnen in de kar bevond, maar dien ik niet zien kon, vermits ik het rijtuig van achteren naderde. Overigens kan ik niet zeggen, dat ik er zeer nieuwsgierig naar was, daar mijn gedachten voor het oogenblik meer bezig waren met het ontbijt, hetwelk ik mij had voorgesteld binnen de herberg te gebruiken, dan met den reiziger, die zich daar voor bevond, en ik verwaardigde dezen dan ook met niet meer dan een oppervlakkigen blik, terwijl ik mij haastte de hand aan de klink van de deur te slaan, en de herberg binnen te treden.

DigitalDroom Reader

Hoofdstuk II

II / XXXIX

Ik vond hier meer personen bijeen, dan ik reden had van op dat uur van den dag te verwachten. Immers, de kerkklok had slechts even negen geslagen en er moest dus een bijzondere reden bestaan, welke de in de herberg aanwezige lieden derwaarts had gelokt op een tijdstip, dat men hen veeleer aan hun arbeid zoude verwacht hebben. Het was dus natuurlijk dat ik, na een algemeenen ‘goeden morgen samen!’ in ’t rond gewenscht te hebben, naar de toonbank stapte en aan de aldaar post houdende dochter des huizes (een frissche, knappe deerne van ongeveer twintig jaren, welke blijkbaar in haar zondagspak was uitgedoscht, met zilveren oorijzers en een halssnoer van dikke bloedkralen,) de aanmerking maakte, dat er al vroeg volk in de herberg was.

– ‘Dat ‘eleuf ik wel, koopman!’ antwoordde het meisje, terwijl zij, zonder naar mij om te zien, voortging met voor haar gasten een paar hooge glazen met schuimend bier te vullen: ‘je zult het ook wel ‘eroken hebben, wat hier van daag te doen is.’ –

Ik was op het punt van mijne volslagene onbewustheid van de oorzaak der vereeniging te kennen te geven, toen een papier mijn oogen trof, hetwelk tegen den gemenieden wand aan een spijker hing en waarop een schoof als tijtelvignet en de woorden: segt het voort in groote letteren als onderschrift prijkten: ik begreep dus, dat hier een graanveiling of iets diergelijks plaats moest hebben, en, mijn onderzoekingen niet verder voortzettende, eischte ik een boterham met kaas en een glas koude karnemelk: vervolgens, mij omwendende, zette ik mij, in afwachting van het bestelde, aan het benedeneinde eener lange tafel, die tegen het raam geplaatst was, en nam de aanwezigen in oogenschouw.

Naauwelijks echter had ik den tijd gehad om op te merken, dat het boveneinde der tafel was ingenomen door een dikken, wel doorvoeden landman, wiens groen damasten vest met bloemen, ruim gesneden rok van bruine sergie en zilveren broeksknoopen aantoonden, dat hij tot de vermogendsten van zijn stand behoorde; terwijl mijn overbuurman daarentegen er vrij schraal en verloopen uitzag, – toen mijn ooren gekweld werden door een piepend geschreeuw van: ‘phijpedoppies! deursthekers! zoek thoch maar huit, khoopman! Hik ‘ep nog gheen ‘andgift ghehad vandhaag, zoowaar zelje ghesond blijven!’

Ik wendde mij om en zag een Joodschen kramer achter mij staan, dien ik nog niet had opgemerkt. Waarschijnlijk had hij in een hoekje of bij den haard gezeten, en was hij bij mijn komst opgerezen, om te zien of hij iets aan mij slijten kon.

– ‘Ik dank u, vriendje!’ zeide ik, na hem ter loops te hebben aangezien: ‘ik heb niets noodig:’ en om hem zooveel mogelijk te toonen, dat ik geen plan had mij verder met hem op te houden, draaide ik mij van hem af, en, de ellebogen op de tafel plaatsende, ondersteunde ik mijn hoofd met beide handen, in de houding van iemand, die niet verlangt gehinderd te worden.

– ‘Na doch!’ zeide de Jood, de dunne, magere vingeren zijner rechterhand, welke de kettingskens van een dozijn pijpendopjens vasthield, door de opening tusschen mijn hoofd en mijn arm heenstekende en mij vlak voor den neus brengende: ‘laat ik je toch maar een dhozijntje verkoopen. Gheen deit rijk, zoowaar zelje ghezond blijven: en ik mot vandhaag nog ver reizen.’ –

Wetende bij ondervinding, hoe weinig het baat zich over dergelijke onbescheidene aanzoeken boos te maken of er tegen in te spreken, vergenoegde ik mij met mijn voorarm te buigen en door een soort van contramanoeuvre tusschen mijn gezicht en de hand des kramers te brengen, waardoor ik de pijpendopjens weder van mij verwijderde.

– ‘Nha! al duwje me therug, dhaarom zelje toch ghezond blijven,’ hernam de Jood, met de vasthoudenheid aan lieden van zijn beroep eigen: ‘motje gheen halmenakkie ‘ebben? gheen scharen, messen of photloodjens?’ – En, in de plaats van zijn hand, wist hij nu het geheele marsje, dat hij voor hem droeg, tegen mijn borst aan te werken, zoodat ik mij wel genoodzaakt zag, mij geheel naar hem toe te keeren en hem vriendelijk te verzoeken, mij met vrede te laten. ‘Waarlijk, goede vriend!’ zeide ik: ‘ik heb niets van uw kraam noodig: ik ben immers zelf maar een arme reiziger, en zal nog werks genoeg hebben, om met het beetje gelds, dat ik bij mij heb, toe te komen en de stad te bereiken.’ –

Onder het uiten dezer woorden had ik den Jood naauwkeuriger beschouwd, en meende mij nu flaauw te herinneren, dat ik hem vroeger, waarschijnlijk wel te Amsterdam, had ontmoet. Ik was weldra zeker, dat ik dien man, met dat olijfkleurige gelaat, dat hooge, smalle voorhoofd en dien bruinen gelapten tabbert van saai meer gezien had; maar nooit te voren had ik acht gegeven op de zwarte en levendige oogen, die op het hooren mijner taal een kluchtige uitdrukking van ongeloof aannamen, terwijl zijn dunne lippen zich vertrokken tot iets, dat op een glimlach geleek.

– ‘Khom!’ zeide hij: ‘je spot immers er mee: je zoudt gheen gheld ‘ebben: nha doch! ‘et dhoet er niet toe. Khijk, ep je gheen gheld, je ept krediet: en dat’s veel gheseid in dhesen thijd van de hactie-‘andel! Daar ep je een dhozijntje: je zelt me morghe of overmorghe wel bethalen, as je in de stad zult sthaan te zijn gekhomen, dat weet ik ommers best. Simon heit krediet voor je vhaders zhoontje.’ –

– ‘Van daag of morgen is ’t zelfde,’ zeide ik, de pijpendopjens, die hij op tafel gelegd had, weder naar hem toeschuivende: ‘ik rook niet.’ –

– ‘Niet, koopman?’ vroeg de waard, een dikke, stevig gebouwde kaerel, met een vrolijk aangezicht, die, even naar de kelder geweest zijnde, juist weder binnen was gekomen, en met een pijp in de hand naar mij kwam toegetreden: ‘ik wou je juist een pijp aanbieden.’ –

– ‘Ik dank je,’ zeide ik, (want ofschoon ik later die gewoonte weder heb aangenomen, ik was op mijn reis, bij mangel aan goeden tabak, het roken afgewend); ‘maar ik heb wat eten en drinken besteld, zou dat haast klaar zijn?’ –

– ‘Toe dan, Mientje!’ zeide de waard, zich omkeerende, ‘waar blijft het ontbijt voor den koopman?’ –

– ‘Zoo aanstonds,’ antwoordde de dochter: ‘wil je er beschuit op hebben, koopman? of verkies je nagelhout?’ –

– ‘Wel!’ hernam ik: ‘laat ons van allebei eens proeven: maak er mij maar twee.’ –

– ‘Messen! – scharen! – khurkhetrekkers! – khammen!’ vervolgde de Jood, met een pause tusschen elk voorwerp, dat hij opnoemde: ‘of… wil je liever kurieuser whaar: je bent toch een ghesthudeerd jong mensch… hik ‘ep hook mooie poekkies: ‘ier is de Arlekhijn Haksinischt!… ’t plijspel van Khinkampoeis! 1) de leste woorden van Saco, toen ie op et schavot stond…’ –

Er was geen middel van hem af te komen, zonder in de beurs te tasten. Ik liet mij dus overhalen om mij een kurketrekker aanteschaffen, al ware het maar om te kunnen zeggen, dat ik een Grieksch testament 2) van een Jood gekocht had. De koop was spoedig gesloten, en ik betaalde zonder afdingen den gevraagden prijs, ofschoon de innerlijke waarde van het voorwerp verre te boven gaande, onder de uitdrukkelijke voorwaarde, dat mij de kramer met geene verdere aanbiedingen zoude lastig vallen. – Mijn edelmoedigheid was mij niet nadeelig, gelijk men terstond zal gewaar worden.

– ‘Ghelik er mee!’ zeide Simon, terwijl hij mij het gekochte voorwerp ter hand stelde: ‘maar phas op,’ voegde hij er fluisterend bij, ‘dat je een mhes vraagt bij je hontbijt en je niet bhedient van ’t ghenige dat dhaar sthaat.’ –

– ‘Hoe!’ zeide ik met eenige verbazing; – maar, toen ik met de oogen den blik des raadgevers volgde, vielen zij op een mes, hetwelk mijn overbuurman, van wiens ongunstig uitzicht ik zoo even gewach maakte, kort te voren met de punt middel in de tafel had gestoken. Te gelijker tijd herinnerde ik mij, meermalen gehoord te hebben, hoe sommige liefhebbers van het edele bekkesnijden, bijzonder in Eem- en Gooiland, gewoon waren hun messen in herbergen en kroegen op een zichtbare plaats op te hangen, of in de tafel te steken, en den onkundigen of onvoorzichtigen vreemdeling, die er zich van bedienen wilde, of er slechts even naar keek, tot een gevecht te dagen. Ik dankte dus met een bijna onmerkbaar knikje den goeden Jood voor zijn tijdige waarschuwing, welke mij toescheen ruim op te wegen tegen den voor den kurketrekker betaalden prijs: en ik gevoelde daarvan het dubbel belang, toen ik, na mijn ontbijt uit de handen van Mientje te hebben bekomen en een mes daarbij te hebben gevraagd, op het gelaat van mijn overbuurman een trek van ontevredenheid zag oprijzen. Ik heb het afbeeldsel van dezen kwant nog niet gegeven: en echter verdient hij wel, dat ik een oogenblik daarbij stil sta: hij had, gelijk ik reeds met een enkel woord aanstipte, een afzichtelijk voorkomen: lange, sluike hairen, wier kleur men raden moest, hingen hem van onder een ruige muts op de schouders: zijn oogen hadden den gluipenden blik der hyena en waren van wenkbraauwen en ooghairtjens bijna geheel onvoorzien: zijn wijde mond, die, door de gewoonte van een kort pijpje bestendig aan denzelfden kant tusschen de lippen te klemmen, geheel scheef was getrokken, opende zich nu en dan tot een grijnzenden lach, die een alleronaangenaamsten indruk verwekte; of onze maat overigens een neus had al of niet, kon met reden tot het onderwerp eener weddingschap gestrekt hebben, zoovele naden en kruislijnen van lidteekens (overblijfselen van vroegere gevechten) vereenigden het vormlooze stompje boven den mond met de wangen en den bovenlip. Dit beminnelijk wezen was half op zijn boersch, half op zijn zeemans gekleed, met een blaauw duffelsch buis, vol lappen en winkelhaken, een vest zonder knoopen, hetwelk den ruig bewassen boezem geheel bloot liet, een wijden visschersbroek, opgehouden door een zwart lederen gordelriem, waarin een messchede van robbevel stak, wollen kousen, en holsblokken aan de voeten.

Waarschijnlijk had hij verwacht, dat ik hem de gelegenheid tot een klein snijpartijtje zoude verschaft hebben, en reeds, als een tijger in zijn hinderlaag, zitten loeren, of ik ook onbedachtzaam het voor hem geplante wapentuig zoude aangrijpen. Zijn teleurstelling althands, toen hier niets van kwam, bleek mij te groot te zijn, dan dat hij zoude kunnen gezwegen hebben: de uitdrukking, die zijn gelaat aannam, wekte mijn opmerkzaamheid en trok mijn aandacht af van het gesprek, dat baas Roggeveld voerde, die juist bezig was te verhalen, hoe hij van Peer de Groot tien lakenvelsche koeien gekocht had voor ƒ 80 het stuk. De varensgast nam het pijpje uit den mond, blies een dikke rookwolk weg, sloeg het glaasje brandewijn, dat hij voor zich had staan, in eene teug naar binnen, en vroeg mij, na deze voorbereiding, waarom ik mij niet bediend had van het mes, dat voor mij stond.

– ‘Ik had het niet gezien,’ zeide ik op een onverschilligen toon: ‘en bovendien heb ik gaarne een mes voor mij alleen.’ – Dit gezegd hebbende ging ik met eten door, zonder den kwant verder aan te kijken.

– ‘Niet gezien!’ herhaalde hij met een gemeenen vloek: ‘en waar hield je dan zoo even je kluisgaten op gericht? ’t is mijn mes, voor den d….!’ vervolgde hij, met de geslotene vuist op de tafel slaande, en zijn stem hoe langer hoe meer uitzettende, als dacht hij mij daarmede schrik aan te jagen: ‘en wie er naar kijkt, die kan met mij aan den, gang komen, daar valt niet van, voor den …! Jij hebt er naar gekeken, en as je boterham binnen is, dan zullen we eens zien, of je voor je boeg kunt zorgen.’ –

Deze forsche uitdaging verwekte een plotslinge stilte bij de aanwezige boeren, die, in goede eendracht bijeen zittende, bezig waren over den prijs der granen en andere onderwerpen van hun gading te spreken. Aller oogen vestigden zich op den matroos (want daarvoor moest ik hem aan zijn taal houden) en vervolgens op mij, met die belangstelling, welke een twist als deze nimmer nalaat te verwekken: ja, ik geloof, dat menigeen zich reeds streelde in de verwachting van het genoegen, dat een echt nationaal messengevecht hun verschaffen zoude. Ik moet echter tot hun eer zeggen, dat ik hier en daar een blik van welwillend medelijden ontmoette, en op menig gelaat kon lezen, dat men mij niet bestand achtte tegen den geoefenden kamper, die mij had uitgedaagd. Wat mij betreft, ik was, gelijk men denken kan, niet zeer op mijn gemak: ik begreep echter zoo bedaard mogelijk te moeten blijven en den storm door rustige onverschrokkenheid afkeeren. Ik ledigde eerst mijn glas en zeide toen, op een toon, zoo kalm mogelijk, dat ik geene reden hoegenaamd tot een gevecht zag, daar ik niet wist, iemand met woorden of daden beledigd te hebben. Mijn woorden werden wel opgenomen door de aanwezige boeren: althands er ontstond een goedkeurend gemurmel: de landman, die aan het boveneinde zat, knikte mij vriendelijk toe, en zich vervolgens tot den zeeman wendende: ‘wat heit jou die koopman ‘edaan, Andries Matthijssen!’ vroeg hij, ‘dat je met hum voor ’t mesje wilt?’

– ‘Wel! baas Roggeveld!’ zeide Andries, zijn taal met vloeken doormengende, welke ik, om geene kiesche ooren te kwetsen, slechts met een ( ) zal aanduiden: ‘die koopman kijkt naar mijn mes en geeft een bretaal antwoord daar te boven ( ). Mot ik me van zoo’n loop in ’t lijntje laten op den kop zitten? ( ) Maar omdat hij nog maar een loeris van een jongen is, zal ik hem ( ) niet te hard behandelen en, met een enkeld half maantje over zijn hakkebord, laten waaien; – maar opstaan mot hij.’ –

En meteen oprijzende, trad hij naar mij toe en wilde mij in de kraag grijpen: – ik was echter op mijn hoede, en, zoowel een vuist- als een messengevecht willende vermijden, schoof ik bij zijn nadering met mijn bankje achteruit. ‘Pas op!’ zeide ik, de armen kruisende en hem stijf in ’t gezicht ziende: ‘raak mij niet aan of het zou slecht met u kunnen afloopen. Ik zoek geen twist; maar het zou u rouwen, zoo ge mij eenig leed deedt.’

– ‘Wat zou me rouwen, jou beroerde zandhaas?’ snaauwde Andries, terwijl hij hoe langer hoe driftiger werd, mij toe: ‘ik zel je leeren, ordentelijk vlag te strijken. Op! zeg ik jou: nou je zoo spreekt zel ik eens zien, of ik geen frikkedellen van je voorgebergte kan snijen.’ –

Onder het uiten dezer bedreiging stak hij nogmaals de hand uit, om mij te dwingen mijn plaats te verlaten en met hem aan ’t snijen te gaan. Ik moet bekennen, dat ik mijn toestand hoogst onaangenaam begon te vinden; want ik zag niets aartigs in het denkbeeld van zonder neus bij mijn ouders te keeren: en waar ik de blikken heen wendde, ik bespeurde bij de boeren geen zucht om zich met den twist te bemoeien: zij waren daartoe of te lui, of te nieuwsgierig hoe het af zoude loopen, en bleven met een fatale koelbloedigheid hun pijpjens rooken en hun drank opslorpen.

Er kwam echter hulp van een anderen kant. Simon de Jood had zich, bij de eerste woorden van Andries, met een angstig gelaat naar een der hoeken van het voorhuis teruggetrokken en was, toen de twist hooger begon te loopen, langs den muur naar de toonbank geschoven, waar hij aan Mientje, die, ofschoon aan dergelijke tooneelen waarschijnlijk gewoon, eenigzins onthutst keek, eenige woorden in ’t oor had gefluisterd. Het meisje was hierop terstond haar vader te gemoet geloopen, die juist uit de kelder kwam met eenige versch getapte kruiken. Hoewel deze zich anders waarschijnlijk zelden over een dergelijke rusie bekommerde, waar hij wel wist dat meestal een goed gelag op volgde, scheen hij toch eenigzints versteld over de geheimzinnige mededeeling, welke zij hem deed.

– ‘Hoe zegje?…’ vroeg hij half luid: ‘de zoon van…’

Het antwoord van Mientje werd op zulk een flaauwen toon gegeven, dat ik alleen de woorden: ‘Hoofdschout, Amsterdam’ verstaan kon, waaruit ik opmaakte, dat Simon haar verhaald had, wie ik was.

– ‘En zeit die Smous dat?’ vroeg de waard weder: ‘die koopman daar de zoon van…’ en hij zag Simon aan, die, bevend bij den haard gedoken, met een herhaalden hoofdknik de waarheid van het gezegde bevestigde.

– ‘Dat vereischt overleg,’ zeide de waard, zich den kop krabbende, en de kruiken aan Mientje overhandigende: ‘die Sinjeurs in Amsterdam hebben armen, die ver reiken, en zij zouden het mij inpeperen, zoo ik een van hun broedsel in den pekel liet steken. Hei wat, vrind Andries!’ riep hij op eens, zijn breede hand op den schouder des twistzoekers leggende, op het oogenblik, dat deze, na mij verlaten te hebben om even aan een buurman te vertellen waar hij mij raken zoude, zich op nieuw in postuur stelde om mij aan ’t lijf te komen.

– ‘Wel! wat wou je?’ vroeg Andries, zich onwillig omkeerende.

– ‘Wat ik wou?’ herhaalde de waard, zijn zwaarlijvige gedaante tusschen ons beiden instellende: ‘ik wou, dat je dut heerschap daar met vrede liet. De man heit jou ommers geen stroobreedte in den weg ‘eleid! Ga zitten en drink je zoopje: je ziet ommers dat het je portuur niet is.’ –

– ‘De kastelein spreekt als een verstandig man,’ zeide baas Roggeveld, zijn pijp even omdraaiende: ‘je zoudt er, in dat geval, geen eer mee inleggen, met teugen dien koopman te vechten: en ik beloof het je ook, we hadden het nooit zooverre laten komen, in dat geval. Ik was maar ‘ereis nieuwsgierig hoe hij zich houen zou; maar ik mot zeggen, hij was niet bang ook, in dat geval!’ en bij deze loftuiting voegde hij een vleiend knikje.

– ‘Ei! ei!’ zeide Andries, den waard schamper aanziende: ‘jij zelt ook zooveel klanten krijgen as er op het spil van den bramtop kunnen staan, as je ’t zoo anleit; en een man, die, zoo als ik, een echt Goijerskind ben en nog bovendien al de eilanden van de Westinjes zoo goed ken as jij den weg naar je kelder, beletten wilt een klein eerlijk vechtpartijtje te hebben. ’s Lands wijs, ’s lands eer! zeg, ik maar: en ik beloof je, dat je mijn gezicht ook voor ’t laatst ziet as het zoo mot gaan.’ –

Deze bedreiging deed mij in mijzelven lagchen; want ik dacht, dat de waard juist niet zeer gesteld moest zijn op een klant als Andries, wiens uiterlijke geene zeer gevulde beurs verraadde. Ik bedroog mij echter, althands naar hetgeen de kastelein volgen liet.

– ‘Kom! kom!’ zeide hij, Andries gulhartig op den schouder tikkende: ‘zoo motje nou ook niet spreken. Je weet, dat ik een eerlijke snijpartij al zoo graag zie als een aêr; maar dan mot het over en weêr goedwillig in zijn werk gaan, zoo dat Schout of Baljuw er niets in te zeggen heit. Je weet ommers zelf best hoe ’t gaat, as de eene partij niet wil vechten en de aêre al; dan schuren naderhand allebei hun piek en de kastelein wordt in de boete beslagen.’ –

– ‘Ei wat! denk er niet meer over,’ riep Roggeveld Andries toe, die norsch voor zich heen keek: ‘er zel nog wel gelegenheid kommen vandaag om te toonen wat een kaerel je bent, in dat geval. Drink nou de kwestie af met den koopman en laat het daarbij blijven, in dat geval.’-

– ‘Dat is niet kwaad gedacht,’ zeide ik, hopende op deze wijze de zaak best te sussen: ‘geef dan een glaasje brandewijn, vrijster! en laat er niet meer over de questie gesproken worden. Zwik! ’ zeide ik, mijn mond aan het zoopje zettende, dat Mientje mij bracht en het daarna aan Andries toestekende.

– ‘ Zwak! ’ zeide deze, het glas ledigende: ‘en ik wensch je toe dat je nooit meer in mijn vaarwater komen meugt.’ –

Ik zag eenigzints vreemd op bij dezen zonderlingen wensch: de toon, waarop die werd uitgesproken, zoowel als de schuinsche blik waarmede hij vergezeld ging, deed bij mij een onwillekeurigen schroom ontstaan, waarover ik mijzelven verwonderde. Ik wilde nu heengaan; maar ik weet niet welk een valsche schaamte mij beduidde van nog een oogenblik te blijven, om niet door een overhaast vertrek de boeren in den waan te brengen, dat ik mij uit vrees verwijderde. Ik bleef dus nog een poos bij de toonbank draaien, en keek van tijd tot tijd naar buiten, waar de man met den rooden mantel zich nog altijd bevond en thands met zijn voerman praatte, die hem, naar het mij voorkwam, scheen te beduiden, dat het paard op nieuw beslagen moest worden; althands, na eenige oogenblikken werd het beest naar den smid aan de overzijde gebracht.

– ‘Is het waar,’ hoorde ik intusschen baas Roggeveld aan een zijner buren vragen, ‘dat Aafje Jansz gister avond op het Larensche veen is afgezet eworden?’

– ‘Naakt uit’eschud, meugje wel zeggen,’ was het antwoord: ‘’t is veul, zoo die schelmen heur een hemd an ’t lijf hebben ‘elaten. Zij waren met er drieën, as ik hoor.’

– ‘’k Sou zoo garen om een roompje

Met jou eens naar buiten gaan,

Rusten onder het lindeboompje;

Dat je ’t maar eens dorst bestaan,’ –

zong Andries er tusschen beide.

– ‘Ja nog erger,’ zeide een andere boer: ‘zij hebben de weuning van Klaas Tymensz te nacht op ‘ebroken en zijn met al den bult gaan strijken.’ –

– ‘’t Is de bende van Zwarten Piet,’ zeide een derde.

– ‘Ei wat!’ bromde Andries tusschen de tanden, en terstond weer voortzingende:

‘Margriet! maar ziet,

Besjen is te kwaad,

Als men eventjens bij jou staat,

Maar ziet, besjen is te kwaad,

Als men maar eens met jou praat.’

– ‘Jij, die van alle markten te huis bent en op zooveel zeeën gezwalkt hebt,’ zeide de waard, Andries aanstootende! ‘jij hebt zeker Zwarten Piet wel ‘ekend ook?’ –

– ‘Wat bruit mijn jou Zwarten Piet,’ zeide Andries, een scheef gezicht zettende: ‘och! ’t is allemaal lanterluien, wat dat volk vertelt. Een goeien vetten koopvaarder van zijn overtollige ballast te ontlasten, dat was werk voor Zwarten Piet: denk jij, dat een echte zeebonk as hij zich zou ophouen met een oud wijf op den grooten weg te onttakelen?’ –

– ‘Wie weet!’ zeide de waard: ‘tot een tijdverdrijfje onder’shands.’ –

– ‘Gekheid!’ zeide Andries: en hij begon op nieuw zijn gezang.

Ik weet niet, hoe het kwam; maar het scheen mij toe, als of hij daardoor afleiding aan het gesprek wilde geven: en het was of een geheime stem mij influisterde, dat zoo die diefstallen al niet op rekening van Zwarten Piet moesten geschoven worden, Andries althands daar meer van af wist dan hij zeggen wilde.

Het was echter niet meer dan een vermoeden; en daar ik begreep, nu lang genoeg te zijn gebleven, wierp ik een gulden op de toonbank en verzocht om geld terug.

Terwijl Mientje nog bezig was eenige dubbeltjens uit haar tasch te halen, trad de man met den rooden mantel de deur binnen en stapte, zonder eenige notitie van iemand te nemen, naar de toonbank toe.

– ‘Vrijster!’ zeide hij: ‘geef spoedig een paar sneden wittebrood en boter. Wij moeten voort, zoodra ons paard beslagen is.’ –

Mientje zette zich dadelijk in postuur om aan het verzoek te voldoen: en de onbekende bleef met de armen over elkander geslagen voor de toonbank staan, zonder te bespeuren, dat hij het voorwerp der beschouwing was van al de aanwezigen, maar vooral van mij, die nog altijd stond te wachten op het geld, dat ik terug moest hebben.

En indedaad, hij was wel geschikt om de opmerkzaamheid tot zich te trekken: zijn gestalte was ongemeen hoog, zonder echter het onbevallige te bezitten, hetwelk meestentijds eigen is aan uit hun kracht gegroeide personen en hun het hoofd doet gebogen houden of den rug krommen. Integendeel, de stand van den reiziger was vrij en ongedwongen en de roode mantel zelf, die hem bijna geheel bedekte, was met een achteloozen zwier omgeslagen, welke iets edels, iets schilderachtigs bijzette aan elke houding, die hij verkoos te nemen. Over de gelaatstrekken viel het echter moeilijker eenig oordeel te vellen. Een slechts los omgeknoopte das van zwarte zijde verborg de onderste helft van het aangezicht, en de slappe rand van den hoed viel op het voorhoofd neder; zoodat men weinig meer kon onderscheiden, dan den eenigzins voorovergebogen neus en den zwaren peper- en zoutkleurigen knevel, die den bovenlip overschaduwde.

Simon was bij het binnentreden des vreemdelings nog dieper in zijn hoekje teruggekropen, als had hem die reusachtige gedaante schrik aangejaagd; maar, even als de vos, die in ’t eerst voor den leeuw vluchtte, doch langzamerhand aan zijn uitzicht begon te wennen, en eindelijk gemeenzaam met hem werd, zoo scheen ook onze marskramer, na gedurende een poosje den roodmantel te hebben aangegluurd, zijn schroom te laten varen en vrijmoedigheid te verkrijgen: hij rees langzaam op, en, den onbekende naderende, begon hij hem zijn koopwaren aan te bieden.

– ‘Dheursthekers! – messen! – scharen! – brillen! – photloodjens! khoop wat, Meneer! gheen deit rijk, zoowaar God leeft.’ –

De vreemdeling vergenoegde zich, den Jood met een langzaam hoofdschudden af te wijzen, zonder eenig antwoord op zijn aanzoeken te geven.

– ‘Laat ik wat an jou verdienen,’ vervolgde Simon, hem bij den mantel trekkende: ‘halmenakkies! snijfdoozen! Thraktaatjens hover de pholetiek van den dag! – mooi om te leggen loopen lezen hover den weg. Of wil je liever een khommedie-phoekje? – of de leste woorden van Saco, met zijn sententie er achter. Nha! hik zeg hummers gheen kwaad?….’

– ‘Hm!’ bromde de vreemdeling en ontwrong, met een beweging van verontwaardiging, zijn mantel aan de handen van den Jood, en te gelijk het bord met broodjens, dat Mientje hem toereikte, aannemende, wendde hij zich om, en ging weder naar de voordeur. Onderweg echter bedacht hij zich, keerde terug, keek rond, als zocht hij iets, nam toen het mes van Andries, (die juist opgestaan zijnde, bezig was een pijp aan te steken en de daad des onbekenden niet terstond bemerkte), sneed het eene broodje in dunne reepjens en stapte toen de deur uit, gevolgd door Simon, die niet afliet, hem zijn waren aan te prijzen. Andries ging weer naar zijn plaats en ontdekte terstond dat men aan zijn mes geraakt had. Ik had inmiddels mijn geld terug ontfangen, en, een nieuwen twist voorziende, mij, na een goeden dag aan ’t gezelschap te hebben gewenscht, weder naar buiten begeven, toen de arme Simon plotselings naar binnen en mij tegen ’t lijf werd geworpen. Hij had, niet te vreden van zijn prullen den vreemdeling aan te prijzen, ook in de kar willen kijken, waarschijnlijk om te zien of hij daar ook een kooper zoude vinden, toen de reiziger hem op deze vrij onzachte wijze belette, zijn voornemen ten uitvoer te brengen.

– ‘Hawaij! Hawaij!’ riep de arme drommel, zijne, over den grond verstrooide kramerijen stuk voor stuk oprapende: ‘hik ben heen bedurven man. Wat zhijn dat nou voor menieren? mag een heerlijke khoopman op ’s Eeren straten zoo be’andeld worden? Leelijke sthraatschender dhat je bent met jen schavot-kleerden mantel. Je bent men phortuur niet; maar gheef me hen kleinen jonge bij me hen ik shla je tot greizelementen, Mhag jij de menschen zoo molestheren?’ –

Er waren eenige voorbijgangers en werklieden uit de buurt op het rumoer komen aanloopen. Ik had de dienst, mij door Simon bewezen, nog niet erkend, en naar hem toetredende, stopte ik hem een zesthalf in de hand.

– ‘Daar,’ zeide ik, ‘dankje voor uw waarschuwing van zoo even! Wacht! daar liggen nog een paar messen! en hier een kam!’

Dit zeggende raapte ik eenige van zijne koopwaren op, die onder de kar geraakt waren, en stelde hem die ter hand, terwijl hij mij duizendmaal ‘God loonje!’ toewenschte. De vreemdeling bleef intusschen in een onverschillige houding tegen de kar leunen en zijne snede brood opeten, zonder zich over ons te bekommeren.

Op dit oogenblik stoof Andries de deur uit, met zijn mes in de hoogte, door den waard en al de boeren gevolgd.

– ‘Weer en wind!’ riep hij den vreemdeling toe: ‘ jij zelt er zoo makkelijk niet afkomen as dat loop in ’t lijntje daar. Wie heitje gehieten van an men mes te komen?’ –

– ‘Hawaij! hawaij!’ riep Simon, Andries met een smekenden blik aanziende: ‘elp mij thoch theugen dien Filisthijn, dien langen schlingel dhaar, die me eelemaal heit bedhurven.’ –

– ‘Hoorje niet, dat je gepraaid wordt,’ vervolgde Andries tegen den vreemdeling, die, zonder zich zijn woorden aan te trekken, onbeweeglijk stil bleef staan: ‘wat hadje met men mes noodig?’ –

De onbekende gaf geen antwoord; maar het ledige bord aannemende, dat de persoon die in de kar gezeten was hem aanreikte, stak hij het den kastelein toe en vroeg, wat hij schuldig was. Ik had mij intusschen willen verwijderen; maar ik beken dat de nieuwsgierigheid, hoe dit alles af zoude loopen, mij ook terug hield.

– ‘Geef dan voor den ( ) antwoord, kaerel!’ bulderde Andries, den vreemdeling bij den mantel grijpende.

– ‘Hebt gij lust denzelfden weg op te gaan als die Jood daar?’ vroeg deze: ‘ik hinder niemand; maar niemand moet mij aanraken.’ –

– ‘Hoor reis, ventje!’ zeide Andries: ‘jij mot zooveel praats niet hebben: al benje nog zoon lange spriet, ik heb er wel grooter als jou voor derlui frontwerk getrommeld. Heb je lust? dan zal ik je een rood lintje over je bakkes halen.’ –

De vreemdeling verwaardigde zich niet eenig antwoord te geven; maar, zich tot zijn voerman wendende, die juist met het beslagen paard terug kwam, riep hij hem toe zich wat te haasten. Dit bevel werd door de omstanders natuurlijk als een bewijs van vrees aangezien, en de waard, niet ontevrede, van nu eens aan Andries zijn trek tot een messengevecht te gunnen, wendde zich verheugd tot Roggeveld: ‘zie zoo!’ zeide hij: ‘nou zellen we toch nog een grapje hebben: en onze vriend Andries zal trakteren; want dat doet hij altijd rojaal, mot ik zeggen, as hij er een troef heit ‘egeven.’ –

– ‘Ik eleuf het niet,’ zeide Roggeveld: ‘die lange spier is ook al niet van ’t echte soort en ’t kon wel ‘ebeuren dat hij zonder neus verder most reizen, in dat geval!’ –

– ‘Wat ( ) is dat?’ hernam Andries tegen den onbekende, terwijl hij, de beenen wijd uiteen zettende, de linkerhand in de zijde bracht, en met de rechterhand zijn mes op- en nederwierp: ‘ben ik je nou geen antwoord waardig? En zou je zoo schoot gaan zonder bij te brassen? Neen mannetje! je zelt me, zoo lang as je bent, op je kniëen ekskuus motten vragen of – op het mesje!’ –

– ‘Welnu! waar wacht gij op?’ vroeg de man, wien de uitdaging gold, aan den voerman, die met wijd opgespalkte oogen dit tooneel stond aan te gapen: ‘Span in, en stoor u niet aan de praat van dien dronken lap daar.’ –

– ‘Dronke lap! ik dronken!’ brulde Andries, wiens woede nu ten top was gestegen: ‘wacht! ik zelje leeren!’ – En terstond sprong hij op den reiziger los, die juist bezig was, den voerman aan het inspannen te helpen. Ik was op het punt van tusschen beiden te schieten, daar ik vreesde dat de onbekende zoude worden aangevallen op een oogenblik dat hij niet op tegenweer bedacht was; maar Simon hield mij, onder een angstig gefluister van: ‘haway! bhemoei er je niet mee! Wat zel ‘et wezen?’ bij mijn rokslippen vast: en de vreemdeling toonde meer op zijn hoede te zijn dan ik meende; want, zich eensklaps omkeerende, gaf hij den twistzoekenden gast een stoot in de borst, dat deze achterover tuimelde, en, naar zijn adem hijgende, op den grond bleef liggen.

– ‘De drommel! die kwam an!’ zeide baas Roggeveld: ‘dat is ook geen kat om zonder handschoenen aan te vatten.’ –

– ‘Wel vriend Andries!’ zeide de waard, hem weder op de been helpende: ‘benje nou een zandruiter ‘eworden?’

– ‘’t Is ( ) ongehoord!’ vloekte Andries, met moeite opstaande: ‘en nou neem ik jelui allen tot getuigen, of hij niet met mij vechten moet.’ –

– ‘Vechten moet hij!’ riepen de boeren: ‘er is geen bidden voor.’ –

– ‘En ik neem u allen tot getuigen,’ zeide de vreemdeling, op een strengen toon, ‘dat ik het niet ben, die aanleiding tot twist gegeven heb: en dat, zoo de justitie deze zaak onderzoekt, zij eerder hen zal straffen, die een vreedzamen reiziger aanranden of zulks gedogen, dan hem die zich verdedigt, wanneer hij aangevallen wordt.’ –

– ‘Dat helpt allemaal niet!’ riepen de boeren: ‘jij hebt zijn mes an’eraakt, en hum ‘eslaogen: vechten motje.’ –

Ik zag, dat de zaak een slechte wending voor den reiziger begon te nemen: ik weet niet welke goede geest mij nu op eens den zotten logen ingaf, dien ik verzon om hem uit den brand te helpen.

– ‘Laten zij oppassen; wat zij doen,’ fluisterde ik Roggeveld, die naast mij stond, in ’t oor. Ik bedrieg mij niet: het is Tsaar Peter! de Tsaar van Rusland, weet gij?’ –

– ‘Wat je zeit!’ zeide Roggeveld, den vreemdeling verbaasd aanziende: ‘wel kijk is ’t mogelijk! in dat geval!’ en hij deelde zijnen buurman het sprookje mede, dat nu van mond tot mond vloog.

Het verdichtsel vond des te meer geloof, omdat de Tsaar, weinige jaren geleden, insgelijks zonder gevolg en incognito naar Amsterdam gereisd was, en dat de vreemdeling, door zijn hooge gestalte, zijn gebiedenden toon, en zelfs door de geduchte wijze, waarop hij van zich afgeslagen had, niet kwalijk beantwoordde aan het denkbeeld, dat men zich van den Russischen Vorst vormde. Kluchtig was het nu, den indruk gade te slaan, welken de tijding, die ik had medegedeeld, op de aanwezigen maakte. Al de mutsen en hoeden gingen een voor een af, en de boeren bleven als beteuterd den vreemdeling aangapen. Vooral de waard was verlegen, en zocht door menigvuldige buigingen en strijkaadjen het weder goed te maken, dat hij big den twist de zijde van Andries gekozen had. Andries zelf, schoon het aan zijn gelaat te zien was, dat hij het vertelsel betwijfelde, dorst echter den aanval niet hernieuwen, en bleef in het midden van den kring als besluiteloos staan, de blikken met een norsche uitdrukking nu eens op den gewaanden Tsaar, dan weder op de omstanders wendende. Slechts twee personen waren er, die blijkbaar niets van de zaak begrepen: de eene was Simon, die zich op eenigen afstand teruggetrokken had en de plaats hebbende verandering met blikken van verbazing beschouwde; want niemand gaf zich de moeite, hem eenige opheldering te geven: de andere was de onbekende zelf, die, blijkbaar verbaasd over de op eens zoo beleefde houding der boeren, al de omstanders beurtelings in ’t gezicht zag, tot dat zijn oog eindelijk op mij viel, en ongetwijfeld den glimlach waarnam, dien het welgelukken mijner list bij mij verwekte. Ik begreep zijn vragenden blik, en aanstonds, met den hoed in de hand hem naderende, maakte ik de beweging, als of ik hem in het rijtuig helpen wilde, en fluisterde hem in ’t oor: ‘men houdt u hier voor den Tsaar; maak maar spoedig, dat gij verder komt.’ –

– ‘Ik dank u!’ zeide hij, op de kar stappende: ‘rij nu maar voort, koetsier!’ –

De voerman liet het zich geen tweemaal zeggen, maar sprong op het krat en lei den zweep over het paard, dat terstond, met meer vlugheid dan ik het oordeelde te bezitten, zijn weg vervolgde.

De gandsche vergadering bleef het rijtuig eenige oogenblikken in stomme verbazing naoogen: tot dat de waard de stilte brak met den uitroep: ‘wel wie heit zijn leven zoo iets ‘ezien? Wie kon nou denken, dat die Roodmantel de Tsaar zou wezen?’ –

– ‘De Tsaar!’ riep Simon, weder toeschietende: ‘nha doch! ’t is zooveel de Tsaar, as dat hik Vader Abraham ben. Lhoop khijken! ‘Eb ik den Tsaar niet menigmalen ghezien, toen ‘ij te Zerdam wherkte as een gemeene krijer en den naam droeg van Phieterbhaas. Ze ‘ebbe je dhan holik bheet ge’ad, khastelein!’ –

– ‘Wat! hoe! was dat de Tsaar niet? Wie heeft dat dan verteld?’ mompelden de ontevredene omstanders: en aller oogen vestigden zich op mij, met een uitdrukking van wrevel en toorn.

– ‘Is hij het, die jelui bedot heit?’ vroeg Andries, op mij wijzende: ‘jelui bent ook een hoop gekken, die je een barkas voor een brik laat verkoopen!’ –

– ‘Kom! kom!’ zeide ik, ‘Tsaar of niet, gijlieden moogt blij zijn, dat de zaak geen verdere gevolgen heeft gehad; want die man zag er mij wel naar uit, om het hooger op te zoeken, zoo men hem een hairtje gedeerd had: en ik twijfel er niet aan, of de Heeren van Eemland hadden het u duur doen betalen. – Goeden morgen samen!’

Met dezen groet begaf ik mij op weg, en haastte mij met groote schreden het dorp te verlaten, en het dof en dreigend gemompel te ontgaan, dat van verre achter mij klinken bleef: ik was echter niet bevreesd, dat men mij vervolgen zoude; want ik had in Simon een trouwen bondgenoot achtergelaten, die mij kende, en het hun, vleide ik mij, wel uit het hoofd zoude praten, mij verder lastig te vallen.

DigitalDroom Reader

Hoofdstuk III

III / XXXIX

Naauwelijks was ik buiten Zoest gekomen, of ik zag de huifkar een goed eindweegs voor mij uit, doch nu weder stapvoets door het zware zand gaande. Ik gevoelde geene roeping om haar in te halen, maar bleef, met denzelfden rustigen stap, dien ik tot nog gehouden had, mijn weg vervolgen, en wel niet langs de gewone heerbaan van Amersfoort op Naarden, door de Hilversumsche heide, maar oostelijker afhoudende met het voornemen van over Eemnes te gaan, als welke weg wel wat om was, maar daarentegen meer lommerrijk en minder eenzaam.

Niets merkwaardigs gebeurde mij gedurende het begin mijner hernieuwde wandeling; maar toen ik het Princelijke lusthuis Zoestdijk ongeveer een half uur achter den rug had, begon ik wederom uittezien naar een herberg; niet omdat ik eenige vermoeidheid of behoefte aan spijs of drank gevoelde; maar omdat de staat der luchtgesteldheid mij hoe langer hoe meer vrees deed koesteren voor het op handen zijn van een fiksche regenbui, die ik oordeelde dat na de lange droogte met dubbel geweld zoude neerkomen. De zon, die, sedert eenigen tijd, nu en dan door een voorbijdrijvend wolkje was beneveld geworden, had zich eindelijk geheel verscholen achter een driedubbel gordijn van grijze en witte en zwarte wolken, die, tegen den wind opkomende, haar talrijke ronde koppen als veelhoofdige reuzen verhieven en over elkander schoven als opeengekruide ijsschotsen. Geen vogeltje deed zich hooren uit de hooge dennen, die aan de eene zijde van den landweg haar graauwe kruinen verhieven, noch in het eiken hakhout, dat aan den overkant groeide; daarentegen zag ik, aan een bruggetje komende, hoe, beneden mij, de zwaluwen onverpoosd en met druipende vlerken heen en weder snorden over de oppervlakte der daaronder vloeiende beek: en, boven mij hoorde ik nog altijd het krijschen der rondzwierende meeuwen. Ik verhaastte mijn tred en zag rechts of links uit naar een bekwame schuilplaats tegen den stortregen. Dan, ofschoon ik nu eens tegen de helling der onbebouwde heide éen opene schaapskooi gewaar werd, dan weder een arbeiderswoning of pachtershoeve aan het einde der dwarslanen, welke het bosch doorsneden, ik bleef mijn weg voortzetten, ongezind, even als de meeste lieden in mijn geval zouden zijn, mij op te houden en ergens in te gaan voor en aleer de nood werkelijk daar ware; want ik dacht boven alles, veld te moeten winnen, zoolang zulks nog zonder hindernis geschieden kon, vooral daar ik altijd op de mogelijkheid hopen bleef, dat de bui, als zij meer doen, zeewaart trekken zoude en zich niet op mijn hoofd, maar in de wateren van het Zuidermeer ontlasten zoude.

Maar deze hoop werd weldra verijdeld. Een onstuimige wervelwind, die op eenmaal uit de diepte van het bosch scheen los te breken, verving de doodsche stilte, die tot nog toe in de natuur had geheerscht, zweepte de dorre bladeren over den landweg heen, waar zij in onophoudelijke wielingen ronddraaiden, bracht fluitend en gonzend elke twijg van het kreupelbosch in beweging, deed de kruinen van het geboomte zich naar alle richtingen wenden en overal stuivende zandwolken opstijgen. Te gelijker tijd scheen een schitterende bliksemstraal, die onmiddelijk door het ratelen des donders gevolgd werd, het sein te geven dat de strijd der elementen, en wel vlak boven mijn hoofd, een aanvang had genomen, Naauwlijks was ik tien schreden verder gegaan, of de wolken ontlastten zich in dikke regendroppelen, met zware hagelsteenen doormengd. De duisternis bedekte het aardrijk, bij wijlen vervangen door de schrikverwekkende verlichting van het weerlicht: groote plassen, waarin de nederstortende regen blinkende waterbellen vormde, en witte hoopen hagelsteenen, vulden in een oogenblik de rijsporen en andere oneffenheden van den weg, en maakten mij het voortgaan hoe langer hoe moeielijker. Ik had, zoodra de bui begon, mijn haastigen stap in een vluggen draf veranderd, om de eerste schuilplaats de beste te bereiken, en zoo veel ik kon zorg gedragen de drooge plekken uit te kippen, om er mijn voet op te zetten; maar weldra was mij dit niet langer mogelijk; want de gandsche weg werd week als pap: en toen eenmaal mijn schoenen doornat waren, draafde en klotste ik door dik en dun, door plassen en modder heen, alle andere gedachten latende varen, buiten die van vooruit te komen, en op mij zelven vloekende, dat ik van geene der gelegenheden, welke zich vroeger hadden aangeboden, had gelieven gebruik te maken, om de bui voor haar aanvang te vermijden; want juist nu zag ik niets, dat naar huis of schuur geleek, ja zelfs geen ezelsstal, (waar ik van oordeel was, dat mijn dwaasheid mij wel een plaats in had doen verdienen): ja, ik begon te geloven, dat de orkaan, die om mij heen loeide, alle mogelijke gebouwen van de aarde had weggerukt, toen ik, bij het omslaan van een hoek, dien de landweg maakte, eindelijk een verblijf gewaar werd, waar binnen ik, althands eenige, zoo geen volkomene, schuilplaats hoopte te vinden.

De landweg namelijk slingerde, ter plaatse waar ik mij nu bevond, door een aanzienlijk landgoed heen, waarvan mij echter de regen niet toeliet op dat oogenblik al de schoonheden op te merken. Ter rechterzijde verhief zich een statig beukebosch, welks breede en diepe lanen zoovele prachtige gothische gewelven schenen, waarvan de hooge, rechte en blinkende stammen de kolommen -, de dikke zuigers, van weerszijden opspruitende en zich aan den top vereenigende, de bogen en schoorbalken – en de met loof bedekte kruinen het dak uitmaakten. Aan de overzijde bevond zich een fraaie lusthof, naar den nieuwsten Franschen smaak aangelegd, met sterrebosschen, geschoren lanen en slingerende berceaux, met beeld- en grotwerk, bloemtuin en diergaarde, vijvers en fontijnen, zonne-wijzers en koepeltjens. Een groot en sierlijk hek van gegoten ijzer, op een kwistige wijze met krullen en strikken begiftigd, en hangende tusschen twee zeshoekige pilasters, waarboven marmeren vazen prijkten, geleidde tot de oprijlaan: deze was als bemuurd tusschen twee geschoren beukehagen van een reusachtige hoogte, en over haar geheele lengte belegd met twee evenwijdige, glad afgemaaide en gerolde grasstrooken, waartusschen de rijweg liep, en aan weerskanten waarvan de met lekzand bedekte voetpaden waren, op welke van afstand tot afstand zonnebloemen en stokrozen groeiden. Aan het einde dezer laan, welke volkomen recht doorliep, lag een steenen brug, wier leuningen met beelden voorzien waren: en daarachter de Ridderhofstad zelve: een ruim en deftig gebouw, met een vrij hooge torenspits boven den ingang, en twee vooruitspringende vleugels, wier beide gevels trapsgewijze opliepen en met bloemplanten begroeid waren; – terwijl het plein voor het huis nog bovendien tusschen twee mindere gebouwen besloten was, tot stalling en tuinmanswoning strekkende. Men beseft duidelijk, dat ik op dien tijd alles zoo naauwkeurig niet opnam, en dat het slechts een latere bekendheid met deze lustplaats is, welke mij in staat stelt daarvan deze beschrijving te geven: met dat al, ofschoon de regen en de spoed dien ik maakte mij niet vergunden alles aandachtig te beschouwen, een vluchtige blik was echter genoeg, om mij de voordeeligste gedachte te doen opvatten van den rijkdom en van den goeden smaak des eigenaars of bewoners dezer hofstede. Vooral merkte ik in dat zelfde snelle oogenblik met genoegen op, dat hij een minnaar van bloemen wezen moest (een smaak, die mij altijd eigen was); want ik zag heerlijke oranje-boomen in menigte op het plein, en de trappen van den prachtigen dubbelen stoep schenen mij, (zoo ver de afstand mij toeliet zulks te zien) met uitheemsche bloemgewassen in fraaie vazen voorzien te zijn.

Het was echter niet in het heerehuis, dat ik, arme wandelaar, een schuilplaats hoopte te vinden. Mijn uiterlijke tooi, vooral nu ik doornat en druipende was, maakte mij ongeschikt om mij in zulk een aanzienlijk verblijf te vertoonen; maar bovendien stond dat gebouw nog te ver van mij af en zag ik naderbij een gelegenheid, waarvan ik mij vleidde ongestoord en onverhinderd gebruik te mogen maken. Het hek (ik heb nog vergeten te zeggen dat het in gouden letteren den naam van guldenhof voerde) was open, en kort daarbij stond, half rustende in de moddersloot, die de plaats van den weg afscheidde, een achtkante koepel van witten steen. Ziedaar alles wat ik er toen van zag; ik kan er echter te dezer gelegenheid bijvoegen, dat het een cierlijk gebouw was, met vier breede en vier smallere zijden: drie van de eerstgenoemden waren met kruisramen voorzien; (want men kende toen noch bijna geene andere) die het uitzicht op den landweg hadden: de vierde, meest binnenwaart geplaatste zijde bevatte den ingang, waartoe men door een prachtigen stoep met marmeren trappen en leuningen geraakte. Niet slechts waren deur en vensters door pilasters en loofwerk omsloten, maar ook prijkten de smallere zijden met vakken van groen marmer, waarop in wit bas relief de gewone kenteekenen van handel, zeevaart, jacht en schoone kunsten prijkten, als moest daarmede te kennen gegeven worden, dat de eigenaar, zijn geld in het eerst-gemelde vak gewonnen hebbende, het tweede voorstond, het derde uit liefhebberij beöefende en hel vierde beschermde. Onder de ramen bevonden zich kleine ronde vensters met ijzeren dwarsbouten, om licht en lucht in de kelder te geven. Het dak was rond en met lood belegd en eindigde in een soort van gedraaiden kegel, van boven met een vergulden bol vercierd.

Deze verblijfplaats nu lagchte mij aan. Met drift snelde ik het hek binnen, geene andere vrees koesterende, dan die van de koepel gesloten te vinden; maar ook in dat geval meende ik tegen de deur post te vatten en onder de vooruitspringenden lijst eenige beschutting te vinden. Ik werd echter niet teleurgesteld; want naauwlijks was ik de marmeren trappen genaderd, of ik zag, dat de deur half openstond: en, zonder mij te bedenken, liep ik, na alvorens, om den vloer van het gebouw niet te bezoedelen, mijn beslikte schoenen op den ijzeren krabber te hebben afgeschrapt, den stoep op, trad ruggelings binnen en veegde nogmaals mijn voeten af op de net gevlochte matten, die zoo buiten als binnen de deur lagen. Naauwelijks had ik deze bezigheid verricht en mijn hoed afgenomen, waarvan de slappe randen, die een tijd lang mijn schouders beschut hadden, nu geheel doorweekt waren, of ik wendde mij om en zag, hetgeen ik in het eerste oogenblik niet had opgemerkt… dat ik namelijk niet alleen was.

Op eene der diep inspringende vensterbanken en half achter de sponning verscholen, was een jonge juffer gezeten, die, blijkens het boek dat zij in de hand hield, met lezen bezig was, toen haar mijn onverwachte verschijning daarin stoorde. De eerste blik dien ik op haar sloeg deed mij zien dat zij een wit morgengewaad droeg, hetwelk een bevalligen zwier bijzette aan haar slanke gestalte: de tweede, dat zij een allerliefst gezichtje had: en de derde, dat zij geheel niet gesticht scheen over mijn vrijpostig binnentreden, en ik mij haasten moest daar grondige redenen van verschoning voor intebrengen, of mij ten spoedigste te verwijderen.

Ik deed echter in den beginne noch het een noch het ander; want ik was van verrassing niet in staat een woord te spreken: ik zag, dat zij ook onthutst was; het geraas der buien had haar waarschijnlijk belet mij te hooren aankomen: bovendien zat zij met den rug naar de deur gekeerd en had mij dus niet opgemerkt, dan voor dat ik reeds binnen getreden was en mijn hoed op den grond geworpen had, om de fraaie stoelen van rood hout met gevlochten zittingen en zijden kussens niet vuil te maken. Zij herstelde zich echter terstond van haar plotslingen schrik, zoodra zij mij met een vluchtigen blik had verwaardigd: misschien ontdekte zij in mij ’t een of ’t ander, ’t geen haar, in weerwil van mijn ongunstig uiterlijke, deed oordeelen, dat ik tot den fatsoenlijken stand behoorde: in allen gevalle behoefde zij geene groote mate van verbeeldingskracht te bezitten om de aanleidende oorzaak mijner verschijning te bevatten.

En hier ondervond ik, hoeverre de jonge lieden van ons geslacht bij zoodanige ontmoetingen achterlijk zijn bij die eener zwakkere kunne; ’t geen voorzeker daaruit voortspruit, dat de vrouwen een vlugger vernuft bezitten en spoediger haar tegenwoordigheid van geest hervinden dan wij. Immers, zoo een van ons beide een allerzotst figuur maakte, dan zeker was ik het. Bloezende en als op de plaats vastgenageld bleef ik stand houden achter eene, tusschen ons beiden in staande, tafel van ongemeene grootte, doch uit slechts eene plank vervaardigd, en waarop een werkmand, een tuinhoed en een paar handschoenen lagen, en stamelde ik ettelijke onsamenhangende woorden van verontschuldiging, over het slechte weer, over mijn leedwezen van de Juffer gestoord te hebben, enz. waarna ik, al achteruit schuivende, mijn hoed wederom opraapte en te kennen gaf, dat ik door een onmiddelijk vertrek mijn onbescheidenheid zoude verbeteren.

– ‘O! ’t is niets mijn Heer!’ zeide zij, met een vrij stijve hoofdbuiging: ‘gij hindert mij niet: en het is waarlijk zulk een geweldige bui, dat men alle plichtplegingen wel mag ter zijde stellen.’ –

Ik maakte een diepe, vrij onhandige buiging: waarschijnlijk bracht mijn zotte houding haar in een goeden luim; want haar gelaat klaarde op, en zij vervolgde met een vriendelijken glimlach:

‘Ik heb eigenlijk niets over deze koepel te zeggen; maar mijn Oom zal het mij niet ten kwade duiden, dat ik voor een oogenblik in zijne rechten trede en u een schuilplaats vergunne.’ –

Ik had langzamerhand moed gevat, en bij deze minzame toespraak was mijn beschroomdheid geheel geweken. ‘In waarheid,’ zeide ik, ‘het weer is zoo boos, dat ik niet aarzel om van uw beleefdheid gebruik te maken, al mocht het onbescheiden geächt worden.’ Dit zeggende maakte ik weder een buiging, min gedwongen dan de vorige, leide hoed, stok en pakje bijeen en bleef op denzelfden eerbiedigen afstand achter de tafel staan.

De jonge juffer zag mij nogmaals ter loops aan, vroeg mij of ik niet wilde zitten, nam haar boek weder op en ging stil met lezen voort, zonder zich verder met mij te bemoeien. Ik bleef eenige oogenblikken weifelen, als wachtte ik een herhaling van haar aanbod; maar toen deze niet kwam, zeide ik, dat ik vreesde door mijn vochtig gewaad de fraaie meubelen te zullen bederven. Ik bekwam geen antwoord op deze aanmerking; waarop ik, een weinig geraakt, het kussen van een der stoelen nam en op tafel leide en mij op de naakte zitting plaatste. Zoo zaten wij nu een tijd lang, gedurende welken mij de oogenblikken uren toeschenen: en waarin ik mijn toestand, dien anderen hoogst benijdbaar zouden geächt hebben, hoe langer hoe lastiger begon te vinden. Ik had, wel is waar, mij aangenaam kunnen bezig houden met de beschouwing van het fijngevormde neusjen, de aartig gekuilde koontjens en rozeroode lipjens, die het bevallige aangezichtjen mijner nieuwe halve-kennis vercierden; – maar ik begreep dat de betamelijkheid mij verbood, haar zoo gedurig aantestaren. Ik zocht dus mijn troost met nu en dan eens naar buiten te zien, of de regen ook ophield, iets waarop althands voor ’t oogenblik geen uitzicht scheen, – en met de binnenzijde van het zomerhuis te beschouwen. Ik kon niet nalaten hierbij den goeden smaak des bouwmeesters te prijzen, die, zoo hij aan de buitenzijde misschien wat al te kwistig met vercierselen en krullen was te werk gegaan, van binnen een edele eenvoudigheid tot leidsvrouw scheen gekozen te hebben. De wanden en het gewelf waren wit gepleisterd; maar de kroonlijst, zoowel als de pilasters, waar zij op rustte, bootsten zoo natuurlijk het roode marmer na, dat men die moest voelen om zich te overtuigen dat zij slechts uit hout vervaardigd waren. De vier vakken, die zich tusschen de deuren en de vensters bevonden, schenen elk tot een bijzonder gebruik bestemd, hetwelk werd aangeduid door vierregelige opschriften, in gouden letteren daar op gesteld. Het eene vak was opengeschoven en bevatte een verzameling van nette boeken, naar den laatsten smaak ingebonden. Met behulp van een weinigje verbeeldingskracht giste ik nu, dat het vak daar tegenover met glazen en kopjens zoude gevuld zijn; dat het derde een fontein verborg, en men in het vierde een verholen trap, die uitquam in een kelder

zoude vinden. Wat den vloer betreft, deze was geheel samengesteld uit marmersteenen van onderscheidene kleùr, zoodanig ingericht, dat zij een groote ster binnen drie breede randen voorstelden: – echter waren alleen de uiterste punten dier ster zichtbaar, daar het midden door een groote Moskovische mat bedekt was, waar de tafel op stond, en waar ik mijn voeten over uitstrekte, ten einde zoo weinig mogelijk de blijken mijner aanwezigheid op de gladde steenen achter te laten.

Ik had dit alles nu eenige reizen en tot verzadiging toe bezichtigd en inmiddels, wanneer ik een zijdelingschen blik op mijn schoone gastvrouw sloeg, bemerkt, dat zij nu en dan van haar boek opzag, om naar het weer te kijken; welke beweging ik niet kon nalaten van toe te schrijven aan haar verlangen naar mijn vertrek. Mijn toestand werd mij nu zoo onverdraaglijk, dat ik oprees. Den blik naar buiten slaande, zeide ik op een toon die in weerspraak was met mijn woorden:

– ‘Ik geloof, dat de bui nu wat begint te bedaren: en dat ik best zal doen met u onder dankbetuiging te verlaten.’ –

– ‘Ik zou nu maar wachten tot het opgehouden had met regenen,’ zeide zij, haar heldere blaauwe oogen eerst eventjens op mij en toen zeer lang op de zwarte wolken gevestigd houdende: ‘het is waarlijk nog geen wandelweer.’ –

En een nog geweldiger kletteren van den stortregen tegen de ruiten bevestigde de waarheid van haar woorden.

– ‘Mejuffrouw is al te goed,’ hernam ik: ‘er zoude mij anders minder aan gelegen liggen; maar ik had gehoopt heden nog voor poortsluiten binnen Naarden te zijn, en ik zal frisch moeten aanstappen om mijn oogmerk te bereiken.’ –

Mijn schoone gaf geen antwoord op deze aanmerking: ik gevoelde dat zij alle aanleiding tot een onderhoud wilde vermijden, met iemand, die haar geheel onbekend was.

– ‘’t Is noodweer!’ vervolgde ik, eenigzins geraakt, en haar aan ’t praten wenschende te krijgen: ‘het koren dat te veld staat zal er zeker vrij wat door lijden.’ –

Het koren was zeker geen onderwerp dat aan de Juffer toescheen gelukkig gekozen te zijn: althands zij bewaarde het stilzwijgen.

– ‘Ik beklaag de arme visschers, die zich op de Zuiderzee bevinden,’ zeide ik, in den waan, dat zoo het minste gevoel haar boezem bewoonde, zij mijn aanmerking niet onbeantwoord laten kon; maar jawel! zij beet op de lippen en keek in haar boek.

– ‘Dit schijnt een fraaie hofstede te zijn: ik heb zelden, zelfs buiten’s lands, schooner boomen gezien dan die beuken in het overstuk.’ –

Er was wederom geen antwoord.

– ‘Voor den drommel!’ dacht ik: ‘is het preutschheid, trotschheid of domheid, dat zij mij niet te woord wil staan?’ Ik kon het haar echter bij nader inzien, niet erg kwalijk nemen, dat zij, een steedsche, misschien wel een hoofsche juffer, in geen gemeenzaam onderhoud verkoos te treden met iemand, die er uitzag als een landlooper. Ik wilde echter weten waar ik mij aan houden moest, en ontdekken of een lief gezichtje de eenige gift was die zij van de natuur ontfangen had, en of onwil dan wel ongeschiktheid tot spreken haar tong boeide. Ik besloot dus een duidelijk vraagteeken achter mijn volgende woorden te plaatsen:

– ‘Mag ik vragen,’ zeide ik, ‘of dit goed niet toebehoort aan den Heer Blaek van Amsterdam? Ik meen wel, gehoord te hebben, dat hij in deze omstreken een fraaie hofstede bezat.’ –

– ‘Ja, mijn Heer! de Heer Blaek is mijn oom,’ was het antwoord, waarvan de koele toon mij niet afschrikte; want ik bevond mij nu op een vast terrein, waarvan ik mijn aanval kon beginnen, zonder vrees van teruggedreven te worden.

– ‘Dat is mij bijzonder aangenaam,’ zeide ik: ‘ik herinner mij niet den Heer Blaek ooit gezien te hebben…’

Hier zweeg ik bot stil: en zij keek mij eenigzins verwonderd aan, als wilde zij te kennen geven, dat zij niets van mijn gezegde begreep, maar dat het haar voorts ten eenemale onverschillig was of ik haar oom al dan niet kende. Nu vervolgde ik:

– ‘Maar den broeder van den Heer Blaek heb ik voor vele jaren wel eens ten huize mijns vaders ontmoet…. Hendrik Blaek, zoo ik mij wel herinner.’ –

‘Hij was mijn vader,’ zeide de jonge Juffer, terwijl haar gelaat op eens een meer vriendelijke en tevens weemoedige stemming bekwam: ‘ik heb voor twaalf jaren reeds het ongeluk gehad hem te verliezen.’ –

– ‘Het is waar,’ zeide ik: ‘ik spreek van den tijd, toen ik nog een knaap was: de Heer Blaek kwam somtijds bij mijn vader: beide hadden toen betrekkingen bij de Oost-Indische Compagnie… Mijn vader is thands Hoofdschout te Amsterdam.’ –

– ‘De Heer Huyck uw vader!’ zeide Mejuffrouw Blaek, op een uiterst minzamen toon, haar boek sluitende: ‘o! ik ken hem zeer goed; en vooral uw moeder en uw zuster: voor veertien dagen heb ik ze nog allen gesproken en ik hoop ze eerstdaags weer te zien, daar wij morgen naar Amsterdam vertrekken.’ –

– ‘En zij waren wél, hoop ik?.. indien ik zoo vrij mag zijn daarna te vernemen?’ –

– ‘O! zeer wel!’ antwoordde zij, haar boek op de vensterbank leggende en geheel ongedwongen: ‘en zij waren zeer verlangende u weer te zien. UEd. wordt met ongeduld en smart verwacht, dat kan ik u beloven.’ –

‘- Nu! het verlangen is wederkeerig,’ zeide ik: ‘het doet mij ondertusschen recht veel genoegen goede tijdingen van hen te hooren en vooral uit zulk een beminnelijken mond.’ –

Mejuffrouw Blaek kreeg een kleur en zweeg. Ik begon terstond uit een anderen toon, uit vrees dat zij het gesprek niet zou willen vervolgen.

– ‘En is waarlijk mijn lieve moeder zoo wél als UEd. zegt? Volgens de laatste berichten, die ik van haar ontfing, had die lastige kwaal, de hoofdpijn, haar weer gekweld.’ –

– ‘Zij scheen nu volkomen gezond, de zachte, lieve vrouw,’ zeide Mejuffrouw Blaek: ‘ik weet echter, dat de schijn ten haren opzichte niets bewijst; want zij klaagt nooit, en is altijd even lijdzaam en geduldig; maar uw zuster Suzanna heeft mij verzekerd, dat zij in lang zoo wel niet geweest was.’ –

– ‘En hoe maakt Santje het? Ik begrijp waarlijk niet hoe zij het zoolang heeft kunnen uithouden zonder mij; want toen ik nog in huis was leefde zij slechts half, wanneer zij mij niet driemalen in ’t uur de les kon lezen.’ –

– ‘Dan denk ik, dat er na uw lange afwezigheid al heel wat voor u in ’t zout is gelegd,’ zeide Mejuffrouw Blaek, lagchende: ‘nu, gij zult het toch van Santje wel willen hooren? – waar zijn de oudste zusters voor, zoo niet om haar broeders wat in toom te houden?..- ofschoon ik vrees, dat gij nu haar plak wel ontwassen zult wezen.’ –

– ‘Ontwassen! daar twijfel ik aan: zij zal mij zoo lang bruien, tot zij een man heeft, om dien te regeeren…. Apropos, weet UEd. ook of er zich al één voor haar heeft opgedaan?’ –

– ‘Zoo ik haar vertrouweling ware,’ zeide mijn nieuwe kennis met een fijnen glimlach, zoude ik mij wel wachten, u iets te zeggen van hetgeen ik weet: – en in allen gevalle wil ik haar van het genoegen niet versteken om zelve u dienaangaande de noodige mededeelingen te doen.’ –

– ‘O hemel!’ hernam ik, ‘dan zal ik niets vernemen, voor en aleer de voorzanger in de Oude Kerk, met zijn neusstem, aan de gandsche gemeente verkondigt, dat er trouwbeloften bestaan, tusschen den Heer N.N. en Mejuffrouw Suzanna Aletta Huyck.’ –

– ‘Ik vlei mij, dat zij wel wat vertrouwelijker met u zal wezen. Ten minsten, zoo ik oordeelen moet naar den toon waarop zij altoos over u sprak, mag ik besluiten dat zij niet weinig van u houdt.’ –

– ‘Zij heeft u dus over mij gesproken,’ zeide ik met levendigheid: ‘wel dat verheugt mij recht; want dan ben ik u niet geheel onbekend.’ –

– ‘UEd. schijnt derhalve te gelooven, dat zij u in uwe afwezigheid niet benadeeld heeft,’ zeide Mejuffrouw Blaek: ‘en dat gij meer verplichting aan haar hebt dan men uit uw woorden van zoo even zoude opgemaakt hebben.’ –

– ‘Wel daarvan ben ik overtuigd,’ zeide ik: ‘verre van mij, zal zij niets dan goeds van mij zeggen; – maar wee mij, wanneer ik weer voor haar oogen verschijn.’ –

– ‘Dat is de ware vriendschap,’ zeide Mejuffrouw Blaek: ‘iemand zijn fouten in ’t aanzicht te zeggen en achter zijn rug hem te prijzen; – maar wees slechts niet te hovaardig. Zij wist uw brieven soms op zulk een kluchtige wijze te ontleden en met aanmerkingen te vercieren, dat gij er meer dan eens deerlijk van afkwaamt.’ –

– ‘Hoe!’ herhaalde ik, terwijl ik een gemengd gevoel van blijdschap en spijt ondervond: ‘zij heeft u mijn brieven laten lezen?’ –

– ‘Immers uittreksels daarvan… beschrijvingen van landen en steden, zeden en gewoonten, en uw aanmerkingen daarover: ik kan niet ontkennen, dat zij mij dikwijls vermaakt hebben.’ –

– ‘Helaas!’ riep ik uit, een bedrukten toon aanwendende: ‘vermaakt! wellicht ten koste van den armen schrijver, die zich na de vermoeienissen van den dag uitsloofde om met vakerige oogen en een slaperig brein aan de schrijftafel te gaan en ter liefde zijner familie halve nachten doorbracht met papier te bekladden, terwijl hij veel liever op zijn bed had liggen ronken. – Nu voorwaar! nu zal ik toch ook op mijn beurt eens klagen over zulk een misbruik van vertrouwen.’ –

– ‘Ik dank u voor de beleefdheid, zeide Mejuffrouw Blaek: ‘UEd. denkt dus, dat het vertrouwen slecht geplaatst was.’ –

Ik stond een oogenblik verzet en voelde dat ik rood werd: ik herstelde mij echter, toen ik bespeurde dat Mejuffrouw Blaek, misschien oordeelende dat zij te vrij gesproken had, insgelijks een kleur kreeg; en ik ging dus schertsende voort:

– ‘Het was verre van mijn bedoeling u een slecht compliment te maken: – integendeel! daar ik niet geloof, dat Santje met mijn brieven rondloopt, beschouw ik die mededeeling daarvan aan u als een blijk dat gij beide zeer naauw verbonden zijt: en dewijl de vrienden onzer vrienden ook de onze zijn.’…

– ‘Dat spreekwoord gaat niet door,’ zeide Mejuffrouw Blaek, droog weg: – en, als willende zij mij te kennen geven dat zij niet van plichtplegingen hield, vroeg zij mij op een kouden toon of ik ook wist, hoe laat het ware.

– ‘Dat zoude ik u moeilijk kunnen zeggen,’ antwoordde ik: ‘want mijn uurwerk heeft mij de poets gespeeld van stil te gaan staan. Naar mijn gissing moet het echter niet verre van half één zijn.’ –

– ‘Reeds zoo laat! dan vrees ik, dat zij mij reeds door de geheele plaats zoeken; want ik had al lang te huis moeten zijn. Het is etenstijd en ik ben nog niet aangekleed.’

– ‘Wil gij, dat ik naar uw huis ga, en om een regenscherm voor u vrage?’ –

– ‘Wel neen,’ zeide zij lagchende: ‘dit is de meening niet: gij zit hier droog; waarom zoudt gij u nogmaals aan de bui blootstellen?’ –

– ‘Indien dit uw eenige reden is,’ zeide ik: ‘snel ik er dadelijk heen. Ik ben toch reeds doornat, en, buitendien, zoude men niet des noods door een water loopen, om u van dienst te zijn.’ –

– ‘Neen! neen! ik dank u,’ zeide zij, eenigzins onverduldig: ‘er zal straks wel iemand komen, om mij te halen… of liever… zoodra de bui bedaart, gaan wij beide elk zijn weg.’ –

Wij zwegen een oogenblik, gedurende hetwelk ik aan de deur post vatte, gereed, om naar het heerehuis te snellen, zoodra zij mij daar verlof toe gaf. Ondertusschen kon ik in haar oogen lezen, dat zij mij nog iets wilde zeggen, doch aarzelde het uittebrengen. Eindelijk scheen zij haar beschroomdheid overwonnen te hebben, en vervolgde, voor zich ziende:

– ‘Hoor eens, mijn Heer Huyck! ik heb waarlijk liever, dat UEd. niet gaat. UEd. is de broeder mijner vriendin! ik kan het u dus wel zeggen… ik ben bang, dat mijn oom misschien kwalijk zou nemen, dat….’ –

– ‘Dat een wensch, door u geuit, dadelijk vervuld wordt, zoo ras hij gehoord is?’ viel ik in de reden.

– ‘Luister!’ hernam zij, terwijl zij dreigend den vinger ophief: ‘ik moet u waarschuwen, laat alle complimenten varen, of ik zwijg bot stil; daar ik u toch niet ontloopen kan.’ –

– ‘Op mijn woord,’ hernam ik met vrolijkheid: ‘ik kan niet geloven, dat UEd. de nederigheid zoover zoudt drijven, om elk vriendelijk woord, dat u gezegd wordt, dadelijk voor een plichtpleging en niets meer te houden. Indien UEd. uitdrukkingen, welke niets dan waarheid behelzen, als vleierij wilt opnemen, zult gij mij dwingen anders te spreken als ik denk.’ –

– ‘Hoe langer hoe mooier!’ zeide zij: ‘in welk van de door u bezochte landen hebt gij die hoofsche taal geleerd? Uw gesprek gaat het bereik van een onnoozel Hollandsch meisje als ik ben ver te boven: en ik weet er niet naar behooren op te antwoorden.’ –

– ‘Het is dan toch waarlijk wat al te erg,’ hervatte ik, ‘dat al mijn gezegdens zoo verkeerd door u worden opgenomen. Ik zal nog moeten eindigen, met u allerlei onaangename dingen te zeggen, na vooraf verzocht te hebben dat gij wel zoo goed wilt zijn, al mijn uitdrukkingen letterlijk in den tegenovergestelden zin op te vatten. In ’s hemels naam!’ voegde ik er haastig bij, ziende dat een wolkje van ongenoegen op het blanke voorhoofd der jonge schoone begon samen te trekken. ‘wees niet boos, maar oefen lankmoedigheid uit jegens iemand, die nu twee jaren buiten de gelegenheid is geweest een meisjen in ’t Hollandsch aan te spreken: en zoo ik iets zeg, dat u mishaagt, schrijf het daaraan toe, dat mijn blijdschap over de eerste ontmoeting met een stadgenoot mij ’t hoofd op hol brengt. Moet ik het niet als een gelukkig voorteeken opvatten, ja zelfs er het onweder voor dank weten, dat gij die persoon zijt en niet de een of andere…’ hier schoot ik onwillekeurig uit in een schaterend gelagch; want mijn ontmoeting met Simon kwam mij voor den geest. Mejuffrouw Blaek keek mij eenigzins verbaasd aan, niet wetende wat die ongemeene vrolijkheid beduidde:

– ‘Ik bid u duizendmalen om vergeving,’ vervolgde ik: ‘maar juist herinnerde ik mij, dat ik reeds heden morgen een stadgenoot ontmoet heb, en wel een joodje met negotie: dat denkbeeld, in verband met hetgeen ik zeide, kwam mij zoo zot voor, dat ik niet kon nalaten er om te lagchen… UEd. is er toch niet boos over?’ –

– ‘Niet in het minste! Het spijt mij maar om uwent wil, zoo UEd. aan voorteekenen hecht; want nu ligt het gandsche gebouw uwer hoop in duigen.’

– ‘Nog niet! op mijn eerste ontmoeting is een geweldige regenbui gevolgd, en dus heb ik het leed al beet dat zij mij aanbrengen moest: maar deze tweede kan mij niets dan goeds voorspellen.’ –

– ‘Zij voorspelt u een duchtige verkoudheid,’ zeide het schalksche meisje: ‘of kunt gij nog al tegen een nat pak?’ –

– ‘O ho!’ zeide ik: ‘daar vrees ik niet voor: straks loop ik mij weder warm?’ –

– ‘Wel mogelijk!’ zeide zij met een goedaartigen blik: ‘maar het ware toch niet kwaad, zoo gij iets naamt om u wat te verwarmen. Het zoude mij voor de eer van mijn Oom spijten, indien gij op Guldenhof geweest waart en niets gebruikt hadt om u te verkwikken. Ik zal zien wat de kast bevat.’ –

Met deze woorden sprong zij op, nam een bos sleutels, die aan de boekekast hing, er af en opende, niettegenstaande mijn betuiging, dat ik niets behoefde, een der andere kasten, welke, gelijk ik al vermoed had, tot bufet diende en waar, behalve eenig Japansch en Chineesch porselein, een zilveren tabaks-komfoor, een kistje en verder toebehooren, zich ook een likeurkeldertje bevond, hetwelk ik er uitnam en op de tafel zette.

– ‘Zie hier!’ zeide zij: ‘wat zult gij nemen? cognacq, rhum, rosolis, ratafia! wat gij begeert.’ –

Ik nam een glas cognacq aan en voelde indedaad dat het mij goed deed. Intusschen had ik, terwijl mijn schoone gastvrouw in de kast schommelde, het opschrift gelezen, hetwelk daar boven prijkte en luidde als volgt:

‘Gij, die in dit verblijf wilt toeven met gemak,

Gij vindt in deze kast, pijp, vuurtest en tabak:

Ook keurig porcelein van Chinaas verre kust

En goede morgendrank, zoo u geen koffij lust.’ –

– ‘Een zeer goede terechtwijzing voor de dieven, die altemet hier binnen mochten dringen,’ zeide ik, ‘om niet verlegen te zijn, waar zij iets van hun gading kunnen vinden.’ –

– ‘O!’ zeide Mejuffrouw Blaek: ‘de koepel wordt goed gesloten: en het weinige dat zich hier bevindt is de moeite van ’t inbreken niet waardig.’ –

– ‘Het schijnt hier vol rijmpjens te zijn,’ zeide ik, mij omdraaiende, en het opschrift der boekenkas lezende, ’t welk van dezen inhoud was:

‘Men streele en voede ’t lijf; maar beter nog den geest,

Is voor eene eeuw de les van Vader Cats geweest;

Zoo gij begeerig zijt om onderricht te zoeken,

Hier binnen vindt gij keur van goede en nutte boeken.’ –

– ‘’t Is jammer van ’t goud, dat aan de letters verspild is,’ dacht ik bij mij zelven; maar te gelijk mompelde ik overluid: ‘hm! zeer aartig!’ –

– ‘Thands, heer waarheidspreker,’ zeide de schalksche plaagster, ‘ben ik overtuigd, dat gij niet meent zoo als gij spreekt.’ –

‘- Wat zal ik zeggen,’ hernam ik, de schouders ophalende: ‘hoogdravende poëzy is het juist niet; maar het zijn rijmen, die doel treffen, en dat kan men juist van alle niet zeggen. Ook moet ik u bekennen, dat ik hoegenaamd geen gevoel voor, noch kennis van dichtkunde bezit:’ – En dit was waar.

– ‘Mag ik eens verder lezen?’ vervolgde ik, en hief nu aan met het opschrift, boven het derde vak geplaatst:

‘De leeuw, dien Simsons vuist ter neder heeft geveld,

Had honig in den muil, gelijk de schrift vermeldt.

Maar zoo deez kast almee een leeuwenkop besluit,

Daar vliet nooit anders dan gezuiverd water uit.’ –

– ‘Voorwaar!’ zeide ik: ‘ik dacht niet dat ik Simson bij deze gelegenheid zoude aantreffen.’ –

– ‘Wat zal men veel zeggen over een fontein?’ zeide Mejuffrouw Blaek, de schouders ophalende: ‘onze koepeldichter heeft zelfs kans gezien om op den wenteltrap te rijmen, die achter dit beschot loopt, en er onze stamvaders bij te pas te brengen.’ –

Ik wendde mij om en las het vierde opschrift:

‘Nieuwsgierigheid heeft vaak den mensch gebracht in ’t leed,

Gelijk zij ’t Adam en zijn bedgenoot al deed.

Bedenk dit, eer gij ’t waagt, ook deze deur te ontsluiten:

Gij mocht licht tuim’len en u arm of been verstuiten.’ –

– ‘Brr! dat mag hoogdravend, of liever laagvallend heeten,’ zeide ik: ‘hoe jammer, dat de vervaardiger van al die kunstgewrochten de zedigheid heeft gehad van zijn naam nergens onder te plaatsen.’ –

– ‘O! wat zijn naam betreft,’ zeide Mejuffrouw Blaek, ‘die staat buiten boven den ingang, onder een vijfde opschrift, waarbij hij in brommende woorden vertelt, dat dit gebouw een koepel is, even of de lieden het voor een kippehok zouden aanzien. Het is anders een goede man, die Lucas Helding; maar het nageslacht zal er weinig aan missen, al zet hij nooit weer een pen op het papier.’ –

– ‘Ik houd mij toch overtuigd,’ zeide ik, ‘dat hij betere dingen maken kan, wanneer hij waardiger onderwerpen heeft dan een koepel en een wenteltrap. In zijn hoedanigheid als dichter van Guldenhof heeft hij ongetwijfeld uwe begaafdheden meer dan eens bezongen: en het kan niet anders, of het onderwerp moet zijn dichtgeest hebben aangeblazen.’ –

– ‘UEd. raadt wel,’ zeide zij: ‘ik heb nog nooit mijn verjaardag gevierd, zonder een berijmden gelukwensch van hem te ontfangen: en er is geene godin op den Olympus, waar ik niet bij vergeleken ben geworden. Ongelukkig had hij verleden jaar zijn stof wat uitgeput; want toen was ik niet alleen Venus, dat sprak van zelf, maar Juno, Vesta, Ceres, Minerva, weet ik wat al meer: ’t is waar, ik had hem ook een degenstrik geborduurd; maar dit jaar kwam ik er slecht af en was niet meer dan Atalante! dat was een leelijke val.’ –

– ‘Zeker waart gij dezen of genen minnaar ontloopen,’ zeide ik lagchende: ‘maar kom aan! dan wil ik u weder op den Olympus terug brengen en u mijn dank als Hebe toebrengen,’ en ik dronk mijn glaasjen uit.

– ‘Hebe bediende alleen de goden, mijn Heer!’ zeide zij lagchende.

– ‘Ik bid u om vergeving,’ zeide ik: ‘zij gaf ook Hercules, die maar een halve god was, nu en dan wat te drinken, als hij nat te huis kwam.’ –

– ‘’t Is mogelijk!’ hernam zij: ‘ik zal mij niet vermeten te twisten met iemand, die gestudeerd heeft. Wilt gij nog een glaasje?… o hemel! daar luidt de etensbel! nu zal ik er wel door moeten, regen of geen regen.’ –

– ‘Maar welke barbaren wonen er dan toch op het Huis,’ vroeg ik: ‘dat niet een van hen de beleefdheid heeft u te komen zoeken?’ –

– ‘Ik durf niet langer blijven,’ zeide het jonge meisje, met blijkbare verlegenheid: en, haar boek in de kast geplaatst hebbende, nam zij haar werk op; maar de breikluw ontviel haar en rolde onder de tafel. Ik bukte juist om die op te rapen; toen op eens de kreet van: ‘gevonden! gevonden!’ mijn ooren trof, en drie mij onbekende aangezichten zich gelijktijdig op den stoep vertoonden.

DigitalDroom Reader

Hoofdstuk IV

IV / XXXIX

’t Geen verhaalt wat er verder in de koepel voorviel .

De voorstanders der nieuwe school, welke sedert eenigen tijd in de letterkunde het hoofd begint op te steken, schijnen, met verwerping der oude eenvoudigheid, welke wij van de Grieken en Romeinen hadden ontfangen, in hunne voortbrengselen, vooral in die van dramatischen aart, machtig veel prijs te stellen op treffende en ongehoorde tegenstellingen en contrasten, en op alles, wat vreemde en door heur onverwachte verschijning sterk schokkende uitwerkingen te weeg brengt. Hiertoe behooren voornamelijk de zoogezegde coups de théâtre , welke tegenwoordig bij onkundigen, ja zelfs (ik zeg het met leedwezen) bij ettelijken, die beter moesten weten, meer indruk maken en meer toejuichingen verwerven dan de fraaiste gezegden of de schilderachtigste beschrijvingen onzer beste dichters. Wat mij betreft, wellicht komt het daarvandaan, dat ik op mijn ouden dag mijn smaak niet weet te plooien naar dien des hedendaagschen tijds; maar ik kan maar van mij zelven niet verkrijgen, dat verschrikkelijk bonte, dat sterke licht en bruin, al die schuddende en schokkende contrasten, te bewonderen: en zoo ik al in enkele gevallen vrede heb met die coups de théâtre, welke mij doorgaands eerder een lach van medelijden dan een kreet van genoegen afperssen, het is in een blij- of kluchtspel, waarin ik oordeel dat zij te huis behooren.

Men vergeve mij deze uitweiding, welke sommigen misschien zal ergeren en aan allen waarschijnlijk ongepast en misplaatst zal voorkomen; maar het is een voorrecht van den ouderdom, bij ettelijke gelegenheden wat lang van stof te worden, en wat te beuzelen, ’t geen soms bazelen wordt. Tot mijn verdere verschoning moet ik zeggen, dat de aanleiding daartoe zich zeer natuurlijk verklaren laat uit den toestand, waarin Mejuffrouw Blaek en ik, zoowel als de drie nieuwe personaadjen welke ons kwamen verrassen, ons aan het slot van het voorgaande hoofdstuk bevonden, en welke toestand over en weder een der aartigste coups de théâtre opleverde, die immer in de gefingeerde tooneelwaereld kan worden uitgedacht.

Verbeeldt u slechts, aan de eene zijde, den schrijver dezer gedenkwaardige geschiedenis, in den fraaien dosch, welke vroeger beschreven is en die door den regen niet beter van aanzien geworden was, op handen en voeten onder de tafel liggende om den kluw op te rapen van Mejuffrouw Blaek, die op het geroep het blonde hoofdje had omgewend en, zoodra zij de aankomenden herkende, met neêrgeslagen oogen en bloedroode wangen, als op haar plaats genageld bleef staan, gelijk iemand, die op een schuldige daad wordt betrapt: – en, aan den anderen kant de drie nieuw aangekomenen, verbaasd en als versuft op den drempel staande om dit tooneel aan te gapen, en zeker alle drie in den waan verkeerende, dat het hier niet zuiver toeging, en dat Mejuffrouw Blaek een vrijer had, die zich onder de tafel zocht te verbergen. Waarlijk dit leverde een tafereel op, het penceel van mijn oude kennis Troost, of van een hem gelijken schilder overwaardig. En opdat het niemand, die zich mocht opgewekt gevoelen, deze ontmoeting op het paneel te vereeuwigen, aan de vereischte bijzonderheden ontbreken moge, welke hem in staat kunnen stellen alles als naar ’t leven af te beelden, wil ik hier de beschrijving bijvoegen van de drie personen, door welke ons tête-à-tête zoo onverwacht gestoord werd.

De voorste van hen was niemand minder, dan de eigenaar zelf der hofstede, de Heer Jacobus Blaek, een man van middelbare lengte, schraal en ongezond van uitzicht, en voorzien met een gelaat, waarvan men de kleur gevoegelijkst bij die van een glas zuiver Amsterdamsch grachtwater zoude kunnen vergeleken hebben. De rimpels, die zijn voorhoofd groefden, de ziekelijke uitdrukking van zijne, diep in de kassen weggezonken, oogen, de vervooruitstekende kin en magere wangen, en het gemis van de grootste helft zijner tanden, gaven hem het voorkomen eens afgeleefden grijzaarts; ofschoon hij werkelijk niet ouder was dan drie en vijftig jaren. Zijn houding echter was altijd afgemeten en deftig; ja, in sommige gevallen niet van waardigheid ontbloot, en zijn voorkomen dat van een fatsoenlijk man. Zijn gewaad bestond in een effen zomerrok van bruine sergie met groote knoopen van gevlochten zilverdraad. Van uit de breede omslagen der mouwen, die tot even onder de ellebogen reikten, viel een aanzienlijk pak lubben op den voorarm neer. Het kamizool was van zwart gebloemd damast, even als de wijde broek: en tusschen beiden in blonk een hagelwit linnen. De zijden koussen staken in groote vierkante schoenen met hooge roode hakken voorzien. Hij droeg thands geen degen, maar een kostbaren hartsvanger op zijde, aan een zilveren ketting, in een schede van robbevel, en waarvan het gevest van ivoor was vervaardigd, ingelegd met goud. Een touwen paruik en daarboven een witte lakensche pet met een breeden vervooruitstekenden klep bedekten het hoofd: en een das met kantwerk aan de tippen, waar over rijkelijk snuif gestrooid was, omstrikte den hals. In de rechterhand hield hij een lange bruine rotting met barnsteenen knop, en in de linker een regenscherm.

Rechts achter hem bevond zich zijn eenige zoon, de Heer Lodewijk Blaek, een rijzig, kloek gebouwd jonkman, met groote bruine oogen, een welgevormden mond en regelmatige trekken, welke hem een allergunstigst uiterlijke zouden geschonken hebben, indien er niet in zijn schuinsche blik en in de wijze waarop hij gewoon was den neus en de onderlip op te halen, iets ware gelegen geweest, dat van hoogmoed en verachting sprak en een onaangename uitdrukking over zijn gelaat verspreidde: en indien niet enkele roode vlekjens op zijn fletsche wangen verspreid, te duidelijk heur herkomst hadden geöpenbaard van de menigvuldige brasserijen en nachtwaken, die toen, wat ook een laudator temporis acti moge zeggen, meer in zwang waren dan tegenwoordig. Zijne kleeding was rijker en meer nieuwmodisch dan die van zijn vader, ofschoon insgelijks die van een buitenman; maar zijn rok was van groen laken, als bezaaid met een onnoemelijk getal kleine ronde knoopjens, en met wingertranken van groene vloszijde om de zakken en op de naden geborduurd. Zijn broek, waarboven een driedubbele gouden horologieketting bungelde, was van geel leder: zijn gerolde bovenkoussen van geele zijde, en de onderkoussen van geweefd touwwerk: van onder een ouden hoed, dien hij zeker in de haast had opgezet, golfde een fraaie pruik van kastanjebruin hair in cierlijke krullen naar beneden, en deelde zich op den nek in twee zoogenaamde marteaux, waarvan slechts de eene zijn weg over den rug vervolgde, terwijl de andere naar den toen heerschenden smaak over den linker schouder naar voren was gebracht. Hij droeg degen noch jachtmes; maar een klein hondenzweepjen met een gouden fluitjen aan den steel stak hem onder den arm uit, terwijl ook zijne hand zoo als die zijns vaders gewapend was met een regenscherm; het zijne echter was van rood taf met geelen rand, bloemen en gewerkte franje: dat van zijn vader van grof linnen en meer ouderwetschen vorm.

Wat de derde personaadje betrof, die meer achterwaarts bleef en de slinkehand hield, deze was niemand anders als de Heer Lucas Helding, de voortbrengselen van wiens vernuft ik in het vorige hoofdstuk heb medegedeeld. Men had den goeden man slechts aan te zien om gewaar te worden, dat hij door de beide Heeren, in wier gezelschap hij zich bevond, slechts geduld werd en niet meer, en er verre van af was, die onafhankelijkheid te bezitten, waarop de Muzenzonen gewoon zijn zich te laten voorstaan. En waarlijk, het was, in die dagen zoo als nu, een beklagenswaardig lot voor een inboorling van ons gemeenebest, wanneer hij, niet door de fortuin bedeeld zijnde, zijn brood met de beöefening der schoone kunsten en wetenschappen verdienen moest: vooral in Amsterdam, waar men weinig of geene achting koesterde voor al wie aan de begaafdheden, welke hem de natuur geschonken had, het gewicht niet wist bij te zetten van eenige goede zakken met dukaten en eenige liassen schuld- en kustingbrieven; – waar meer dan een schilder, wiens voortbrengselen thands duizenden gelden, in een gasthuis stierf; waar meer dan een plaatsnijder zich uit armoede verdronk en menige geleerde op een vliering woonde 3) .

Er was er echter onder de begunstigden van Apollo en het negental, aan wien wel geen rijkdom te beurt viel, maar toch een zeker bestaan werd verschaft, – zeer dragelijk voor alledaagsche geesten; maar voor hoogvliegende vernuften meer onverduurbaar wellicht dan de ellende zelve. Hoewel onze Amsterdamsche Patriciërs (ik spreek hier in ’t algemeen: er bestonden enkele en treffelijke uitzonderingen) weinig met de beoefenaars der kunst op hadden, zij konden, bij de steeds klimmende weelde, de kunst zelve hoe langer hoe minder missen. Men bouwde overal nieuwe en prachtige huizen: goed: men betaalde de bouwmeesters wel; maar dan moesten er ook beelden en vazen zijn in de voorportalen en gangen: schilderijen op de behangsels; basreliefs boven de deuren; allegoriën, beeldspraken en deviesen aan de gevels, stoepen, tuinen zomerhuizen. – Men had fraaie rijtuigen; – maar de paneelen moesten met de wapens des eigenaars en met keurig schilderwerk prijken. Men had cierlijk aangelegde lusthoven; – maar dit moest een ieder weten, en daarom moesten die in een ‘deftig dicht’, gelijk men ’t noemde, bezongen worden. Men had boekerijen; – maar het was niet altijd de zaak des eigenaars om die zelf te verzamelen. Eindelijk, men had van Augustus en Maecenas hooren spreken, van de aanmoediging en bescherming, door hen aan de kunst verleend, en hoe zij, ter wedervergelding, door dichters en kunstenaars werden geëerd en geprezen: en nu moest ieder, die geld had, een Augustus of Maecenas worden en ten minsten aan een paar schilders of dichters zijn hooge gunst doen blijken. Dat bij sommige aanzienlijke ingezetenen een wezenlijk gevoel voor het schoone en goede bestond, kan niet geloochend worden; en ik zal de eerste zijn om hulde te doen aan mannen, gelijk ik er velen gekend heb, die met den luister hunner geboorte en het aanzien, dat stand en rijkdom hun gaven, vernuft, geleerdheid, goeden smaak en echten kunstzin wisten te vereenigen; maar, dat het bij de meesten een zaak van mode was, zal evenmin wedersproken worden door iemand, die van den toenmaligen tijdgeest slechts een flaauwe kennis draagt: – en zóó gebeurde het, dat schilders van den eersten rang hun goddelijke kunst moesten verlagen om die te doen strekken tot het vercieren van vertrekken of staatsiekoetsen of tot het teekenen van perspectieven aan het einde eener laan en op de wanden eener oranjerie: of wel tot het afbeelden van hun beschermer en zijn huisgezin, in de door hen gekozen, vaak belagchelijke gewaden en houding: – dat de dichter zijn vlucht beperken moest binnen de enge grenzen van het lofdicht, ter eere van den rijkaart, die hem betaalde, en van het beschrijvend gedicht, ter verheffing van de buitenplaats, waar hij nu en dan het onwaardeerbaar voorrecht genoot van een paar dagen door te brengen, wanneer er namelijk geene meer aanzienlijke gasten waren dan de jongste boekhouder en diens familie. – Want, waagde hij het, hooger toonen te slaan, hij kon van te voren berekenen, dat zij hem geen stuiver zouden opbrengen.

Zoodanig een lot was ook dat van Lucas Helding, wien de Heer Blaek zich had aangetrokken, niet omdat deze eenig gevoel voor de dichtkunst bezat, maar omdat gezegde Lucas Helding hem eenige jaren vroeger, door zijn zoon Lodewijk, (die er zijn redenen voor had) was aanbevolen geworden tot het bezingen der schoonheden, welke de hofstede Guldenhof opleverde. Ettelijke honderden van exemplaren in 4 o formaat, met fraaie lederen banden en goud op snede, onder de vrienden en kennissen van den Heer Blaek rondgedeeld, getuigden, hoe treffelijk zich de hofdichter van zijn taak gekweten had; en deze, hierdoor onder het patronaat van den eigenaar der door hem bezongen hofstede gekomen, genoot sints de benijdbare onderscheiding, van somtijds bij zijn beschermer eenige dagen te mogen doorbrengen en nu en dan met een kleine douceur in geld of wel met een ouden rok of hoed te worden vereerd. Hij had het in waarheid slechter kunnen treffen; want op Guldenhof waren geen kinderen die men te vergezellen had, wanneer zij in een bokkewagentje reden, (een bezigheid, die gewoonlijk anders aan zulke logeergasten werd opgedragen): geen Fransche gouverneur, met wien men uitgestuurd werd ter wandeling en wien men niet verstaan kon: geen vrouw des huizes, die de portiën aan tafel zelve voordiende en zorg droeg, dat een gast als deze niet meer kreeg dan zijn bekomst: – het gandsche huisgezin bestond er slechts uit drie personen, waarvan twee zich weinig of niet met hem bemoeiden, en de derde – een engel was. Lucas Helding sleet dus, zoo dikwijls hij op Guldenhof kwam, daar ook werkelijk gulden dagen: at en dronk zooveel hem lustte, wandelde waarheen hij wilde, mocht ongemoeid in de boekerij snuffelen, en vond Mejuffrouw Blaek altijd gereed en genegen om een praatje met hem te maken en hem te plagen.

Met dat al, men behoefde, gelijk ik reeds heb gezegd, onzen Muzenzoon slechts aan te zien, om zich overtuigd te houden, dat zijn finantiën zich geenszins in een voordeeligen staat bevonden, en dat Plutus hem evenmin gunstig was geweest als aan zoovele anderen, die voor en na Lucas Helding de lier van Apollo getokkeld hebben.

Mijn bemerking geldt echter alleen het uiterlijke voorkomen van den man; want, niettegenstaande zijn soberen opschik, schenen zijn ronde buik en blozende wangen van een betere keuken en meer voorziene spijskelder te gewagen, dan hem gewoonlijk ten deel viel: en de goede moeder natuur had het vergoedingstelsel ten zijnen opzichte in zooverre gevolgd, dat zij hem bij zijn armoede een gelukkig humeur en een blijde vrolijkheid had geschonken, welke hem de nukken der fortuin trots den besten wijsgeer deden tarten, en alleen, gelijk uit het vervolg zal blijken, nu en dan voor smarten van een meer treffenden aart moesten zwichten. Zijn rond en open gelaat, zijn kleine, maar geestige oogen, zijn lagchende roode lippen, hadden, om voordeelig uit te komen, een betere lijst verdiend dan het magere pruikje, waaruit eenige grijze hairen ontsnapten, die te kennen gaven, dat hun eigenaar de zes kruisjens reeds achter den rug had. Wat het overige van ’s mans kleeding betrof, om met een dichter van zijn slach te spreken,

Zijn kamizool, schoon ’t van damast was,

Was ’t slechtste stuk, dat aan zijn bast was,

en miste reeds lang de grootste helft der knoopen, waarmede het vroeger vercierd was geweest en wier plaats tegenwoordig vervuld werd door een menigte spelden, zoo hoog opgestoken, dat zij het vraagpunt in ’t midden lieten, of er al dan niet eenig linnengoed onder dat vest verborgen was. De rok was bij uitstek fraai… geweest; maar de kleur der geele, blaauwe en oranje ruiten, welke daarop te zien waren, was lang verschoten en het fatsoen ten eenemale ouderwetsch geworden: ook was hij niet ruim genoeg, om dichtgeknoopt te kunnen worden over den vooruitpuilenden buik, die met moeite geborgen werd in een groen fluweelen broek, welk laatste kleedingstuk, nog zoo goed als nieuw zijnde, merkelijk tegen de rest afstak. Witte geweven koussen, welke tot boven de dijen reikten en onder de knie met een paar marokijnen koussebanden opgehouden werden, omsloten de korte en met fraaie kuiten voorziene beenen, waarmede hij angstig op en neder trippelde, om een paar groote honden van den Heer Blaek te ontwijken, die er vermaak in schenen te vinden om hem in verlegenheid te brengen. Wanneer men zich nu bij dit alles een klein degentje met tinnen gevest, onder het rokspand half verborgen, en een paar lomp gemaakte schoenen voorstelt, zal men zich een klaar denkbeeld kunnen maken van de persoon van Lucas Helding. Ook hij droeg een regenscherm; maar het zijne was zoo bedekt met lappen en zetstukken, dat de oorspronkelijke aart en kleur der stoffaadje niet langer te onderkennen was.

De drie personaadjen, waarvan wij de beschrijving hebben gegeven, bleven dan, als gezegd is, in stomme verbazing op den stoep staan en herinnerden Helding, gelijk deze naderhand beweerde, aan soldaten, die,

Verdadight met een dack

Van schilden (regenschermen) dicht gevoeght,

een bres beklimmen en halverwege worden gestuit.

De verbazing, welke zich op de drie onderscheidene troniën vertoonde, leverde een kluchtig en veelbeteekenend contrast op. Bij den ouden Heer Blaek scheen zij vermengd met een gevoel van angst en toorn, ’t welk hem den mond wijd deed openen en den knop van zijd rotting krampachtig vastknijpen. Zijn zoon wierp het hoofd in den nek, en trok den neus en de wenkbraauwen naar boven: en op de lippen van Helding rees een glimlach, dien hij zich haastte met de hand te bedekken, in de onzekerheid, hoe een scherts met dit voorval zoude kunnen worden opgenomen.

Het stilzwijgen, door de wederzijdsche verrassing veroorzaakt, duurde echter niet lang: de drie Heeren traden binnen, voorafgegaan door de beide honden, die dadelijk al blaffende en grommende toeliepen naar den ongelukkigen indringer, die ondertusschen, met den kluw in de hand van onder de tafel voor den dag gekomen was; en de jonge juffrouw ging haar oom een schrede te gemoet.

– ‘Wij kwamen u halen, Mejuffer!’ zeide de Heer Blaek, op een toon van ontevredenheid, welken de omstandigheid eenigzins wettigde, en zonder eenige de minste notitie van mij te nemen: ‘niemand wist, waar gij heen gestoven of gevlogen waart.’ –

– ‘Ik was.. ik zat hier te lezen, oom!’ antwoordde het lieve meisje, beurtelings rood en bleek wordende: ‘het regende zoo, en..’

– ‘Wij waren bang dat gij u verveeld zoudt hebben,’ zeide Lodewijk Blaek, met een schamperen lach, terwijl hij tevens een schuinschen blik op mij wierp: ‘maar wij wisten niet, dat gij gezelschap hadt.’ –

De Heer Blaek wierp op zijn zoon een eenigzins onvergenoegden blik en wendde zich tot mij, als om mij te vragen, wie ik was, toen ik, verlangende mijn lieve gastvrouw uit de verlegenheid te redden, vooruit trad en hem voorkwam.

– ‘Ik hoop, mijn Heer Blaek,’ zeide ik, ‘dat gij het mij niet ten kwade zult duiden, zoo ik hier voor eenige oogenblikken een schuilplaats tegen den regen heb gezocht.’ –

– ‘Het staat voor de deur,’ mompelde Helding, halfluid:

‘Zoo gij voor regen vreest of gure noordewinden

Gij kunt in dit verblijf een zoete schuilplaats vinden…’

– ‘Gij waart zeker bang,’ voerde Lodewijk Blaek mij spottende te gemoet, ‘dat het dak lekte, en dat gij slechts onder de tafel tegen den regen beveiligd zoudt zijn.’ –

– ‘Ik raapte dezen kluw op, dien de juffer had laten vallen,’ zeide ik, zoo bedaard mogelijk, en reikte het meteen aan mijn bekoorlijke gastvrouw toe, die het met een beleefde neiging aannam.

– ‘En waart gij ook al aan ’t borrelen, Nichtje?’ vroeg Lodewijk, naar de tafel gaande en een der fleschjens opnemende: ‘mij dunkt gij hieldt hier open hof. Wat zegje, poëet!’ (tegen Helding) ‘heeft de maag ook een prikkel noodig, voor wij aan tafel gaan?’ –

Helding naderde met eenige strijkaadjen, en, het glas opnemende, dat Lodewijk voor hem had ingeschonken, hield hij het zoolang in de hand, tot dat de zoon van zijn beschermer het zijne geledigd had, waarna hij met kleine teugjens de fijne likeur begon in te slorpen.

– ‘En heeft mijn nicht u genoodigd, hier te komen schuilen, vriendje?’ vroeg mij de Heer Blaek op een vrij knorrigen toon, te gelijkertijd zijn parapluie aan Helding overhandigende, die, reeds zijn handen vol hebbende, zich haastte zijn glas op tafel te zetten en de beide regenschermen neder te slaan.

– ‘Het is hier anders een besloten plaats,’ vervolgde de eigenaar van Guldenhof, een zware goudene snuifdoos voor den dag halende en er drie vingers van zijn rechterhand in dompelende: ‘en geen herberg, waar iedereen zoo maar vrij mag inloopen.’ Dit gezegd hebbende, bracht hij de lading snuif, tusschen zijn vingers bevat, naar haar bestemmingsoord, en stak de doos aan Helding toe, die, deze beleefdheid niet durvende weigeren, spoedig de beide natte regenschermen onder den linkerarm bracht, tot groot nadeel voor zijn kleed, en met de rechterhand van het aangeboden gunstbewijs gebruik maakte.

– ‘Mejuffrouw is zoo vriendelijk geweest, mij niet van hier te jagen,’ antwoordde ik, eenigzins bedremmeld over de barsche toespraak van den Heer Blaek; ‘overigens is het schrikkelijke weer mijn verschoning, zoo ik onbescheiden geweest ben. Mijn naam is..’

– ‘Ik vraag u niet naar uw naam,’ viel mij de oude Heer in de reden. Eenigzins hardhoorend, en buitendien ontevreden zijnde, verstond hij slechts ten halve hetgeen ik vrij zachtjens gezegd had; ‘maar mij dunkt, het weer is nu al heel wat bedaard en gij kost nu wel weer opkuieren, vriendje,’ –

Tegen dezen wenk, of bevel was niets in te brengen: ik trad derhalve naar Mejuffrouw Blaek, en haar mijn dank betuigende voor haar vriendelijk onthaal, vroeg ik of zij mij ook eenige bevelen te geven had voor Amsterdam.

– ‘Ik dank u, mijn Heer Huyck!’ zeide zij, met nadruk mijn naam doende hooren: ‘ik denk zelve eerstdaags daar te komen en hoop misschien van de week nog Mevrouw uw moeder en Santje te komen bezoeken.’ –

Het hooren dezer woorden bracht geen geringe verandering in de gelaatstrekken der aanwezigen te weeg. De Heer Blaek zag op, gelijk men zegt, alsof hij het te Keulen had hooren donderen: Lodewijk begon te lagchen; doch op een wijze, die mij nog onbeleefder toescheen dan zijn trotsche blik van kort te voren, en Helding liet van verbazing de beide regenschermen op den grond vallen.

– ‘O ho!’ is het een kennis van u, Jetje?’ zeide Lodewijk, na een oogenblik zwijgens: ‘wel hadtje dat maar terstond gezeid, meidlief! daar was vader, die zich al verbeeldde dat mijn Heer een medegenoot was van de bende van Jaco.’ –

– ‘Huyck! Huyck!’ herhaalde de Heer Blaek, zijn nicht en mij beurtelings aanziende: ‘is mijn Heer van de familie van den Hoofdofficier van dien naam?’ –

– ‘Ik ben zijn zoon,’ antwoordde ik, met een buiging: ‘heeft mijn Heer ook eenige boodschappen?..’

– ‘Ik wist niet, dat UEd. in kennis waart met mijn nicht,’ vervolgde hij, zonder op mijn aanbiedingen te letten: ‘mijn Heer is, geloof ik, uitlandig geweest?… anders zoude mijn Heer weten, dat het de gewoonte in Holland niet is, dat de jonge dames, wanneer zij alleen zijn, bezoeken van Heeren ontfangen.’ –

– ‘Ik kom van de reis,’ hervatte ik, eenigzins geraakt: ‘en zie Mejuffrouw Blaek heden voor de eerste maal. Ik wist niet, dat er zich iemand in de koepel bevond, waarin ik schuilen kwam; anders ware ik zoo onbescheiden niet geweest.’ –

Het scheen mij toe, als of deze mijne verklaring den Heer Blaek een pak van het hart nam: en, als wilde hij zijn onbeleefdheid vergoeden, vroeg hij mij, of ik niet tot zijnent wilde komen en iets gebruiken. Ik sloeg zijn aanbod af, zeggende dat ik mij spoeden moest, daar ik gaarne voor poortsluiten binnen Naarden wilde wezen.

– ‘Welnu! steek dan ten minste een pijp op voor uw vertrek,’ zeide de Heer Blaek: ‘Lodewijk zal wel een tonteldoos bij zich hebben.’ –

– ‘Ik heb mijn vuurslag vergeten,’ zeide Lodewijk, zich met onverschilligheid omwendende. ‘Helding! neem eens de moeite van die glaasjens wat om te spoelen en het likeurkeldertje te bergen.’ –

– ‘Foei!’ zeide Henriëtte (ik wist nu haar naam): ‘dat is dameswerk: dat zal ik wel bezorgen.’ –

– ‘Ik ben het rooken buiten ’s lands verleerd,’ zeide ik, en groette nogmaals het gezelschap. Op den stoep gekomen, hoorde ik Lodewijk overluid zeggen:

– ‘Nu ja: geloof maar vrij, Jetje! dat het de zoon van den Heer Huyck zou wezen. ’t Is een verkleedde fielt, die zien komt of er iets van zijn gading is.’ –

Ik hield mij niet op om te weten of de bevallige Henriëtte mijn verdediging ook op zich zoude nemen, maar stapte, niet weinig ontevreden over de handelwijze zoo van vader als zoon, de hofstede af. Dewijl de koepel, wanneer men van den kant van Amersfoort kwam, voorbij het hek was, moest ik, den landweg vervolgende, dien nogmaals langs gaan. Toen ik zulks deed, lichtte ik beleefdelijk den hoed tot afscheid. De Heer Blaek beantwoordde mijn groet op een koele, doch gepaste wijze: zijn zoon zag mij aan met een onbeschaamden blik, dien ik hem met woeker teruggaf. Wat zijn nicht betrof, ’t zij uit verlegenheid, ’t zij uit onverschilligheid, ’t zij omdat zij aan de inblazingen van Lodewijk gehoor had gegeven, zij bleef met den rug naar het venster gekeerd met Helding praten: en mijn hoop, om nog een enkelen blik als vaarwel te erlangen, was in rook vervlogen.

De bui was nu geheel over en de lucht aangenaam verfrischt door het onweder; slechts enkele waterlooze wolkjens dreven nog in het zwerk rond. Vrolijk zweefden de vogels om mij heen, als om de wederverschijning van het zonlicht te begroeten. De weg daarentegen was, als te denken is, nog slibberig en vol plassen; alleen het voetpad was redelijk; – maar ik had zeker al een geruimen tijd doorgestapt, eer ik, ’t zij op het fraaie weer, ’t zij op den slechten weg begon te letten; zoo geheel waren mijn gedachten van de zonderlinge ontmoeting op Guldenhof vervuld. Een onbeschrijfelijke en mij toen nog onbegrijpelijke mengeling van hoogst genoegelijke en alleronaangenaamste gewaarwordingen hield mij bezig. Met verrukking dacht ik aan het lieve aangezichtjen, aan de zoete, welluidende spraak, aan het spelend vernuft der beminnelijke Henriëtte; maar met wrevel en misnoegen aan den zotten rol, dien ik, naar mijne meening, tegen over haar gespeeld had. Ik ging al de woorden na, die ik had uitgesproken, de geheele houding, die ik had aangenomen, en ik vond al wat ik gezegd en gedaan had, zot en onverstandig. De oude Heer Blaek had mij in den aanvang, de zoon bij voortduring onbeleefd behandeld; doch hunne bejegening trok ik mij minder aan dan die van Henriëtte, welke mij, ik kon het mij zelf niet ontkennen, tot afscheid den rug had toegedraaid. Ongetwijfeld, dacht ik, was zij mijn gezelschap lang reeds moede, en blijde daarvan eindelijk ontslagen te worden: ongetwijfeld had ik het onderhoud, dat zij wel met mij heeft willen voeren, alleen te danken aan het slechte weer, dat haar dwong met mij te blijven, aan haar beleefdheid en aan haar vriendschap voor mijn zuster – en geenszins aan eenig behagen dat zij er in schepte. – Dan weder vroeg ik mij af, wat mij toch eigenlijk hare welwillenheid of tegenzin aanging, en hoe ik mij zoo verlegen kon maken over de gevoelens, ten mijnen opzichte gekoesterd door een juffer, die ik voor de eerste reize mijns levens zag. Ik had toch op mijn reizen vele vrouwen en meisjens ontmoet, zoo schoon en misschien schooner nog dan deze; maar nimmer had eene daarvan zulk een indruk op mij gemaakt. Was die te weeg gebracht door het verrassende, het romaneske (gelijk men het thands zoude noemen) der ontmoeting? – Maar zooveel ik mij zelf kende, was mijn karakter kalm en bedaard; zelden of nooit nam mijne ziel haar vlucht naar het gebied der verbeelding, en niemand had ooit uit zijn aart minder aanleg dan ik om zich idealen te scheppen, die met ingebeelde hoedanigheden te vercieren, de wezenlijkheid aan den schijn op te offeren: in ’t kort, een romanheld te worden. Ik verwonderde mij dus zelf over de onrustige beweging die ik in het hoofd voelde en over de ongewone heftigheid waarmede mij het hart in den boezem klopte: ja, ik was er ten laatsten niet verre af, om die toe te schrijven aan den invloed van den brandewijn dien ik genuttigd had en die misschien van beter en sterker alooi was dan de geestrijke dranken, welke men in andere landen tapte.

Wat hiervan wezen mocht, de gespannen stemming waarin ik mij bevond, verliet mij niet eerder, dan toen ik, met natte voeten en een hongerige maag, mij voor de herberg van Eemnes bevond, alwaar ik mijzelven had voorgesteld het middagmaal te houden.

DigitalDroom Reader

Hoofdstuk V

V / XXXIX

– ‘Wel dat treft nou ongelukkig!’ riep de waardin, na mijn schoenen bij het vuur in de keuken geplaatst, en mij in een opkamertje te hebben gelaten, waar zich een tafel bevond, beladen met de overblijfselen van een aldaar gehouden middagmaal: ‘dat is jammer, koopman! datje nou een amerijtje vroeger ‘ekomen waart! dan hadtje mee kunnen anzitten met twee passeziers, die hier ‘egeten hebben en bijkans al de proviand uit mijn huis hebben met ‘epakt.’ –

– ‘Zoo!’ zeide ik, niet zeer gesticht over deze onwelkome mededeeling, en voorziende, dat mij de overgeblevene spijzen nu dubbel zouden worden aangerekend: ‘waren dat zulke schrokkers?’ –

– ‘Dat wil ik nou justement niet zeggen,’ antwoordde de vrouw des huizes, terwijl zij de overgeschotene kliekjens ontweldigde aan de duizend en eene vlieg, die er op aasden: ‘de jonge vrijster althands heit bijkans geen mond vol ‘egeten; maar zij hebben al wat ik nog overhad an vleisch en nog een brood, dat ik van den bakker heb laten halen, in een grooten blikken trommel ‘estopt, dien zij met zich hadden, puur as gingen zij naar het onbekende Zuien, en of er te Naarden of te Weesp, waar zij dan ook heentrokken met ‘erlui huifkar, geen sikkepietje te krijgen ware.’ –

Het woord huifkar herinnerde mij terstond aan den man, dien ik tot Tsaar verheven had: en ik vroeg aan de waardin of de reiziger niet een rooden mantel droeg?

– ‘Een kaerel as een boom,’ antwoordde zij: ‘en dien ik niet graag alleen in een bosch zou ontmoeten. Ja kijk! as de vrijster niet zoo’n hupsche deern was ‘eweest, en as ze niet alles pront betaald hadden en nog een fooi an de meid ‘egeven toe, dan zou ik bij mijn zondige ziel edacht hebben, dat het Zwarte Piet zelvers was. Ik had warentig medelijen met het arme schaap, zoo bedrukt as ze keek,.. maar met dat al mot je geen honger lijen, koopman! en ik zou deur al dat praten wel heelendal vergeten van je te bedienen. Nou! ik zeg, je heit ook al een weertje op weg ‘ehad! ’t Zel de boeren ook rouwen, die ‘erlui hooi nog niet binnen ‘ehaald hebben. Het onze is deur Gods zegen al in de schuur, op een paar wagens na van een kampje, dat wat ver leit, heel onder Eembrugge; maar er zijn lui, die het altoos op het laatste laten ankomen. Hebje nog ergens ‘eschuild, koopman?’ –

Niet ongenegen om aan mijn praatzuchtige gastvrouw de gelegenheid te verschaffen, van haar tong te vieren over een belangrijker onderwerp dan haar hooibouw, vertelde ik haar, dat ik op Guldenhof den regen ontvlucht was.

– ‘Op Guldenhof!’ herhaalde zij, eenigzins vreemd opziende: ‘een mooie plaats, he? kenje meneer Blaek? Hij houdt er anders niet veul van, dat men zoo bij hem oploopt.’ –

– ‘Ik ken hem slechts van aanzien,’ antwoordde ik: ‘ook heb ik niet in huis, maar op de koepel geschuild.’ –

– ‘Nou kijk! dat had hij eensjes motten weten! – Niet, of ’t is een weldoend Heer, die veul an de arme lui geeft, dat mot ik zeggen: – lest heit hij nog twee dikketonnen en een flesch wijn ‘ezonden an Lijs, de vrouw van Tymen den varkenslachter, die een kwaje kraam had ‘ehad; – maar ik wil maar zeggen – hij ziet niet graag menschen big zich: hij leeft zoo wat eenigjes met zijn nicht en zen zeun: – een knappe borst – zen zeun; en een mild heer, dat beloof ik je. – Men zeit zoo, ze zullen een paartje worden samen: – Volle neef en volle nicht! ’t is niet zoo as ’t hoort!’ –

Ik kon niet nalaten innerlijk deze uitboezeming der waardin te beämen, schoon niet uit dezelfde beweegreden als de goede vrouw, die, tot de Roomsche godsdienst behoorende, gelijk uit het gouden kruis op haar boezem te bemerken was, een dergelijk huwelijk af moest keuren, als met de kerkwetten in strijd. Intusschen had haar aanmerking mijn nieuwsgierigheid opgewekt:

– ‘En zou dat huwelijk al spoedig doorgaan?’ vroeg ik.

– ‘Dat ‘loof ik niet, koopman! – Dat jonge Heerschap is zoo wat los en liber, zoo als ik zei: en houdt te veul van zijn vrijheid om van nou af an de ketting te leggen.’ –

Het bericht, dat Lodewijk Blaek zijn nicht waarschijnlijk trouwen zoude, was mij hoogst onaangenaam geweest; – doch de gedachte, dat hij zulk een verbindtenis niet op den waren prijs zoude stellen en die als een lastigen band beschouwen, maakte hem volkomen hatelijk in mijne oogen.

– ‘Nou!’ vervolgde de waardin: ‘ik ken ’t me wel begrijpen: het meisje heit van der aigen niet veul, zeggen ze: en ’t is maar een schraal poppie: hij kan wel wat beters krijgen?’ –

Ik keek de waardin aan, die de slanke, bevallige Henriëtte een schraal popjen dorst noemen: het was een dikke, gezonde zus, met wangen, of zij de hel had aangeblazen: – zij scheen mij op dat oogenblik zoo afschuwelijk toe, dat ik niet verkoos, verder een woord met haar te wisselen; maar slechts verzoekende, dat zij wat spoed maken zoude, mij voor het venster plaatste en haar den rug toekeerde. Of zij uitgepraat had, weet ik niet; althands zij had de tafel geruimd en verliet mij, met de belofte van in een ommezientje met het eten terug te wezen.

Niets beters te doen hebbende, vermaakte ik mij gedurende haar afwezigheid met uit het raam te zien, hetwelk het uitzicht had op de niet verre van daar aan de overzijde van den weg gelegene kerk, een kloek gebouw, met twee verdiepingen en transen en van een tamelijke spits voorzien. Meer nabij en vlak tegen over mij stond een koepeltje, wat minder prachtig dan dat van Guldenhof, en het uitzicht hebbende over een tuintje, hetwelk geen ander plantsoen bevatte, dan eenige heestergewassen, in dier voege geschoren, dat zij allerlei figuren op een wanstaltige wijze nabootsten.

Ik bekeek deze voorwerpen, welke mij eigenlijk bijzonder weinig belang inboezemden, zoo lang, tot dat de waassem, welken mijn adem op de glasruiten had te weeg gebracht, die aan mijn oog onttrok, en bleef toen kijken, tot dat ik bespeurde, dat mijn gedachten ergens anders waren: ik bespeurde zulks, zeg ik, en wel aan een onwederspreekbaar teeken: ik had namelijk met den vinger een H en een B in krulletters op de ruit getrokken.

Ik werd, toen ik dit ontdekte, eenigzins wrevelig tegen mijzelven, en haastte mij, deze vruchten mijner afgetrokkenheid van gedachten uit te wisschen, als ware ik bang geweest, dat iemand die lezen zoude en een geheim raden, dat ik mijzelven nog niet bewust was.

Deze daad bracht mij op eens van het rijk der verbeelding tot het werkelijke leven terug; want het nu weder heldere glas deed mij iemand zien, die, een weinig zwaaiende, althands met geen vasten stap, van den kant van Zoest kwam aangetreden: – en terstond herkende ik in die persoon denzelfden Andries, die zulk een opschudding te Zoest had verwekt.

Reeds wenschte ik mij zelven geluk, dat ik niet op den weg door dien lastigen kwant was ingehaald geworden, toen ik tot mijn spijt gewaar werd, dat onze matroos, die ongetwijfeld niet gewend was een kapelletje voorbij te gaan zonder eens aan te leggen, naar de huisdeur stevende en binnen trad. Hoe blijde was ik, dat ik in een afzonderlijk kamertje gezeten was! ‘Mits nu maar,’ dacht ik, ‘de waardin dien vent niet hier brengt om met mij te eten, gelijk zij mij met dien vreemdeling en zijn dochter had willen doen spijzigen!’ –

Doch dit liep beter af: na een geruime poos kwam de vrouw des huizes terug met eenig brood en spek en een kan bier. Ik haastte mij, haar mede te deelen, dat ik ’s morgens te Zoest eenig ongenoegen gehad had met den man, die beneden zat, en liever niet met hem op nieuw in aanraking wenschte te komen.

– ‘Nou! ik ‘eloof het wel!’ zeide de waardin: ‘’t is een ongemakkelijke compeer ook as hij begint, die eigenste Andries; – maar hij zel zich nou stil houen, hoop ik; hij zit althands heel bedaard een glaasje bier te drinken, en een praatje te maken met een kennis van hem, die juist beneden was: – zij spreken ondertusschen een rare taal; maar die ik liever niet hoor dan al: – ’t is Duitsch 4) en toch geen Christenziel kan ’t verstaan: ’t Is net dievetaal.’ –

Ik maakte geen aanmerkingen op dit gezegde der waardin, hetwelk zoo volkomen strookte met de slechte gedachte, die ik reeds van den knaap had opgevat. Alleen verzocht ik haar, mij te zullen waarschuwen, zoodra Andries vertrokken was, daar ik niet op zijn gezelschap langs den weg gesteld was. Na dezen maatregel van voorzorg zette ik mij aan tafel en begon, niet zonder graagte, op de mij voorgezette spijzen aan te vallen. Zoodra echter mijn eerste honger gestild was, ging ik met meer bedaardheid te werk, ten einde mijn maal ten minsten zoo lang te rekken, tot dat Andries de herberg zoude verlaten hebben; doch, spek en brood waren reeds van het bord naar mijn maag verhuisd en de stem van den lastigen matroos deed zich nog in het onderhuis hooren. Ik stond op, liep wrevelig de kamer op en neder, begon mij eindelijk verwijtingen te doen, dat ik voor den twistzoeker vreesde, en bloosde een oogenblik over mij zelven.

– ‘Kom!’ dacht ik: ‘waarom niet moedig de deur uitgestapt? – Misschien ziet mij de kaerel niet eens: en, zoo hij mij al opmerkt, ’t is niet gezegd, dat hij nu juist weer twist zoude zoeken.’ –

– ‘Maar neen!’ vervolgde ik hij mij zelven, de deurklink, die ik reeds had aangevat, weder loslatende: ‘schoon hij mij hier al met vrede liet, hij zoude mij op den weg kunnen volgen: en hoewel ik hem alleen wel zoude durven staan, er steekt geene eer in, om zich zonder noodzakelijkheid bloot te stellen aan de aanrandingen van iemand, die zijn beroep van ’t vechten schijnt te maken. Wie een dollen hond ontmoet, en niet uit den weg gaat, handelt dwaas: en die dronkaart beneden is niet veel beter dan een dolle hond.’ –

Na door deze fraaie redeneering mijzelven overtuigd te hebben, dat geen vrees, maar hooge wijsheid mijn handelwijze bestuurde, bleef ik bij mijn besluit, om niet te vertrekken, dan voor dat Andries vooruit gegaan was. Het leed echter nog een goed half uur, gedurende hetwelk ik vrij verdrietig het kamertje op en neer ging, al brommende over al de tegenspoeden, die mij beletteden mijn weg voort te zetten, en zelfs de aangename kennismaking met Henriette Blaek op den achtergrond stellende, het leed een half uur, zeg ik, eer ik de banken in het benedenhuis hoorde verschuiven, en, aan het raam glurende, zag ik nu weldra Andries met nog een man, die oogenschijnlijk beter gekleed was dan hij, de herberg verlaten. Zij liepen met groote schreden voort, als menschen, die hun tijd verpraat, en haast hebben. Ik toefde hierop nog eenige oogenblikken, ten einde hen gelegenheid te gunnen, van zich ver genoeg te verwijderen, betaalde vervolgens de verteering, en vertrok, mijn weg links af naar Laren nemende.

Ik ging echter in den aanvang niet dan langzaam voort, zoowel omdat de slechte staat van de wegen na den regen het loopen moeielijk maakte, als ten einde zeker te zijn van mijn twee wandelaars niet op zijde te komen, en keek ondertusschen, zooveel de slingers van den bochtigen weg mij zulks toelieten, voor mij uit, om te zien of ik hen ook ergens ontdekte. Ik had echter wel een goed kwartier uurs geloopen, eer ik iets bespeurde, dat op hen geleek, maar naauwlijks was ik de grenspaal voorbij getreden, welke Eem- van Gooiland scheidt, en zuchtte ik bij het overzien der schade, door den hagel te weeg gebracht in de korenvelden, welke deze anders zoo lagchende heuvelen bedekten, of ik kreeg rechts van mij af en zeer in ’t verschiet, twee personen in ’t oog, die een paadje volgden, dat door de bouwlanden heen slingerde, en wier uiterlijk voorkomen mij voorkwam in allendeele gelijk te zijn aan dat van Andries en zijn makker.

Ik was nu geheel gerust gesteld, en wandelde onbezorgd voort. Te Laren hield ik mij niet op, maar trad integendeel met dubbele schreden voort, daar de tijd reeds, bij al het door mij ondervonden oponthoud, verder was verstreken dan ik gedacht had, en de allenskens dalende zon mij vreezen deed, Naarden niet voor het poortsluiten te zullen bereiken, hetgeen toenmaals in die vesting te zes ure plaats had. Wel is waar, er bestond nog altijd mogelijkheid om daar binnen te komen; doch hiertoe werden meer formaliteiten vereischt, dan ik lust had af te leggen. Terwijl ik, met die onaangename gewaarwording, welke ons eigen is, wanneer wig nog een goed eind weegs af te leggen hebben en vreezen te laat te komen, den heuvel beklom, die zich tusschen het bevallige Laren en de grijze vesting, waar ik zoo even van sprak, bevindt, zag ik een rijtuig mij van de hoogte af te gemoet komen, hetwelk ik, bij het naderen, voor de huifkar herkende, die ik des morgens te Zoest had gezien, en die thands ledig terug keerde. De voerman, het pijpje dat hem tusschen de lippen stak hebbende laten uitgaan, zat te dommelen en te knikkebollen op het krat, terwijl zijn zweep hem ontvallen, maar gelukkig was blijven vasthaken aan het wiel en daarmede langzaam voortslingerde.

Ik achtte het betamelijk, den man te waarschuwen: ‘hei! ho he wat! goede vriend!’ riep ik: ‘gij zult een goeden zweep verspeelen, zoo gij niet oppast.’ –

– ‘Wat is er?’ riep de voerman, met schrik ontwakende, en door een natuurlijke beweging naar zijn zweep tastende: ‘wat wou je?’ –

Het paard, dat waarschijnlijk reeds zijn bekomst van den tocht had, was op mijn geroep dadelijk blijven staan, en ik wees nu aan den voerman, waar zich zijn onmisbaar wapentuig bevond.

– ‘Sta Kees!’ zeide hij tot zijn knol, die deze vermaning niet behoefde; want het beest had volstrekt geen plan van op de loop te gaan: ‘dankje wel, koopman!’ vervolgde hij, afstijgende en zijn zweep niet zonder moeite loswurmende.

In weerwil van mijn haast om voort te komen, kon ik niet nalaten een oogenblik stil te staan, om naricht in te winnen omtrent den Roodmantel en de Juffer die met hem was, en vroeg ik den voerman, of hij zijn volk al naar Naarden gebracht had.

– ‘Dat weet ik niet, waar ze ‘estoven zijn,’ antwoordde hij:’ ‘ik hebze aan deuzen kant van Naarden of ‘zet op een plek, daar huis noch pad te zien was. Waar ze wezen mosten, weet Joost: en ik vertrouw het werk maar half: ze lekenen allebei zoo bang om ‘ezien te worden. – Maar, wat scheelt het mijn ook? ze hebben mijn een goeie fooi ‘egeven en dus, ik heb niks op ze te prittendeeren. Nou, ajus koopman, en je wordt bedankt veur je beleefdheid.’ –

Met deze woorden steeg hij op; doch voor hij wegreed, riep hij mij nog toe: ‘je meugt wel voorzichtig wezen; want ik hou ‘et er veur, dat het niet pluis is buiten Naarden: ik heb een paar keeren in ’t bosch hooren fluiten; zoodat ik was blij dat ik hier weer op den open weg kwam. Hi Kees! vort pért!’ –

De huifkar verwijderde zich en ik vervolgde mijn weg, slechts weinig gesticht over de tijding, mij door den voerman medegedeeld. Ik poogde mij wel wat gerust te stellen met de gedachte, dat men het niet wagen zoude, iemand op den helderen dag aan te randen en wel zoo nabij een vesting, terwijl overigens mijn bagaadje noch mijn uitrusting van dien aart waren, dat zij een roover in verzoeking konden brengen; – maar de veronderstelling alleen, dat het geval van roof mogelijk ware, was alles behalve aangenaam.

Op het hoogste punt van den heuvel gekomen, wendde ik mij even om, ten einde het verrukkelijk landtooneel te beschouwen, hetwelk men vandaar geniet, over het bekoorlijk gelegen Laren, welks kerkspits en daken, thands vonkelend in den gloed der zon, heerlijk afstaken tegen het lommerrijk geboomte en de uitgestrekte akkers daarom heen: – over Blaricum, de beide Eemnessen, Zoest, Baarn en Amersfoort: over het boschrijke landschap daar tusschen, en over de blaauwe zee, de Stichtsche bergen en de graauwe heide, welke dat alles omsloten: ja, ik zuchtte onwillekeurig, toen ik herdacht aan den voortsnellenden tijd, die mij niet vergunde mij langer in dat schouwspel te verlustigen: – en aan den verveelenden weg, dien ik nog had af te leggen.

Immers, wanneer men eens die hoogte over is, neemt de weg een geheel ander aanzicht. Geen welig groeiend geboomte, geen vruchtbare bouwlanden, geen landhoeven meer: aan weerszijden een dorre, wijduitgestrekte heide, over welke het uitzicht ten Noorden op enkele bosschen kreupelhout, en ten Zuiden op het donkere groen der ’s Gravelandsche lusthoven stuit. Ik kon niet nalaten van, zoo dikwijls ik den blik naar deze laatste zijde sloeg, een vergelijking in te stellen tusschen de woestenij, welke ik doortrok, en dien, slechts een uur of anderhalf van mij gelegen, Oasis, waar de Amsterdamsche rijkdom al zijn weelde en schatten ten toon spreidt. ‘Voorwaar!’ dacht ik, ‘mijn goede tante van Bempden, die ginds haar buiteplaats altijd vol gasten heeft, denkt thands weinig, dat haar neef hier eenzaam door de heide kuiert… ik ben ook wel dwaas geweest, dat ik haar niet geschreven heb: de goede vrouw had mij zeker haar koets te Amersfoort gezonden, en dan was ik vrij wat meer op mijn gemak en vrij wat rojaalder de provincie binnengekomen;.. maar dan had ik ook Henriëtte Blaek niet ontmoet.’ –

Het hoofd alzoo vol hebbende van Henriëtte Blaek, van mijn tante van Bempden, van Andries en van de rooversbende van Zwarte Piet, kwam ik langzamerhand verder. De grond langs den weg, hoezeer nog altijd dor en zandig, droeg, naarmate ik de vesting naderde, eenige meerdere sporen van bebouwing: hier en daar vond ik een versch ontgonnen hoekje, en nu en dan kleine kampjens met peulvruchten beteeld; wat verder op groeiden heestergewassen langs de kanten van den weg en belemmerden al meer en meer het uitzicht, tot dat ik eindelijk aan mijn rechterzijde een vrij dicht geplant boschje kreeg, hetwelk tot deze of gene lustplaats scheen te behooren.

Het was op die hoogte ongeveer dat de flaauw gehoorde toonen van een klok of bengel, welke allenkskens duidelijker in mijn ooren klonken, mij aankondigden, dat ik Naarden al vast naderde, doch tevens, dat ik mij zoude moeten reppen om er nog tijdig te zijn. Terwijl ik alzoo met verhaasting voorttrad, kwam ik aan een plaats, waar kort te voren, gelijk aan het wielspoor te zien was, een wagen had omgedraaid: waarschijnlijk de meer vermelde huifkar. Dit zoude echter mijn opmerkzaamheid niet bijzonder hebben getrokken, ware het niet geweest, dat ik, juist te dier plaatse, in ’t voorbijgaan iets zag liggen, hetwelk ik bij nadere beschouwing voor een groene beurs herkende.

Ik raapte die op, en bleef eenige oogenblikken besluiteloos staan. Waarschijnlijk was deze beurs, welke redelijk wel voorzien scheen, aan een der personen die in het rijtuig gezeten hadden en wier voetstappen nog bij het spoor te zien waren, bij het uitstappen ontvallen; maar hoe die weer aan de eigenaars terug bezorgd? de voerman was mij onbekend en kende zelf, volgens zijn voorgeven, zijn passagiers niet; die hem niet aan een huis of plaats, maar midden op den weg hadden verlaten.

Al overpeinzende, wat mij te doen stond, opende ik onder het voortwandelen de beurs, ten einde te onderzoeken of zich daar ook iets in bevond, hetwelk mij eenig licht zoude kunnen verschaffen. Ik ledigde het daarin beslotene in mijn hand: het was een goede som in gouden rijders en dukaten, en bovendien een gouden zegelring, met een fraaien cornalijn, waarop een wapen zeer kunstiglijk gesneden was. Terstond liet ik het goud weder in de beurs glijden en vestigde al mijn aandacht op het wapen, in de hoop dat mij dit op den goeden weg zoude helpen om den eigenaar terug te vinden; maar naauwelijks had ik gezien, dat het in een Sint Andries kruis met omgekrulde punten bestond en bovendien met talrijke cieraden omslingerd was, waarvan ik de beteekenis niet zoo spoedig kon ontcijferen, of ik hoorde op eens in de nabijheid een gefluit en te gelijk een geritsel van takken als of iemand zich een weg door de struiken baande. Ik verschrikte, zag om: en ziet! daar sprong een kaerel van den hoogeren boschkant op den weg en klopte mij op den schouder met en uitroep: ‘ annemekanneme meêsamen! ’ –

Ik stond verzet: ik wist dat deze woorden, wier rechte samenhang of beteekenis ik nimmer heb kunnen uitvorschen, zooveel moesten te kennen geven, als: ‘wij deelen het gevondene te samen:’ – en, wat mijn ontsteltenis niet weinig vermeerderde, was de omstandigheid, dat ik in den man, die mij zoo vrijpostig op zijde kwam, mijn vriend Andries herkende, en de overtuiging, dat hij mij de beurs had zien oprapen.

Ik zag terstond in, dat een onverschrokkene houding alleen in staat ware, den vent van mij af te houden, en, mijn stok met kracht omvattende, zag ik hem scherp in ’t gezicht en vroeg, wat hij begeerde.

‘Wat ik begeer!’ herhaalde hij met een honenden lach; ‘wel! niet meer, hoop ik, dan wat mij van rechtswege toekomt. Ik heb die beurs net even gaauw gezien als jij: en ik wou er juist op an laveeren, toen jij er zoo vlak voor de wind op aanschoot: je moet niet denken, dat jij alleen recht heit, om die geeltjens bij moeder Kee te gaan verzwendelen: ik heb ze al zoo noodig als jij.’ –

Ik was staande deze redeneering van Andries met hem vooruitgewandeld, maar hield hem niet te min in het oog, gereed hem voor te komen bij de minste verdachte beweging die hij maakte: ‘al wat gij zegt, moge waar zijn,’ zeide ik: ‘maar hetgeen ik gevonden heb, behoort noch aan u noch aan mij, en ik ben voornemens het den rechten eigenaar terug te brengen.’ –

– ‘Ei! ei!’ zeide Andries, een spottend gezicht zettende: ‘terugbrengen! wel dat bedenkje fijn! denkje dat ik je uitvluchten niet merk en geen lont ruik? Je wilt met ongebroken lading wegzeilen; maar dat gaat zoo niet: je zult bijdraaien, kameraad! of we zullen jou enteren.’ – En dit gezegd hebbende floot hij ten tweedemale.

De zin der gëuitte woorden was te duidelijk om kwalijk verstaan te worden: ik was nu overtuigd dat Andries niet slechts een twistzoeker, maar een struikroover was, en dat ik mij van hem moest ontslaan eer hij hulp kreeg: met vaardigheid lichtte ik mijn knuppel op en deed dien op een niet zachte wijze op zijne, reeds naar mij uitgestoken handen nederkomen, waarna ik het met allen spoed op een loopen zette, in de hoop van alzoo de medehelpers van Andries, zoo hij die al had, te ontkomen. – De vlucht was mij echter van geen nut; want naauwlijks was ik tien passen verder, of twee andere kaerels sprongen van weerszijden uit de struiken voor den dag: en terwijl de een mij den pas afsneed, greep mij de ander in den kraag.

– ‘Pas op, Haentje! dat hij je de loef niet afsteekt,’ riep Andries, toesnellende: ‘hij wou het mij draaien, maar hij zel er voor bloeien, nou hij voor drie ankers leit.’ –

– ‘Verroer u niet, of het gaat er door,’ duwde mij Haentje te gemoet, in wien ik den man herkende, met wien Andries uit Eemnes vertrokken was: en meteen zette hij mij een mes op de strot.

– ‘Kom koopman!’ zeide toen de derde roover, met veel bedaardheid een pistool voor den dag halende, hetwelk hij mij voorhield: ‘laat u raden: alle tegenstand ware onnut: overhandig ons goedschiks hetgeen gij aan goud en zilver bij u mocht hebben: gij zult daarna eens zoo luchtig voortwandelen.’ –

Ik zag dezen man, terwijl hij sprak, in ’t gezicht. Hij was iemand van een allergunstigst uiterlijke, dat merkelijk afstak tegen het hatelijke voorkomen van Andries en de bruine, fielterige tronie van Haentje. Zijn gelaatstrekken waren, ja, eenigzins verschroeid en verhard, als die van iemand, die in verre landen gereisd heeft; maar toch regelmatig en innemend: geestigheid vonkelde in zijn gitzwarte oogen: en krullende lokken van dezelfde kleur vercierden zijn schedel. Zijn gewaad daarenboven, dat uit een deftigen zwarten rok en broek bestond, zoude aan niemand in hem den struikroover hebben doen vermoeden.

Alle weerstand was vruchteloos: ik lag letterlijk, zoo als Andries zich had uitgedrukt, voor drie ankers vast. ‘Indien het niet anders kan,’ zeide ik, ‘neemt dan hetgeen ik bezit: voor geweld moet ik zwichten.’ –

– ‘Ziet! dat is gesproken, gelijk een verstandig man betaamt,’ zeide de Zwartrok, op den vriendelijken toon, welken een grootvader zoude aannemen ter aanmoediging van zijn kleinzoon, die hem een verjaringsgedicht was komen opzeggen: ‘en daar gij zelf niet rijk schijnt, zullen wij ook matig in onze eischen zijn en u nog een paar dubbeltjens over laten om te Naarden een slok te koopen en van den schrik te bekomen.’ –

– ‘Niet rijk!’ herhaalde Andries: ‘zoo meteen is hij nog op onze eigene kust komen kapen en heeft een beurs vol goud van den weg opgevischt… ik heb hem net bij tijds gepraaid, anders was hij er mede schoot gegaan; maar dat doet er niet toe… wou jij hem laten loopen, Pieterbaas? ik heb hem heden morgen al gewaarschuwd, dat hij niet weer in mijn vaarwater zou komen…. en mijn woord moet ik houen, weetje.’ –

Deze woorden boezemden mij geen geringe bezorgdheid in, en ik sloeg het oog met ongerustheid op den in ’t zwart gekleeden roover, tot wien Andries zijn rede wendde. Ik sidderde, toen ik hem de wenkbraauwen zag samentrekken en op een korten, gebiedenden toon hoorde zeggen: ‘kent gij hem? – In ’t bosch dan met hem!’ –

Dit bevel was naauwelijks geuit of de schelmen namen mij op en sleepten mij tegen de hoogte op en door de struiken.

Een koude rilling liep mij door de aderen; want welk ander oogmerk kon men hebben met mij van den weg af te voeren, dan dat van mij uit te schudden en te vermoorden? Ik vormde intusschen het vast besluit, van mijn leven niet dan ten duursten te verkoopen en alle middelen, welke list of geweld mij aan de hand mochten doen, ter ontkoming aan te wenden. Voor het oogenblik echter viel er aan geen wederstand te denken; want ik bleef het koude staal tegen mijn nek en den mond van het pistool op de borst voelen; maar, toen wij allenkskens wat verder in het kreupelbosch geraakten, waar ik mij met opzet als een levenloos lichaam doorheen liet sleuren, vonden zich de roovers genoodzaakt hunne moordtuigen een oogenblik van mij af te houden: Haentje, om een tak aftesnijden, die hem in den weg was, en de Zwartrok, om zijn hoed op te rapen, die aan een struik was blijven haken. Ik oordeelde, dat nu het gunstige oogenblik ter mijner verlossing gekomen was; ik rees eensklaps weder op, en mij van Andries, die mij nog vasthield, losrukkende, maakte ik rechtsomkeert, sprong over de mij in den weg staande struiken heen en liep nu al wat ik loopen kon om den heirweg weder te bereiken. Het bleek mij echter daarna, dat ik een verkeerden kant had ingeslagen: weldra bevond ik mij, bijna gelijktijdig met de drie knapen, die mij onder de afgrijsselijkste vervloekingen achtervolgd waren, op een klein open kampje, met mislukte rogge beteeld, en waar een voetpad dwarsdoor heen liep. Mijn krachten waren uitgeput: ik bemerkte, dat ik weldra zoude ingehaald worden, en keerde mij derhalve als wanhopend om.

– ‘Waagt het niet, mij te naderen,’ riep ik, mijn stok, dien ik altijd was blijven behouden, met gezwindheid om mij heen zwaaiende.

Mijn houding boezemde den schurken eenig ontzach in. Hij, die de hoofdman der bende scheen, haalde den haan van zijn pistool over.

– ‘Laat die gekheid varen,’ zeide hij, op mij aanleggende, ‘of het gaat er door.’ –

– ‘Maak maar gerucht,’ hernam ik: ‘de justitie is u al op ’t spoor.’ –

– ‘Hij heeft voor den duivel gelijk ook,’ hernam de Zwartrok, lagchende, en stak meteen zijn pistool, dat waarschijnlijk ongeladen was, weder bij zich: ‘maar, het zal hem weinig baten.’ Dit zeggende, haalde hij een kort rapier van onder zijn kleederen voor den dag, trok zijn rok uit, en kwam met het ontblootte staal op mij af. Ik verdedigde mij een korten poos, onder het aanhoudend geschreeuw van: ‘moord! moord! dieven!’ – maar het gelukte eindelijk aan den knaap, die den naam van Haentje droeg, mijn arm te vatten op het oogenblik dat ik daarmede een stoot van den hoofdman afweerde: en te gelijkertijd voelde ik mij door Andries bij de beenen grijpen en van den grond lichten. Ik stortte voorover, en achtte mijn laatste uur geslagen te zijn, toen ik op het onverwachtst een krachtigen vuistslag op het hoofd van een mijner bespringers hoorde klinken en Andries naast mij op ’t gras zag neertuimelen. Ik rees op, en ziet! de vreemdeling met den rooden mantel stond met opgeheven hand aan mijn zijde. Hij droeg geene wapens, en toch schenen zijn forsche houding, zijn onverwachte verschijning en de krachtige wijs, waar op hij Andries het gewicht van zijn arm had leeren kennen, diens makkers met verbijstering te hebben geslagen: althands zij bleven een wijl besluiteloos staan. Echter vatteden zij weldra weder moed: en terwijl Haentje zijn mes opraapte, dat hem bij de worsteling ontvallen was, liep de hoofdman met opgeheven staal mijn redder te gemoet.

– ‘Hoe is het, Zwarte Piet? Kent gij mij niet meer?’ vroeg deze, zonder zich te verroeren, en hem strak aanziende.

– ‘Is het wel mogelijk!’ zeide Zwarte Piet, met verbazing, terwijl hij zijn rapier zakken liet, en zijn hoed haastig afnam: ‘zijt gij hetzelf, Kaptein! of is het uw geest?’ –

De andere roover wilde toespringen, maar de hoofdman deed hem door een wenk op zijn plaats blijven.

– ‘Is dat uw handwerk tegenwoordig? vervolgde de Roodmantel, op een verwijtenden toon: moest ik zoo iets verwachten van iemand, die onder mij gediend heeft?’ –

– ‘Ja, Kaptein!’ zeide Zwarte Piet, met een deemoedig gezicht, en zijn hoed tusschen de handen wrijvende: ‘wat zal ik u zeggen? ’t is een slechte tijd, en…’

– ‘Geen woord meer!’ zeide de vreemdeling: ‘neemt uwen makker op, zoo hij niet loopen kan: en zorgt, dat gij voor de nacht alle drie den omtrek van Naarden verlaten hebt, of gij zult de galg niet ontsnappen, dat beloof ik u.’ –

De roover zette, zonder eene letter te antwoorden, den hoed weder op het hoofd, stak zijn rapier in de schede, trok zijn rok aan, en gelastte Andries op te staan en hem te volgen. De schelm, die intusschen weder was bijgekomen, voldeed terstond aan het eerste gedeelte van het verzoek, maar had naar het tweede geen ooren.

– ‘Voor den d…..!’ zeide hij, den vreemdeling en mij met een woedenden blik aanziende: ‘zullen wij vlag strijken, zonder die schooiers nog eens de volle laag te geven?’ –

– ‘Ja!’ zeide Haentje, zijn hoofdman met bevreemding aanziende: ‘ik begrijp niet….’

– ‘Gij begrijpt niet?.. Gij behoeft ook niets te begrijpen, domme ezels die gij zijt,’ zeide Zwarte Piet, hen elk bij een arm nemende: ‘gij ziet den man, die daar staat: zoo hij mij gelastte u beiden op te hangen, ik zou het doen ook, voelt gij. Kom! kom! geen praatjens meer. Gij weet, waar wij elkander terug vinden en maakt dat gij van hier komt, of ik zal u beenen maken.’ –

Hoewel de twee schelmen vrij wat forscher uiterlijk hadden dan hun hoofdman, schenen zij echter gewoon van voor den zedelijken invloed des laatsten hetzelfde ontzach te voeden, als deze wederkeerig aan den vreemdeling betoonde: en, schoon eenigzins brommende en schoorvoetende, trokken zij langs verschillende kanten het bosch in en waren weldra uit ons gezicht.

– ‘Is er nog iets van uwe dienst, Kaptein?’ vroeg de roover, zoodra zij vertrokken waren, den vreemdeling beleefd naderende.

Deze vergenoegde zich met van neen te schudden.

– ‘Indien gij mijn diensten noodig mocht hebben,’ vervolgde hij: ‘mijn adres is altijd te bevragen bij Maaike Katers, in den Duvelshoek, te Amsterdam.’ –

Hier zweeg hij plotslings en sloeg een argwanenden blik op mij: ‘Ik heb mij daar mooi verpraat,’ zeide hij; ‘maar!’ hier werd de toon zijner stem, die, zoodra hij tegen den vreemdeling sprak, beleefd en welluidend was, weder kort en scherp: ‘mijn Heer gij zijt gewaarschuwd, voorzichtig te zijn.’ –

– ‘Ik zal dat alles wel schikken, zeide mijn redder. ‘Maak maar, dat gij nu van hier komt, en gij zult niets te vreezen hebben.’ –

De roover glimlagchte op eene wijze, welke zien liet, dat hij geheel te vrede gesteld was, boog zich en was spoedig uit ons gezicht.

DigitalDroom Reader

Hoofdstuk VI

VI / XXXIX

Ik had dit gandsche tooneel met een stomme verbazing beschouwd, onbekwaam om de betrekking te verklaren, welke er tusschen mijn redder en den hoofdman der roovers bestond, en dezen zoo gedwee het veld voor hem ruimen deed. Was de ontzachverwekkende vreemdeling misschien ook zelf het hoofd geweest eener meer uitgebreide bende? en moest ik zijn invloed op Zwarte Piet, en den naam van Kaptein, dien deze hem gaf, daaruit afleiden? Wat hier van wezen mocht, ik voelde mij van eerbiedige bewondering doordrongen voor den man, die, wapenloos, en bijna alleen door het vermogen van zijn wil, mij uit de handen van drie boosdoeners verlost had: en, zoodra het geritsel der struiken, waardoor zich Zwarte Piet een weg baande, en waar de vreemdeling aandachtig naar scheen te luisteren, geheel had opgehouden, begon ik, in de warmste bewoordingen, mijn erkentenis aan hem uittedrukken voor de dienst, die hij mij bewezen had.

Hij ontfing mijn betuigingen met koelheid: ‘al genoeg,’ zeide hij, na een poos zwijgens: ‘ik was u wederkeerig een dienst schuldig, ter vergelding van die welke gij mij heden morgen bewezen hebt.’ –

– ‘Geloof, Kaptein!’ zeide ik, hem den tijtel gevende, welken Zwarte Piet omtrent hem gebezigd had, ‘dat mijn dankbaarheid…’

– ‘Verschoon mij!’ viel hij mij kort af in de rede: ‘ik heb thands geen tijd om al het fraais aantehooren dat gij mij zeggen wilt. Ik heb iets op den weg verloren en moet mij haasten het op te zoeken; want het is allemans gading, en..’

– ‘Een groene beurs!’ riep ik uit, verheugd over de gelegenheid, welke zich aanbood van hem op mijne beurt een dienst te bewijzen.

– ‘Hebt gij haar gevonden?’ vroeg hij, terwijl hij al rechts en links van het pad langs den grond keek.

– ‘Zij bevatte goudstukken,’ vervolgde ik: ‘en bovendien…’

– ‘En een ring met een stempel,’ zeide hij, den volzin besluitende.

– ‘Hier is zij,’ hernam ik, de beurs voor den dag halende, en met blijdschap aan den eigenaar ter hand stellende, ‘door mij te redden hebt gij meteen uw eigendom gered’ – en ik verhaalde hem, hoe die beurs de voorname aanleiding was geweest mijner ontmoeting met de roovers.

– ‘Het is als ik gedacht had,’ zeide de Kapitein: ‘ik heb den voerman op den weg betaald en toen zeker de beurs naast mijn zak in de plaats van er in gestoken. Gij hebt mij indedaad een gewigtige dienst bewezen. Te oordeelen naar uw wezen en uw spraak,’ vervolgde hij, terwijl hij mij met opmerkzaamheid beschouwde: ‘schijnt gij tot een deftigen stand in de maatschappij te behooren en zoude ik u misschien met een aanbieding beledigen. Daar echter uw plunje geen weelde aanduidt, meen ik niet onbeleefd te handelen, door u een geringe douceur voor de genomene moeite te schenken.’ En terzelfder tijd nam hij een paar goudstukken tusschen de vingers en stak mij die toe.

– ‘Ik dank u,’ zeide ik: ‘uw aanbieding is zoo bescheiden gedaan, dat zij mij niet beledigen kan. Ik behoef geen belooning, ik ben de zoon van den Heer Huyck, den Hoofdschout van Amsterdam, en zoo ik u van eenige dienst kan zijn…’ –

– ‘Zoo!’ zeide hij, terwijl zijn gelaat zich op een zonderlinge wijze samentrok: ‘de zoon van den Hoofdschout moest zich, minder dan iemand, alleen wagen op onveilige wegen.’ –

Hier zweeg hij een poos, deed het geld weder in de beurs en vervolgde op deze wijze:

– ‘Het was ongetwijfeld uw voornemen heden tot Naarden te gaan.’ –

– ‘Ik vrees,’ zeide ik, ‘dat het te laat zal zijn, de stad nog voor poortsluiten te bereiken: ook hoor ik de klok niet meer luiden; echter zoude ik van meening zijn, dat ik derwaart behoor te gaan, om rapport te maken van de ontmoeting die mij is overgekomen…. en zoo UEd. mij wildet vergezellen…’ –

– ‘Dat noem ik spreken, gelijk den waardigen zoon eens Hoofdschouts betaamt,’ zeide de vreemdeling, met een gemaakten lach: ‘maar ik voor mij gevoel geene roeping om aan de bruggen mijn keel heesch te schreeuwen en bij elken schildwacht een half uur te wachten tot de korporaal der ronde komt, en dan van de beleefdheid van dezen aftehangen om teruggezonden te worden of de halve nacht in het wachthuis door te brengen, ten einde de zotte verhooren te ondergaan, welke bij een zoodanige gelegenheid nooit missen.’ –

– ‘Zoo als UEd. wil,’ zeide ik: ‘doch ik meen dat er aan deze zijde buiten de poort een vrij goede herberg is, Jan Tabak of een dergelijken naam voerende; – zoo wij daarheen gingen en iemand zonden, om…’

– ‘Niets van dat alles,’ zeide de vreemdeling, met de hand een ongeduldige beweging makende: ‘laat Zwarte Piet met zijn bende elders gaan om zich te doen ophangen: ik wil de koord daartoe niet spinnen. Wat u betreft, handel zoo als gij het goedvindt: ik schrijf u geene wetten voor; maar zoo gij mij gelooft, en er eenigzins prijs op stelt om mij genoegen te geven, zult gij heden avond niet naar stad gaan; integendeel stel ik u voor, tot mijnent te vernachten: en zoo gij de nederige huisvesting voor lief nemen wilt, welke een eenvoudige boerewoning u kan verschaffen, zal ik mij aan u verplicht rekenen.’ –

Ik beken, dat ik eenigzins over deze aanbieding verzet stond, en aarzelde, hoe die te beantwoorden. Juist de schijnbare gulheid en openhartigheid, waarmede zijn voorslag gedaan werd, boezemde mij wantrouwen in; want ik wist die niet te rijmen met de geheimzinnigheid, welke zijn overige daden en gezegdens tot nog toe omsluierd had, en het kwam mij onverklaarbaar voor, dat iemand, die zich overigens gedroeg, als wilde hij alle nasporing en onderzoek ontwijken, de onvoorzichtigheid zoude hebben, van een hem onbekenden jongeling, en dat nog wel den zoon eens Hoofdschouts, in zijn verblijf toe te laten, ja te noodigen. Met dat al, ik gevoelde weinig trek om alleen stadwaarts te kuieren en mij nogmaals bloot te stellen aan een ontmoeting met de lieden, uit wier handen ik zoo even verlost was: nieuwsgierigheid spoorde mij aan, om nader uit te vorschen, wie toch mijn redder wezen mocht: en dit een en ander te samengevoegd deed mij besluiten het gedane voorstel te aanvaarden, onder de betuiging mijner erkentelijkheid en tevens van de hoop, dat ik door mijn verblijf geen ongelegenheid aan mijn gastheer zoude veroorzaken.

– ‘Volstrekt niet,’ zeide deze, terwijl hij met haast het voetpad weder insloeg, hetwelk hij was langs gekomen: ‘alleen door hier te blijven draaien, zoude ik in ongelegenheid kunnen geraken.’ –

– ‘In dat geval vergezel ik u terstond,’ zeide ik, en volgde hem op het ingeslagen spoor. Het paadje geleidde ons weldra op een hollen dwarsweg, aan weerszijden dicht begroeid met doornestruiken, en door de gevallene regens op vele plaatsen zoo vol water staande, dat men werk had voorttekomen.

– ‘’t Is hier slecht wandelen, Kapitein!’ zeide ik, mijn voet losrukkende, die in den modder was blijven steken.

– ‘Dat kan ik niet ontkennen,’ antwoordde hij: ‘maar mag ik vragen, waarom gij mij den tijtel van Kapitein toekent?’ –

– ‘Ik heb u door een dier lieden van zoo even aldus hooren noemen,’ hernam ik.

– ‘Wel mogelijk!’ zeide hij, met een spottenden blik naar mij omziende: ‘maar omdat die gekken mij zoo noemen, moet daarom een verstandig jong mensch hun voorbeeld volgen? Ik heb op dien naam thands even zoo min aanspraak als op dien van Tsaar, waarmede gij mij van morgen vereerd hebt. Gij kunt alle tijtels met mij sparen,’ vervolgde hij op een vrij hoogen toon: ‘ik heet eenvoudig Bos… althands voor het tegenwoordige.’ –

– ‘Ik zweeg en volgde, gelijk een hond die een kastijding ontfangen heeft, zonder verdere woordewisseling mijn geleider, wiens groote stappen ik moeite had bij te houden. Ik dacht, dat die fatale holle weg nimmer zoude eindigen, toen wij ten laatsten aan een klein boerehekje kwamen, hetwelk de Heer Bos openstootte en waar wij doortrokken. Een vrij smal pad, hetwelk door het boekweit kronkelde, en aan de andere zijde insgelijks door een dichtvallend hekje gesloten was, bracht ons weldra van achteren op een moestuin, aan welks einde ik een landhoeve gewaar werd, welke ik veronderstelde, dat het doel onzer wandeling zijn zoude.

Ik bedroog mij niet. Op het geblaf van een, naast de deur aan een ketting gelegen mopshondje, ging de voordeur open, en een zwarte gedaante, van welke de meer en meer vallende duisternis mij alleen toeliet de vormen te onderkennen, trad haastig naar buiten en fluisterde van verre: ‘Zijt gij het, Vader?’ –

– ‘Stil! stil!’ antwoordde deze: ‘ik kom niet alleen:.. dezen weg op, mijn Heer!.. waar is de oude Martha?’ –

– ‘Bezig met het avondeten te bereiden,’ antwoordde de dochter op een nog flaauweren toon, terwijl ik meende te bespeuren, dat zij niet weinig verwonderd was over de aankomst van een zoo onverwachten gast als ik.’ –

– ‘’t Is wel!’ antwoordde haar vader, binnentredende: ‘breng mijn Heer in het opkamertje: hij zal van nacht hier blijven: ik ga even met Martha overleggen, waar wij hem huisvesten zullen.’ –

Dit zeggende opende hij de deur van een soort van keuken, alwaar ik een oude vrouw zag nedergehurkt en bezig met koeken te bakken. Hij trad binnen en, de deur achter zich sluitende, liet hij mij met zijn dochter alleen, beide voorzeker evenzeer met ons figuur verlegen. De jonge Juffer althands oogde haar vader met verbazing na en wendde vervolgens de vragende blikken op mij.

Ik begreep, dat de welvoegelijkheid eenige verontschuldiging vorderde:

– ‘Mejuffer!’ zeide ik: ‘ik vrees, dat ik hier ongelegenheid zal veroorzaken; maar mijn Heer uw vader heeft gewild, dat…’

– ‘Wat mijn vader begeert, moet volbracht worden,’ antwoordde zij, met een vaste stem en een deftige hoofdbuiging: ‘wees zoo goed, mij te volgen.’ Dit gezegd hebbende, keerde zij zich om en besteeg een trapje, dat naar een klein vertrekje geleidde, waar binnen ik haar volgde.

Zij schoof mij een stoel toe: ik nam echter geen plaats; maar bleef met de eene hand op de leuning rusten: mijn hoofd was zoo vol en al mijn denkbeelden door de vreemde ontmoetingen van den dag zoo verward, dat ik naauwelijks wist of ik droomde, dan of ik waakte. Intusschen bleef mijn geleidster over mij staan, in de houding van iemand, die een opheldering verwacht, en ik achtte het van mijn plicht, haar die te geven.

– ‘Uw Heer vader,’ zeide ik, ‘heeft mij zoo even het leven gered. Zonder zijn grootmoedige tusschenkomst had het er slecht met mij uitgezien.’ –

– ‘Is u eenig ongeval overkomen?’ vroeg zij, op een deelnemenden toon.

Ik was op het punt, haar mijn wedervaren te verhalen, toen het denkbeeld mij op eens voor den geest kwam, dat mijn gastheer het wellicht niet zoude goedkeuren, zoo zijn dochter van het voorgevallene onderricht en alzoo noodeloos verontrust werd. Ik vergenoegde mij dus met te antwoorden: ‘uw Heer vader zal u voorzeker wel zelf willen mededeelen, op welke wijze hij zich een eeuwige aanspraak op mijn dankerkentenis verworven heeft.’ –

– ‘Maar neem toch plaats, mijn Heer!’ hernam zij, na eenige oogenblikken zwijgens, waarschijnlijk bespeurende, dat ik niet genegen was, haar verder bescheid te geven. ‘Mijn vader zal ongetwijfeld dadelijk hier zijn. Vergun mij u een oogenblik hier alleen te laten. Ik ga eens zien, of ik hem ook van dienst kan zijn.’ –

Met deze woorden zweeg zij en vertrok, de deur zorgvuldig achter zich sluitende.

Mijn eerste beweging, zoodra ik mij alleen bevond, was van op mijn knieën te vallen en den innigen dank mijns harten te brengen aan den Almachtigen God, die mij zoo genadiglijk uit het doodsgevaar verlost had. Niet slechts om mijnentwille dankte ik Hem, maar ook voor mijn ouders en dierbaarste betrekkingen; – want ik ijsde op het bloote denkbeeld van hun ontsteltenis en rouw, indien zij eens vernomen hadden, dat die zoon, wiens leven op een zoo langdurige reis en in vreemde landen in gezondheid was gespaard gebleven, in zijn eigen vaderland en zoo nabij het doel zijner bestemming door het moordend staal van roovers ware gevallen. Ik bleef een geruimen tijd in die gestalte; want mijn gemoed was vol en mijn ziel in een staat van hooge spanning, een natuurlijk gevolg van mijn toestand. Toen ik oprees voelde ik mij vermoeid en afgemat, en zonk met gesloten oogen en gevouwen handen op mijn stoel neder.

Langzamerhand begonnen mijn denkbeelden opteklaren: de ontmoeting met de dieven speelde mij nog wel voor den geest; maar meer nog trof mij de zonderlinge gril van het noodlot, die mij tweemalen op eenen dag, en telkens op een zoo vreemde wijze in kennis met een onbekende Juffer bracht. Ik gevoelde thands echter minder opgewektheid dan des morgens om mijn hof aan mijn gastvrouw te maken en bij haar den galanten ridder te speelen; de doorgestane nattigheid, vermoeienis en schrik, en een zekere ongerustheid, welke ik voedde omtrent hetgeen nog volgen moest, zouden mij daartoe buiten staat hebben gesteld.

De jonge Juffer bleef intusschen weg, en ik moet tot mijn schaamte bekennen, dat mij dit eenige ongerustheid begon te baren: vooral in aanmerking der omstandigheid, dat zij den grendel op de deur geschoven had, en dat ik mij dus in het kamertje opgesloten en gevangen bevond. ‘Wie weet,’ dacht ik nu, ‘of die Heer Bos, of zoo als hij heeten mag, niet eenig voornemen omtrent mijn persoon koestert? Het is duidelijk, dat hij onbekend wil zijn: zoude hij ook de verspieder zijn van deze of gene vreemde mogendheid, en geheime plannen vormen, verderfelijk voor het gemeenebest? Ik ben lang uitlandig geweest en dus niet op de hoogte, om goed met onze politieken toestand bekend te zijn. Er is misschien een omwenteling, een oorlog op handen. Deze man kan een avonturier zijn, een hoofd van kwalijkgezinden, die mij gevangen wil houden, uit vreeze dat ik zijn aanwezigheid alhier aan mijn vader verklikken zal.’ –

Ik bleef bij dit laatste vermoeden staan, hetwelk mij, alles overdacht hebbende, het aannemelijkste voorkwam, en hield mij intusschen bezig met het opnemen van het kamertje, dat ik nu oordeelde mij ten kerker te verstrekken.

Dit onderzoek was spoedig volbracht. De meubelen bestonden uit een vermolmd, wormstekig, noteboomhouten kabinet, op gedraaide pooten, hetwelk naast de deur stond en met drie porceleinen vazen pronkte, in eene van welke een ruiker van verlepte goudsbloemen geplaatst was. Daartegen over bevond zich de kleine, met gewascht taf bedekte tafel, aangeschoven tegen het venster, dat in lood was gezet en met drie ijzeren bouten voorzien, welke alle gedachte op ontkoming van die zijde verijdelden. Bij de tafel stonden drie gemeene houten stoelen: de beide vakken rechts en links waren betimmerd met dubbele deuren, die vermoedelijk bedsteden verborgen.

De avond begon te vallen, en ik, ongeduldig te worden: juist wilde ik beproeven of ik de deur niet kon openen en onder het een of ander voorwendsel naar beneden gaan, toen ik een bedaarden stap op de trappen hoorde. De grendel week, en de dochter mijns gastheers stond voor mij, met een glas water in de hand.

– ‘Mijn vader heeft mij alles verhaald,’ zeide zij, met een eenigzins ontstelde stem, ‘wij ook zijn u dank verschuldigd: ik heb gedacht, dat gij wellicht zoudt verlangen, iets te drinken.. en ik geloof, niet ten onrechte; maar ga toch zitten: gij beeft er, dunkt mij, nog van.’ –

Zij reikte mij het glas toe: ik wilde het aan den mond brengen, maar juist toen zag ik, dat het troebel was: de gedachte, of er ook een slaapdrank in gemengd was, kwam mij pijlsnel voor den geest.

– ‘Neem het maar,’ vervolgde zij: ‘’t Is klaar water, waarin ik eenige droppels spiritus heb gedaan. Ik zoude u gaarne wijn aanbieden; maar dien hebben wij niet.’ –

Ik schaamde mij nu over mijn argwaan: en het meisje, dat zoo minzaam en hartelijk tegen mij sprak, geen minder vertrouwen waardig achtende dan Alexander aan zijn geneesheer betoonde, dronk ik het glas in langzame teugen ledig.

– ‘Te veel goedheid!’ zeide ik, terwijl mijn tanden tegen het glas knetterden: ‘indedaad! gij komt mijn verlangen voor; want ik schaam mij niet te erkennen, dat mij dat geval van zoo even eenige ontsteltenis veroorzaakt heeft.’ –

– ‘Men zoude van iets minder kunnen ontstellen,’ zeide zij: ‘althands wanneer men aan dergelijke schriktooneelen ongewoon is; maar helaas! men went aan alles,’ voegde zij er op een droefgeestigen toon bij.

– ‘Hoe, Mejuffer!’ zeide ik, eenigzins verwonderd, en hopende door mijn vraag den draad van het geheim machtig te worden: ‘is u ooit iets dergelijks overkomen?’ –

– ‘Er zijn droevige omstandigheden van verschillenden aart,’ antwoordde zij: ‘het tooneel, dat heden morgen te Zoest plaats had, was reeds genoeg om iemand schrik aantejagen.’ –

– ‘’t Is waar ook! gij moet u toen in die huifkar, niet op uw gemak bevonden hebben. Weinig dacht ik, zoo spoedig en op zulk een vreemde wijze, kennis te zullen maken met de persoon, die zich daar binnen aan ieder oog onttrokken hield.’ –

– ‘Ach!’ zeide zij, op een weemoedige wijze het hoofd schuddende: ‘mijn vader heeft geglimlagcht, toen hij mij verhaalde met welk een kluchtigen vond gij ons een veiligen aftocht bezorgd hebt. Hij had dit sedert jaren niet gedaan.’ –

– ‘Hij schijnt vele wederwaardigheden ondergaan te hebben,’ zeide ik.

– ‘Gave God,’ hernam zij, ‘dat wij daarvan slechts in den verleden tijd mochten spreken!’ –

Hier zweeg zij, en zich omwendende, wischte zij een traan uit het oog. Ik wist ook niet, hoe het gesprek weder te beginnen: het innige zielelijden, hetwelk haar scheen te beheerschen, boezemde mij eerbied in, en in de stemming, waarin zij zich bevond, vreesde ik een gezegde te wagen of een uitdrukking te bezigen, die haar gemoed op dezelfde onaangename wijze zoude kwetsen als een valsche toon de ooren eens kenners. Van een anderen kant, dacht ik, zoude het misschien onbeleefd kunnen gëacht worden, het gesprek geheel te laten vallen; en ik waagde derhalve de volgende vraag:

– ‘Deze hoeve is ongetwijfeld uw gewone huisvesting niet.’ –

– ‘Helaas! mijn Heer!’ antwoordde zij op een toon, die mij tot in de ziel roerde: ‘wij hebben geen huisvesting, die wij de onze kunnen noemen.’ –

– ‘Niet, Mejuffer!’ zeide ik: ‘dan moet ik des te meer mijn vrijpostigheid beschuldigen, van u door mijn bijzijn nog grootere last te veroorzaken.’ –

– ‘Verschoon mij,’ hetvatte zij, zich herstellende: ‘mijn vader heeft u, geloof ik, reeds gezegd, dat die last niet noemenswaardig is. Integendeel,’ voegde zij er fluisterend bij, ‘ik ben overtuigd, dat hij u niet herwaarts zoude gebracht hebben, indien hij niet van oordeel ware geweest, dat zulks niet tevens het raadzaamst ware voor onze veiligheid.’ –

Dat was wel juist hetgene, waar ik ook van overtuigd was; maar toch klonk het mij eenigzins vreemd, de openhartige bekentenis daarvan uit haren mond te vernemen. Ik meende dan ook te moeten te kennen geven, dat ik geenszins de dupe der uitnoodiging van den Heer Bos geweest was.

– ‘Het spijt mij, Mejuffer!’ zeide ik, ‘dat uwe woorden mij bevestigen in een vermoeden, hetwelk ik reeds als onwaardig had onderdrukt, dat namelijk uw Heer vader mij verdenken kon van hem te zullen verraden.’ –

– ‘Verraden!’ herhaalde zij, terwijl ik haar oogen, niettegenstaande de duisternis, welke reeds in het vertrek begon te heerschen, zag schitteren van verontwaardiging: ‘indien hij u daartoe bekwaam had gëacht, zoude hij u dan hier gebracht en vrijwillig met zijn schuilplaats bekend gemaakt hebben? Wat wist gij van hem, dat gij zoudt kunnen verraden?… maar vergeef mij, mijn Heer! ik spreek als een onverstandig meisje over zaken, waar over het zwijgen mij beter voegde. Erger u niet over de woorden, die ik mij ontvallen liet: de zonderlinge, de valsche toestand, waarin wij ons bevinden, vergunt mij niet, u duidelijker uitteleggen wat ik meene en gevoele. Gij zult geen misbruik maken van een uitdrukking, die mij onbedacht ontsnapte. Een woord van u zoude ons niet alleen, maar ook de arme vrouw, die deze hoeve bewoont, in ’t ongeluk storten. Zeg mij, dat ik in u hetzelfde vertrouwen mag plaatsen, hetwelk mijn vader toont jegens u te voeden: zeg mij, dat gij de wetten der gastvrijheid eerbiedigen zult.’ –

– ‘Mejuffer!’ zeide ik, getroffen en verbaasd over deze uitboezeming van schijnbaar onsamenhangende woorden, welke mij per slot even wijs lieten als ik bij den aanvang was: ‘gij zegt wél, dat ik, al wilde ik ook, omtrent uw vader of u niets zoude kunnen verraden; want niet alleen, dat mij niets ten uwen opzichte bekend is; maar ook de plaats van uw tegenwoordig verblijf zal niemand van mij vernemen, indien dit althands uw verlangen is: – zoude ik iets kunnen weigeren aan hem, die mij het leven gered heeft? – Het smart mij maar, dat iemand, van uwe kunne en jaren, genoodzaakt is, zich schuil te houden in stede van zich met opgeheven hoofd in de samenleving te vertoonen, waarvan zij zeker een cieraad zoude uitmaken.’ –

Deze laatste woorden sprak ik op een zeer koelen toon uit, opdat zij er niet den minsten zweem eener plichtpleging in zoude bespeuren. Haar antwoord toonde mij ook, dat zij die niet als zoodanig had opgevat.

– ‘Men kan niet betreuren, wat men nimmer gekend heeft,’ zeide zij, weemoedig het hoofd schuddende: ‘en voorzeker zoude ik mij kwalijk geplaatst vinden in die samenleving, welke gij bedoelt. Het weinige echter, dat ik daarvan gezien heb, is mij niet aanlokkelijk genoeg voorgekomen om mijn gedachten lang bezig te houden of die aftetrekken van de roeping, die mij hier op aarde is aangewezen.’ –

Ik bleef eenigzins verlegen staan, niet wetende wat te antwoorden op haar betuiging, toen gelukkig voor mij, en ook voor haar zoo ik mij niet bedrieg, de Heer Bos de kamer binnentrad. Hij had zich van zijn rooden reismantel ontdaan en vertoonde zich nu aan mij in het eenvoudige gewaad van een land-edelman of gegoeden pachter.

– ‘Ik vraag u om verschoning, zoo ik u wat lang heb laten wachten,’ zeide hij, zich tot mij wendende op een wijze, die wel hoffelijk was, maar toch altijd als die welke men in acht neemt jegens iemand, die een sport lager op den maatschappelijken ladder staat: ‘ik had beneden nog iets te verrichten: mijn dochter heeft het u, hoop ik, aan niets laten ontbreken… immers, aan niets van hetgeen wij u hier kunnen verschaffen,’ voegde hij er met een bitteren lach bij.

– ‘Ik weet niet, wat ik voor het oogenblik zoude kunnen verlangen,’ zeide ik, ‘of het zoude een gelegenheid moeten zijn om mijn aangezicht en mijn kleederen te ontdoen van het slijk en de modderspatten, die ik op weg heb opgedaan.’ –

– ‘Ga een waschkom halen, Amelia!’ zeide de Heer Bos: ‘en een kleederborstel, indien hier een dergelijk meubel te vinden is… of! hoe kan ik zoo dwaas wezen? ik heb den mijnen immers in den zak.’ –

De jonge Juffer vertrok en ik begon mijn plunje een weinig opteknappen, met behulp van den zakborstel, dien mij de Heer Bos had toegestoken. Onder het schuieren trof iets blinkends op de keerzijde van den borstel mijn oogen: ik bezichtigde dien van naderbij en zag, dat het een koperen plaatje was, waarop hetzelfde wapen gesneden stond, dat ik op den zegelring ontdekt had. Mijn beweging ontging mijn gastheer niet en, naar het mij voorkwam, maakte die hem eenigzins onvergenoegd; immers, zoodra zijn dochter terug was, en het waschwater, dat zij bracht, op de tafel had nedergezet, nam hij den borstel terug, bezag dien en reikte hem toen aan haar over: ‘verbrand dit meubel,’ zeide hij.

– ‘Hoe Papa! dien borstel, dien gij zoo vele jaren gebruikt hebt en die u nooit verliet!’ riep zij, hem verbaasd aanziende.

– ‘Verstaat gij niet, wat ik zeg? Mij zelven kost het, van een ouden dienaar te scheiden, al is het maar een borstel; – maar wij moeten niets overhouden, dat ons verraden kan. Ga mijn kind! en doe wat ik u gelast heb: blijf verder Martha maar wat helpen: ik heb, gelijk gij weet, nog wat met dien Heer te spreken.’ –

Amelia zuchtte en vertrok, het hoofd schuddende en den borstel beschouwende.

– ‘Zij is er niet in gesticht,’ zeide haar vader, haar naoogende: ‘en ik kan het klaar begrijpen; want mij zelf hindert het ook. Men moge het een kinderachtig zwak noemen; maar er bestaat toch bij ons een stellige gehechtheid aan voorwerpen, die wij lang gebruikt hebben en waar wij aan gewoon waren: en er is iets onaangenaams in het verlies daarvan gelegen: hoeveel te lastiger is het dan niet, wanneer men door de noodzakelijkheid gedrongen wordt, die op te offeren.. ja te vernietigen;.. maar dat daargelaten. Zoodra gij u genoegzaam opgefrischt zult hebben en op uw gemak bevinden, zal ik u een oogenblik gehoor verzoeken.’ –

Ik verlangde niets liever; want ik hoopte nu eindelijk al het geheimzinnige opgeklaard te zien, hetwelk tot nog toe de gedragingen en woorden van vader en dochter verzeld had. Ik haastte mij dus zooveel mogelijk met mijn toilet en plaatste mij toen recht over den Heer Bos in de gemakkelijkste houding, die ik nemen kon. In hoeverre aan mijn verwachting voldaan werd, zal men in het volgende Hoofdstuk beschreven vinden.

DigitalDroom Reader

Hoofdstuk VII

VII / XXXIX

– ‘Ik ben overtuigd, mijn Heer Huyck!’ zeide mijn gastheer na eenige oogenblikken stilte, ‘dat gij u al vreemde gedachten van mij gevormd hebt, en uw geest gedurende de laatste twee uren vruchteloos op de pijnbank hebt gezet om uittevorschen, wie ik toch eigentlijk ben en wat ik met u voor heb.’ –

– ‘Indien dit al zoo ware,’ zeide ik, ‘geloof ik van mijn kant te mogen zeggen, dat al wat ik in die twee uren gezien en gehoord heb niet weinig gestrekt heeft om de denkbeelden en pogingen, die UEd. mij toeschrijft, te rechtvaardigen.’ –

– ‘Dat stem ik u toe. Zelfs de zoodanigen, die zich het minst aan de handelingen hunner medemenschen gelegen laten leggen, zouden, in een geval als het uwe, hun nieuwsgierigheid geprikkeld gevoelen. Het spijt mij slechts, dat mijn eigene veiligheid mij verbiedt, aan uw weetlust naar vereischten te voldoen.’

Ik keek niet weinig op mijn neus; want nu bleef ik even ver als te voren: ‘wat drommel kan de vent van mij willen?’ dacht ik bij mij zelven: ‘zoo hij mij anders niets te zeggen heeft, waartoe dan die plechtstatige voorbereiding en die inleiding, die niet meer dan foppaadje is?’ –

– ‘Mijn Heer!’ zeide ik: ‘ik eerbiedig uw geheim en begeer niets daar van te weten, zoodra UEd. begrijpt het te moeten voor u houden. Indien het echter de vrees is voor mijn onbescheidenheid, welke u zoude weerhouden, mij uw vertrouwen te schenken, zoo moet ik u mijn leedwezen betuigen, dat gij geen betere gedachten omtrent mij koestert.’ –

– ‘Nu spreekt gij als alle jonge lieden, die het in hun verheven waan hoogst kwalijk nemen, wanneer men hen niet beschouwt als van een andere klei gevormd dan de overige kinderen van Eva. Neen, mijn Heer Huyck! ik geloof en vertrouw, dat gij een braaf, rechtschapen jongeling zijt, die mij de volstrektste geheimhouding zoudt belooven, en dat wel ter goeder trouw. – Het zoude slechts te bezien staan, of gij u altijd in de mogelijkheid zoudt vinden, die te bewaren.’ –

– ‘Ik begrijp niet,’ zeide ik, ‘wat mij zoude kunnen verhinderen, mijn woord gestand te doen.’ –

– ‘O! ik begrijp dit des te beter!’ hernam hij: ‘en het zal u straks wellicht mede duidelijk worden; – doch ter zake; – want het is niet om u bloot te vertellen dat ik u niets zeggen wil, dat ik dit onderhoud begonnen ben. Ik heb van u twee diensten te vragen: en de betuigingen van erkentenis, die u straks ontvallen zijn, geven mij den moed, daarmede onbeschroomd voor den dag te komen.’ –

– ‘Ik zal de vrijheid nemen,’ zeide ik, ‘UEd. te doen opmerken, dat die betuigingen mij niet ontvallen zijn, maar wel gemeend waren. – Wat overigens?’ –

– ‘Gij zijt een letterknecht,’ zeide de heer Bos; ‘intusschen, uw opheldering gevalt mij; want zij toont, dat gij niet behoort tot dat slach van menschen, die veel beloven en weinig geven. Dan, gij wildet nog iets zeggen.’ –

– ‘Slechts dit wilde ik er bijvoegen,’ zeide ik: ‘dat ik bereid ben UEd. alle diensten te betoonen, welke niet buiten mijn vermogen liggen of tegen mijn plicht strijden.’ –

– ‘Ziedaar een hoogst voorzichtige en prijzenswaardige restrictie, ’ zeide de Heer Bos, zich de kin wrijvende: ‘jammer maar, dat men, wanneer het er op aankomt, zoo oneindig veel onder die rubriek van plicht kan brengen, terwijl de perken van het vermogen somtijds zoo bijster eng worden; – doch, wij zullen zien, hoe gij over mijn verzoeken denken zult. Luister! – In de eerste plaats zal het mij aangenaam zijn, dat gij bij niemand, wie hij ook wezen moge, iets van onze ontmoeting te Zoest, noch van die historie met Zwarten Piet en zijn maats, noch van uw nachtverblijf alhier, eenig en het minste gewach maakt.

– ‘Maar,’ vroeg ik, ‘welke voldoende redenen zal ik dan kunnen geven van het oponthoud, dat mij belet heeft, heden mijn reis naar Amsterdam voorttezetten, gelijk mijn stellig voornemen was?’ –

– ‘Daar hebben wij al zwarigheden,’ zeide mijn gastheer, niet zonder eenige bitterheid: ‘kunt gij het slechte weer, de vochtige wegen, het misloopen der schuit en honderd andere redenen, die gij zelf beter kunt uitdenken dan ik, niet opgeven aan hen die recht hebben u daarnaar te vragen?’ –

– ‘Ik ben niet gewoon de dingen anders te vertellen, dan zij zich hebben toegedragen,’ zeide ik, droog weg: ‘doch in dit bijzonder geval wil ik u de belofte doen, van te verklaren, dat zoowel het weer, ’t geen waar is, als andere omstandigheden, die ik niet noemen kan, mijn reize vertraagd hebben; onder dit enkele beding echter, dat ik aan mijn vader, voor wien ik nimmer iets verborgen hield, al wat mij is overkomen, onbewimpeld verhale.’ –

– ‘Aan uw vader!’ herhaalde de Heer Bos met eenige drift, en terwijl hij zijn stoel verzette. ‘Het aan uw vader verhalen? – Is dit kinderpraat of mannetaal? – Aan uw vader! opdat hij zijn rakkers uitzende en zoowel Zwarten Piet en zijn bende als mij en mijn arme dochter in triomf binnen Amsterdam doe sleepen? – Meent gij het oprecht? of hoe heb ik het met u?’ –

– ‘Geloof mijn Heer!’ zeide ik, ‘dat ik mijn vader genoeg ken, om te weten, dat ik hem iets van dezen aart vertrouwen kan, zonder dat hij er eenig misbruik van maken zal. Denkt gij, dat ik anders de veiligheid van mijn redder in de waagschaal zoude willen stellen, of zelfs het leven van dien roover, die, om welke reden dan ook, van zijn opzet heeft afgezien.’ –

– ‘Gij zijt een braaf mensch,’ hervatte de Heer Bos, na eenige oogenblikken te hebben nagedacht: ‘ik weet, ik kan u niet beletten aan uw vader, ja aan iedereen, te vertellen wat gij wilt. Dit dilemma wil ik u slechts ter overweging voorhouden: – uw vader is Hoofdschout, en als zoodanig heeft hij, dit weet ik, last bekomen, mij overal op te sporen, en, zoo hij mij vinden kan, mij uitteleveren aan hen, die mijn verderf zoeken. Zoo gij hem dus op het spoor brengt van mijn tegenwoordig verblijf, zult gij dan bij hem, die, zoo ik weet, een gemoedelijk man is, niet, hetgeen gij rechtsgeleerden een pugna officiorum noemt, doen ontstaan? Zal hij dan volgens zijn eed niet gehouden zijn, den man te doen vatten, dien hij, als den redder zijns zoons, uit dankbaarheid liever sparen zoude?’ –

Hier zweeg hij een oogenblik, als om de uitwerking zijner redeneering af te wachten. Ik gevoelde daarvan het gewicht: want ik wist, hoe gestreng en naauwgezet mijn vader was in het betrachten zijner plichten: en hoe het hem zoude hinderen, in het bezit te wezen van een geheim, waar hij niet dat gebruik van mocht maken, hetwelk zijn ambt en plicht hem voorschreven.

– ‘Daarentegen,’ vervolgde de Heer Bos: ‘zoo gij zwijgt, blijft uw geweten en – dat uws vaders in rust. Hij zal ten mijnen opzichte de ontfangene bevelen trachten ten uitvoer te leggen en zulks te meer onbekommerd doen, daar hij niet weten zal dat hij eenige verplichting aan mij heeft: en gij van uw kant, zult u noch het verwijt behoeven te doen, van de oorzaak mijner gevangenneming geweest te zijn, noch dat, van uw vader belet te hebben zijn plicht te volbrengen.’ –

Ik had niets tegen deze redeneering in te brengen; en ofschoon het mij altijd een hinderlijk denkbeeld bleef, iets voor mijn vader te moeten verzwijgen, achtte ik echter in dit bijzonder geval aan het verlangen van mijn gastheer te moeten voldoen.

– ‘Het is wel,’ zeide ik: ‘ik beloof u, geen melding van het voorgevallene te maken aan wie het ook zij; doch onder eene uitzondering, welke, zoo ik meen, geheel in uw voordeel is. Indien het u eens niet gelukt, de handen der justitie te ontsnappen, sta mij dan toe, door mededeeling van het gebeurde, mijn vader een gunstige gedachte jegens u te doen opvatten. Misschien kan hij u alsdan van dienst zijn, en eker zal hij dat, indien het in zijn vermogen is.’ –

– ‘Deze voorwaarde is zoo billijk,’ zeide de Heer Bos, ‘dat ik die niet slechts volkomen goedkeure, maar u tevens machtig, om, ingeval ik eens buiten gevaar geraak (waarvan ik u alsdan de tijding zal doen geworden,) hem insgelijks omtrent het gebeurde in te lichten. – Dit punt alzoo afgesproken zijnde, ga ik over tot mijn tweede verzoek, waartegen ik overtuigd ben, dat gij minder bedenkingen zult opperen, hoezeer de vervulling daarvan u waarschijnlijk meer last zal veroorzaken, dan die van het eerste.’ –

– ‘Ik ben verzekerd,’ dacht ik bij mij zelven, ‘dat deze Heer Bos een bankroetier is, en mij geld te leen gaat vragen.’ –

– ‘Na hetgeen ik vroeger gezegd heb,’ vervolgde hij, ‘zal ik u niet behoeven te vertellen, dat ik mij niet in Amsterdam kan vertoonen, zonder gevaar te loopen van in den knip te geraken. Hier in den omtrek kan ik mij uit hoofde van oude betrekkingen beter schuil houden en de spionnen van den Baljuw van Gooiland, die ook wellicht nog geen bevelen omtrent mij ontfangen heeft, beter misleiden. Intusschen kan ik mijn arme dochter niet bij mij houden: zij moet in mijn zwervend leven niet deelen; en hare tegenwoordigheid zoude slechts strekken om mijn schuilhoek des te eerder te doen ontdekken. Bovendien moet ik te Amsterdam eenig geld en eenige oude papieren ontfangen: een commissie, waarmede niemand zich zoude kunnen of willen belasten, en die ik alleen aan mijn Amelia kan opdragen. Een zekere notaris Bouvelt, die in uwe stad woont, en wien gij misschien wel zult hebben hooren noemen, zal haar tot zijnent huisvesten en voor een nicht van hem laten doorgaan. Is zij eens daar, dan ben ik niet langer omtrent haar bekommerd; – doch de groote zwarigheid is: hoe komt zij te Amsterdam?’ –

Ik keek eenigzins vreemd op. ‘Wel mijn Heer Bos!’ zeide ik: ‘er vaart immers om de twee uren een volkschuit van Naarden op Amsterdam: en er zijn rijtuigen genoeg te krijgen, zoodat..’ –

– ‘Dat weet ik,’ hernam hij: maar ik weet ook dat huurkoetsiers en schippers gehouden zijn bericht te geven aan den Hoofdschout van al de passagiers, die hun verdacht voorkomen.’ –

– ‘Een jonge Juffer als zij zal toch niet onder de verdachte personen gerangschikt worden,’ zeide ik.

– ‘Gij bedriegt u. – Ik ben zeker, dat men mijn aankomst wachtende was en mij te Zoest en te Eemnes reeds bespiedde. Door onderweg aftestappen, heb ik die brakken wel voor een poos het spoor bijster kunnen maken; maar zij zullen het spoedig hervinden. Zij weten, dat ik mijn dochter bij mij heb. Zien zij nu een Juffer, die alleen van Naarden naar Amsterdam reist en in beschrijving met Amelia overeenkomt, dan weten zij al genoeg, om meer uittevorschen. Neen! mijn kind moet de reis doen op een wijze, welke hun alle vermoedens ontneemt: en ter bereiking van dat doel wilde ik u voorslaan, haar onder uw bescherming derwaarts te brengen.’ –

Ik wist niet of ik wel gehoord had, zoo verbaasde mij deze voorslag. Had de Heer Bos mij dien eenvoudig weg gedaan, ik had dien zonder bedenking aanvaard; maar juist de inleiding, welke hij had doen voorafgaan om alle zwarigheden aftesnijden, deed er een menigte bij mij oprijzen. Bemerkende, dat hij op een antwoord wachtte, haastte ik mij zulks te geven, de eerste moeilijkheid, die zich aan mij voordeed, daarbij aangrijpende.

– ‘Mijn Heer!’ zeide ik, ‘het ware mij natuurlijk veel eer en genoegen, het aangenaam gezelschap uwer dochter op de reis te genieten; maar heeft UEd. wel nagedacht, dat juist ik de minst geschikte persoon ben om haar tot leidsman te strekken? Wanneer men te Amsterdam, wanneer mijn vader verneemt, dat ik met een onbekende Juffer aldaar ben aangekomen, zal zulks dan niet juist die vermoedens te weeg brengen, die UEd. wenscht voortekomen?’ –

– ‘Ik zie,’ zeide de Heer Bos, zich in een ontevredene houding achter over op zijn stoel werpende, ‘dat gij Amsterdammers allen volkomen dezelfde zijt en honderd redenen tegen eene hebt, wanneer het er op aan komt iets te doen, hetwelk met uw gewonen sleur van denken en handelen niet volkomen strookt. Zeg liever ronduit: “ik doe het niet:” dan weet men, waar zich aan te houden.’ –

– ‘Verschoon mij, mijn Heer!’ zeide ik, een weinig verlegen en denkende hem te bevredigen: ‘wat mij betreft, zal ik het gaarne doen, en mij niet stooren aan hetgeen de kwade tongen mij wellicht mochten nageven; maar…’ –

– ‘De kwade tongen!’ riep de Heer Bos, opspringende, met een heftige stem, welke mij deed bespeuren hoezeer ik mij versproken had: ‘wie heeft die meer te vreezen, mijn dochter of gij? – Wie zal er een jonkman te minder om achten, zoo hij, op reis zijnde, zich liever in de roef bij een jonge Juffer voegt, welke hij bij toeval ontmoet, dan dat hij met den gemeenen hoop in het ruim gaat zitten? Neen; indien de laster zich aan een van beiden hechten moet, zij is het, tegen wie hij zijn pijlen scherpen zal. Hoe! een vader bewijst genoeg vertrouwen te stellen in uwe braafheid, om zijn eenigen schat op aarde, zijn brave, engelreine dochter onder uw bescherming te stellen, en gij acht, dat zulk een bescherming uw goeden naam in gevaar zoude brengen? of denkt gij misschien, omdat ik mij niet in ’t openbaar vertoonen mag, het recht te hebben, van mijn dochter als een gelukzoekster te beschouwen, als een verworpene, een melaatsche, wier gezelschap besmetting aanbrengt? Mijn Heer! gij doet mij op een wreede, op een bittere wijze het rampzalige van mijn toestand en van dien mijner onschuldige, mijner dierbare Amelia gevoelen. Het is mogelijk, dat uw stijve Amsterdamsche kooplieden, uw afgepaste Patriciërs, een handelwijze als de uwe zouden toejuichen…. wat mij betreft, wanneer mij iemand een dienst vraagt, zeg ik ja of neen; maar kom niet met gezochte voorwendsels voor den dag.’ –

– ‘Mijn Heer!’ zeide ik, toen die vloed van woorden voorbij was, dien het onmogelijk zoude geweest zijn te stuiten: ‘ik herhaal u, dat ik bereid ben u de gevraagde dienst te bewijzen, en tevens de beschuldiging verre van mij verwijder, als had ik u door eenig gezegde of gedachte willen beledigen. Omtrent het in de waagschaal stellen van mijn tot heden onbevlekten naam, zal ik niet met u twisten; ofschoon UEd. mij vergunnen zult, daaromtrent mijn eigene meening te bewaren: – en, vergun mij dit er bij te voegen, het kan niet anders dan u gerustheid inboezemen, wanneer gij bespeurt, dat gij uw dochter toevertrouwt aan iemand, die zelf meer naauwgezet omtrent dat punt denkt dan gij. Indien ik dus zwarigheden gemaakt heb, deze golden niet mij, maar uw eigene veiligheid en de reputatie van Mejuffrouw Bos.’ –

– ‘Geef mij de hand!’ zeide hij, naar mij toekomende: ‘gij zijt een braaf jongeling, en hebt volkomen gelijk. Ik heb verkeerd gedaan, mij driftig jegens u te maken; want uw bezwaren doen u eer aan. Ik hoop, dat deze rondborstige bekentenis u vergenoegen zal: – ik ben nooit gewoon geweest, verschoning te vragen: en het zoude mij spijten, u op een andere wijze voldoening te moeten geven.’ –

Ik verzekerde hem, dat ik volkomen te vrede was over zijn gulle bekentenis, en kon niet nalaten, onderwijl in mij zelven te lagchen over de zotte veronderstelling, dat ik, om al de avonturen van den dag, die bijna met een messengevecht begonnen waren, waardiglijk te bekroonen, die zoude sluiten met een geregeld duel tegen mijn bevrijder.

– ‘Om verder op uw bedenkingen nog eens terug te komen,’ zeide hij: ‘vergun mij u te herhalen, dat het alleen van hier tot aan de poort van Amsterdam is, dat mijn dochter u lastig zal vallen. Eens daar zijnde, zal zij haar weg wel vinden. De schipper zal u kennen of niet, dit doet tot de zaak niets af: in het eerste geval zal hij niet noodig achten aan den Hoofdschout eenig rapport te geven, dat zijn zoon met of zonder dame van de reis terug is: in het tweede zal hij insgelijks geen vermoeden jegens Amelia koesteren; want hij zal u beiden voor broeder en zuster aanzien, en, daar gij niet aan de beschrijving bëantwoordt, die van mijn persoon gegeven is, ook verder geen acht op u slaan. – Mocht men eens naderhand van u willen weten, met welke Juffer gij gereisd hebt, zoo kunt gij den onbescheidenen vrager het antwoord schuldig blijven: en aan hem, die recht heeft, de vraag te doen, eenvoudig zeggen, dat gij aan een Juffer, wier naam u onbekend was, die kleine diensten en beleefdheden op reis bewezen hebt, welke ieder wel opgevoed man aan de zwakkere sekse verschuldigd is.’ –

Ik had nu niets te doen dan toetestemmen, en ik deed dit ook, hoewel een geheime stem mij te kennen gaf, dat ik mij op een maalstroom van draaierijen en verwarringen inscheepte, waaruit ik mij niet dan met moeite zoude redden.

– ‘Mag ik nog eene vraag doen?’ zeide ik ten slotte: ‘Is Mejuffrouw Bos reeds van het gemaakte plan onderricht? – en stemt zij er gaaf in toe, zich aan een onbekende te vertrouwen?’ –

– ‘Mijn dochter heeft nooit een anderen wil gehad dan dien haars vaders,’ antwoordde hij: en in dit geval heeft zij met mij de noodzakelijkheid dezer schikking ingezien; – doch gij zult het haar zoo aanstonds zelf kunnen vragen; want ik hoor haar komen. ’t Is of zij geraden had, dat de zaak juist beklonken was.’ –

– ‘Mag men binnen komen?’ klonk nu de stem van Amelia, buiten de deur.

– ‘Brengt gij het licht met u?’ vroeg haar vader. – Wij hadden het wel noodig; want het was gedurende ons gesprek stik donker geworden.

– ‘Het licht en het avondeten,’ antwoordde zij.

– ‘Wacht dan een oogenblik,’ hernam de Heer Bos: ‘dan zal ik eerst de blinden sluiten. Men mocht ons van buiten bespeuren: en men kan geen genoegzame voorzorgen nemen.’ –

Dit gezegd hebbende, sloot hij het luik en liet vervolgens Amelia in. Zij droeg in de eene hand een flesch, waarop een aangestoken kaars stak, op den arm een servet, en in de andere hand een blikken trommel, welken ik giste gevuld te zijn met de eetwaren, te Eemnes gekocht. De oude Martha volgde met een kruik bier, en een bord, waarop zich een bierglas, een wijnkelkje, een kommetje, een papiertje met zout, een peperbos, twee stalen vorken, een tinnen lepel en drie messen van verschillend fatsoen bevonden.

– ‘’t ‘Zelschap zal zich motten behelpen,’ zeide laatstgenoemde, terwijl zij Mejuffrouw Bos hielp aan het dekken der tafel en het uitpakken van den trommel. ‘We kunnen het zoo op zijn elfendertigste niet bezorgen: niet, of er bennen hier wel wat fijne glazen en borden ook, dat beloof ik; maar die heit Mevrouw achter ’t slot.’ –

– ‘Aha!’ dacht ik bij mijzelven: ‘’t is dus een Mevrouw, aan wie deze woning behoort. ’t Is nu de vraag, of zij weet, aan welke gasten in dit oogenblik op haar erf huisvesting verleend wordt.’ –

Onder dit alles nam ik de oude vrouw eenigzins naauwkeuriger in oogenschouw: ik meende mij te herinneren, haar nogmaals gezien te hebben, ofschoon waarschijnlijk jaren geleden: daar echter die graauwe oogen, met roode randen voorzien, die puntige neus, dat gelaat, waarop de sporen des ouderdoms die der kinderziekte begonnen te vervangen, die ingevallen, tandelooze mond en scherpe kin, die gebogen gang en bevende stem, onder de kenmerken behoorden, welke aan meer dan eene bedaagde boerin passende zijn, ontgaf ik mij dit. Een vrij eenvoudig toeval wekte echter nieuwe vermoedens bij mij op. Martha liet namelijk, onder het in orde brengen van den disch, een mes van de tafel vallen. Ik was er spoediger bij dan zij, om het opterapen, en overhandigde het haar. Toen zij het van mij aannam, zag zij mij in ’t gezicht en op eens begon zij over al haar leden te beven.

– ‘Heilige Maagd!’ zeide zij: ‘is het mogelijk!..

– ‘Wat is mogelijk?’ vroeg de Heer Bos: ‘kent gij dien Heer?’ –

– ‘Waarlijk!’ antwoordde zij: ‘ik weet niet… maar die Heer lijkent zoo sprekend op een neefje van Mevrouw, die wel eensjes bij ons kwam, jaren geleden … maar het kan toch niet wezen. Immers…’ –

– ‘Kom, oudje!’ viel de Heer Bos in, wien kennelijk de wending van het gesprek niet beviel: ‘gij kunt mijn Heer niet kennen, die hier van daag voor het eerst in ’t land komt. Ga maar naar de keuken en stel die dwaze denkbeelden uit uw gedachten.’ –

– ‘Nou!’ zeide Martha, terwijl zij zich met Amelia weder naar beneden begaf: ‘er is meer gelijk als eigen; maar toch indien het niet sprekend de jonge Heer…’

Mijn gastheer, de deur weder sluitende, belette mij de juistheid der gissing van de oude vrouw te beoordeelen; ofschoon ik er wel wat onder had durven verwedden, dat zij geen ongelijk had in haar vermoeden, zoo min als ik in het mijne. Ik wist haar echter niet te huis te brengen. Iets meer nopens haar wenschende te vernemen, waagde ik de volgende vraag:

– ‘Woont deze oude ziel hier alleen? dan loopt zij, dunkt mij, nog al gevaar, een bezoek van Zwarten Piet te ontfangen.’ –

– ‘Zij had haar man tot haar bescherming,’ antwoordde de Heer Bos: ‘en sedert deze onlangs overleden is,.. gij ziet zij draagt nog den rouw over hem… woont haar zoon, een afgedankte varensgezel, bij haar in. Wel is waar, aan dezen heeft zij weinig hulp; want, naar zij mij vertelt, is hij meestal, en ook thands, van huis en verdoet zijn tijd in de kroegen en dobbelhuizen.’ –

– ‘Mijn hemel!’ zeide ik: ‘wie weet of haar zoon niet dezelfde knaap is, die heden tweemalen zoo geducht door u begroet is geworden.’ –

– ‘Licht mogelijk!’ zeide de Heer Bos, al lagchende: ‘in dat geval heb ik hem de dienst slecht betaald, die zijn moeder mij bewijst; – doch dan mogen wij ons tevens gelukwenschen, dat hij van huis is; want een soortgelijken knaap acht ik tot alles in staat. Ik zal heden avond nog eens onderzoek doen, of uw vermoedens gegrond zijn.’ –

Op dit oogenblik kwam Amelia terug met een schotel pannekoeken, dien zij op de tafel neerzette. ‘Zie zoo!’ zeide zij: ‘als de Heeren nu maar plaats willen nemen; het avondeten is opgedaan.’ –

Wij namen plaats, en ik vond nu voor het eerst gelegenheid, om de Juffer, die tot mijn reisgenoot voor den volgenden morgen bestemd was, eenigzins naauwkeuriger op te nemen, dan het flaauwe daglicht mij bij onze eerste kennismaking vergund had te doen. Haar gestalte, vooral wanneer zij zat, was eer rijzig, dan gemiddeld te noemen; maar al haar ledematen waren volkomen aan elkander geëvenredigd en evenmin van grofheid als van te groote rankheid te beschuldigen: alleen moest men haar handen uitzonderen, die, hetgeen juist niet als een gebrek kon beschouwd worden, zoo tenger en smal waren als die van een aankomend meisje. Wat haar gelaat betrof, ofschoon het den strengsten vitter moeilijk zoude gevallen zijn, er iets aan te berispen, bezat het echter niet die soort van schoonheid, welke mij het meeste geviel. Misschien kwam zulks hierdoor, dat ik niet kon nalaten in mijn geest gestadig vergelijkingen te maken tusschen haar en Henriëtte Blaek, wier uiterlijke, ofschoon minder regelmatig fraai te noemen, een zeker iets bezat, hetwelk mij meer behaagde. Deze laatste had mij bij den eersten aanblik geheel ingenomen; wat Amelia betrof, ik gevoelde, wanneer ik den droefgeestigen trek beschouwde, die haar groote, donkerbruine oogen benevelde, een beweging van medelijden, van hartelijke welwillenheid, van dienstvaardigheid; maar niets, dat naar liefde zweemde. Misschien, ik erken het gaarne, ontsproot dit verschil van gewaarwording uit dezelfde Amsterdamsche afgepastheid en tegenzin in het buitengewone, waartegen de Heer Bos zoo zeer (en naar mijn begrip ten onrechte) was uitgevaren, en verflaauwde de zonderlinge aart der omstandigheden, waarin ik Amelia ontmoet had, de uitwerking, welke anders haar bevalligheden hadden kunnen te weeg brengen: – ik twijfel er echter niet aan, (want zoo loopen de opvattingen en gewaarwordingen uit een) of een ander jongeling, met een meer romanesken of ondernemenden geest begaafd dan ik, zoude, juist om dat zonderlinge, des te eerder op haar verliefd zijn geworden. Wat hiervan zij, de waarheid is, dat Mejuffrouw Bos heerlijk schoone oogen had, met lange, cierlijk naar boven gekrulde pinkers voorzien, en bekransd met zuivere, net gevormde, blinkende wenkbraauwen, even gitzwart als haar lokken, die in natuurlijke krullen het hoofd bedekten. De vorm van het gelaat was volkomen eirond; en gelijk ik reeds gezegd heb, het was onmogelijk eenigen feil te vinden in het beloop van den een weinig gebogen neus (die, hoewel zachter van vorm, echter volkomen op dien haars vaders geleek) van de fijne lippen en van den gladden kin, die zich op den schoonen hals eenigzins verdubbelde. Alleen op de kleur van het vel zoude men hebben kunnen aanmerken, dat die niet volkomen blank was, maar eerder overdekt met die tint, welke men bij Spaansche of Italiaansche vrouwen ontmoet; doch, behalve dat het mij nog onbewezen was, welke landstreek of welke moeder haar het licht geschonken had, zoo kon ik bij een brunette de melkwitte blankheid niet vorderen, welke de eigenschap eener schoone blondine uitmaakt.

Het was niet alleen over de oogen, dat een waas van zwaarmoedigheid verspreid was. Ook in een paar rimpels, die nu en dan op het anders gladde voorhoofd plooiden, en in een eenigzins pijnlijken trek, welken de mond vertoonde, meende ik de sporen van een diep, in ’t hart geworteld leed te ontdekken. Een oogenblik van vrolijkheid zoude gewis een geheel nieuwen, verrukkenden glans over haar wezen hebben verspreid; maar het scheen dat de vreugde en Amelia elkander voor eeuwig hadden vaarwel gezegd: slechts zeer enkel kwam een lichte blos zich op haar wangen vertoonen; en wanneer zij glimlachte, was die glimlach eerder geschikt om droevige, dan om blijmoedige gedachten te verwekken.

Wat haar gewaad betrof, het was geheel zwart en duidde niet den minsten zweem van opschik aan; terwijl men kon zien, dat het reeds eenigen tijd gedragen was geweest: echter was alles, wat zij aanhad, niet alleen van de fijnste stoffaadje; maar getuigde bovendien de snede van keurs en mouwen, dat een modemaakster daaraan had gewerkt, die voor haar vak bij uitnemendheid berekend was, en haar taak vervuld had op een wijze, het voorwerp waardig, waaraan zij haar arbeid had besteed.

Het afbeeldsel van den Heer Bos heb ik reeds gegeven, althands zooverre als ik er bij onze eerste ontmoeting van had kunnen oordeelen. Ik zal er thands slechts bijvoegen, dat zijn dochter veel op hem geleek; doch zijn gelaat, hoewel mede bruin van verf, scheen eerder door den invloed van het weer die kleur te hebben aangenomen, dan die aan de natuur dank te weten. Hij droeg een blonde paruik, die waarschijnlijk een deel zijner vermomming uitmaakte; want zijn hair was zwart, met enkele grijze plekken doormengd. Overigens was zijn linnen van de fijnste soort: en een keurige netheid op zijn persoon kenmerkte den welopgevoeden man. Zijn handen waren fraai, volkomen Aristocratisch van vorm, en met spiegelgladde nagels voorzien: terwijl geen vlekje of spatje rok of vest ontcierde.

De wendingen en manieren van vader en dochter beide waren gemakkelijk en wellevend: men behoefde slechts een oogenblik met hen in gezelschap te zijn geweest, om te bespeuren, dat zij fatsoenlijke lieden waren en met fatsoenlijke lieden verkeerd hadden. Het eenige wat mij hinderde in den Heer Bos was de toon van meerderheid, welken hij zich gedurig jegens mij aanmatigde, en die niet van dien aart was, dat hij door zijn meerdere jaren gewettigd konde worden. Het was licht te zien, dat hij in omstandigheden verkeerd had, welke hem het recht gaven, te bevelen, en dat hij zich niet dan met moeite in een minderen toestand wist te schikken. Wat de dochter betrof, al wat zij deed of zeide, was even beleefd en gepast; maar insgelijks van dien aart, dat het nimmer tot eenige gemeenzaamheid aanleiding geven kon.

DigitalDroom Reader

Hoofdstuk VIII

VIII / XXXIX

– ‘De Heer Huyck zal de vriendelijkheid hebben, u naar Amsterdam te brengen, Amelia!’ zeide mijn gastheer, nadat wij eenige oogenblikken in stilte gegeten hadden.

Amelia antwoordde niets, maar zij zag mij aan met een beleefde hoofdbuiging, waaruit men even goed kon opmaken, dat zij zich mijn geleide wel getroosten wilde, als dat zij er mede vereerd was.

– ‘Het zal namelijk zijn,’ voegde ik er bij, ‘indien de Juffer er niet tegen heeft. Intusschen moet ik niet vergeten, u verlof te vragen van morgen ochtend, te Naarden, even aan de herberg te vernemen, of de postwagen aangekomen is, waarmede ik mijn reisbagaadje verwacht. Het zal een gering oponthoud zijn en u, hoop ik, geen hinder veroorzaken.’ –

– ‘In het minste niet,’ zeide Amelia: ‘wij zullen dan maar wat vroeger van hier gaan.’ –

– ‘Het zal,’ zeide ik, ‘aan u, of aan uw Heer vader staan, het uur van vertrek te bepalen; want daar ik bekennen moet, niet recht te weten, waar wij zijn, kan ik slecht berekenen hoe veel tijd wij noodig hebben om van hier naar Naarden te wandelen.’ –

– ‘O!’ zeide de Heer Bos, ‘in een klein half uur kunt gij er op uw gemak zijn: reken er dan nog een half uur bij, voor het inwinnen der berichten die gij hebben moet en voor het gaan naar de schuit, dan is het vroeg genoeg, zoo gij hier tegen half zes van daan gaat.’ –

– ‘En moeten wij,’ vroeg ik lagchende, ‘dien fraaien hollen weg dan weer door, dien wij heden avond gekomen zijn? dan beklaag ik Mejuffrouw Bos.’ –

– ‘Dat behoeft juist niet,’ antwoordde hij: ‘wij hadden dien heden ook niet behoeven te nemen; maar ik was van oordeel, dat de modderige landweg de indruk mijner stappen niet zoo lang bewaren zoude als het zandpad door het bosch, hetwelk bovendien langs bewoonde huizen loopt.’ –

– ‘Hoe!’ riep ik uit, ‘heeft Mejuffrouw dien afschuwelijken weg mede moeten doortrekken?’ –

– ‘Dat niet alleen,’ zeide de Heer Bos; ‘maar nog wel, even als ik, beladen met pak en zak; – want wij gevoelden geen trek om onze bagaadje in de huifkar te laten, noch om die te laten dragen door dezen of genen arbeider, en ons aan zijn bescheidenheid te wagen. En dan wilde Amelia nog wel, op het voorbeeld van Esopus, den spijskorf dragen, schoon die het zwaarst van alles was, en niet, als in het geval van den Phrygiër, gaande weg geledigd werd.’ –

– ‘’t Is waar,’ zeide Amelia, terwijl zij haar fijne handjens wreef: ‘mijn vingers dragen nog de sporen van den ring, waaraan ik den trommel hield.’ –

– ‘Gij zoudt mij waarlijk het maal bederven,’ zeide ik, ‘wanneer ik denk aan het ongemak, dat u het dragen dier spijzen veroorzaakt heeft.’ –

– ‘Mijn vriend!’ zeide de Heer Bos tot mij, met meer innig gevoel, dan waarvoor ik hem vatbaar oordeelde: ‘indien de gedachte aan het leed mijner dochter mij verhinderen moest te eten, zoude ik sedert lang geene spijs meer genuttigd hebben.’ – Dit gezegd hebbende, stak hij over tafel de hand aan Amelia toe en drukte de hare met een warmte, welke mij zien deed, dat, wat overigens de man zich te verwijten mocht hebben, hartelijke verkleefdheid aan zijn dochter hem was bijgebleven.

– ‘Kom!’ zeide hij eindelijk: ‘wij moeten hopen, dat deze bedroevende staat van zaken niet duren zal. Nog eenige weinige slechte dagen, Amelia! en wij zullen, zoo mijn voorgevoel waarheid spreekt, van al de zorg en kwelling, die ons thands drukken, ontslagen zijn en blijder dagen te gemoet zien..; wij moeten nu aan onzen gast het tooneel niet aanbieden eener weekhartigheid, waar hij te minder in deelen kan, daar hij er de aanleiding niet van verstaat.’ –

En, terstond van toon en stoffe veranderende, begon hij mij over mijn reizen te ondervragen: een onderzoek, gelijk men weet, altijd aangenaam aan hem tot wien het gericht wordt. Het gesprek, hetwelk hieruit geboren werd, gaf mij gelegenheid om op te merken, dat de Heer Bos de meeste landstreken van Europa bezocht had niet alleen, maar ook een grondige kennis bezat van de zeden, gewoonte en staathuishoukunde der onderscheidene volkeren; ja, dat hij vele en belangrijke bijzonderheden wist, welke hij niet kon hebben vernomen dan door een naauwe betrekking en omgang met die personen, welke in hun vaderland het meeste gezach of den voornaamsten invloed uitoefenden. Ongevoelig bracht ons de loop van het onderhoud ook op het punt onzer koloniale bezittingen, en ik stond versteld over de kennis, welke hij ook ten dien opzichte ten toon spreidde. Daar de mijne dienaangaande gering was, was ik niet in staat met volkomen zekerheid over de juistheid zijner opgaven en narichten te oordeelen; maar toch had de op mijn reizen verkregene gewoonte van met allerlei slach van lieden omtegaan, mij niet geheel buiten een zekeren graad van menschenkennis gelaten, zoo dat ik de logenachtige vercieringen van den sprookjensvertelder eenigzins wist te onderscheiden van de onopgesmukte verhalen des zaakkundigen reizigers: en, hoewel ik ten dezen begreep geen onbepaald crediet te moeten verleenen, veelmin mijn zegel te kunnen hechten aan de stoute beslissingen en beoordeelingen, welke de Heer Bos zich betreffende de handelingen zoo der Compagnie als van hare dienaren veroorloofde, zoo wist hij die echter met zulke schijnbaar gegronde en afdoende redenen te omkleeden, dat het, in mijn oog althands, geen geringe moeite en bekwaamheid zoude vereischt hebben, die met een goed gevolg te wederleggen. Van de Oost en West kwamen wij op Tsaar Peter te huis en op de stoute hervormingen, door hem in Rusland ondernomen: en de naam van dien grooten Alleenheerscher, ons aan den grap van dien morgen herinnerende, bracht ons als van zelfs op de Zoester avontuur en op de onweersbui terug. Gevraagd zijnde, hoe ik het gedurende den regen gesteld had, verhaalde ik, dat ik geschuild had op de hofstede Guldenhof, toebehoorende aan den Heer Blaek.

– ‘Guldenhof!’ herhaalde Amelia: ‘is dat niet die fraaie plaats aan de andere zijde van Eemnes? Ik heb het even gewaagd, toen wij die voorbij gingen, mijn hoofd buiten de huifkar te steken en dat prachtige goed te beschouwen, hoewel het mij bijkans een stijven nek had gekost.’ –

– ‘De Heer Blaek!’ herhaalde van zijn kant mijn gastheer, bijna terzelfder tijd: ‘is Jacobus Blaek de eigenaar van dat vorstelijk buitengoed?.. Het moet hem dan wel zijn medegeloopen, sedert ik hem gekend heb; want toen zag het er sober uit met zijn tijdelijke goederen:.. dan! waarover verwonder ik mij?’ vervolgde hij, als tegen zich zelven sprekende en terwijl hij met zijn mes op de tafel speelde: ‘ik heb minder recht dan iemand om over de wisseling der fortuin eenige verbazing te toonen.’ –

– ‘Zoo ik wel onderricht ben,’ zeide ik, ‘heeft de Heer Blaek een aanzienlijk vermogen in de Oost-Indiën gewonnen.’ –

– ‘Hij?’ zeide de Heer Bos: ‘gij verwart hem met zijn broeder, die werkelijk zeer rijk kon genoemd worden; want het toeval was hem even gunstig geweest, als het den eigenaar van Guldenhof, in dien tijd althands, tegenliep. Nu! zoo eenig mensch de gaven der fortuin verdiende, het was dezelfde Hendrik Blaek; want een meer edelmoedig hart, en meer geneigd hetgeen hij bezat met anderen te deelen, heb ik nimmer gekend. De arme drommel heeft niet lang genot gehad van hetgeen hij met zooveel zorg vergaêrd had. Hij is een der weinige menschen, wier dood mij een wezenlijke smart veroorzaakt heeft.’ –

– ‘Gij hebt hem dan zeer van nabij gekend,’ vroeg ik, niet zonder deelneming; want een gesprek over den vader der bevallige Henriëtte kon mij niet anders dan belangrijk zijn.

– ‘Hij was een braaf en beminnelijk mensch,’ zeide mijn gastheer, blijkbaar een rechtstreeksche beantwoording mijner vraag wenschende te ontwijken: en terstond vervolgende: ‘hij heeft een dochter nagelaten: leeft zij nog?’ –

Ik voelde, dat ik op deze vraag tot over de ooren toe rood werd: misnoegd op mijzelven, dat ik mij, ofschoon onwillekeurig, zoude blootstellen aan verdere onderzoekingen, trachtte ik mijn verwarring onder den schijn van luchthartigheid te bemantelen en antwoordde met een gemaakten lach: ‘voorzeker leeft zij: althands toen ik haar van morgen sprak, was zij nog in blakenden welstand.’ –

– ‘En is zij nog niet gehuwd?’ vroeg de Heer Bos al verder: ‘mij dunkt, eener goede partij als haar moet het niet aan vrijers ontbreken.’ –

– ‘Gehuwd is zij niet,’ antwoordde ik: en meer weet ik er niet van, daar ik eerst heden van mijn buitenlandsche reize terugkeer; – maar ik stem volkomen met u in, dat zij geen gebrek aan aanzoeken hebben kan.’ –

– ‘De hemel schenke haar wijsheid, om een goede keuze te doen,’ zeide mijn gastheer: ‘maar kom aan! de avond is gevorderd: en het is tijd, dat gij beiden u ter ruste begeeft, om morgen weer vroeg bij der hand te kunnen zijn. Het hindert mij toch,’ vervolgde hij, de kruimels van zijn roksmouw afknippende, ‘dat ik mijn ouden borstel moet missen.’ –

– ‘Zoude UEd. hem zóó niet kunnen gebruiken,’ zeide Amelia, terwijl haar wangen voor een oogenblik door een zachten glans van genoegen werden bestraald; en meteen haalde zij het betreurde voorwerp van onder haar bouwen voor den dag en stak het over de tafel aan haar vader toe. Deze beschouwde het met een blik van verrassing: het plaatje met het wapen was er afgerukt en de spijkergaatjens, die nog van het vroeger bestaan daarvan hadden kunnen getuigen, met den rug van een mes zooveel mogelijk gelijk gewreven.

– ‘Ik dank u, Amelia!’ zeide de Heer Bos, met aandoening: ‘waarlijk! het is kinderachtig van mij, aldus aan een nietig meubel te hechten; maar.. gij weet het, melieve! dat ik bij wezenlijke rampen mijn gemoedskalmte niet verloren heb: en gij zult mij deze kleine zwakheid ten goede houden. Waarlijk!’ vervolgde hij, den borstel aandachtig beschouwende: ‘zie daar wel een evenbeeld, dat ik op mijzelven toepasselijk kan maken. Ben ik niet, even als hij, na jaren wrijvens en schurens, van mijn glans beroofd toen ik oud werd, en thands in het oog der waereld even weinig meer waard als dit meubel den Jood zoude wezen, dien wij heden morgen ontmoet hebben.’ –

– ‘UEd. zal mij de opmerking vergunnen,’ zeide ik, ‘dat, gelijk deze borstel nog even goed dienst kan doen, al is hij van zijn pronk beroofd, dat zelfde voorrecht ook u kan vergund blijven. Onze waarde berust immers niet in uiterlijken praal; maar in het nut dat wij stichten.’ –

Ik dacht met deze aanmerking en voorzeker alles behalve nieuwe vergelijking mijnen gastheer een verplichtend gezegde toetevoegen; maar de zonderlinge uitdrukking, die zijn gelaat aannam, toen ik met spreken geëindigd had, trof mij zoodanig, dat ik mij wel wachtte op denzelfden toon voorttegaan. Gedurende het gesprek over de Heeren Blaek, hadden, naar ’t schijnt, oude herinneringen een uitdrukking van zachte droefgeestigheid op zijn trekken verspreid, welke ik niet gedacht had, daar immer te zullen aantreffen, en welke nog vermeerderd werd door het hervinden van zijn borstel en de gedachten welke de beschouwing daarvan in zijn boezem had opgewekt: – maar nu was op eens die uitdrukking verdwenen: het gandsche gelaat had den strengen, terugstootenden plooi hernomen, die het gewoonlijk kenmerkte: en een bittere lach kwam het nog meer ontcieren.

– ‘Hoor!’ zeide hij, op een schamperen toon, terwijl hij een blik op mij wierp, die mij onwillekeurig sidderen deed: ‘de diensten, die ik gewoon ben geweest te bewijzen, waren niet altijd van dien aart, dat men er mij veel dank voor wist.’ –

– ‘Vader!’ zeide Amelia, met een bevende stem, terwijl zij oprees en hem bleef aanzien met een weemoedigen blik, die hem zijn rasch gezegde scheen te verwijten.

– ‘Gij hebt gelijk, mijn kind!’ zeide hij: ‘en ik handel dwaasselijk, door aan zulke denkbeelden toetegeven..: zoo de Heer Huyck het goed vindt, zal ik hem zijn slaapstede toonen.’ –

Deze laatste woorden sprak hij weder op een zeer natuurlijken en hoffelijken toon uit en liet die met een buiging van het bovenlijf vergezeld gaan. Ik boog insgelijks ten bewijze van toestemming: en na gedane dankzegging rezen wij gezamenlijk op. Ik wenschte aan Amelia een geruste nacht, en volgde den Heer Bos, die, na zich half bij zijn dochter verontschuldigd te hebben, dat hij haar in het donker liet, de kaars opnam en mij in een klein vertrekje bracht, hetwelk op denzelfden trap, doch eenige treden hooger, uitkwam.

– ‘Ik denk niet,’ zeide hij, mij op een naauwe bedstede wijzende, die zich aldaar bevond, ‘dat u dit nachtverblijf machtig zal aanstaan: maar gij zult het moeten nemen, zoo als gij het vindt.’ –

– ‘O!’ zeide ik: ‘maak daarover geene verontschuldigingen; ik ben lang genoeg op reis geweest om mij te hebben leeren behelpen: en een nacht is gaauw doorgebracht. Maar wat ik u bidden mag, neem het licht met u: Mejuffrouw Bos bevindt zich alleen en in het duister. Ik heb geen licht noodig om mijn slaapstede te vinden.’ –

– ‘Zoo gij niets meer noodig hebt, en u in ’t donker kunt uitkleeden, zal ik aan uw verzoek voldoen,’ zeide mijn gastheer, en mij een goede nachtrust toegewenscht hebbende, verliet hij het vertrek. Ik had intusschen den eenigen stoel, die zich daarin bevond, voor mijn slaapplaats geschoven en, mij van mijn bovenkleederen ontdaan hebbende, kroop ik met de rest te bedde; want in de onzekerheid hoe de gesteldheid daar binnen zoude wezen, was ik eenigzins huiverig om mij geheel te ontkleeden.

En indedaad, mijn ligplaats was noch slechter, noch beter dan ik reden had mij die voortestellen. Het bed bestond uit een harden peul, waarvan men de opvulsels niet behoefde te raden; want van alle zijden staken mij de puntige stroohalmen in de leden, zoo vaak ik mij omwendde. Het laken was van dien aart, dat het mij, welke houding ik aannam, nooit geheel bedekte: lag ik recht uitgestrekt, dan staken mijn voeten er buiten: haalde ik deze binnen en ging ik krom liggen, dan waren mijn knieën ongedekt: – en wat het ware, dat mij tot hoofdkussen diende, kon ik volstrekt niet uitvinden en moest eerst den volgenden morgen ontdekken, dat het uit een oud stel vischnetten bestond, in een meelzak gewikkeld. De vinding was niet onaartig en ik ben nooit te weten gekomen, of ik haar aan het vernuft van den Heer Bos, van zijn beminnelijke dochter of van de oude Martha moet toeschrijven.

Het was echter niet het min gemakkelijke mijner ligging, dat mij zoude verhinderd hebben, na een zoo vermoeienden dag, een zoete rust te genieten. Integendeel waren het die vermoeienissen zelve en de onderscheidene schokken, welke ik naar lichaam en geest ontfangen had, die mij beletteden, den slaap te vatten, waar ik zoo vurig naar verlangen moest. Duizend verschillende en verwarde denkbeelden maalden mij door het brein en deden dat brandend en koortsig gevoel in mijn hoofd ontstaan, hetwelk aan alle sluimering vijandig is. Al de ontmoetingen van den dag kwamen mij beurtelings voor den geest zweven, gelijk de schimmen eener fantasmagorie. Ik zag weder den twist in de herberg: ik hoorde den hatelijken Andries vloeken en den Jood zijn kramerijen venten: ik onderscheidde het lieve gezichtje van de bevallige Henriëtte Blaek: ik bestreed op nieuw de drie struikroovers en dankte weer mijn redding aan mijn geheimzinnigen gastheer, die zich aan de oogen mijner verbeelding in een nog majestueuser gestalte voordeed dan in de wezenlijkheid. Dan weder stelde ik mij de belofte voor den geest, welke ik den Heer Bos gedaan had, en de moeilijkheden, welke voor mij zouden kunnen ontstaan zoo uit de verplichting, die ik op mij genomen had, om Amelia naar Amsterdam te brengen, als uit die, van het op dien gevaarvollen avond voorgevallene voor elk geheim te houden. Bij dit alles voegde zich nog een zeker gevoel van ongerustheid, dat ik niet van mij af konde werpen, en hetwelk was toe te schrijven aan de onzekerheid, waarin ik verkeerde, zoo omtrent de plaats waar ik mij bevond, als omtrent hetgeen mij nog kon te wachten staan. Wel is waar, ik voedde geene vrees meer voor den Heer Bos, die er naar allen schijn belang bij had, mij te vriend te houden; maar ik was niet zonder zorg omtrent Andries, die, naar mijn innige overtuiging, niemand anders wezen kon dan de zoon der weduwe, in wier woning ik mij bevond: het onaangename vermoeden begon mij te bekruipen, of ik niet altemet de legerstede van dien booswicht betrokken had: en ik kon de benaauwende gedachte niet verbannen, dat hij wellicht te huis komen en mij de weinig gewenschte eer van zijn bezoek geven zoude.

Ik had, kort nadat ik mij te bedde begeven had, den luchtigen voetstap van Amelia eenige reizen op de trappen gehoord, en veronderstelde dat zij de overblijfselen van ons avondmaal naar de keuken bracht. Daarop had zij een vrij langdurig onderhoud met haar vader gehad, waar van ik echter niets dan bloote klanken verstaan kon, en zich toen ter ruste begeven. De Heer Bos was vervolgens naar beneden gegaan; naar mijn gedachten, om aan de oude Martha eenige onderrichtingen te geven: het duurde wel een uur eer hij terug kwam en zich in de bedstede, tegen over die waarin zijn dochter sliep, begaf. Een zwaar gesnork kondigde mij weldra aan, dat, welke zijn zorgen voor de toekomst ook wezen mochten, die echter niet in staat waren, hem het slapen te beletten.

Wat mij betreft, er verliepen uren achtereen, eer de slaap mijn oogen sloot, en toen zelfs bracht die noch rust, noch verkwikking mede. Benaauwende, pijnlijke droomen kwelden mij, en deden mij ieder oogenblik met schrik uit mijn sluimering ontwaken. Ik zag het ouderlijk huis in vlammen staan: gewapende roovers, waaronder zich Andries en, vreemd genoeg, ook de poëet Helding bevonden, stormden ter plondering binnen, en werden aangevoerd door den Heer Jacobus Blaek, die zijn regenscherm als een staf van commando rondzwaaide. Ik zag mijn moeder, doodsbleek en met bloed bedekt, door twee dier boosdoeners voortsleepen: ik hoorde het noodgeschrei mijner zusters en broeders, die in de vlammen omkwamen: en dan zag ik op eens boven het vlammend puin, Henriëtte, Amelia, en een talrijken stoet bevallige, in feestgewaad uitgedoschte jonge meisjens luchtig en onbezorgd ronddanssen, en rozen strooien op de vonken, die onder haar voeten opspatteden. Op eens deed Andries, die een ijzeren geldkist uit den brand had gesleurd, welke hij met geweld op straat sleepte, een afgrijselijksten vloek hooren: alles verdween voor mijn oogen, en ik ontwaakte.

Maar, schoon wakker, nog dreunde mij die stem in de ooren, en nog herklonken die slagen, welke echter niet op een ijzeren kist, maar op de deur der woning nederkwamen. Ik ging recht overeind zitten. Er kon geen twijfel meer aan zijn. Het was Andries, die weder te huis kwam.

De morgenschemering was aangebroken: ik liet mij zoo zachtjens als ik kon uit mijn bed zakken, kleedde mij aan, omklemde mijn knuppel met beide handen en bleef toen, op den stoel gezeten, angstig luisteren, wat er volgen zoude. Weldra hoorde ik de oude Martha naar het voorhuis schoffelen. Ik rees op, en overlegde of het ook zaak zoude wezen, den Heer Bos te gaan wekken, toen ik Martha met een heesche stem haar zoon hoorde toeroepen: ‘daar slaapt van nacht familie van Mevrouw hier in huis: ik magje niet opendoen; zie maar dat je in de schuur te recht komt.’ –

Ofschoon mij deze woorden eenigzins gerust stelden ten opzichte der voornemens van de moeder, bleef ik echter niet zonder zorg, of zich de zoon wel daaraan zoude stooren. Mijn onzekerheid was intusschen spoedig voorbij; want na eenige vruchtelooze pogingen om de deur open te krijgen, ging Andries al brommende en vloekende weg, en Martha haastte zich, haar bed weder op te zoeken, hetgeen mij een blijk strekte, dat zij geen vrees voor zijn terugkomst koesterde.

Dit tooneel had mij echter allen slaap ontnomen. Ik bleef nog een geruimen tijd stil zitten: toen naderde ik het venster, opende het met zoo weinig gerucht mogelijk, en ademde de verkwikkende morgenlucht in, die mij van buiten tegenstroomde.

Dan, was die frissche ochtendkoelte welkom aan mijn verhit gestel, niet minder aangenaam werd ik verrast door het heerlijke schouwspel dat zich voor mijn oogen opdeed, en hetwelk ik verre was te verwachten. Het uitzicht, dat ik den avond te voren van de kamer, waar wij ons toen bevonden, had gehad, was beperkt; het raam, waar ik nu voorstond, opende zich aan een andere zijde van het gebouw en vergunde mij het gezicht van een natuurtooneel, de penceel eens schilders waardig. Ter linkerzijde en achter een schuur, een duivetil en een paar andere kleine gebouwen, tot de hoeve behoorende, verhief zich een fraaie groep eeuwenheugende eikenboomen, wier kruin wel door den zeewind was ontbladerd, doch wier knoestige, met breede takken voorziene stammen, zich donker afteekenden tegen den nog kleurloozen hemel en tegen de Zuiderzee, over wier graauwe oppervlakte een aantal kleine vaartuigen elkander kruisten. Iets meer nabij verhief zich een oude, met mosch en heesters overdekte bouwval, de strenge stijl van welks bouworde scheen aan te kondigen, dat ik de overblijfselen van een klooster voor mij had: een muurtje, dat waarschijnlijk voorheen een kerkhof omheind had, verbond dit gedenkstuk van vroegere dagen aan de hoeve, waarin ik mij bevond. Ter rechterzijde liep de grond glooiend opwaart, en werd het verschiet hier en daar belemmerd door golvende heuvelen, deels met koren of boekweit beteeld, deels met heesters en kreupelhout begroeid, deels bedekt met de paerskleurige heide, waar langs de witgewolde kudden reeds hun ochtendmaal kwamen gebruiken. De stilte van den morgen werd alleen nu en dan afgebroken door het dof geloei der runderen in den stal en het gekraai van den wakkeren haan, die met zijn kakelbonten harem over het erf kuierde en het rijzend zonnelicht begroette, dat allenkskens aan dit natuurtooneel leven en luister kwam bijzetten. Op eens trof mij de gedachte: ik had dit bevallig geheel nog éénmaal beschouwd: wanneer of in welk gezelschap, dit wist ik mij niet te binnen te brengen; maar het kwam mij voor, als ware het niet de eerste reize, dat ik mij hier bevond. Ik kon uit den weg, dien ik den vorigen avond genomen had, en uit de nabijheid der zee, het besluit opmaken, dat ik mij ten Oosten en niet verre van Naarden moest bevinden en wel omtrent de plaats, waar vroeger een stad van denzelfden naam in de Hoeksche en Kabbeljaauwsche twisten was te gronde gegaan; maar ik had, zooverre ik wist, nimmer eenig uitstapje naar dien kant gemaakt. Eindelijk gaf ik het op: en daar ik meermalen het naburige Muiderberg bezocht had, waar het landschap veel overeenkomst had met datgene, hetwelk ik nu voor oogen had, maakte ik het besluit op, dat ik, door die gelijkheid van natuurtooneel misleid, mij ten onrechte verbeeldde, hier vroeger geweest te zijn.

De morgenstond had zijn weldadigen invloed op mij uitgëoefend en met het daglicht waren die kwellende droombeelden en onrustige gedachten verdwenen, die mij gedurende de nacht hadden bezig gehouden. Ik aarzelde dus niet om mij weer naar mijn legerstede te begeven, en de natuur, haar rechten hernemende, welke zij te lang aan de verbeelding had afgestaan, deed mij een weldadigen slaap genieten, waaruit ik niet ontwaakte, dan toen de stem mijns gastheers mij riep, en ik, de vakerige oogen wrijvende, den Heer Bos, reeds geheel gekleed, zag voor mij staan.

– ‘Het is tijd!’ zeide hij: ‘het spijt mij, zulk een aangename rust te stooren; maar gij zult ongetwijfeld de eerste schuit niet willen misloopen.’ –

– ‘Gij ziet,’ zeide ik, opstaande, ‘dat mijn toilet geene groote moeite zal vereischen. Ik heb niets anders te doen als mij te wasschen, en ik ben tot uw dienst.’ –

– ‘Ik heb u gebracht wat gij noodig had,’ zeide de Heer Bos, mij op de tafel wijzende, waar hij een kom met water en een handdoek had neergeplaatst. ‘Ik behoef niet te vragen of gij goed geslapen hebt.’ –

– ‘Daar kan ik niet volmondig ja op zeggen,’ antwoordde ik, en verhaalde hem tevens hoe mijn nachtrust gestoord was geweest. Gedurende mijn verhaal bleef ik de wezenstrekken van mijn gastheer zorgvuldig gadeslaan. Geen verwondering noch ontroering was daar op zichtbaar: alleen zag ik hem een paar reizen de wenkbraauwen samentrekken.

– ‘Ik verwachtte niet anders,’ zeide hij, toen ik met mijn mededeeling geëindigd had: ‘en ik had dienaangaande het noodige onderricht aan de oude Martha gegeven. Ondertusschen, die schurk moet u noch mij hier zien: de gevolgen zouden te gevaarlijk kunnen wezen. Ik moet mij daarover nog met de oude onderhouden. Wees zoo goed, zoolang bij mijn dochter te vertoeven.’ –

Wij verlieten het vertrek, en begaven ons weder naar datgene, waar wij den vorigen avond hadden doorgebracht. Ik vond hier Amelia, in hetzelfde gewaad als den vorigen dag gekleed, behalve dat zij nu een muts droeg en een falie daar over heen: ook was zij met een zonnescherm voorzien. De Heer Bos liet ons alleen, en na een korten morgengroet, bleven wij, beide zwijgend en eenigzins met onze houding verlegen, voor ons zien.

Het leed niet lang, of de Heer Bos kwam terug: ‘alles is in orde,’ zeide hij: ‘Andries ligt in de hooischuur zijn roes uit te slapen, en, eer hij wakker is, zijn wij verre van hier. Ik heb bovendien zijn moeder gewaarschuwd, dat de justitie hem opspoorde; en een kleine wenk van dien aart zal, vlei ik mij, genoegzaam zijn, om hem verre van hier te zenden. – Niets verhindert ons dus langer, de reis aantevangen.’ –

– ‘Ik weet niet,’ zeide Amelia, zich met minzaamheid tot mij wendende, ‘of mijn Heer ook nog vooraf iets verlangt te gebruiken.’ –

– ‘Het is mij nog vroeg genoeg,’ zeide ik: ‘en daar ik toch genoodzaakt ben, mij te Naarden een oogenblik optehouden, zullen wij even goed daar eenig ontbijt kunnen nuttigen.’ –

– ‘Welaan dan!’ zeide de Heer Bos, en trad meteen, door ons gevolgd, de kamer uit.

In het voorhuis stond de oude Martha, die, neigende, en de handen drukkende van den Heer Bos en van Amelia, afscheid van ons nam.

– ‘Wij danken u voor uw herbergzaamheid,’ zeide de Heer Bos: ‘vergeet niet, hetgeen ik u omtrent uw zoon gezegd heb, en neem dit aan, voor den omslag, dien wij u veroorzaakt hebben. Mijn goed zal ik nader laten halen. Bedenk, dat alles van uw stilzwijgenheid afhangt.’ –

– ‘Ach!’ zeide zij: ‘met wie spreekt de oude Martha ooit? Geen haan zal er na kraaien, dat UEd. hier ‘eweest is: en in een kwartier tijds zijn al de kamers weer dicht ‘esloten en het beddegoed uit de bedsteden ‘enomen, en kan niemand merken, dat ik hier volk heb ‘ehad.’ –

Ik kon mij niet weerhouden van te glimlagchen: ‘zoo al de slaapplaatsen zoo goed gestoffeerd zijn als de mijne,’ dacht ik, ‘zal zeker het opredderen daarvan niet veel tijd kosten.’ –

– ‘Intusschen naderde ik ook op mijne beurt de oude vrouw en stelde haar onder dankbetuiging voor het nachtverblijf een kleine fooi ter hand. Toen ik mij omwendde, zag ik dat de Heer Bos een koffer had opgenomen, die waarschijnlijk het goed van zijn dochter bevatte.

– ‘Mag ik u niet van die moeite ontslaan?’ vroeg ik hem: ‘daar toch Mejuffrouw nu onder mijn geleide komt, is het niet meer dan billijk, dat ik haar goed drage.’ –

– ‘Wij zullen het ieder een gedeelte van den weg dragen,’ zeide de Heer Bos: ‘ik ga niet met u tot Naarden.’ –

De toon, waarop hij deze woorden uitsprak, was zoo beslissend, dat ik het ongeraden vond, verder aantedringen. Wij begaven ons dan op reis, de Heer Bos den tocht geleidende, en even wakker doorstappende, als of hij, in stede van een koffer, een pak veêren onder den arm had. Ik heb nog verzuimd te zeggen, dat hij thands zijn rooden mantel niet om had, en zijn Spaanschen hoed tegen een meer gewonen verwisseld had.

Amelia liep zwijgend achter haar vader: en ik sloot den tocht. Wij namen, in stede van den modderigen hollen weg, een zandpad door de eikenstruiken, hetgeen op een driesprong uitkwam, waar onze geleider stil hield.

– ‘Hier moeten wij scheiden,’ zeide de Heer Bos: ‘dit voetpad links brengt u aan de poort van Naarden. Vaarwel Amelia! God behoede u en schenke u het noodige beleid om de moeilijke taak te volbrengen, die gij op u genomen hebt.’ –

Dit zeggende drukte hij een hartelijken kus op het voorhoofd zijner dochter. Wat haar betrof, zij schreide niet, zij stortte geen ijdele, doch bij zulk een scheiding toch niet berispelijke klachten uit: maar de doodelijke bleekheid, welke zich over haar gelaat verspreidde, toonde niet te min, hoezeer haar hart op dit oogenblik leed.

– ‘Wat u betreft, mijn Heer!’ zeide de Heer Bos, mij de hand drukkende: ‘ontfang mijn voorloopigen dank voor de dienst, die gij mij bewijzen wilt. Ik vertrouw u mijn dochter: en gij zult, hiervan houde ik mij overtuigd, u dat vertrouwen niet onwaardig betoonen.’ –

– ‘Is er niets anders dat ik voor u doen kan?’ vroeg ik hem, terwijl ik zijn handdruk beäntwoordde.

– ‘Voor het oogenblik niet; – ik heb reeds te veel van u gevorderd; wellicht meer dan gij zult kunnen volhouden;.. doch het zij zoo als het wil!.. alleen dit nog!.. mocht mij het lot eens treffen, dat mijn vijanden mij toewenschen, ontferm u dan over mijn ongelukkige dochter: – wees dan haar voorspraak…. Zorg dan, dat zij in staat gesteld worde, zich een wijkplaats volgens haar wensch te kiezen.’ –

Ik gaf door een buiging mijn toestemming in dit verzoek te kennen en nam nu den koffer op, dien de Heer Bos had neergezet en die mij zwaarder voorkwam, dan ik gedacht had; waarop hij, na Amelia nogmaals vaarwel gezegd te hebben, zich met rassche schreden rechts af en naar den zeekant begaf. Wij oogden hem een poos na en sloegen toen zwijgend het aangewezen pad in, dat ons weldra op den heirweg in de nabijheid van Naarden bracht. Buiten de poort nam ik een knaap aan om den koffer te dragen; bood mijn arm Amelia aan, en bevond mij met haar na verloop van eenige minuten in de herberg te Naarden.

DigitalDroom Reader

Hoofdstuk IX

IX / XXXIX

In de herberg gekomen zijnde, werden wij door den waard in een zijkamertje gewezen, waar ik terstond voor Amelia en voor mij een paar kopjens koffij en boterhammen bestelde; en de vraag deed, of er ook goed met den vrachtwagen van Deventer was aangekomen aan het adres van M r . F. Huyck. De waard antwoordde deze vraag toestemmend en gaf mij te kennen, dat het goed zich in de groote kamer aan de overzijde bevond. Ik vroeg hierop verlof aan Amelia van haar een oogenblik alleen te mogen laten, en begaf mij naar de aangewezene plaats, waar ik werkelijk, na eenig zoekens, de mij behoorende koffers, dozen en verdere voorwerpen, uit onderscheidene andere goederen, welke aldaar in heerlijke eendracht en verwarring door en op elkaêr gestapeld waren, terug vond; waarop ik den waard verzocht, die gezamentlijk met den koffer van Amelia naar de schuit op Amsterdam te laten brengen, en de roef voor mij te huren.

Terwijl ik met dit alles bezig was, had ik wel opgemerkt, dat er paarden voor het logement hadden stil gehouden; doch in de drokte van het oogenblik daar geen bijzondere acht op geslagen. Toen mijn bestelling echter was afgeloopen, en ik mij weder naar het zijkamertje terug zoude begeven, sloeg ik het oog, in ’t voorbijgaan, door den gang naar buiten en zag een paar fraaie, kostelijk getoomde en gezadelde rijpaarden, die reeds een goeden rit schenen te hebben gedaan, naar men kon opmaken uit het schuim dat hunne breede borst bedekte, en die door den staljongen voor de deur gevoederd werden, terwijl een rijknecht, in zwierige liverei, daarnevens stond. Ik hield mij echter niet op met die te beschouwen, daar ik Amelia niet langer wilde alleen laten; – maar men verbeelde zich mijn verwondering en mijn misnoegen tevens, toen ik, de zijkamer binnentredende, iemand, in rijgewaad uitgedoscht, over Amelia aan de tafel zag zitten, met den hoed op het hoofd, het rijzweepje in de hand en de beenen uitgestrekt, – en in dien persoon dengene herkende, dien ik minst van allen hier verwacht of gewenscht zoude hebben, den Heer Lodewijk Blaek. ‘Daar beginnen de wederwaardigheden al!’ dacht ik bij mij zelven: en mijn spijt was zoo groot, dat ik als sprakeloos aan de deur bleef staan.

– ‘Komt het glaasje haast, dat ik besteld heb?’ vroeg Lodewijk, mij slechts ter loops aanziende: ‘o vergeef mij!’ voegde hij er bij, mij herkennende: ‘ik dacht dat het de kastelein was – mijn Heer Huyck! ik wensch u goeden morgen.’ – Hier lichtte hij even zijn hoed, en zich terstond naar Amelia wendende, met wie hij reeds in onderhoud scheen te zijn getreden: ‘en reist de Juffrouw zoo alleen?’ vroeg hij: ‘in waarheid! het zoude mij tot bijzondere eer strekken, u te mogen brengen, waar UEd. wezen wilde. Men treft soms onwelkom gezelschap op reis aan,’ (dit laatste was ik volkomen met hem eens) ‘en het is ridderplicht, de dames, die alleen en verlaten zijn, daartegen te beschermen.’ –

Ik was nog niet recht bekomen van mijn verbazing. Ik zag, hoe Amelia bleek en ontsteld was geworden door de gemeenzame toespraak van den vrijpostigen losbol: en ik wist nog niet, welke houding ik moest aannemen. Het eenvoudigste ware zeker geweest, terstond aan Lodewijk te verklaren, dat de Juffer geene bescherming behoefde, daar zij zich reeds onder de mijne bevond; maar ik huiverde op de gedachte, daardoor verkeerde vermoedens op te wekken bij iemand, op wiens bescheidenheid ik mij niet kon verlaten. ‘Waar zal Henriëtte Blaek mij voor houden,’ dacht ik bij mijzelven, ‘wanneer zij van haar neef verneemt, dat ik met een mooi jong meisje op reis ben geweest?’ – Deze gedachte belette mij, te handelen gelijk de edelmoedigheid mij eigenlijk zoude hebben voorgeschreven, en ik besloot, mij te vergenoegen met aan Lodewijk het voortzetten zijner aanbiedingen te beletten, door zelf een gesprek met hem aan te knoopen.

– ‘Is UEd. heden morgen reeds van Guldenhof aan komen rijden? UEd. moet het warm hebben, ofschoon de ochtendstond altijd het best geschikt is tot dergelijke tochten. En hoe vaart de familie op Guldenhof? Het is een fraai paard, dat UEd. daar heeft,’ enz. enz.

Lodewijk antwoordde slechts met enkele woorden op deze en dergelijke toespraken, welke ik tot hem richtte: en, geene de minste gedachte voedende, dat ik tot Amelia in eenige betrekking stond, bleef hij haar gedurig aanstaren, lonkte en knipoogde, en scheen haar door zijdelingsche wenken te kennen willen geven hoe onaangenaam hem de stoornis was, welke ik in hun tête-à-tête had aangebracht.

Wat Amelia betrof, zij bëantwoordde hem op dezelfde wijze, als hij mij deed, namelijk met niet veel meer dan ‘ja mijn Heer!’ of ‘neen mijn Heer!’ Zij hield de oogen gedurig voor zich geslagen op het kopje, dat zij in de hand hield en waaruit zij nu en dan een langzame teug nam. Ik kon niet nalaten van met een gevoel van diepe beschaming op te merken, dat zij, na mij toen ik binnen kwam even te hebben aangezien, geen oog meer op mij wendde, als wilde zij mij de bescherming niet afvergen, welke ik haar niet uit eigen beweging verleende. Deze bescheidenheid van hare zijde overwon weldra mijn voornemen om mij te houden, als of wij elkaêr niet kenden, en ik was op het punt, van aan Lodewijk te verzoeken, de Juffer, die ik de eer had gezelschap te houden, niet langer lastig te vallen, toen de waard, met een glaasje likeur binnentredende, mij de eer der bekentenis kwam ontnemen.

– ‘Mijn Heer!’ zeide hij tegen Lodewijk: ‘een glaasje cognacq als ’t UEd. belieft: mijn Heer!’ (tegen mij) ‘als UEd. naar de schuit moet zal het tijd worden.’ –

– ‘Hoeveel ben ik u schuldig?’ vroeg ik, terwijl Amelia intusschen was opgestaan.

– ‘Sta mij ten minste toe, u tot aan de schuit te brengen,..’ zeide Lodewijk, insgelijks opstaande en Amelia zijn arm aanbiedende.

– ‘Zeven gulden vijftien stuivers, wegens betaalde vracht voor UEds. goed,’ antwoordde mij de waard: ‘twee kommetjens koffij en twee boterhammen….?’

– ‘Twee!’ herhaalde Lodewijk, een oog op de tafel werpende, en vervolgens Amelia en mij aanziende met een blik, die mij deed ontwaren, dat hij lont begon te ruiken, en die ook den waard deed opkijken.

– ‘Wel ja!’ zeide deze: ‘mijn Heer betaalt immers ook voor de Juffrouw?’ –

– ‘Voorzeker!’ zeide ik, hem twee dukaten ter hand stellende, met verzoek van mij geld terug te geven: ‘als UEd. gereed is!’ vroeg ik, mij tot Amelia wendende.

– ‘Nu begrijp ik het!’ zeide Lodewijk, met een bozen lach, die mij machtig veel lust gaf hem op zijn gezicht te trommelen.

– ‘ Heureux mortel! ’ voegde hij er bij, het hoofd schuddende en mij schamper aanziende. ‘Ik vraag u om verschoning, Mejuffer! Maar waarom heeft de Heer Huyck mij niet terstond gewaarschuwd, dat ik vergeefsche moeite deed?’ –

Ik voelde dat ik rood werd; want ik kon de juistheid dezer aanmerking van Lodewijk niet ontkennen: ‘mijn Heer!’ zeide ik, op een toon, dien ik trachtte zoo natuurlijk mogelijk te maken: ‘ik heb niets over deze Juffer te zeggen. Een gelukkig toeval heeft mij haar doen ontmoeten: en haar familie (met nadruk op het woord familie ) heeft mij verzocht, daar wij toch eenen weg gingen, wel te willen zorg dragen, dat haar op reis niets ontbrak. Ik dacht, dat UEd. haar kende, anders zoude ik niet geweten hebben, waaraan uw voorslagen toe te schrijven. Ik heb de eer, uw dienaar te zijn.’ –

– ‘Goede reis samen,’ zeide Lodewijk: ‘en ik hoop dat de familie van de Juffer alle reden zal hebben om van haar keuze te vreden te zijn,’ voegde hij er bij, op een toon, die mij verstaan deed, dat hij geen woord geloofde van al wat ik hem, ik moet bekennen vrij onhandig, verteld had.

Ik antwoordde verder niets; maar, den arm aan Amelia gevende, verliet ik met haar de herberg. Naauwlijks waren wij de stadspoort uit, toen Lodewijk ons, met zijn lakei achter zich, voorbij reed. Hij deed zijn groet vergezeld gaan met een spotachtigen glimlach; en bleef langzaam voor ons uit rijden. Toen wij de laatste brug der vestingwerken hadden verlaten en de trekschuit in ’t gezicht kregen, zag ik hem weder ophouden en eenige woorden wisselen met iemand, die zich nabij de klep van de schuit hield; waarna hij in vollen draf verder reed.

Wij waren spoedig aan de plaats der afvaart, waar de kruier zich met mijn goed bevond en mij het roefbriefje ter hand stelde. Amelia ging dadelijk naar binnen; wat mij betreft, ik bleef een oogenblik de oplading der goederen gadeslaan, toen mij de persoon naderde, met wien ik Lodewijk had zien spreken en dien ik terstond voor Simon herkende. Hun onderhoud deed bij mij een vermoeden ontstaan, hetwelk zich later bevestigde; doch dat ik mij wel wachtte aan Amelia medetedeelen, ten einde haar niet nutteloos te verontrusten.

– ‘Whelkom, meneer Hyk!’ zeide Simon: ‘phen je nog ‘ier? Me dacht, je zat hal ‘oog en droog te Hamsterdam? Ken ik thoch niks an je kwijt worden? Niet? – Nou! dhaarom zel je thoch ghezond blijven. Has ik je dan reis weerzie met ghezondheid?’ –

Het vertrek der schuit maakte een einde aan de rede van Simon, die een plaats nam op de voorplecht, terwijl ik bij Amelia in de roef ging zitten. –

Ik zag aan de koele en gestrenge uitdrukking van haar gelaat, dat mijn gedrag eenige verontschuldiging vereischte, en ik moest bij mijzelven erkennen, dat zij reden had, ontevreden over mij te zijn. Ik sprak haar dus, eenigen tijd nadat de schuit van wal had gestoken, op de volgende wijze aan:

– ‘Ik vrees, Mejuffrouw, dat gij mij beschuldigt, van weinig te beäntwoorden aan het vertrouwen, door uw Heer vader in mij gesteld.’ –

– ‘Mijn Heer!’ antwoordde zij, ‘ik heb het recht niet, u eenige verwijtingen te doen. Ik gevoel zeer wel, hoe moeilijk de toestand was, waarin de ontmoeting van een bekende u moest brengen; en het doet mij van harte leed, dat gij u om mijnent wille wellicht onaangenaamheden op den hals haalt.’ –

– ‘Uwe goedheid,’ zeide ik, ‘behandelt mij meer grootmoediglijk dan ik verdien; maar waarlijk, gij hadt recht gehad, een andere handelwijs van mij te verwachten. Geloof echter, dat, zoo ik niet terstond den Heer Blaek voor zijn onbeschaamdheid bestrafte, zulks slechts daarom was, omdat ik hoopte, dat hij vóór ons vertrekken zoude: en ik was bezorgd, dat zoo hij, gelijk nu geschied is, ontdekte dat wij te samen reisden, hij nasporingen in ’t werk zoude stellen, welke het geheim van uw Heer vader in gevaar mochten brengen.’ –

Deze reden was nu wel niet de ware; maar zij had toch zooveel grond van waarschijnlijkheid voor zich, dat Amelia, naar mijne meening, niet kon nalaten, die voor volkomen geldig te houden. Zij scheen er zich dan ook mede te vergenoegen.

– ‘Ik hoop,’ zeide zij, ‘dat gij geen last meer zult hebben van deze ontmoeting, en dat de Heer Blaek zich met de door u gegevene inlichting zal te vrede stellen. – Is hij de zoon van den Heer Blaek, over wien wij gister avond spraken? Hij schijnt mij toe, geen gelukkig toonbeeld op te leveren van de Amsterdamsche Heeren. Wellicht echter,’ voegde zij er bij, ‘moet ik zijn vrijpostigheid alleen toeschrijven aan den verlatenen toestand waarin ik mij bevind.’ –

– ‘Het was gisteren voor het eerst, dat ik dien Heer ontmoette,’ was mijn antwoord: ‘maar het zoude mij grieven, indien UEd. onze Amsterdamsche jongelingschap naar hem wildet bëoordeelen. Er zijn er onder, die, zoo als hij, hovaardig op hun rijkdom en aanzien, zich een toon aanmatigen, die hun vrij kwalijk voegt, en zich, vooral tegen een kunne die zij eerbiedigen moesten, alles veroorlooven, op het voorbeeld der Fransche windbuilen, die zij näapen, zonder tevens die welgemanierde bevalligheid te bezitten, welke bij onze naburen de onbescheidenheid eenigzins vergeeflijk maakt. Maar gij zult, naar ik hoop, te Amsterdam ook jonge lieden vinden, die zich door een ordentelijk, zedig gedrag onderscheiden, naauwgezet zijn in het betrachten hunner maatschappelijke plichten, zich aanbevelen door een heuschen, beschaafden omgang, en niet van oordeel zijn, dat drinken, rossen en rijden, grof spelen en dergelijke uitspattingen tot de kenmerken eens fatsoenlijken mans behooren.’ –

– ‘Ik twijfel er niet aan,’ zeide zij: ‘het zal te Amsterdam zijn, als overal, dat men er veel kaf onder ’t koren vindt. Helaas! wat mij betreft, ik zal er niet in de gelegenheid zijn om zulks bij ondervinding te leeren, en mijn toestand zal mij wel dwingen, mij afgezonderd te houden van alle gezelschappen. Hoe gelukkig zijt gij, mijn Heer! aan wien deze reis niets als vreugde en blijdschap voorspelt. Gij gaat een beminde familie terugvinden en moogt u thands reeds verheugen in die zalige ontmoeting;.. terwijl ik!… maar verschoon mij, ik heb geen recht u met mijne klachten op te houden. Verhaal mij eens bid ik u, hoe groot is het huisgezin van uw Heer vader?’ –

Ik bëantwoordde deze vraag, en, van het eene op het andere komende, geraakten wij van lieverlede in een belangrijk en levendig onderhoud, in den loop waarvan ik telkens meerdere redenen vond om het gezond verstand en het edel hart van mijn reisgenoote te bewonderen. Wij brachten alzoo bijna ongemerkt de lange en verveelende vaart van Naarden tot Muiden ten einde. Aan die stad gekomen, moet men, gelijk bekend is, de schuit verlaten om zich in een andere in te schepen. Wij trokken dan te samen, en gëarmd, Muiden door, toen een nieuwe gebeurtenis mij stof gaf tot nieuwe bekommernis over de taak, die ik op mij genomen had, en waarmede ik mij reeds begon te vereenigen. Onder het voortwandelen hoorde ik achter ons het klappen van een zweep en het rollen van een rijtuig over de straatsteenen. Ik zag om: daar reed ons een prachtige koets voorbij, met vier witte paarden bespannen, en twee lakeien achter op: en, eer ik nog den tijd had om na te denken, aan wien dit rijtuig behoorde, herkende ik daar binnen den ouden Heer Blaek, met zijn hofdichter over-, en – o spijt! – zijn schoone nicht naast hem. Ik bloosde tot achter de ooren toe: ik groette: – de Heer Blaek had mij niet opgemerkt; – maar Henriëtte had mij gezien, en de koele blik, welken zij bij het terug groeten op ons beiden nederwierp, drong mij door de ziel heen. – Zij had mij herkend: daar was geen twijfel aan; – en wat toch moest zij nu van mij denken? Ik had haar gezegd, dat ik alleen naar Amsterdam reisde; en nu had zij mij met een onbekende Juffer gëarmd gezien: – en ik zoude mij misschien nimmer in de mogelijkheid vinden, haar de aanleiding mijner handelwijze te verklaren. – Zelfs ook dan, al ontsloeg mij de Heer Bos van alle geheimhouding, wie zoude de zonderlinge ontmoetingen, die mij in deze weinige uren overgekomen waren, op mijn woord af verkiezen te gelooven? –

Doch, wat deed het er eigenlijk toe, of Henriëtte Blaek ons al of niet gezien had? Haar neef had ons immers gezien en ik hield mij genoeg van zijn minzame gezindheid te mijwaart verzekerd, om tevens overtuigd te zijn, dat hij zulks niet verzwijgen zoude, althands niet aan zijn nicht. – En bovendien, welk groot belang stelde ik toch in de gedachten, die een meisje, dat ik slechts eenmaal gezien had, omtrent mij koesterde? Ik was immers niet op haar verliefd! Iemand van mijn koel en bedaard gestel, wien de Franschen zelfs den naam van: le phlegmatique Hollandais gegeven hadden, zoude zoo op een bóf verlieven! – Onmogelijk – en echter..!

Deze en dergelijke denkbeelden vlogen, als vuurkogels die zich doorkruissen en tegen elkaêr horten, mijn geest door, zoolang ik de stad Muiden doorliep, ja beletteden mij eenige aandacht te schenken aan Amelia, die zwijgend aan mijn zijde ging. Alleen had ik opgemerkt dat zij, toen het rijtuig ons voorbij snorde en ik een kleur kreeg, mij ter loops had aangekeken, en vervolgens terstond haar falie dichter over haar gelaat had neergetrokken. Zelfs meende ik mij naderhand te herinneren, dat ik haar arm op dat oogenblik tegen den mijnen had voelen trillen. – Hoe dit zij, ik sloeg, gelijk ik zeide, weinig acht op haar, en, zoo zij mijn gedachten al bezig hield, was het, om haar, op een vrij onedelmoedige wijze… voor Sint Felten te wenschen.

Zoodra wij echter buiten Muiden en weder in de roef gezeten waren, namen mijn gedachten een geheel anderen loop en vergat ik mijn eigen spijt geheel om slechts aan het leed mijner reisgenoote te denken; want, naauwelijks was de schuit van wal gestoken, of ik zag haar in tranen uitbersten.

Hoewel ik nooit heb kunnen begrijpen, hoe de dichters en romanschrijvers, van een weenende schoone sprekende, durven beweeren, dat ‘haar tranen haar schoonheid nog verhoogden,’ en hoewel ik een rooden neus en gezwollen oogen, welke daarmede doorgaands vergezeld gaan, niet onder de bevalligste verschijnsels tel, zoo kan ik toch niet ontkennen, dat de aanblik eener schreiende vrouw altijd een innig gevoel van mededogen en deelneming in mijn borst heeft opgewekt, en dat ik nimmer tranen langs haar kaken zag vloeien, zonder den wensch te voeden, dat het in mijne macht mocht zijn, die te droogen. Maar hoeveel smartelijker moest mij dus niet dit schouwspel vallen, nu ik mij geheel buiten de mogelijkheid bevond, niet alleen van de bron des leeds te stoppen, maar zelfs van een enkel gepast troostwoord toe te spreken. Ik gevoelde terstond, wat bij Amelia die diepe droefheid ontstaan deed: welke kracht die aandoeningen moesten bezitten, die in staat waren, een ziel, zoo sterk als de hare, met zulk een hevigheid te schokken.

Ik gevoelde, dat ik toch iets moest zeggen, al ware het slechts om den schijn van hartvochtigheid te vermijden. ‘In ’s Hemels naam, Mejuffrouw!’ voegde ik haar toe, terwijl ik, over haar gezeten, de handen op het tafeltje der roef smeekenderwijze samenvouwde: ‘wat ik u bidden mag, bedaar! Het is mij zoo grievend, u te zien weenen.’ –

– ‘Vergeef mij, .. o vergeef mij,.. mijn Heer Huyck..’ zeide zij al snikkende: ‘ik gevoel, dat ik mij dwaas aanstelle…. maar het zal ras weder over zijn…. Ach! misschien doet het mij goed: – ik heb in jaren niet geschreid.’ –

Ik wist hij ondervinding, dat niets weldadiger is voor hen die lijden, dan den oorsprong van hun leed te kunnen mededeelen: en met dat oogmerk waagde ik het, de volgende vraag te doen:

– ‘Maar, indien het niet onbescheiden is zulks te willen weten, wat heeft dan nu die bittere droefheid bij u kunnen verwekken?.. Is er van mijne zijde eenige aanleiding daartoe gegeven, zoo bid ik u, uit den grond mijns harten, om vergiffenis. – Maar o! laat mij toch niet in de onzekerheid. Schenk mij uw vertrouwen! bedenk, dat uw vader mij tot uw beschermer heeft uitgekozen: – laat die tijtel, waarop ik mij verhovaardige, u aansporen, mij als uw broeder te beschouwen, en mij mede te deelen, wat u thands op het hart drukt.’ –

– ‘O neen! vraag het mij niet,’ zeide zij, de oogen afwisschende en het gelaat in haar fraaien ronden arm, die op de tafel rustte, half verbergende: ‘gij zoudt mij te dwaas, te kinderachtig vinden;.. en toch!’ vervolgde zij, na een korte stilte, het hoofd weder opheffende en mij met waardigheid aanziende: ‘waarom zoude ik het verzwijgen, daar gij het wel zult geraden hebben. Ik heb met kalme onverschrokkenheid de rampen en wederwaardigheden doorgestaan, die mijn nog zoo korten levensloop gekenmerkt hebben: ik heb aan geene hartstochtelijke bewegingen toegegeven, zoo dikwerf de fortuin, het leven of de vrijheid mijns vaders en de mijne tevens in gevaar stonden; maar dat ik, die vroeger… ik schaam mij bijkans het nu te zeggen.. door honderden gediend en vereerd werd… wier geringste smaad door den dood des beledigers zoude gestraft zijn geworden.. dat ik, die tot nog toe nooit het oog voor iemand heb behoeven neder te slaan, en voor niets te bloozen heb, dat ik tot zulk een laagte gedaald ben, om te moeten ondervinden, dat een fatsoenlijk man, wanneer hij zich in mijn gezelschap bevindt en een kennis ontmoet… vergeef mij… zich schaamt, gelijk een schuldige zoude doen… dit treft mij tot in het binnenste van mijn gemoed: het is een contrast, dat geschikt ware om mij ijlhoofdig te maken!’ –

Ik bloosde op nieuw, zag voor mij en zweeg; want wat konde ik aanvoeren tegen hetgeen zij gezegd had? O! hoe nietig en laf schenen mij thands de spijt en wrevel, bij mij ontstaan, in tegenstelling met de diepe smart die haar gemoed vervulde! Hoezeer beklaagde ik haar, en welk een eerbied gevoelde ik niet voor de maagdelijke kieschheid, welke haar zulk een gewicht deed hechten aan een omstandigheid, die in het oog van anderen misschien onopgemerkt ware gebleven of althands slechts als een beuzeling beschouwd geworden.

Er ging een geruim tijdsverloop voorbij, eer ik den moed tot spreken wedervond: Amelia was intusschen weder bedaard geworden en zat aandachtig de toppen van hare (zeker buitengemeen fraaie) vingeren te bekijken: iets dat, gelijk ik den vorigen avond reeds had opgemerkt, meer haar gewoonte was, wanneer zij niet bezig was of sprak, en waar uit ik reeds had opgemaakt, dat zij geen Hollandsche opvoeding had genoten en zich op het breien of koussenstoppen niet verstond.

– ‘Ik beken u,’ zeide ik, ‘dat ik min of meer onthutst was, toen ons die koets voorbij reed en ik Mejuffrouw Blaek daarin herkende.’ –

– ‘Mejuffrouw Blaek!’ herhaalde Amelia, een door-dringenden blik op mij vestigende: ‘ik dacht zoo; – maar, ik ben u in de reden gevallen: verschoon mij: ga voort, bid ik u.’ –

– ‘Ik was dit te meer,’ vervolgde ik, eenigzins bedremmeld, ‘omdat ik haar gisteren, gelijk ik de eer had u te zeggen, heb gesproken, omdat zij een groote vriendin mijner zuster is, en dat het voor ons beiden licht onaangename gevolgen kan hebben, indien het ruchtbaar wordt dat….’ Hier bleef ik steken.

– ‘Dat gij dit alles overdacht hebt, betwijfel ik niet,’ zeide Amelia: ‘maar vergun mij optemerken, dat uw denkbeelden al zeer vlug op elkander volgen, indien zij bij u een zoo onmiddelijke ontsteltenis konden veroorzaken op het oogenblik dat de oogen dier Juffer u ontmoeteden.’ –

De juistheid dezer opmerking leverde mij een nieuw bewijs, dat het mij gemakkelijker zoude vallen, mij zelven, dan Amelia te misleiden.’ –

– ‘Mejuffrouw!’ zeide ik, een meer vrolijke wending aan ons gesprek willende geven: ‘gij verstaat u bij uitnemenheid in het ontleden der menschelijke gedachten: en ik betuig, dat ik zelf misschien niet zoo goed in staat zoude zijn te beslissen, wat er straks in mijn hart is omgegaan. Dit is zeker, dat mijn beweging onwillekeurig was, en als zoodanig ben ik daarvoor niet verantwoordelijk. Misschien heb ik een onvoorzichtigheid gedaan, door aan het verlangen van uw Heer vader te voldoen; want ik had moeten berekenen, dat men niet straffeloos de taak op zich neemt, van aan een schoone Jonkvrouw tot leidsman te verstrekken.’ –

– ‘Ik heb nog liever, mijn Heer!’ zeide Amelia, ‘dat zich de spijtige uitdrukking van zoo straks op uw gelaat vertoont, dan dat gij mij door plichtplegingen zoekt te vrede te stellen, die ik, helaas! te wel weet dat niet meer kunnen zijn dan ijdele klanken. Wat mij betreft, ik spreek ernstig: en ik verzeker u, het doet mij innig leed, dat mijn vader het noodig geoordeeld heeft, u een last op den hals te laden, welke u geene andere dan onaangename gevolgen berokkenen kan. Want, ach! zoo is het altijd gegaan. Het is de vloek, die op ons huis ligt, dat elke dienst, daaraan bewezen, het ongeluk bewerkt van hem die ze bewijst.’ –

– ‘Mejuffrouw!’ hernam ik: ‘ook ik spreek ernstig, en ik betuig u uit den grond mijns harten, dat zoo de dienst, welke ik u thands poog te bewijzen, aan de verwachting van uw vader bëantwoordt, mij die nimmer ongelukkig zal kunnen maken; want welke gevolgen die ook hebbe, ik zal het bewustzijn behouden van den plicht der dankbaarheid volbracht en naar de inspraak van mijn geweten gehandeld te hebben.

– ‘Gij zijt een braaf mensch, mijn Heer Huyck,’ zeide Amelia, mij met aandoening de hand reikende: ‘en mijn vader, door zijn vertrouwen op u te stellen, heeft mij een nieuw bewijs gegeven, met hoeveel juistheid hij bij den eersten opslag de menschen weet te beoordeelen. – Dan, laat ons thands niet meer spreken over hetgeen toch niet meer te veranderen is:

La plainte ni la peur ne changent le destin,

zegt de goede Lafontaine, wiens geestige werken u misschien niet onbekend zijn.’ –

– ‘En hij heeft gelijk ook,’ zeide ik: ‘ofschoon gij den regel, dien hij er op volgen laat, wel niet zult toestemmen; noch erkennen willen dat

le moins prévoyant est toujours le plus sage .’ –

– ‘Vergeet niet,’ hernam zij, ‘dat hij vooraf laat gaan: quand le mal est certain . Gij moet geene plaatsen uit haar verband halen, gelijk naar ik wel vernomen heb, de ketters gewoon zijn te doen, tot staving van hunne anders onbewijsbare gevoelens.’ –

Dit antwoord der bekoorlijke zwerfster bevestigde een vermoeden, hetwelk ik reeds den vorigen avond, uit sommige van haar uitdrukkingen, omtrent haar geloofsbelijdenis had opgevat: ik verlangde echter geen theologische wending aan ons gesprek te geven en ving dus aan, over andere onderwerpen te spreken: daar ik mij echter weinig meer herinner van hetgeen wij verder afhandelden en zulks ook voor mijn lezers waarschijnlijk even verveelend zoude zijn als indien ik hen dwong de reis in de trekschuit zelve te maken, zal ik slechts datgene vermelden, hetwelk Amelia mij toevoegde toen wij Amsterdam bijna bereikt hadden. –

– ‘Hier,’ zeide zij op een plechtigen toon, ‘moet onze korte kennis eindigen. – Zoodra wij uit het oog des schippers zijn, verlaten wij elkander, waarschijnlijk voor altijd. God doe u de betrekkingen die u dierbaar zijn, in welstand en vreugde ontmoeten! – Hij loone u met zijn rijksten zegen, voor hetgeen gij zoo grootmoedig ten gevalle mijns vaders hebt verricht, – en waarvan de herinnering, hoop ik, weldra geheel bij u uitgewischt moge worden.’ –

– ‘Uitgewischt!’ herhaalde ik: ‘en waarom dat? Zoo ik in den beginne al eenigen weerzin tegen den mij opgedragen last gevoelde, ik ondervind thands slechts een eenig leedwezen, namelijk van te denken dat ik u wellicht nooit wederzie.’ –

– ‘Dit leedwezen zal u niet lang bijblijven,’ hernam zij, met droefgeestigheid het hoofd schuddende: ‘en het is ook beter, dat gij onze korte ontmoeting vergeet. Gij bevindt u, door geboorte en stand, in betrekkingen, welke u niet veroorloven, u verder in te laten met ongelukkigen, zoo als wij, die door het lot genoodzaakt zijn het daglicht te schuwen en sluipwegen te bewandelen. Op ieder van ons beiden rust een verschillende plicht, dien wij naar onze beste pogingen zullen trachten te vervullen: de zoon van den Hoofdschout heeft reeds genoeg voor mij gedaan: meer te doen zoude ons niet baten, en hem misschien strafbaar maken. Ik geloof, dat gij mij verstaat, zonder dat ik een verdere verklaring aan mijn woorden behoef te geven.’ –

– ‘Ik weet niet,’ zeide ik, ‘wat de zoon van den Hoofdschout aan uw vader of u mag zeggen, en in hoeverre ik altemet, door u een goeden uitslag met zijn bedoelingen toetewenschen, mijn plicht als burger zoude te kort doen; maar niets verbiedt mij toch, de hoop te uiten, dat het u steeds wélga, en dat, na de rampen en wederwaardigheden, die u getroffen hebben, ik u eenmaal moge terug vinden, in dien maatschappelijken toestand geplaatst, waar uw geboorte, opvoeding en begaafdheden u ongetwijfeld toe bestemd hebben.’ –

Amelia dankte mij met een handdruk voor dezen wensch, en wij spraken geen woord verder, tot dat de schipper, zijn hoofd naar binnen stekende, ons het: ‘welkom te Amsterdam!’ deed hooren.

– ‘Hoe zullen wij het nu aanleggen met ons goed?’ vroeg Amelia.

– ‘Laat dat aan mij over,’ antwoordde ik, die reeds mijn plan gemaakt had: ‘en blijf stil in de roef zitten, tot ik u roep. Hei! ho!’ riep ik, naar buiten springende: ‘is daar ook een kruier?’ –

– ‘Zal ik het goed van mijn Heer niet te huis brengen?’ vroeg de schippersknecht, de muts even aflichtende.

Dit was juist wat ik wilde: ‘wanneer heb ik het dan?’ vroeg ik.

– ‘Binnen het half uur is het bij u. UEd. is immers de zoon van den Heer Hoofdschout, wel bekend?’ –

– ‘Goed!’ was mijn antwoord: ‘alleen dat stuk,’ vervolgde ik, op het koffertje van Amelia wijzende, moet ik terstond mede nemen, omdat ik er iets uit moet nemen en het dan verder op zenden.’ –

– ‘Heel wel, mijn Heer! als mijn Heer dan daarvoor maar een van die menschen wil nemen….’

– ‘Ik zag om: een aantal knapen en sjouwerlieden had zich om mij heen gedrongen. Ik koos een hunner uit, aan wien ik het koffertje overreikte – Zuster!’ riep ik toen: ‘als het u maar belieft.’ –

Amelia kwam terstond voor den dag, en wij begaven ons, naast elkander, doch niet gëarmd, en met den jongen achter ons, langs den Binnen – Amstel verder. Wij hadden het geluk van niemand van mijn kennis te ontmoeten. Aan de Amstelstraat gekomen, hield ik stil.

– ‘Wij gaan hier van elkander,’ zeide ik: ‘jongen! gij volgt de Juffrouw en brengt haar bij den Heer Bouvelt op de Buitekant bij de Peperstraat.’ –

Amelia en ik drukten elkander de hand tot afscheid: zij sloeg met den knaap de lange houten brug naar de Muiderstraat op, terwijl ik mijn weg langs den Binnen-Amstel vervolgde. Toen ik ongeveer honderd schreden verder gegaan was, wendde ik het hoofd nog eens naar haar om; maar hoe groot was mijn verwondering en tevens mijn spijt, toen ik bemerkte, dat niet langer dezelfde knaap, maar Simon de marskramer achter haar ging met het koffertje op zijn rug. Ik waande een oogenblik, dat het mij schemerde; maar ik kon geen twijfel meer voeden; het was Simon zelf, en de andere knaap liep op een drafje met het marsje van den Jood weg. Mijn maatregelen van voorzorg, naar mij dacht met zooveel overleg gekozen, waren dus verijdeld! en dat wel door de schalkschheid van een listigen marskramer, die het nu in zijn macht had, althands gedeeltelijk, achter het geheim te komen. Maar het was te laat om er iets aan te doen; en elke nieuwe bemoeienis van mijn kant zoude, in den tegenwoordigen stand der zaken, meer na- dan voordeel hebben aangebracht. Overigens wist ik bij geruchte, dat de Heer Bouvelt een geschikt man was, die de achting zijner medeburgers genoot en onder wiens bescherming Amelia zoo veilig mogelijk wezen moest: deze gedachte stelde mij weder eenigzins gerust: en het denkbeeld, dat elke schrede, die ik nu deed, mij dichter bij de mijnen bracht, nam weldra mijn geest zoodanig in, dat het alle anderen, ook dat aan mijn laatste avonturen ten eenemale verdrong.

DigitalDroom Reader

Hoofdstuk X

X / XXXIX

O! wie kan naar eisch dien stroom van gewaarwordingen beschrijven, die ons overstelpt, wanneer wij, na een lange afwezenheid, het ouderlijk huis weder naderen, en de oogenblikken tellen, die ons nog scheiden van hen, die ons dierbaar zijn. Welk een vreemde mengeling van blijdschap, van hoop, van angstvalligheid, van geluk, van vrees, komen ons gemoed vervullen! – Welk een aantal verwarde en verschillende vragen stellen zich aan onze verbeelding voor! – Zullen al de leden van het huisgezin gezond en bij elkander zijn? – Zal er geen lastig bezoek wezen van onverschillige derden, wier tegenwoordigheid die zoete stonden des wederziens belemmert en ons het warme gevoel des harten dwingt te smooren? – Heeft men wellicht juist dezen dag tot een pleiziertocht uitgekozen? of is men om een andere reden afwezig, zoodat wij bij onze te huis komst slechts ledige en verlatene kamers, en niemand vinden om aan het hart te drukken? – Leven de oude dienstboden nog, waaraan wij van kindsbeen af gewend waren, of zullen wij op ons aanschellen deze of gene onbekende neepmuts zien verschijnen, die, alleen de bovendeur openende, en met een verbaasd gelaat de ontroering bespeurende die op het onze te lezen is, ons begroet met de ijskoude vraag: ‘wat is er van je dienst, Sinjeur?’ – Zal het huisraad nog in elk vertrek dezelfde plaats bekleeden, waar het vroeger stond, en waar het, naar ons begrip, behoort te zijn gebleven? Zullen de kamers zelve dezelfde bestemming bewaard hebben? – Ach! wij herinneren ons alles, zoo als het zich bij ons vertrek bevond, en wij weten, dat elke verandering die wij vinden zullen, ook die ten goede is aangebracht, ons een gevoel van leedwezen zal doen ondervinden.

Ook in mijn geest speelden en verdrongen zich al die vragen, terwijl ik met haastige schreden mijn weg langs den Binnen – Amstel vervolgde. Nu bereikte ik de Erwtemarkt, de Doodkistemakersgracht: ik zag den Regulierstoren voor mij: deze was een herkenningspunt; want men kon hem evenzeer zien van het huis mijns vaders: – ik kwam op den Cingel: in het hoekhuis woonde nog dezelfde bakker, waar ik als knaap gewoon was drieduitskortsjens te koopen: en de bakkerin zat nog op haar oude plaats achter de toonbank: ik knikte haar goeden dag; – maar ik wachtte niet af, of zij mij herkende: ik had den gevel van mijns vaders huis gezien: en ik verdubbelde mijn tred. Eenigen onzer buren zaten voor het raam: ik groette hen met dien blijden blik, die te kennen geeft: ‘ja, ik ben het wél; kijkt maar goed: het is Ferdinand, die te huis komt:’ – ik snelde den stoep op en het was mij, of mijn voetzoolen minder luid op de blaauwe zerken klonken dan het hart mij in de borst bonsde: ik keek in de zijkamer: – ja waarlijk! daar zat mijn moeder met mijn oudste zuster, beide op de gewone plaats: – het was mij, als werden mijn oogen beneveld: en terwijl ik met de eene hand tegen het raam tikte, trok ik met de andere aan de schel als of het huis in brand stond.

Mijn goede moeder, die wat bijziende was, had mij niet herkend; en Susanna zat met den rug naar mij toe. Ik had haar wel zien oprijzen; doch zij kwam niet aan het raam dan op hetzelfde oogenblik, waarin ik de voordeur intrad. En het was geen nieuw aangezicht, het was wel degelijk onze oude getrouwe Aagt de werkmeid, die voor mij stond, en die onder den uitroep: ‘wel is het mogelijk!’ mij om den hals viel: ‘goede morgen Aagt!’ zeide ik, haar omhelzing bëantwoordende: ‘is alles wel?’ –

Maar zij dacht er niet aan om mij te antwoorden: zij had mij reeds weder losgelaten, en riep nu, terwijl de tranen langs haar dorre wangen liepen, met luider stemme: ‘Mevrouw! Juffrouw! daar is de jonge Heer Ferdinand!’ – En te gelijker tijd bijna vloog de deur der zijkamer open, en drukte ik mijn lieve moeder en zuster aan het hart: en toen was het klos! klos! klos! – trip, trap, trip van alle zijden: en kwamen mijn jonger broeders en zusters van boven en de overige dienstboden van beneden de trappen af- en opgestormd: en was het een gedruisch, en een gekusch, en een gelach en een geween, en een gevraag, en een geroep door elkaêr, dat hooren en zien er bij vergingen. Eenige oogenblikken later zat ik in de zijkamer naast mijn moeder, die mijn handen tusschen de hare hield vastgeklemd, en uit wier vriendelijke, hemelsblaauwe oogen, nu en dan een traan langs het zachte, engelachtige gelaat nedervloeide: terwijl al haar overige kinderen in een blijden kring om ons heen stonden.

– ‘Wij hadden u zoo spoedig niet verwacht, Ferdinand!’ zeide Susanna: (want moeder en ik waren bijna niet in staat een woord te spreken) ‘ik mag niet beginnen met te knorren: – maar ik dacht, dat gij in Westfalen verliefd waart geworden en met deze of gene moeffrikaansche pottedeern zoudt terugkomen, daar wij in veertien dagen geen tijding van u hadden.’ –

– ‘Hoe!’ zeide ik: ‘ik verklaar u, dat ik geen zes dagen geleden uit Munster geschreven heb: dan is de brief verloren geraakt.’ –

– ‘Licht mogelijk,’ zeide zij: ‘men gebruikt tegenwoordig, hoor ik, enkel slakken en schildpadden tot postboden: – nu, in allen gevalle zijt gij zelf ons nog welkomer dan een brief en spaart het mij de moeite, van uw hanepooten te ontcijferen.’ –

– ‘Pas op, Santje!’ hernam ik; ‘ik weet van goeder hand, dat gij mijn brieven zoo laag niet schat, en die zelfs aan uw vriendinnen lezen laat.’ –

– ‘Hoe weetje dat!’ zeide zij, een weinig rood wordende: ‘ Qui te l’a dit? Zeker heeft papa u dat geschreven.’ –

– ‘Neen! dat heeft papa mij niet geschreven; maar dat weet ik toch van zeer goeder hand: – pas maar op! ik zal u daarover onder vier oogen de les eens lezen; en dan zult gij er niet gemakkelijk afkomen.’ –

– ‘Zie toch eens mama!’ zeide Santje, terwijl mijn moeder tusschen haar tranen om ons harrewarren lagchte: ‘wat is het reizen toch een heerlijk ding, om jonge lieden te vormen. Daar verbeeldt zich Ferdinand nu, omdat hij eenige landen en steden bezocht heeft en misschien niets anders geleerd heeft dan te liegen als een courant, dat hij mijne plak ontwassen is, en durft zich een meesterachtigen toon aanmatigen tegen zijn oudste zuster. Neen mannetje!’ vervolgde zij, mij met den vinger dreigende: ‘ik zie wel dat het hoog tijd is, dat gij te huis komt en u weder eens onder subordinatie begeeft. Dat komt er van, wanneer die heertjens zoo lang hun eigen meesters geweest zijn.’ –

– ‘Kinderen!’ zeide moeder, het hoofd schuddende: ‘gij zijt waarachtig nog altijd dezelfde. Gij ziet elkander eerst sedert een paar minuten terug, en het oude geplaag is weder aan den gang.’ –

– ‘Wel! lieve moeder!’ zeide ik, haar nogmaals omhelzende: ‘ik hoop waarlijk wel dat gij mij niet veranderd vinden zult.’ –

– ‘Hoe verwaand!’ zeide Susanna: ‘net als of de jonge Heer volmaakt was, toen hij heenging. O hemel! wat zal ik daar nog aan te ontbolsteren hebben: – maar zeg mij? Wat zal mijn Heer na de reis gebruiken? Zal ik wat koffij zetten of verkiest gij een glaasje wijn? En hoe staat het met de eetlust? Is die nog zoo goed als voor vijf jaren? Dan kan ik mijn vingers weder lam maken van het boterhammen snijden; of lust u wellicht onze Hollandsche kost niet meer?’ –

– ‘Wel foei!’ zeide ik: ‘zoude mij een boterham niet smaken, met echten Delfsche boter en Beemster kaas? – En dat nog wel door mijn zuster bereid!’ –

– ‘Dat is wel gezegd, Ferdinand! En nu begin ik nog al hoop op u te voeden. Maar kom! gij vertelt ons niets: – hoe hebt gij uw reisgenoot gelaten? en waar komt gij nu het laatst van daan?’ –

– ‘Dat zijn te veel vragen op eens,’ zeide ik, het tijdstip, waarop ik met mijn leugens zoude moeten beginnen, zoolang mogelijk wenschende te verschuiven.’ –

– ‘Neen Santje!’ viel mijn moeder in, mij zonder het te weten uit de verlegenheid helpende: ‘eerst moet de goede jongen wat te eten hebben: ofschoon ik u niet raad te veel te gebruiken; want uw zuster en ik gaan naar de avondkerk en wij eten vroeg vandaag.’ –

– ‘Wel dat treft nu ook!’ zeide ik: ‘zóó ben ik te huis, en zóó laat gij beide mij weer alleen. Dat gij nu juist in de weekbeurt gaan moet? kan die kerkgang niet tot aanstaanden zondag uitgesteld worden?’ –

– ‘Had ik geweten, lieve jongen! dat gij heden thuis zoudt komen,’ antwoordde mijn moeder, ‘dan was ik liever gister avond gegaan; maar het is nu eens zoo geschikt en uw tante Letje rekent er op, dat wij haar komen afhalen. Gij zult misschien wel met ons mede willen gaan, niet waar? want het zal u ook aangenaam zijn, weder in een Hollandsche kerk te komen en den goeden God voor uw behoudene terugkomst te danken.’ –

– ‘Waarlijk ja, Ferdinandje!’ zeide Susanna: ‘dat moogt gij wel doen; want ik vrees dat gij wel een vroome toespraak noodig zult hebben, en dat het hoognoodig zal zijn, dat gij den cathechismus weder eens opvat; gij hebt mooi tijd gehad om dien te verleeren.’ –

– ‘Wees maar gerust,’ hernam ik: ‘wij zullen morgen eens zien, wie van ons beiden het best zijn vraagboekje in ’t geheugen heeft.’ –

Gedurende het laatste gedeelte van dit gesprek, hadden mijn moeder en Susanna eenig ontbijt uit de kast gekregen en mij voorgezet. Terwijl ik bezig was, daarvan te nuttigen, met dien smaak, welken men na een lange afwezigheid ook aan de eenvoudigste vaderlandsche spijze vindt, en intusschen de menigvuldige vragen bëantwoordde, mij door het jongere deel der familie gedaan, kwam mijn bagaadje te huis: en nu stoven allen, meisjens zoo wel als knapen, naar het voorhuis om de dienstboden te helpen in het naar boven sleepen mijner koffers. Ik wilde mij insgelijks daarmede bemoeien; doch Susanna weerhield mij.

– ‘Wees maar bedaard,’ zeide zij: gij zijt vandaag de held van ’t stuk en moogt geen hand uitsteken. Wij zullen wel oppassen, dat alles voorzichtig de trappen opga, zonder dat er iets breke van al de kostbare kristalwerken en fraaie porceleinen, die gij ons ten geschenke medebrengt, en zonder dat de keurige stoffaadje beschadigd worde, welke gij mij vereeren wilt om een danskleed van te maken…. Tusschen twee haakjens, ik hoop, dat gij nog eenige nieuwe rokken en vesten voor u zelven hebt liggen in een van die koffers; want zoo dat smeerige pakje, ’t geen gij nu aanhebt, uw eenige gewaad is, mogen wij wel terstond naar den kleeremaker sturen en u, zoolang hij bezig is, achter slot houden; want een vreemde zou schrikken, zoo hij u zag.’ –

Ik begon te lagchen en keek op de huisklok; want het moest, dacht mij, haast de tijd wezen, dat mijn vader te huis kwam; en ik brandde van verlangen om hem te omhelzen. Men begrijpt, dat ik terstond bij mijn komst naar hem gevraagd had. Het antwoord was geweest, dat hij zich welvarend, en, als naar gewoonte, op het stadhuis bevond.

Het leed ook niet lang, of ik zag den waardigen man den stoep opkomen en aanschellen. ‘Wacht!’ riep Susanna: ‘blijf gij hier! wij moeten even een grap hebben met vader,’ en zij snelde naar de voordeur, die zij opende.

– ‘Goeden dag Santje,’ hoorde ik mijn vader zeggen.

– ‘Goeden dag papa! Wat ziet UEd. er bedrukt uit. Is er iets gebeurd?’ –

– ‘Neen, kind!’ was het antwoord: ‘maar zeg mij, is er nog geen brief van Ferdinand?’ –

– ‘Neen, papa! die loopt zeker in Twente de ganzen na om een pen te krijgen.’ –

– ‘’t Is onbegrijpelijk,’ hernam mijn vader, terwijl hij, gelijk Susanna mij naderhand vertelde, bedenkelijk het hoofd schudde en met een angstigen blik opwaarts zag.

– ‘Maar kom toch hier, lieve Willem!’ riep mijn moeder, die het niet langer uit kon houden: ‘hier is veel beter dan een brief.’ –

– ‘Vader! beste vader!’ riep ik, den braven man tegensnellende en hem omarmende.

– ‘Zoo! zijt gij er dan toch?’ zeide hij, mij met hartelijkheid aan zijn borst drukkende: ‘laat mij u eens aanzien,’ vervolgde hij, mij zachtjens van zich verwijderende en aandachtig met zijn doordringende blikken beschouwende: ‘gij ziet er wat verhit en vermoeid van de reis uit,’ hervatte hij, na een korte stilte, op een langzamen toon: ‘maar anders voldoet mij uw uitzicht wél en gij brengt mij terug hetgeen gij bij uw vertrek bezat: mentem sanam in corpore sano . Gij hebt ons zeker willen verrassen en ons daarom niet geschreven, wanneer gij te huis dacht te zijn. Maar gij hadt waarschijnlijk vergeten dat uw vader Hoofdschout was, en dat ik op mijn avondrapport van gisteren de tigding hebben zoude, dat men u dien ochtend te Zoest gezien had. Ik had u gisteren avond reeds verwacht.’ –

– ‘Waart gij daarom gisteren avond en heden aan het ontbijt zoo stil en afgetrokken?’ vroeg mijn moeder: ‘en waarom hier niets van gezegd?’ –

– ‘Ik wilde geen van u allen ongerust maken,’ antwoordde mijn vader: ‘maar zoo ik Ferdinand thands niet gevonden had, zoude ik onmiddelijk een koerier naar Naarden gezonden hebben; want dan had ik gedacht, dat er een ongeluk had plaats gehad. – Gij hebt ongetwijfeld te Naarden gelogeerd, Ferdinand?’ –

Ik zat op heete kolen; want ik begreep, dat nu de ondervragingen zouden beginnen, en ik begon de moeilijkheid al te gevoelen van een verhoor, afgenomen door een vader, dien men niet misleiden wil, en een Hoofdschout, dien men niet licht misleiden kan. De woorden, die mijn vader tot mijn moeder gericht had, hadden mij ondertusschen den tijd gegeven om mij te herstellen: mijn antwoord luidde eenigzins ontwijkend:

– ‘Ik ben door het slechte weer verhinderd geweest hier gisteren reeds te zijn, lieve vader! Het heeft hard geregend aan gene zijde van Naarden. Hebt gij hier geen bui gehad? – Ik heb onderweg moeten schuilen en ben nu met de eerste schuit van Naarden gekomen.’ –

Er was niets anders dan volkomen waarheid in hetgeen ik zeide, en toch kromp mij het hart, als of ik een samenweefsel van logens verteld had. Mijn vader nam echter volkomen genoegen met deze opheldering:

– ‘’t Is juist zoo als ik dacht,’ zeide hij: ‘ja, wij hebben hier ook wel wat regen gehad; maar toch niet zoo erg: – dan, naar ik hoor, moet de bui in Gooiland veel schade hebben gedaan: – nu, gij zult ons van dezen middag alles wel wat meer omstandig verhalen.’ –

– ‘Ja!’ voegde mijn goede moeder er bij: ‘gij zult nu ook wel verlangen u wat op te frisschen. Kom! wil ik u eens naar uw kamer brengen?’ –

– ‘Wil ik hem den weg niet wijzen, mama?’ vroeg Susanna: ‘ik zal hem op geen doolpad brengen,’ – ‘Of ik! -of ik!’ riepen Letje en Keetje.

– ‘Neen! neen!’ zeide moeder, het hoofd schuddende: ‘gij ijdeltuiten kunt naar uw kamers gaan en u kleeden om bij tijds klaar te zijn voor het eten. Ik zal mijn jongen te recht helpen: ’t is lang geleden, dat hij niet door moeder is naar boven gebracht, niet waar, Ferdinand!’ –

Ik voelde, dat mijn oogen vochtig werden; en, de lieve vrouw onder den arm nemende, ging ik met haar de trappen op.

– ‘Hoe mama!’ vroeg ik, toen zij mij binnen leidde in een ruim en luchtig vertrek, dat te voren tot logeerkamer had gediend voor zoodanige bekenden van buiten, als ons nu en dan bezochten: ‘is deze fraaie kamer voor mij alleen?’ –

– ‘Ja Ferdinand!’ zeide zij, terwijl haar trekken het genoegen aantoonden, dat haar mijne vreugde over deze schikking verschafte: ‘mij dacht, gij waart nu oud genoeg om een kamer voor u zelven te hebben, waar gij onverhinderd kunt werken, en nu en dan dezen of genen ontfangen. – Maar mij dunkt, de meiden hadden, nu gij eens hier zijt, de ramen wel kunnen sluiten.’ – Dit zeggende, maakte de zorgvuldige moeder die zelve toe, keek vervolgens het beddegoed na, de waschtafel en het linnenkabinet, om te zien of er ook iets ontbrak, en wreef met haar zakdoek de bijna onzichtbare stofdeeltjens weg, die zich op het spiegelglas of op de gladde tafel bevonden.

– ‘Waarlijk, mama!’ zeide ik, diep getroffen over de blijken van haar zorgvolle liefde: ‘al de vrienden die mij bezoeken zullen mij deze kamer benijden, en vooral de lieve moeder, die ze voor mij in orde bracht.’ –

– ‘Ik ben blijde, dat zij u gevalt,’ zeide mijn moeder: ‘maar zeg mij eens, Ferdinand!’ vervolgde zij, mij naderende, en met mijn lokken spelende: ‘hebt gij, toen gij op reis waart, wel eens gedacht aan de laatste belofte, die gij mij deedt op den avond voor uw vertrek. – Hebt gij nimmer iets volbracht, dat gij u schamen zoudt, mij te vertellen?’ –

– ‘O! geloof mij,’ antwoordde ik, haar omhelzende: ‘altijd is mij de gedachte voor den geest gebleven: ik mag een zoo goede moeder als de mijne is niet bedroeven.’ –

– ‘Beste jongen!’ hernam zij: ‘het besef der vreugde, die gij mij thands doet smaken, moet u zoeter genot schenken dan eene van die genietingen, die gij om mijnentwille hebt opgeofferd, u had kunnen aanbieden. O! wat zal het mij zalig zijn, heden avond mijn Schepper te danken, dat hij u weder gebracht heeft, zoo rein en zoo goed als toen gij mij verliet.’ –

En wederom rustten hare blikken, die niets dan liefde en teederheid ademden, op mij en speelde er een hemelsche glimlach tusschen de tranen die haar ontrolden. Een geruimen tijd bleven wij beide in stilte en zonder te spreken, de zaligheid genieten, die onze harten doorstroomde. O! dacht ik bij mij zelven, had die goede moeder gisteren kunnen weten, welk gevaar zij geloopen heeft, dien zoon, dien zij zoo lief heeft, te verliezen, haar moederhart had die angsten niet doorgestaan!

Het schijnt den mensch ingeschapen, zich, zoodra de eerste opwelling voorbij is, ook voor de beminnelijkste zwakheden te schamen. Mijn moeder liet mijn hand los, en veegde de oogen af.

– ‘Kom!’ zeide zij: wij zijn kinderachtig: – maar zeg mij, Ferdinand, is al die bagaadje van u? En zijn al deze koffers vol? dat goed zal weder gepakt zijn, gelijk de Heeren dat gewoonlijk doen, alles door en op elkander gesmeten, zonder te passen of te schikken. Ik wed, dat ik wel kans zoude gevonden hebben, met de helft dier koffers toe te komen.’ –

– ‘Wel mama! nu maakt gij het al te grof,’ zeide ik: ‘denkt gij dat ik gedurende mijn reizen geen pakken geleerd heb? Neen voorwaar! die beschuldiging is onverdiend. Maar ik heb onderweg mijn bagaadje niet weinig zien vermeerderen: en wanneer men bedenkt, dat ik geen klein getal broeders en zusters heb, die allen een geschenk verwachtende waren, zal het u niet verwonderen, dat ik mij in de noodzakelijkheid heb bevonden, de middelen van vervoer eenigzins te vermeerderen.’ –

– ‘Nu, wij zullen eens zien, wat het geeft,’ zeide mijn moeder: ‘ik zal u niet langer ophouden: kleed u maar aan: en zoo gij iets noodig hebt, moet gij maar schellen.’ –

Met deze woorden verliet mij de goede vrouw en bleef ik alleen in het bezit van mijn prachtig vertrek. Ik kon echter niet terstond voldoen aan haar laatste verzoek: mijn gemoed was vol: ik zonk half in een leunstoel neder en stortte mijn ziel uit in vurige dankgebeden tot Hem, die mij den zegen had doen smaken, van vereenigd te worden met al die panden, welke mij zoo dierbaar waren. Na het volbrengen dezer behoefte van mijn hart, rees ik op, haastte mij, al wat ik aan ’t lijf had afteleggen en met een gevoel van walging in een hoek te smijten, en schoone kleederen en linnegoed uit mijn koffer te krijgen: ja een gevoel van verkwikking en wellust vervulde mij; toen ik, nu van top tot teen in een nieuwen dosch gestoken, mij met welgevallen in den spiegel beschouwde. Er ontbrak nog wel is waar een paruik om mijn toilet te volmaken; maar dewijl het weldra etenstijd zoude wezen, en, ook al ware de kapper bij de hand geweest, de plechtigheid van het hairsnijden en het passen van een nieuw hoofdtooisel te lang zoude hebben aangehouden, begreep ik die gevoegelijk tot den volgenden morgen te kunnen uitstellen. Ik haastte mij naar beneden en zat weldra met de mijnen op mijn oude plaats, tusschen moeder en Santje, aan het middagmaal: waar ik van vragen bestormd werd door het jongere deel van het huisgezin, zoodat mijn vader meer dan eens stilte moest gebieden en mijn moeder de kinderen beknorren en hen verzoeken, mij toch te laten uitblazen en in vrede mijn eten nuttigen.

Daar mijn moeder en zuster, gelijk ik reeds gezegd heb, voornemens waren naar de kerk te gaan, liep het middagmaal nog al haastig af: ’t geen mij niet speet; want ik was weinig tot praten gestemd en begon de gevolgen der vermoeienissen van den vorigen dag te ondervinden, en wel op een zoo blijkbare wijze, dat ik dienaangaande het verwijt van mijn zuster Susanna moest ondergaan.

– ‘Wat maakt het reizen de jonge lieden toch wellevend,’ zeide zij: ‘is het te Weenen of te Genua dat gij zoo hebt leeren gapen? – Ik dacht zoo meteen, dat de geheele soepterrine er aan moest gelooven. Gij kunt u gerust bij den drogist op het Rokin verhuren, indien hij zijn gaper verliest. Dominé Best krijgt een beroerte op ’t lijf als hij u ziet.’ –

– ‘Ik geloof, dat ik hem niet in de gelegenheid zal stellen,’ zeide ik: ‘ik ga niet naar de kerk om te slapen; en ik ben overtuigd, dat mij heden avond de Apostel Paulus zelf niet wakker zoude houden.’ –

– ‘Neen waarlijk, gij ziet bleek van de vaak,’ zeide mijn moeder, eenigzins ongerust: ‘vindt gij ook niet, schat!’ (zich tot mijn vader wendende) ‘dat Ferdinand er, sedert hij aan tafel is gekomen, niet best uitziet.’ –

– Dat is zeer natuurlijk,’ zeide Susanna: ‘straks was zijn gezicht beter dan zijn gewaad, en nu is het omgekeerd.’ –

– ‘Ik geloof ook,’ zeide mijn vader, ‘dat hij maar wijzer zal handelen met te huis te blijven, en wat rust te nemen. Hij zal vermoeid zijn, en daar is niets vreemd in:

Multa tulit fecitque puer, sudavit et alsit .

Ware ik in zijne plaats, ik ging een paar uren te bed liggen; of anders kan hij in mijne kamer in den grooten armstoel wat gaan dutten, ten zij hij liever verkieze, wat met mij te praten.’ –

– ‘Ziedaar een alternatief, dat ik gaarne aanneem,’ zeide ik: ‘ik beken, dat ik heden maar een half mensch ben en zelf buiten staat, mij met fatsoen uit een schermutseling met Santje te redden.’ –

– ‘Dan zal ik ook maar geen kruid en lood op u verschieten,’ zeide Susanna: ‘want er steekt geen eer in de overwinning, wanneer de vijand zich niet verweert:

A vaincre sans péril, on triomphe sans gloire .’ –

– ‘Zeer goed,’ zeide ik: ‘zoo gij slechts niet vergt, dat ik u voor deze edelmoedigheid bedanke; want gij weet zoo goed als ik, dat de tijd om mij te plagen u toch ontbreken zoude, daar het rijtuig binnen een paar minuten voor de deur zal staan.’ –

Ik bedroog mij niet; want naauwlijks had ik uitgesproken, toen er gescheld werd en men het rijtuig kwam aankondigen. De beide dames vertrokken: het jongere gedeelte van het gezelschap ging uit elkander, en ik trok met mijn vader naar zijn kamer. Wij spraken een wijl over onverschillige zaken; maar ziende, dat ik vruchtelooze pogingen deed om de aanvechtingen van den slaap te bestrijden, gaf hij mij op nieuw den raad daaraan geen langer weerstand te bieden. Ik begreep dat zulks ook het wijste zoude zijn, en plaatste mij zoo gemakkelijk mogelijk in den grooten armstoel, dien ik in den donkersten hoek van het vertrek had geschoven. Mijn vader ging bij het raam zitten en eenige schrifturen nazien: en het leed niet lang of ik lag in een gerusten slaap gedompeld.

DigitalDroom Reader

Hoofdstuk XI

XI / XXXIX

Ik had ongeveer een half uur in dezen aangenamen, zorgeloozen toestand doorgebracht, toen ik half wakker gemaakt werd door drie kleine slagen, op een bijzondere wijze tegen eene der deuren gegeven.

– ‘Daar wordt geklopt,’ zeide ik, de armen uitrekkende, en willende opstaan.

– ‘Hou uw gemak,’ zeide mijn vader: ‘het is niemand anders als Heynsz, die mij zijn rapport komt doen. Slaap maar door,’ vervolgde hij lagchende: ‘dan geraakt gij niet in de verzoeking van de geheimen der Justitie te verklappen.’ –

Dit gezegd hebbende stond hij op, haalde een bos met sleutels uit zijn zak, opende daarmede een deur, welke zich in den hoek van het vertrek bevond, en liet de zoo even genoemde persoon binnenkomen. Daar deze geen geringen rol gespeeld heeft in de avonturen, welke ik nog te verhalen heb, zal men het mij niet kwalijk afnemen, dat ik, tot recht verstand van het volgende, eenige meer omstandige beschrijving van den man ter neder stelle.

Het is mij onbewust, of Zacharias Heynsz een afstammeling was van zijn naamgenoot, den dichter, wiens voortbrengselen onze vaderen een tijd lang bewonderden, maar die, sedert Vondel en Hooft hunne onsterfelijke werken uitgaven, al spoedig vergeten werd, schoon hij nog lang bij den Duitschen nabuur als een voorbeeld ter navolging werd aangemerkt. Zeker is het, dat de Zacharias Heynsz, dien ik gekend heb, niet misdeeld was van die begaafdheden, welke, zoo hij tot een andere loopbaan ware bestemd geweest, hem een meerdere vermaardheid zou hebben gegeven dan hem nu ten deel viel. Intusschen, uit hetgeen mij bij onderscheidene gelegenheden van hem ter oore kwam, ware stoffe genoeg te vergaêren geweest, om een levensloop te beschrijven, die om het avontuurlijke zeer lezenswaardig had kunnen gëacht worden, ja met den Gil Blas of Guzman d’ Alfarache wedijveren, indien zich slechts een even bekwame pen als die van Le Sage tot de samenstelling daar van had aangeboden. Wat mij betreft, die verre van het denkbeeld ben verwijderd zulk een schrijver zelfs op eenigen afstand te willen nastreven, ik zal mij vergenoegen met een korte opgave van het merkwaardigste, dat deze persoon, tot op den tijd dat ik hem in mijns vaders vertrek terugzag, was overkomen.

De vader van onzen Heynsz, indien hij dan al van den ouden dichter afstamde, was van de voorouderlijke deftigheid ontaart, als vervullende hij geene hoogere betrekking dan die van lakei bij een onzer aanzienelijkste Regenten, wien hij, bij gelegenheid dat deze als afgezant het Fransche hof bezocht, naar Parijs volgde. Aldaar wisten zijn breede schouderen, zijn kloeke gedaante en blozende wangen, aan welke begaafdheden de fraai gegalonneerde rok voorzeker niet weinig luister bijzette, het hart te winnen der dienstmaagd uit de herberg, waarin de gezant zijn intrek had, en welke aannam onzen borst Fransch te leeren spreken. Of haar leerling goede vorderingen onder haar opzicht maakte, weet ik niet: zooveel is zeker, dat hij, als een tweede Alcibiades, het zooverre bracht in de minnekunst, dat zijn meesteres na verloop van een paar jaren als zijn echte vrouw met hem in Holland terugkeerde. Het was een wakkere tas, die vrouw Heynsz, en zij had voor haar huwelijk al vrij wat rond gezworven: ja men beweerde, dat zij, even als de moeder van Campo Weyerman, in oorlogsvuur ontstoken, het schortekleed voor het musket verwisseld, ja den veldslag van Senef en de verovering van Namen had bijgewoond. Zelfs wilden kwade tongen wel verhalen, dat zij tot Sergeant bevorderd zoude geweest zijn, indien niet de Luitenant, verwonderd over de omstandigheid, dat haar figuur op een wijze uit begon te puilen, welke hem bij het behoorlijk aligneren zijner Compagnie eenigzins hinderlijk voorkwam, de zaak nader onderzocht en het geheim ontdekt had. Wat er van zij, de vader van onzen Zacharias had geene reden zich over zijn echtverbindtenis te beklagen. De ondersteuning van zijn vermogenden beschermer had hem in slaat gesteld een herberg te Amsterdam te aanvaarden, voornamelijk ingericht voor de landgenooten zijner huisvrouw, die het talent had, hun de uien en magere soep, waaraan zij in het moederland gewoon waren, bijna even goed, althands op dezelfde wijze toebereid, te doen terug vinden. Zacharias, de eenige spruit waarmede hun echt gezegend werd, had dus al vroeg gelegenheid om met menschen van allerlei slach te leeren omgaan, ’t geen hem later, gelijk men zien zal, niet weinig te stade kwam. Te dier tijd echter maakte hij daarvan geenszins het behoorlijke gebruik en was zijn ouders tot weinig dienst, daar hij zich meer met lanterfanten en slenteren langs de straten geneerde, dan met het verrichten der boodschappen of bezigheden, welke hem werden opgedragen. Daarenboven gevoelde onze Heynsz een onweerstaanbare neiging voor de teekenkunst, welke slechts eenige meerdere opleiding en beschaving zoude hebben noodig gehad om hem in dat vak tot geene geringe hoogte op te voeren. Zijn ouders echter waren alles behalve in hun schik met deze begaafdheid van hun zoon: en hunne ontevredenheid had niet weinig kracht verkregen, toen zij van meer dan een reiziger klachten bekwamen, dat de onberschaamde knaap zich verstout had, afbeeldingen van hun persoon, welke hen op een belagchelijke wijze voorstelden, op hunne kamerdeur te plakken. Hierover ernstig bestraft zijnde, beloofde hij wel beterschap; maar de liefhebberij was te diep bij hem ingeworteld, dan dat hij die geheel zoude hebben laten varen. Intusschen verwierf hem deze de gunst van een Franschen schilder, die, bij zijn ouders zijn intrek genomen hebbende, zoo getroffen werd door de beschouwing van sommige voortbrengselen van des jongelings kunstvermogen, dat hij aan de ouders den voorslag deed, hem met zich te nemen, en in de geheimen der kunst in te wijden, ter wedervergelding waarvan Zacharias hem eenige dienst op reis zoude bewijzen. Dit werd met gretigheid toegestaan: en de ouders, nu geheel van inzicht veranderd, zagen reeds in ’t vooruitzicht hun zoon, gelijk een tweeden Rubbens, met goud en ridderkruissen behangen, tot hen terugkeeren. Dan helaas! hoe ijdel was deze hoop! – De kennismaking met den Heer de Vieux, (zoo heette de Franschman) moest den armen knaap, in stede van roem en voordeel, louter schande en tegenspoed aanbrengen. In den beginne ging alles goed: en meester en leerling, beiden wenschten elkander met hunne onderlinge betrekking geluk; – maar eensklaps vervielen voor Zacharias alle uitzichten voor de toekomst; daar zijn meester, zich met hem in Zwitserland bevindende, vanwaar zij voornemens waren naar Italië te trekken, in een herberg werd vermoord, na van al hetgeen hij aan goud en kostbaarheden bij zich had, beroofd te zijn geworden. Dewijl de misdadigers onbekend waren, vielen de vermoedens natuurlijk op Zacharias, die zich in de gevangenis zag werpen, zonder steun, zonder iemand, die hem kende of voor hem in de bres wilde springen. Hij raakte wel is waar, na een detentie, welke bijna een jaar duurde, wegens mangel van bewijzen op vrije voeten; maar werd nu ook, zoo kaal als de verloren zoon, in een vreemd land, en waar niemand zich zijner aantrok, op straat gezet. Hij besloot, al bedelende naar Parijs te gaan en aldaar te beproeven of hij de familie zijner moeder vinden en door deze in staat gesteld zoude kunnen worden, de terugreize naar Amsterdam op eene meer behoorlijke wijze voort te zetten. Verscheidene malen gebeurde het hem, als vagebond te worden vastgezet, en de reis van Genève naar Lyon werd door hem niet in eenige dagen, maar in maanden volbracht; daar hij tot drie keeren toe weder over de grenzen teruggebracht werd. Eindelijk Lyon bereikt hebbende, deed hem een zonderling toeval met den beruchten Cartouche in kennis komen: een ontmoeting, welke hij later veelal behagen schepte te verhalen en waarvan de uitslag was, dat hij van dien Kapitein der gaauwdieven een beurs met louis d’or bekwam. Dit maakte de uitvoering van het plan, dat onze reiziger gemaakt had, merkelijk lichter: Te Parijs trof hij den broeder zijner moeder in redelijke omstandigheden aan, en werd door hem wél ontfangen. Dan, in stede van naar Amsterdam terug te keeren, keurde hij beter, zich eerst nog te Parijs in de schilderkunst te blijven oefenen, en ondertusschen de kost te verdienen met het maken van portretten, waarin hij, althands wat de gelijkenis betrof, zeer wel slaagde. – Dan het was hem voorbeschikt, dat de kunst hem altijd, in de plaats van eer en goud, elende en schande berokkenen moest. Eens het afbeeldsel van een Edelman uit de provincie hebbende vervaardigd, stak hij in deszelfs bijzijn de daarvoor ontfangene belooning in de beurs, die hij van Cartouche bekomen had, en welke hij om haar fraaiheid gewoon was bij zich te dragen. De Heer zeide niets; maar den volgenden dag werd Heynsz voor het gerecht geroepen en hem gevraagd, waar hij die beurs van daan had, welke, gelijk van achteren bleek, te Lyon aan gezegden Edelman ontstolen was. Onze schilder, niet durvende bekennen dat hij die van Cartouche ontfangen had, verklaarde stout weg, dat hij die van een reizenden marskramer gekocht had. Men deed onderzoek, en, ongelukkig voor hem, bevond men, dat hij zich, juist tijdens den diefstal, nabij Lyon en wel in zeer bekrompene omstandigheden bevonden had; terwijl hij later op eens in een deftig gewaad was verder gereisd. De aanklacht wegens den moord van De Vieux werd mede ter sprake gebracht en was althands niet geschikt de gemoederen des Rechters voor hem in te nemen. Kortom hij werd tot de galeien verwezen en bracht aldaar een tiental jaren door. Zijn gedrag was echter zoo gunstig onderscheiden van dat der overige boeven, dat hij er die verzachting in zijn lot genoot, welke met de reglementen der dienst strookende waren, en zelfs eenigzins met het opzicht over de anderen werd belast. Eindelijk kwam toevallig zijn onschuld uit aan de beide wanbedrijven, welke hem ten laste waren gelegd geweest. Hij werd ontslagen, en, Frankrijk nu vaarwel zeggende, trok hij, met het weinige geld dat hij van zijn familie te Parijs bekwam, en met een pas van den gezant van Hunne Hoog Mogenden, naar zijn vaderland terug. Te Amsterdam gekomen, vond hij zijn ouders overleden en de herberg in andere handen. Hij zette zich hierop in ’s Hage neder en vatte het schildersberoep weder bij de hand. – Maar de jaren van studie en genie waren intusschen jammerlijk vervlogen, en schoon hij nog altijd gelukkig in het treffen der gelijkenis was, zijn afbeeldingen misten die kracht van uitdrukking en die levendigheid van coloriet, welke den meester kenmerken, en zijn hulp werd dus niet ingeroepen dan door lieden van een minderen stand, uitgelokt door den matigen prijs, dien zij voor zijn voortbrengselen betaalden.

Terwijl hij aldus zich op een sobere wijs geneerde, werd hij voor de derde reize beschuldigd van een misdaad welke hij niet gepleegd had. Hij had namelijk de vrouw van een juwelier ten haren huize geportretteerd in een kamer, waarin zich verscheidene voorwerpen van hooge waarde bevonden. Kort na zijn vertrek werd er een prachtige garnituur gemist, en bij gedane nasporing bleek het, dat een man, die naar de beschrijving vrijwel op Heynsz geleek, gemelde juwelen verpand had. Hij werd op nieuw verhoord en gevangen gezet; deze laatste gevangenis was echter de kortste. Hij had in den kerker het vertrouwen gewonnen eener aldaar met hem opgesloten dievenbende, door hunne afbeeldingen welgelijkend met kool op den wand te schetsen. Deze schelmen maakten hem deelgenoot van een plan ter ontkoming, dat vernuftig uitgedacht was en zeker zoude gelukt zijn, indien hij, voorziende dat zulks hem geen ondienst zoude doen, het geheim niet aan de Justitie verklapt had. Tevens was het hem gelukt, door listige vragen, bij zijn medegevangenen uit te vorschen, wie den diefstal bij den juwelier had begaan; en het was hem gebleken, dat het de zoon des huizes zelf was, die zijn vader bestolen had. Zijn dubbele ontdekking had ten gevolge, dat hij niet alleen werd vrijgesteld, maar zelfs een beloning ontfing.

Dan hierbij bleef het niet. De geschiedenis van onzen Heynsz trok de aandacht van den toenmaligen Hoofdschout van Amsterdam, mijns vaders voorganger, die zich te dier tijd toevallig in ’s Hage bevond. Hij deed onderzoek naar den schilder, en, na een met hem gehouden gesprek, oordeelde hij, dat deze de geschiktste persoon was, om te Amsterdam een bediening te vervullen, welke kort te voren was opengevallen.

Bekend is het, dat de Hoofdschout alhier in deze betrekking door vijf Onderschouten en door twee Klerken wordt geassisteerd, die van stadswege aangesteld worden en als stedelijke ambtenaren op de betaalsrollen verschijnen. Maar minder algemeen bekend en toch onontbeerlijk zijn de geheime agenten, welke het Hoofd der Justitie hunne diensten verleenen. Ontelbaar zijn de draden, waarmede het beleid van dien magistraat als met een kunstig geweven spinneweb niet alleen het geheele land overspant, maar welke, ook naar buiten verlengd, met al de voorname steden van Europa in betrekking staan. Het heir van spionnen en verklikkers, dat zich in die uitgebreide sfeer beweegt en tot welks bezoldiging de Hoofdschout jaarlijks aanzienlijke sommen ontfangt, kan echter uit den aart der zaak niet met hem noch zelfs met de ondergeschikte ambtenaren in onmiddellijke aanraking komen. Die onder hen, welke van een zoogenaamden fatsoenlijken stand zijn, zouden geen nut meer kunnen doen, zoodra het publiek kennis droeg dat zij met de Justitie in betrekking stonden; terwijl andere verklikkers van een minderen rang onderling onbekend blijven, en soms elkander moeten gadeslaan. Ten einde de zaken dus een behoorlijken gang zouden gaan is er een tusschenpersoon noodig, die, niet als ambtenaar bekend, zich belast met het overbrengen van des Hoofdschouts bevelen aan de geheime handlangers der Justitie, en hunne berichten wederkeerig ter zijner kennisse brengt: een trechter waar alles door heen gaat, of liever een totebel, die uit het slijk en modder, waarin hij wordt nedergelaten, alleen datgene ophaalt, wat den meester van dienst is. Zoodanig een man wordt, of werd althands in dien tijd, uit de geheime fondsen betaald; hij had het oppertoezicht over de geheime agenten, knoopte de noodige betrekkingen aan bij de collegiën der Admiraliteiten, bij de Bank, bij de lands- en stads inrichtingen, in de koffijhuizen, enz. wierf de geschikste voorwerpen aan of stelde de zoodanigen af, die hem geen genoegzaam vertrouwen inboezemden. Niet met de Onderschouten, maar onmiddellijk met den Hoofdschout stond hij in betrekking en kwam bij dezen tweemalen daags zyn rapport doen 5) . Deze bediening open gevallen zijnde, sloeg de Hoofdschout, gelijk ik gezegd heb, de oogen op Heynsz om die te vervullen. Hij oordeelde niet ten onrechte, dat iemand, die zoovele jaren van zijn leven in gezelschap van boeven en schelmen had doorgebracht, al de loopjens moest kennen, welke zij te baat nemen (en hiervan had Heynsz reeds een bewijs gegeven door de schrandere wijze waarop hij, op de Gevangenpoort zittende, den dief der juwelen had opgespoord): dat wijders Heynsz dit voor zich had, dat hij te vertrouwen was, en niet besmet door het gezelschap, waarmede hij zoo lang verkeerd had: en eindelijk, dat hij verscheidene talen sprak en een beroep dreef, hetwelk hij oogenschijnelijk kon blijven uitoefenen en ’t geen hem overal den toegang bezorgde. Het akkoord was spoedig gemaakt; want, behalve dat de bezoldiging niet gering was, gevoelde Heynsz in zich juist die hoedanigheden leven, welke hem voor het aangeboden vak geschikt maakten. Hij verhuisde dan ook naar Amsterdam en was sedert, tot zijn dood toe, de getrouwe rechterhand der Justitie. Voor de waereld, die van deze schikking onkundig was, bleef hij de schilder van beroep, en voegde bij de winstjens, welke zijn portretten hem bezorgden, nog deze, dat hij gestoffeerde kamers ten zijnen huize verhuurde: ’t welk hem dikwijls in de gelegenheid stelde, verdachte personen op een gemakkelijke wijze in ’t oog te houden, hun bedoelingen te leeren kennen, en wanneer het noodig was, hen over te leveren.

Het huis mijns vaders stond, gelijk men reeds vernomen heeft, op den Cingel, en had van achteren gemeenschap met een gang, in de …straat uitkomende. Door dezen gang sloop Heynsz tweemalen daags ongemerkt binnen en kwam (gelijk ook thands geschiedde) aan het kabinet mijns vaders tikken.

Op den tijd, dat ik hem terug zag, kan hij ongeveer zestig jaren oud zijn geweest; maar, niettegenstaande zijn jaren en de veelvuldige wederwaardigheden, die hij had doorgestaan, was hij nog wakker en vlug: en men had hem slechts aan te zien om te oordeelen, dat hij een dier lieden was, welke men, om zoo te spreken, met stokken moet doodslaan. Van postuur was hij klein en schraal, altijd zindelijk, ofschoon naar zijn stand en eenvoudig, gekleed. Zijn gelaatstrekken hadden niets buitengemeens; maar zijn kleine graauwe oogen, die immerdoor in beweging waren, duidden aan, dat het hem niet aan vlugheid en scherpzinnigheid ontbrak. Niettegenstaande de post, door hem bekleed, in de oogen van velen verachtelijk zoude schijnen, genoot hij in zekere mate de achting mijns vaders: een voorrecht, dat over het algemeen niet zoo licht te verkrijgen was. Want, behalve dat mijn vader hem wegens zijn bekwaamheid en trouwe diensten waardeerde, even als een jager zijn besten drijfbrak of staanden hond op prijs stelt, zoo was er in de daad niets op den man te zeggen, en vereerde hij, wel aangemerkt, een bediening, welke te voren doorgaans vervuld was geworden door voormalige dieven, verheelers van gestolen goed, of andere ter kwader faam staande personen: naar de oude leer, dat men met dieven dieven vangen moet. De gunst, waarin Heynsz wist dat hij bij mijn vader stond, deed hem dan ook wel eens zich in zijne tegenwoordigheid vrijheden veroorloven, die den eerbied, aan de achtbaarheid van den Hoofdschout verschuldigd, te buiten gingen, en noodzaakten mijn vader hem het zwijgen op te leggen, wanneer hij aan zijn historietjens zonder einde over Cartouche en de Fransche boeven begon.

Daar men de persoon van Heynsz niet altijd aan de oogen der huisgenooten onttrekken kon, had men eerst aan mijn zuster en mij, en voorts aan al de overige kinderen, van onze vroegste jeugd af ingescherpt, dat wij nooit aan iemand iets moesten laten blijken van ’s mans verschijning ten onzen huize. Hiervan was het gevolg, dat wij hem altijd hadden aangezien als een geheimzinnig wezen, dat gëeerbiedigd en ontweken moest worden: ja wij koesterden een heilige vrees voor hem, niet ongelijk aan die, welke ik mij voorstel dat de kinderen eens vromen Bramins gevoelen voor den ondergeschikten geest, die, volgens de Hindoosche fabelen, de huishouding in orde brengt. – Wat de dienstboden betrof, deze kregen Heynsz nooit te zien; want aan geen hunner werd de toegang tot mijns vaders studeervertrek vergund, dan bij gelegenheid der maandelijksche schoonmaak: en alleen de gerechtsdienaar, die in de benedengang beidde, vermocht daar, schoon nooit dan na getikt te hebben, binnen komen.

Na deze inlichtingen, voor wier wijdloopigheid ik verschoning verzoek, keer ik tot mijn verhaal terug.

Ik had mij, toen Heynsz, gelijk ik zeide, op de gewone wijze werd binnengelaten, met mijn stoel zoodanig omgekeerd, dat ik door de hooge leuning geheel voor zijn oog verborgen was: en, niet nieuwsgierig zijnde naar de geheimen der Justitie, de gemakkelijkste houding gekozen om weder in te slapen; maar, gelijk het veeltijds gaat, zoodra men moeite om te slapen doet, gelukt zulks het minst. Dit ondervond ik ook nu, en in weerwil van mijzelven moest ik luisteren naar een gesprek, hetwelk mij in den beginne onverschillig was, doch naderhand des te belangrijker werd.

– ‘Welnu Heynsz!’ vroeg mijn vader, zich weder aan de tafel plaatsende, waar de ander met betamelijken eerbied voor bleef staan: ‘wat brengt gij voor goeds?’ –

Ik hoorde Heynsz de bladeren omslaan van een zakboekje, waarin hij gewoon was op te teekenen hetgeen aan de orde van den dag was.

– ‘N o . 1,’ zeide hij; terwijl zijn stijl en tongval den Hollander verrieden, die, reeds jong zijn land verlaten hebbende, de taal zijner onderen wel niet geheel verleerd heeft, maar toch somtijds moeite heeft het rechte woord te vinden en den volzin behoorlijk te rangschikken: ‘n o . 1: de Koning van Corse logeert in het wapen van Emden en heeft bij Kuyt een cabriolet besteld, waarmede hij plan heeft morgen naar Rotterdam te rijden.’ –

– ‘Hij zal zijn reis nog wat dienen uittestellen,’ zeide mijn vader, die insgelijks zijn zakboekje ter hand had genomen, en aanteekeningen maakte, naar mate de beambte sprak: ‘wij zullen hem heden voor zonnenondergang een logement in de gijzeling bezorgen.’ –

– ‘Een Koning in de gijzeling!’ dacht ik: – en ik herinnerde mij niet zonder een sombere gewaarwording, dat ik op mijn reis dienzelfden Theodoor, met al de eerbewijzingen aan zijn rang verschuldigd, op het plechtigst in Corsika had zien huldigen en met de kroon vercieren, welke hij slechts eenen zomer gevoerd had.

– ‘ Ma foi! ’ hernam Heynsz, ‘indien zijn crediteuren hem laten plakken, zij zullen lang wachten eer zij blaauw tellen hunne vingers aan zijn geld, en hel zal hen wel verveelen, hem te geven de kost. – Ik weet de science certaine, dat hij kaal is als de oude Heer Job.’ –

– ‘Kent gij den kleeremaker Melisz, ter wiens rekwisitie hij vervolgd is?’ vroeg mijn vader.

– ‘Of ik hem ken? Ik heb geschilderd het portret van hem, zijn vrouw, en zijn dochter: ’t was jammer van de schoone coleuren, besteed aan die lelijke bakkes.’ –

– ‘Welnu! tracht hun dan te beduiden, dat zij het arrest opheffen, en geduld hebben. Ik zal zorgen, dat de debiteur zich niet verwijdere: en ik vlei mij, dat hij wel een goeden borg zal vinden. De man is ongelukkig: en, hoewel een gewezen Koning zijn schulden behoort te betalen gelijk een gewoon burger, dient men toch medelijden te hebben met iemand, die van zulk een hoogte gevallen is. Maar laat ons voortgaan. – Wat is er verder?’ –

– ‘N o . 2. De diefstal bij den Juwelier Levi Samuëlsz, is gecommitteerd door Mozes Abramsz, alias Mortje la Hayne, thands residerende in den Duvelshoek, n o . 110.’ –

– ‘Mozes Abramsz! – Een oude kennis:

extenuata gerens veteris vestigia poenae;

maar zijt gij daar zeker van?’ –

– ‘Zeer zeker. UEd. Achtbare weet dat ik van ouds heb een fijnen neus om te attrapeeren dieven van juwelen. Karel de Speelman, die hem assistentie heeft gegeven in het uitsnijden der glasruiten, en het goed op straat heeft aangenomen, is de man die hem heeft verklapt; ik geloof dat zoo Abramsz bij het deelen als een honnette dief had gehandeld, de Speelman wel zou gehouden hebben den mond.’ –

– ‘Best! Gij geeft vier dukaten aan Karel den Speelman, en waarschuwt hem, dat hij binnen vier en twintig uren de stad moet verlaten, of dat ik hem anders als complice zal laten pakken. Verder!’ –

– ‘N o . 3. Campo Weyerman heeft de Loge der Vrijmetselaren in de Stilsteeg gëopend met een heerlijke aanspraak en een fraai poême, waarin hij hun heeft geschilderd het groote belang van deugd en moraal. Alles is afgeloopen in complete orde.’ –

– ‘Zeer wel; doch wat mij minder moreel en deugdzaam voorkomt, is, dat die zelfde Campo een fatsoenlijke burgerdochter uit ’s Hage, buiten weten van haar ouders, ten zijnen huize heeft getroond. Waarom heb ik daar niet eer tijding van gehad?’ –

– ‘Het is gebeurd in mijn absentie. Ik kom het heden eerst te vernemen en ging juist aan UEA. dit verhalen.’ –

– ‘Genoeg! draag zorg, dat de ouders onder’s hands bericht bekomen van het verblijf hunner dochter, en hou intusschen den knaap in ’t oog. Het is de eerste reis niet, dat hem iets dergelijks gebeurt; hij is onverbeterlijk en behoort onder diegenen, qui hostili more matrimonia student sibi conjungere . – Wat meer?’ –

– ‘N o . 4. Wij hebben het adres gevonden van dien Jean Albert, welken de Fransche politie vruchteloos door geheel Europa opspoort.’ –

– ‘Voortreffelijk! dat vergoedt uw verzuim met Campo. En waar houdt hij zich op?’ –

– ‘Hij heeft niet gequitteerd Parijs een oogenblik en logeert er nog altijd in de kleine straat du Bac. Ah! ’t was een rusé compère, die zelfde Jean Albert: ik heb hem gekend heel wel aan het Bagne. Hij heeft nog eens aan mijn Heer d’Argenson geschreven, dat zoo hij hem wilde aanstellen als chef de la Police Secrète, er binnen zes maanden geen straatroof meer in Parijs zoude plaats hebben.’ –

– ‘’t Is wel! Gij zult mij de bewijzen opgeven die ter zake dienstig zijn, opdat ik deze tijding aan mijn Parijschen ambtgenoot schrijve. Wat is er meer?’ –

– ‘N o . 5. Zie hier het lijstje der sedert gister avond aangekomen personen.’ –

– ‘Hm! hm!’ zeide mijn vader: en hij begon halfluid een soort van vreemdelingslijst te lezen, welke hij met aanmerkingen verzeld deed gaan:

‘ Donderdag morgen: de Heer du Bourg: (hm! die komt hier zien, of hij het geld, dat hij aan de Bank te Aken verspeeld heeft met de acties op de Zuid terug kan winnen: – lusus res antiqua…. sed pro tempore abiit in lacrimas ..) met twee bedienden, logeert in den gouden Bal. – (De kastelein is een jong beginner. Gij zorgt, dat hij gewaarschuwd worde, niet te veel crediet te verleenen aan dien avonturier, ondanks zijn fraaien stoet:) – de Heer Peperkorrel uit Hoorn: Jacob Jansz en familie uit Alkmaar: – Nathanäel Rosen uit Berlijn, bij Levi den uitdrager in de Muiderstraat: – (die komt zeker een collecte doen: -) Peer de Manke, Joost Roelifs en Symen de Beer, ketelboeters, in de Drie Verrotte Kamisooltjens: – (gij zult onderzoeken waar dat volkje den tijd doorbrengt: -) de Heer Blaek en familie, van buiten. – (Ik heb u reeds meer gezegd, dat het heen en wedertrekken der lieden naar hunne buitenplaatsen en terug niet behoeft vermeld te worden:) Jan Cornelisz, koekebakker van Haarlem enz. enz. Volgen de lieden die met de schuiten gekomen zijn:’

Ik gevoelde een vreemde gewaarwording, toen ik den Heer Blaek en de zijnen zoo zonderling verzelschapt zag. Mijn vader vervolgde:

– ‘In de schuiten van Haarlem niemand die suspect was, dan alleen de knecht uit het groote koffijhuis in ’s Hage, die door zijn meester wegens diefstal verjaagd is. (Men houde dien man in ’t oog.) Met de schuiten van Utrecht:’ hier zweeg mijn vader een oogenblik en scheen met zijn potlood eenige namen aanteschrappen, als van personen, die hij der bewaking aanbeval: ‘met de schuit van Weesp: twee officieren van ’t Orange Regiment: twee deserteurs uit Hanover: (aangeschrapt!) – enz. – Met de schuiten van Muyden…’ – Hier werd ik dubbel aandachtig:

‘- Met de schuiten van Muyden: hm! Hm! de Heer Ferdinand Huyck.’ –

– ‘Ik vat deze gelegenheid aan, UEA. mijn gelukwenschingen aan te bieden, over de voorspoedige terugkomst van uw Heer zoon.’ –

– ‘Ik dank u. – Wie is die Juffrouw Bos, die ik op de lijst vinde?’ –

Ik begon over al mijn leden te beven: het antwoord van Heynsz stelde mij echter gerust.

– ‘De dochter van den tabakskooper op den hoek van de Leliegracht.’ –

– ‘Er zijn dan twee Juffrouwen Bos van Muyden gekomen,’ dacht ik bij mijzelven: ‘of het vernuft van Heynsz is verschalkt.’ –

– ‘En die Juffrouw van Beveren?’ vervolgde mijn vader: ‘waar neemt die haar intrek?’ –

– ‘Bij uwen onderdanigen dienaar,’ antwoordde Heynsz: ‘een aartig meisjen, uit Deventer, die mij door deftige lieden is aanbevolen…’ –

– ‘’t Is wel!’ zeide mijn vader: ‘Vervolg: wat geven de tijdingen van buiten?’ –

– ‘N o . 6. De bende, welke weder eenige dieverijen en huisbraken onder Gooiland heeft bedreven, bestaat uit drie personen, indien namelijk mijne informatiën juist zijn.’ –

Hier werd ik opmerkzaam, gelijk men denken kan. ‘Het zoude nog al kluchtig zijn,’ dacht ik, ‘indien ik den aanval, op mijzelf gedaan, hoorde vertellen.’ –

– ‘De een,’ vervolgde Heynsz, ‘is een Bohémien, een Heiden, met name Peer Hendriks, alias ’t Haentje, en op zijn Heidensch Baerlo. Hij is heden morgen, zoo ik hoor, door den veldwachter van Bussem geapprehendeerd geworden: – de tweede is Andries Matthyssen, gewezen matroos, de zoon van een boerin, nabij Oud Naarden.’ –

– ‘Ik ken hem en zijn moeder,’ zeide mijn vader: ‘hij stond van ouds in het kladboek aangeschreven: atro carbone notatus .’ –

– ‘Uw Heer zoon,’ vervolgde Heynsz, ‘zal UEA. kunnen vertellen, hoe die Andries gister morgen den beest heeft gespeeld in de herberg te Zoest. Hij is van daar naar zijn woning gekeerd; maar, toen heden morgen de dienaars hem kwamen opsporen, was de vogel gevlogen,’ –

– ‘Hij zal wel in het net komen,’ zeide mijn vader. ‘En de derde?’ –

– ‘De derde, en die zooveel als de voornaamste der bende is, schijnt, na al hetgene men van hem vertelt, niemand anders te wezen als de beruchte Zwarte Piet, die vroeger in de West – Indiën heeft geëxcerceerd het bedrijf van zeeroover, en nu, bij gebrek van beter, zich met straatschenderij geneert. Wat dien betreft, hij is geen vogel om zich zoo gemakkelijk te laten knippen; maar Tys de Blindeman zal zien of hij hem niet op kan loopen en mij bericht sturen van zijn gangen.’ –

– ‘Goed! – maar nu het belangrijkste van allen: de Vliesridder? – Hebt gij eenig bericht omtrent hem?’ –

– ‘N o . 7. De Vliesridder is met zijn dochter gisteren morgen om half acht ure uit Amersfoort gereden met een huifwagen van de Geus: te Zoest heeft hij stil gehouden: en, aldaar onbescheiden behandeld zijnde door dienzelfden Andries Matthyssen, van wien ik zoo even sprak, hem een stoot gegeven, die bijna bespaard had aan den scherprechter de moeite, hem van dienst te kunnen zijn: – althands zoo vertelt kleine Simon de marskramer.’ –

– ‘Goed! – Verder!’ zeide mijn vader. – Men kan licht beseffen met welk een aandacht ik luisterde naar een opgave, welke voor mij zoo belangrijk werd.

– ‘Zij hebben te Eemnes het middagmaal gebruikt, zijn bij Naarden beide uit de kar gestapt…. en sedert heeft men niets van hen vernomen.’ –

– ‘Niets!’ herhaalde mijn vader, op een toon, die de hoogste ontevredenheid te kennen gaf: ‘is Simon hen dan niet achtervolgd?’ –

– ‘Ed. Achtb.! Simon had last Andries mede in het oog te houden, en het is hem gegaan gelijk den man, waarvan spreekt vader Cats, die vangen wilde twee hazen te gelijk.’ –

– ‘Hij had zich aan den Vliesridder moeten houden. – Andries begaat voor als nog zijn diefstallen buiten onze judicatuur, en het is meer uit beleefdheid voor onze Gooische naburen, en uit voorzorg, dat wij de moeite op ons nemen, zijne gangen na te gaan. – Maar de Vliesridder! Iemand tegen wien het hooge landsbewind een bevel van apprehensie heeft uitgevaardigd! – dat is een man van meer beteekenis, zou ik denken.’ –

– ‘Mag ik UEA. doen opmerken, dat alle kasteleins en voerlieden tusschen hier en Arnhem hebben zijn portret, en dat hij gevat moet worden, zoodra hij zich op het rechtsgebied vertoont.’ –

– ‘Dat is nog niet genoeg! Hij moet gevat worden, eer hij in staat zij, of zelf, of door anderen, papieren te lichten, welke zich hier te Amsterdam moeten bevinden en van het hoogste belang zijn. Het is geen gewoon mensch met wien gij te doen hebt: hij kent de zaken en zal list tegen list stellen. Bovendien heeft hij nog vrienden en betrekkingen, die hem de behulpzame hand zullen bieden. Er moet hier dus een dubbele waakzaamheid plaats hebben. Kunt gij niet nagaan, met wien hij hier ter stede correspondentie voert?’ –

– ‘Nog niet, Ed. Achtbare! – doch zoo UEA. verkiest, zoude men kunnen waarschuwen de post, en dan zijn er middelen genoeg om te komen achter het geheim.’ –

– ‘Hij zal zijn brieven zelf niet schrijven. – Wist ik hier maar iemand, met wien hij betrekkingen heeft onderhouden.’ –

Mijn goede vader dacht weinig, dat de persoon, die in staat was, hem de meest voldoende narichten te geven, zich als derde in het vertrek bevond. Het gehoorde had mij intusschen zoo sterk aangegrepen, dat ik geen acht meer kon geven op het laatste gedeelte van het onderhoud tusschen mijn vader en Heynsz, hetwelk over voor mij onverschillige zaken liep en slechts korten tijd duurde, waarna de ondergeschikte ambtenaar, op dezelfde geheime wijze als waarop hij gekomen was, het vertrek weder verliet. Deze oogenblikken van respijt kwamen mij wel te stade. Ware hij terstond vertrokken, ik zoude, geloof ik, in weerwil van mijn beloften aan den Heer Bos (of aan den Vliesridder, gelijk ik hem had hooren betijtelen) alles aan mijn vader bekend hebben; want dan ware ik zeker geweest, dat zijn doordringend oog een geheim op mijn gelaat zoude gelezen hebben. Mijn toestand was met dat alles kwellend: ik begreep, dat eenmaal mijn geheim zoude moeten uitkomen, dat dan wellicht het crimen reticentiae mij ten laste zoude gelegd worden: dat bovendien mijn vader zelf beticht zoude kunnen worden, der zake niet onkundig te zijn geweest: – en dan, al ware het maar alleen de gedachte van mijn vader onvergenoegd te zien, dat hij zijn ambtsplicht niet volbrengen kon gelijk hij wenschte: het middel te bezitten, om hem daartoe in staat te stellen, en gedwongen zijn, dit voor mij te houden: O! dit viel mij hard! En toch! Ik zoude mijzelven veracht hebben, indien ik in staat ware geweest, den man, die mij het leven gered had, aan hen, die zijn vrijheid belaagden, te kunnen verraden.

Ik veinsde derhalve door te slapen, en rees niet eerder uit mijn schuilplaats op, dan nadat Heynsz reeds een poos vertrokken was.

DigitalDroom Reader

Hoofdstuk XII

XII / XXXIX

– ‘Welnu!’ vroeg mijn vader, die nog altijd te schrijven zat: zijt gij wel voldaan van uw slaapje? mij dunkt, gij waart ook in het geval van Argus: Succubuisse oculos, adopertaque lumina somno .’ –

Ik voelde dat ik een kleur kreeg, toen ik antwoordde dat mij de rust verkwikt had.

– ‘Dat verheugt mij,’ zeide mijn vader: ik had ‘al half berouw, dat ik u bij mijn gesprek met Heynsz had laten assisteeren; maar gij sliept zoo gerust, dat de stads – omroeper zelf u niet wakker geschreeuwd zoude hebben. En is er altemet iets geweest, dat u het eene oor is ingekomen, zoo vertrouw ik, dat zulks het andere oor weer is uitgegaan, en verzoek u althands er niemand, zelfs mij niet, iets van te laten blijken.’ –

Dit was juist hetgeen ik zelf ook verlangde, en ik verzekerde mijn vader dat ik van gandscher harte aan zijn aanbeveling voldoen zoude.

– ‘’t Is wel!’ zeide hij: ‘neem nu een stoel en ga bij mij zitten. Wij moeten een onderhoud hebben, dat ik liefst niet te lang wilde uitstellen: wij hebben nu den tijd: en in de volgende dagen zullen wij over weinige oogenblikken kunnen beschikken; want men zal u wel komen bezoeken en het zal zijn: Salutant, ad coenam vocant, adventum gratulantur, gelijk Terentius zegt. Of zijt gij nog te slaperig om naar mij te luisteren?’ –

Ik betuigde, dat ik volkomen bereid was hem aan te hooren: waarop hij aldus begon:

– ‘Gij zijt nu weder terug: en ik vertrouw dat zulks niet zal zijn om uw dagen in ijdele ledigheid door te brengen, en een straatslijper te worden.’ –

– ‘Integendeel, vader! Niets zal mij aangenamer zijn, dan mijn tijd op een nuttige en werkzame wijze door te brengen.’ –

– ‘Zeer goed! ledigheid is een duivels oorkussen. Gij weet, wat Ovidius zegt:

Quaeritur, Aegisthus quare sit factus adulter .

In promptu est ratio: desidiosus erat .

En welk beroep zoudt gij u liefst verkiezen?’ –

– ‘Ik beken u,’ antwoordde ik, ‘dat ik daaromtrent mijn keus niet zoude weten te bepalen.’ –

– ‘Hm!’ zeide mijn vader, het hoofd schuddende: ‘daar houde ik niet van. Een jong mensch moet altijd voor dit of dat vak een voorkeur hebben. Ik haat onverschilligheid in dat geval: die is niet natuurlijk op uwe jaren, ten zij bij domkoppen en losbollen, onder geene van welke categorien ik u rangschik.’ –

– ‘UEd. weet, dat ik het verwijt van onverschilligheid niet verdien, en dat ik als kind een bijzondere geneigdheid had tot de zeedienst, welke echter vroeger om gegronde redenen niet heeft kunnen ingewilligd worden, en mij thands ook weinig zoude baten, daar ik te oud ben om te beginnen. Ik heb intusschen, zoo vaak ik over het onderwerp nadacht, te recht of te onrecht gemeend, dat de reden, waarom UEd. geweigerd hebt mijn liefhebberij ten dezen in te willigen, daarin gelegen was, dat UEd. iets anders voor mij op het oog hadt. UEd. heeft mij laten studeeren en zult misschien verlangen, dat ik advocaat worde; – doch ik beken, tot mijn leedwezen, dat ik op reis veel verleerd heb, en mij weder drok zal moeten oefenen, wil ik der balie geen schande aandoen.’ –

– ‘Dat laat zich alles wel hooren,’ zeide mijn vader, met een glimlach: ‘bovendien, hoezeer ik voor mij de betrekking van advocaat, nobile illud officium, boven alle andere stel, en u, wat mij betreft, gaarne gezien had onder de zoodanigen,

qui iuris nodos et legum aenigmata solvunt,

levert echter dat ambt, althands in de eerste jaren, weinig verdiensten op: en, hoezeer ik niet in een bekrompen stand leef, is mijn vermogen te gering en mijn huisgezin te groot, om u, zoo gij het trouwen eens in ’t hoofd kreegt, een behoorlijk uitzet te geven. Ik zoude u wel door mijn invloed aan dezen of genen post kunnen helpen; maar ieder heeft zijn eigene inzichten, en, schoon ik die van anderen eerbiedig, heb ik voor mij een tegenzin aan het uitdeelen van bedieningen. Gij moet door uw eigene bekwaamheid protectie verdienen, en niet door gunst alleen voorkomen. – Intusschen, ik moet u thands gul weg zeggen, dat het mij in zekere opzichten niet spijt, dat uw keus nog niet gevestigd is; want nu vlei ik mij, dat gij te meer geneigd zult zijn te doen hetgeen u voordeeligst zijn kan. – Wat zoudt gij van den handel denken?’ –

– ‘De handel is een heerlijk iets,’ antwoordde ik, eenigzins verwonderd over deze plotslinge vraag: ‘maar dat men niet zonder fondsen beginnen kan.’ –

– ‘Niet! En hoe doen dan zoovelen, die hier met een paar schellingen in den zak (God weet waar van daan!) komen aanwaaien, menschen,

quorum nemo queat patriam monstrare parentis,

en die, eer men hun rechten naam nog weet, aan het hoofd van een huis van negotie staan? – Doch gij hebt gelijk. – Gij moet ook met iets beginnen en daartoe doet zich eene gunstige gelegenheid op. Gij weet, het huis van Bempden van Baalen en Comp. heeft, sedert den dood van uw oom, onder diezelfde firma, maar alleen onder de directie van laatsgemelden blijven bestaan. Uw tante heeft haar geld daarin gelaten; maar haar oogmerk was en is nog, u, bij uw terugkomst, mede in die zaak te plaatsen en deelgenoot der firma te maken. De gelukkige uitslag uwer pogingen te Livorno aangewend, om bij de liquidatie van de firma Bertini nog een deel terug te bekomen van hetgeen dat huis aan uw tante schuldig was, heeft haar goede gedachten omtrent uw bekwaamheid ingeboezemd.’ –

– ‘Ik ben mijn tante zeer verplicht voor den goeden dunk, dien zij van mij heeft, en herken haar vriendschap te mijwaart.’ –

– ‘Gij hebt ook elders op uw reizen persoonlijke kennis gemaakt met verscheidene Correspondenten van het huis, en, naar eenige uitdrukkingen te oordeelen, welke sommigen hunner in hun brieven omtrent u hebben gebezigd en welke uw tante mij medegedeeld heeft, komt het mij voor, dat gij hun wel bevallen zijt. Dit kan nooit kwaad en zal bij hen het crediet voor het huis niet doen dalen, wanneer gij daar associé van wordt. Wel is waar,

omnia non pariter rebus sunt omnibus apta,

en gij zijt niet van jongs af tot den handel opgeleid; maar ik vlei mij, dat eenige inspanning, gevoegd bij de op uw reizen verkregen ondervinding, en vooral de leiding van den Heer van Baalen, u weldra op de hoogte zullen brengen, waar gij op wezen moet. Het komt er nu slechts op aan om te weten, of gij geen tegenzin in het beroep zelf hebt.’ –

– ‘Ik geloof, dat ik mijn fortuin met voeten zoude stooten, indien ik zulk een aanbod niet dankbaar aannam; – maar is de Heer van Baalen insgelijks met deze schikking volkomen te vrede? En ziet hij er niet tegen op, een onbedrevenen als mij tot compagnon te nemen?’ –

– ‘Hij heeft geene zwarigheden gemaakt: en de drie ton, welke uw tante in het huis heeft gelaten, wegen ook nog al tegen eenige bedenkingen op. – Nu! ik wensch u geluk, en ik hoop, dat gij u zoowel zijne achting als het vertrouwen uwer tante zult waardig maken.’ –

Ik kan niet ontkennen, dat mijn eigenliefde zeer gestreeld werd met het vooruitzicht, dat zich voor mij opende. Ik was nu geen ledigganger meer, die zonder bepaald doel in de waereld voortleefde, neen, ik zag mij, als deelgenoot in een bloeiende zaak, geplaatst in een betrekking, waarin het slechts van mij afhing een ruim bestaan en de achting mijner medeburgers te verwerven. Ik kon niet nalaten mijn blijdschap aan mijn vader te betuigen: de geheele geschiedenis van den vorigen dag was voor mij op den achtergrond teruggeplaatst, en, alleen denkende aan hetgeen mij thands was medegedeeld, deed ik dienaangaande een menigte vragen, welke mijn goede vader het zich een genoegen maakte, te bëantwoorden. Ons onderhoud deed den tijd met snelheid vervliegen; en nog waren wij aan ’t redeneeren, toen het ophouden van een rijtuig voor de huisdeur en het klinken der schel ons verwittigden, dat onze dames uit de kerk terug kwamen.

Wij gingen naar de zijkamer. Er stonden niet slechts eene, maar twee koetsen voor de deur. Uit de eerste kwam mijn moeder met Susanna en tante Letje: uit de tweede tante van Bempden: en weldra traden de vier dames de kamer in: tante Letje, in haar effen violetkleurig taffen gewaad, met haar stijve neepmuts zonder eenig cieraad, dan haar prachtigen kerkbijbel met schildpadden band en gouden sloten: en tante van Bempden met haar fontanges, Brusselsche kanten, en honderden van linten en kwikken: – twee volkomen contrasten; maar beide, elk in hare soort, voortreffelijke menschen.

Tante Letje, welke nu een eerbare vrijster was van ongeveer vijf en veertig jaren, ging bij de booze waereld door voor hetgeen men een fijne kwezel noemt. Men weet, het is geen ongewoon verschijnsel, dat in groote familiën, vooral in die, waar verscheidene zusters zijn, zich eene daarvan reeds vroeg begint te onderscheiden, door het dragen van een stemmig, onopgesmukt gewaad, door het afzweren van alle waereldsche vermaken, door den schier uitsluitenden omgang met predikanten, zielverzorgers, en zoogenaamde vromen, door het spreken der tale Canäans, (gelijk men het bezigen van veelvuldige Bijbelsche uitdrukkingen noemt) door het getrouw ter kerke gaan en het houden of bijwonen van oefeningen ter onderlinge stichting. In de kerk kan men haar spoedig erkennen aan den deemoedigen gang, waarmede zij naar hare plaats gaan, aan den eerbied, welken de plaatsbewaardsters voor haar koesteren, zoodat zij alleen nimmer gedwongen zijn, in te schikken, aan de groete des voorzangers, aan het lang gebed dat zij, zoodra zij gezeten zijn, van achter den breed uitgeslagen waaier doen: eindelijk aan de wijze, waarop zij den leeraar aanzien en den blik vol hemelvreugde (anderen zeggen: vol hoogmoed) opwaart slaan, zoo vaak in de predikatie gewach gemaakt wordt van uitverkorenen, waaronder zij zich bij uitsluiting achten te behooren. Gewoonlijk zijn het noch de mooisten, noch de geestigsten der familie, welke tot deze caste behooren, en verslijten zij haar leven in den vrijsterstaat; doch er is geen regel zonder uitzondering, en men zoude onbillijk handelen, door de aanleidende oorzaak van heur gedrag altijd te willen toeschrijven aan heur vrees van in de waereld geen opgang te zullen maken. Er zijn er enkelen, ja, bij wie die reden veel moge gegolden hebben, zelfs buiten heur weten: er zijn er, die, hoovaardig op haar vermeende godsvrucht, in Fariseeuwschen hoogmoed op haar mede – Christenen als op de Tollenaren en Zondaren nederzien, alles wat anderen goeds en loffelijks verrichten, met den naam van blinkende zonden bestempelen, en die alle Christelijke deugden bezitten; maar alleen de hoogste, de voornaamste, de liefde ontbeeren; – maar al moge dit met enkelen het geval zijn, ik houde mij overtuigd, dat verre weg de meesten van haar, niettegenstaande de kleine gebreken, waarmede zij behebt mogen zijn, vaak als voorbeelden van navolging verdienen te worden aangeprezen, boven de zoodanigen, die heur gedrag bespotten en beschimpen.

Zoodanig althands was het oordeel, hetwelk mij de omgang met mijn tante Letje over de personen van haar slach heeft doen vellen. Bij haar voorzeker bestond de godsvrucht niet enkel in uiterlijke vertooning, maar woonde die in haar rein en menschlievend hart. Men mocht dan haar stijve, smakelooze kleeding berispen: de bijbeltaal, waarin zij sprak, mocht niet altijd evenzeer ter snede worden aangebracht: zij velde wellicht nu en dan een te gestreng oordeel over onschuldige vermaken; maar niemand kon haar te laste leggen dat zij niet in oprechtheid wandelde. Haar kennis was niet uitstekend; maar zij bezat, wat oneindig meer geldt, een vast en onverzettelijk geloof; en zonder aan andersdenkenden de zaligheid te ontzeggen, blikte zij die met vromen Christenzin als haar wettig erfdeel te gemoet. Zij vooral was warsch van kwaadsprekenheid en voer altijd tegen de zonde, nimmer tegen den zondaar uit: en wanneer zij zich met kracht tegen de leer der goede werken verklaarde, moest men niet vergeten, dat in haar volkomen bewaarheid werd hetgeen onze Catechismus leert, dat het onmogelijk is, dat een waarachtig geloof niet zoude voortbrengen vruchten der dankbaarheid; want nimmer was haar hart of haar beurs voor den lijdenden natuurgenoot gesloten, en wanneer zij gaf, vervulde zij letterlijk het voorschrift des Heilands, en wist haar slinkehand niet, wat haar rechte uitdeelde. Haar gebrek aan genoegzaam doorzicht en haar zucht tot liefdadigheid waren oorzaak, dat zij somtijds haar gaven ook aan onwaardigen wegschonk; doch zij verklaarde meermalen, dat zij liever honderdmalen door slechte lieden bedrogen wilde zijn, dan dat een vrome noodlijdende ongetroost van haar af zoude gaan.

Een geheel andere vrouw was haar zuster, Mevrouw van Bempden. Nog zeer jong gehuwd zijnde met een schatrijken echtgenoot, die, geen naaste betrekkingen hebbende, haar bij zijn vroegtijdig afsterven aan het hoofd van een colossaal vermogen had achtergelaten, had zij zich door haar maatschappelijke positie gedwongen gezien in de groote waereld te leven, en haar geneigdheid had zich daar niet tegen gekant. Haar rustelooze, nimmer lang met hetzelfde voorwerp bezige geaardheid, dreef haar aan, gedurig nieuwe voorwerpen van belangstelling en verstroojing te zoeken: haar dagen rolden voort in eene bestendige afwisseling van gastmalen, feesten, comediepartijen, speelreisjens, enz. Zij las ook; maar zonder keus of onderscheid: stichtelijke boeken, romans, brieven, verhalen, zedekundige werken, poëzy, al wat maar gedrukt werd; doch zij faalde meestal, wanneer zij iets van het gelezene te pas zoude brengen en moest alsdan de hulp inroepen van mijn zuster Susanna, die, zelve een liefhebster van lezen en in het bezit van een ijzervast geheugen, zelden bij die gelegenheid te kort schoot.

Men moet echter uit het bovenstaande niet afleiden, dat tante van Bempden in den slechten zin des woords een waereldsche vrouw was. Schoon in ’t algemeen geen laudator temporis aeti, durf ik zeggen, dat in die dagen een ongodsdienstige vrouw iets onbekends was. Tante van Bempden ging trouw ter kerke, kende haar Catechismus op een hair, wist zoo goed als iemand, zelfs met tante Letje, een gesprek over geloofspunten te voeren en zich zeer dapper te verdedigen, wanneer deze haar berispte, dat zij nu en dan bij de Remonstranten ter kerke ging: was mededeelzaam, zelfs mild; – maar haar godsdienst was, gelijk men wel eens zegt, zonder verzuim van affaire . Intusschen, wie haar recht kende vond zich gedwongen te verklaren, dat haar gebreken, zoo zij al dien naam verdienden, uit den maatschappelijken toestand voortvloeiden, waarin zij geplaatst was, terwijl haar goede hoedanigheden uit haar hart voortkwamen. Voor mij althands, die nimmer dan weldaden van haar ontfing, ik zoude schandelijk doen, indien ik een andere getuigenis van haar gaf, dan dat zij, alles wel gewogen, een uitmuntende vrouw was.

– ‘Wees van harte welkom, waarde Neef!’ zeide tante Letje, terwijl zij mij omhelsde: ‘alsoo sullen de vrijgekochten des Heeren wederkeeren:’ vervolgens zich tot mijn vader wendende: ‘wel moogt gij, waarde Broeder! den Profeet nazeggen: brengt mijn soonen van verre, ja van het eynde der aerde.’ –

De verdere wenschen die zij uitte werd ik verhinderd te verstaan; want tante van Bempden had zich voor mij geplaatst en drukte mij, met tranen in de oogen, aan haar hart:

– ‘Goeden dag! beste Ferdinand!’ riep zij: ‘wel zijt gij eindelijk daar? ja, ik durf niets te voegen bij de vrome gezegden van Zuster: anders zoude ik zeggen met Racine… hoe zegt Racine ook weer, Santje?’ –

Thésée est arrivé, Thésée est en ces lieux,

declameerde Susanna.

– ‘Tusschen twee haakjens,’ vervolgde Tante, ‘hebt gij de nieuwe uitgave van Racine medegebracht, die ik verzocht had dat gij bestellen zoudt?.. Hoe gelukkig was het, dat ik juist heden in de stad moest zijn om een comparitie te houden met den Heer van Baalen, die, geloof ik, vrij raar op zijn neus zal kijken wanneer hij u ziet; want hij verwacht zich op een klein jongetje met een dik hoofd, een rooden neus en groote ooren, die niets anders kan dan wat cijferen en wat pennen vermaken, en gij zijt voorwaar omtrent zoo groot als hij:.. gij moet nog niet bij hem gaan, zoo gij er nog niet geweest zijt; want ik wil uw eerste ontmoeting met hem volstrekt bijwonen en mij met zijn verbazing vermaken.’ –

– ‘En nu gij hier zijt, Zuster!’ zeide mijn vader, ‘zult gij ons wel het genoegen doen van uw rijtuig weg te zenden en hier den avond te blijven doorbrengen om de terugkomst van Ferdinand met ons te vieren.’ –

– ‘Eigenlijk,’ antwoordde Tante, ‘was ik voornemens geweest, terstond weer naar buiten te vertrekken, maar de omstandigheid, dat Neef terug is, verandert mijn plan. Ik zal dan heden avond blijven: op de voorwaarde alleen, dat nicht Santje nu haar woord houde en een week of drie bij mij op Heizicht kome doorbrengen; ik heb haar een kleine verrassing bestemd, die haar niet ongevallig zijn zal: – en Neef moet ook mede, al ware het maar voor een paar dagen.’ –

– ‘Hoe!’ zeide mijn moeder, mij bij de hand nemende als vreesde zij mij te verliezen: ‘hij is pas terug en wilt gij hem ons weder ontnemen?’ –

– ‘Wel zeker! Bovendien heb ik hem over zaken te spreken. Van Baalen komt zondag bij mij eten… Broeder heeft hem immers al verteld wat het plan is: – maar ik laat hem zelf oordeelen of ik iets onbillijks vorder?’ –

– ‘Volstrekt niet,’ zeide mijn vader: ‘en het zoude de plicht van Ferdinand wezen, een paar dagen bij u doortebrengen, indien het niet veeleer een genoegen voor hem ware.’

– ‘Natuurlijk!’ merkte mijn zuster aan: ‘het lieve jongetje zoude anders ook te veel van zijn stuk raken, indien hij zoo op een bof het reizend leven tegen de eentoonigheid der stad verwisselde. ’t Is beter dat hij zoetjes aan de verandering wenne en op rust kome. – En bovendien hij mag niet nalaten van op Heizicht te komen: want, zoo als Addison in the fair Rosamond zegt:

The bower and lady both are drest,

And ready to receive their guest.’ –

– ‘Wil ik dan zeggen, dat het rijtuig van tante van Bempden maar weg moet rijden?’ vroeg ik:

– ‘Als ’t u belieft,’ antwoordde Tante: ‘en laat Joris om tien ure terug komen.’ –

– ‘En de koets van tante Letje?’ –

Wat deze betrof, zij maakte zwarigheid om te blijven; daar het met hare gewoonte streed, den avond uittegaan, wanneer zij ter kerke geweest was; echter werden de bedenkingen, die zij opperde, zoo heftig bestreden, en verzocht mijn moeder, aan wier bede zij zelden weerstaan kon, haar zoo dringend, voor deze reis een uitzondering te maken, dat zij eindelijk toegaf.

Wij plaatsten ons dan om de theetafel, en ik moet hier tusschen twee haakjens de bekentenis afleggen, dat onder al de genietingen welke mijn terugkomst bij de mijnen mij opleverde, die, van wederom een lekker kopje van die goddelijke drank, in echt Chineesch porcelein geschonken, te mogen smaken, op verre na de minste niet was.

– ‘Nu moet gij ons recht veel vertellen van uw reizen,’ zeide tante van Bempden: ‘hoe zegt Lafontaine ook weer van de zwaluw?’ –

– ‘Quiconque a beaucoup vû,

Peut avoir beaucoup retenu,’

zeide Susanna, haar te recht helpende.

– ‘Van harte gaarne,’ zeide ik: ‘indien UEd. mij slechts vragen wilt, ben ik tot antwoorden bereid;’ en ik schoof mijn stoel dichter naar den haren. Maar nu schoven ook de overigen hunne zetels bij en ik zag, dat mijn taak niet zoo gemakkelijk was, als ik mij die had voorgesteld; want ik werd van vier of vijf kanten bestormd met vragen van geheel verschillenden aart: en daar het mij minder gemakkelijk viel, die gelijktijdig te bëantwoorden, dan aan de overigen, om die gelijktijdig te doen, moest ik wel verzoeken, of men ordelijk wilde te werk gaan, en ik stelde voor, dat, ten einde niemand redenen tot beklag zoude hebben, elk der aanwezigen, te beginnen met tante van Bempden, die rechts van mij zat, op zijn beurt mij eene vraag zoude doen. Dit vond bijval, en nu werd ik beurtelings over de meest uiteenloopende onderwerpen ondervraagd. Aan tante van Bempden moest ik een beschrijving geven van het Carnaval, dat ik te Napels had bijgewoond, terwijl Susanna mij over de kleeding der Oostenrijksche dames ondervroeg: mijn vader stelde er meer belang in, iets van de gedenkstukken van het Oude Rome te hooren en tante Letje wilde weten, hoe ik het toch in dat Heidensche land had aangelegd om mijn godsdienstplichten uittëoefenen. Toen de beurt aan mijn goede moeder kwam, drukte de vraag die zij deed haar moederlijke teederheid volkomen uit; want zij verlangde een volkomen beschrijving van alle zoodanige personen, die mij op reis van dienst geweest waren of beleefdheid hadden betoond, en van welke ik in mijn brieven gesproken had: en zij schepte er een zichtbaar genoegen in, van hen te hooren gewagen, die in haar Ferdinand hadden belang gesteld.

Toen de eerste nieuwsgierigheid bevredigd was, werd langzamerhand het gesprek meer algemeen: en tante van Bempden, wier gedachten zich zelden lang bij hetzelfde onderwerp bepaalden, en die er van hield, de gelegenheid bij de hairen te vatten, nam mijn vader onderhanden, om zijn oordeel, waarop zij, en met recht, niet weinig prijs stelde, over eenige nieuw uitgekomen werken te vragen, over welke hij haar echter grootendeels het antwoord schuldig moest blijven, daar hij door zijn beroepsbezigheden slechts zeer weinig tijd tot lezen had, en in de weinige ledige oogenblikken, die hem overschoten, liever zijn oude classici bij de hand nam, dan de voortbrengselen van den dag. Toen nu Tante bemerkte, dat zij omtrent deze punten weinig troost erlangen kon, begon zij over politiek te redeneeren: een onderwerp, waaromtrent mijn vader geen ignorantie kon pretenderen, en welks behandeling hij zich dus getroostte, hoezeer het duidelijk op te merken was, dat zulks alleen uit inschikkelijkheid geschiedde; want vooreerst was hij geen vriend van met dames over dergelijke stoffen te redekavelen, en ten anderen dwong zijn ambt hem reeds genoeg daarover te hooren en wilde hij, in gezelschap zijnde, ter ontspanning van zijn geest wel eens over iets anders praten.

Gedurende het onderhoud van mijn vader met tante van Bempden, gaf mijn moeder, voor wie die onderwerpen veelal te uitheemsch en hoogdravend waren, mij een vrij breedvoerig, doch zeer duidelijk verslag van de gehoorde predikatie, en voegde er nogmaals de betuiging bij van haar leedwezen dat ik haar niet vergezeld had: tante Letje zat stil voort te arbeiden, en vergenoegde zich, met nu en dan een bemerking betreffende het een of ander, dat haar meer bijzonder gesticht had, te voegen bij hetgeen mijn moeder verhaalde: terwijl Susanna, die, zoo lang het verslag duurde, zich alleen met haar trekpot en schoteltjens bemoeid had, na het eindigen daarvan het woord nam en mij vertelde, wie er al in de kerk geweest was, en met wie zij al in het uitgaan gesproken had.

– ‘Ik ben er gek afgekomen,’ zeide zij: ‘ik had mij gevleid, aan mijn buren in het doophuis en aan al wie ik ontmoeten zoude, in echten courantenstijl te vertellen: heden is alhier met lang span ( alias de Muiderschuit) gëarriveerd de Heer Ferdinand Huyck, oudste zoon van den Ed. Gestr. Heer Hoofdofficier en broeder van de beminnelijke Juffrouw Susanna Aletta Huyck; – maar ja wel: – pas ben ik op mijn plaats gekomen, of daar haalt mijn buurvrouw, het dikke wijf van den koperslager, haar loddereintje uit den tas en na mij driemalen te hebben aangekeken, als wilde zij zeggen: ik weet wat ik weet, en driemalen aan het mooie zilveren doosje geroken te hebben, steekt zij het mij toe en vraagt, “is mijn Heer uw broeder ook in de kerk?” Wel! wel! dat moet een vreugde geweest zijn! – Ja, ik heb het al gehoord van de krantevrouw. En heeft mijn Heer een goede reis gehad? Wel! wel!’ – En eer ik haar kon antwoorden, daar tikt Betje du Fay, die aan de andere zijde zat, mij op den arm. (Je herinnert je Betje du Fay wel, Ferdinand? de dochter van Schepen du Fay, met dien haviksneus?) en begint met een schor stemmetje: ‘ik feliciteer je wel Santje! met de terugkomst van je broêr:’ en te gelijk voel ik de dorre vingers van Mevrouw Muisvaal, mijn achterbuurvrouw, mijn schouder grijpen als met een arendsklaauw, en gonst het in mijn ooren: ‘ik heb met veel genoegen vernomen dat uw broeder terug is. Ik feliciteer u wel:’ – en meteen piept het en bromt het voor en achter mij, al de reien langs, als waren er overal echoos: ‘ik feliciteer je wel, Juffrouw Huyck, ik feliciteer je wel:’ – zoodat ik blij was, dat het gezang werd aangeheven, want mijn nek begon mij zeer te doen van het knikken en buigen. – En bij het uitgaan was het nog erger; want toen dacht ik, dat ik nooit den dorpel, veel min de koets zoude bereikt hebben, zoo drong men zich om mij heen: ‘Is het waar wat ik gehoord heb? Is Ferdinand waarlijk terug? – Ik kom eerstdaags uw broeder zien. Hartelijk geluk!’ enz. En zoo ging het voort, zoo dat mijn ribben bont en blaauw zijn van de stompen en duwen, die ik gekregen heb van al de lieden, die uit loutere deelneming op mij afkwamen. –

– ‘Santje overdrijft weer, volgens haar gewoonte,’ zeide mijn moeder: ‘ ik heb maar een paar menschen gesproken, die er iets van schenen te weten; maar Santje schijnt er van te houden, diergelijke opschuddingen in de kerk te maken.’ –

– ‘De menschen moesten wat meer denken,’ zeide tante Letje, ‘dat de kerk is een bedehuis, en niet een plaats voor ijdelen klap en onnut gesnap; maar het is als de Profeet zegt: zelfs in mijnen huyze vind ik haar boosheyt. – Ik wilde wel, Nicht! dat gij over deze stoffe gelezen hadt een dierbaar boeksken, dat geschreven is door de eerzame Weduwe Knijpduim, en dat ten tijtel draagt: “over de onchristelijke opschuddinge in Gods Kerke,” waarin dat alles uitvoerig betoogd wordt. ’t Is niet gedrukt; maar zij heeft het ons eens op de oefening bij den zielverzorger Zoutbrand voorgelezen. Ik zal het u wel eens bezorgen, Santje! het kan u nuttig zijn.’ –

– ‘Spreek mij niet van Juffrouw Knijpduim, Tante!’ zeide Santje: die kan mij nooit door woorden of werken meer stichten, sedert ik haar laatst in de Oude Kerk met een andere oude Juffer een kwartier lang heb zien kijven en knorren over haar plaatsen, dat geen vischwijven het erger hadden kunnen doen. En wat mij het meest ergerde, was dat, toen zij gezeten waren, zij dadelijk de waaiers uitsloegen om te gaan bidden. Maar de oude Heer Slyper, die achter haar in de ouderlingen bank zat, tikte haar op de schouders en zeide: ‘wacht daar liever nog wat mede, tot gij bekoeld zijt, en denkt inmiddels om Matth. VIII. vs. 24.’

– ‘Hoe is het Santje! krijgen wij geen thee meer?’ vroeg mijn vader, die, ofschoon luisterend naar de redeneeringen van tante van Bempden, echter genoeg van Santjes vertelling gehoord, en te goed den onvergenoegden blik van tante Letje bespeurd had, om niet te begrijpen, dat het gesprek een andere wending moest nemen. Santje begreep dien wenk en haastte zich, terwijl zij de kopjens vulde, mij te vragen, welke der plaatsen, die ik bezocht had, ik het liefst tot mijn verblijf zoude kiezen. Van mijn kant willende medewerken om het gesprek zoo ver mogelijk van het vorige onderwerp te verwijderen, gaf ik een ontwijkend antwoord, en begon de voor- en nadeelen op te tellen van al de voornaamste steden, waar ik eenigen tijd had doorgebracht. Mijn vader moest zich staande dit gesprek voor eenigen tijd verwijderen om ambtsbezigheden, en nu viel tante van Bempden, die mij van Rome hoorde spreken, mij plotslings in de rede, om mij te vragen of ik de fresco’s in ’t Vaticaan gezien had.

Ik antwoordde toestemmend en wilde een uitgebreide beschrijving van deze kunststukken geven; maar kwam er deze reis vrij van; want Tante scheen de gelegenheid alleen te willen waarnemen, niet om van mij iets te vernemen, maar om mij een redetwist te vertellen tusschen den Kunstkooper Tempermes en den Makelaar Mosselman, betreffende een haar toebehoorende schilderij, welke de eerste beweerde dat een originele Carlo Dolce was, de andere daarentegen voor een kopij hield. De behandeling van dit punt gaf aanleiding tot een omslachtige uitweiding over de Italiaansche school, welke gevolgd werd door een vertoog over het voortreffelijke der keurslijven van Douillié, en besloten met een aanbeveling van den pasteibakker Jacobsz.

De verschijning der jongere leden van de familie, die nu uit de verschillende scholen terugkwamen, gaf een nieuwe wending aan het gesprek, door aan Tante een andere bezigheid te bezorgen; want, aan mijn broeder Frits verzocht hebbende, haar een groot pak aan te reiken, met graauw papier omwonden, dat uit het rijtuig gekomen en in een hoek der kamer gelegd was, opende zij het, en vertoonde aan de verheugde kinderen een menigte prenteboekjens, welke zij onlangs gekocht had en hun ten geschenke aanbood, aan elk in ’t bijzonder de uitlegging op den koop toe gevende van het onderwerp, dat in de boekjens behandeld of in de plaatjens afgebeeld was, met vele aanwijzingen daarbij, op welke wijze en ten welken einde zij een en ander best zouden kunnen gebruiken. De milddadigheid van Tante bracht mij te binnen, dat ik ook geschenken had rond te deelen, en, zoodra het theegoed van tafel was genomen, verzocht ik Frits en Jacob mij even naar mijn kamer te willen volgen. Zij voldeden slechts schoorvoetende aan mijn verzoek; want het kostte hun moeite, de geschiedenis van Robinson Crusoë met fraaie houtsneeplaten, en de galerij van uitheemsche kleederdrachten nederteleggen; – maar des te hooger steeg hun blijdschap, toen ik, hen in mijn kamer gebracht hebbende, mijn koffers opende en daaruit een talrijken hoop pakjens, doozen en andere snuisterijen haalde, waarmede ik hen belaadde, terwijl ik mij zelf belastte met die voorwerpen, welke het meest gevaar liepen van te breken of beschadigd te worden.

– ‘Mijn hemel! Ferdinand! waar moet dat alles heen?’ vroeg mijn moeder, toen ik, vergezeld van mijn twee helpers, de zijkamer instapte.

– ‘Zij gelijken wel de drie koningen, die met giften en gaven uit het Oosten komen,’ fluisterde Susanna tante van Bempden in ’t oor.

– ‘Stil!’ zeide deze met een bestraffende blik: ‘laat tante Letje u niet hooren.’ –

– ‘Mijn tijd! zijn dat allemaal presenten?’ riepen mijn zusters Letje en Keetje, terwijl zij, haastig opstaande, een hoektafeltje bijschoven om mijn waren op uit te stallen: de twee jongsten, Karel en Truitje, klapten in de handen en dansten van vreugde.

– ‘Wel Ferdinand! Ik geloof dat gij u arm gekocht hebt,’ zeide mijn moeder, haar breiwerk neerleggende: ‘komt toch nergens aan, kinderen! uw broeder zal het u immers wel wijzen.’ –

– ‘Ik hoop dat er voor mij ook wat bij is, zeide Susanna, insgelijks oprijzende en zich nevens mij vervoegende. Zelfs tante Letje kon haar nieuwsgierigheid niet bedwingen en ik vond mij weldra door de geheele familie omringd.

Het was een plechtig oogenblik. Daar stonden zij allen om mij heen, in gespannen verwachting: en de stilte werd alleen afgebroken door halfgesmoorde uitroepen, als: ‘wat zou ik toch krijgen? hé! wat ben ik nieuwsgierig! – Ik weet wel wat ik zou verlangen! Stil toch! hinder uw broeder niet! Heden wat een boel dingen!’ – Wat mij betreft, ik liet mij geen woord ontvallen, maar een der zes of zeven scharen, om niet te gewagen van even zoovele knipmesjens, welke mij werden overgereikt, aannemende, maakte ik mij gereed om over te gaan tot het lossnijden der pakjens, toen ik mijn hand plotslings weder ophief.

– ‘Wat is er? wat is er?’ vroegen onderscheidene stemmen.

– ‘Zullen wij niet wachten, tot Vader weer terug is?’ vroeg ik.

Daar keken zij elkander zwijgend en zuchtend aan.

– ‘Wel foei!’ zeide Susanna: ‘dat is niet mooi, ons ongeduld eerst op de proef te stellen en dan niet te voldoen.’ –

– ‘Ja! maar mij dunkt dat Ferdinand gelijk heeft,’ zeide mijn moeder: ‘’t Zal uw vader zeker genoegen doen, de uitpakking bij te wonen, en daar moeten wij hem niet van berooven. Zijt nu verstandig kinderen!’ vervolgde zij, ziende, dat deze en gene den lip liet hangen. Uw vader zal wel zoo aanstonds terugkomen.’ –

– ‘Daar is Papa! daar is Papa!’ riepen op eens een paar stemmen: en terstond liepen al de kinderen de kamer uit en kwamen terug, mijn vader, die uit zijn studeervertrek juist terug kwam, bij zijn gebloemde avondjapon voortsleurende.

– ‘Ik geloof, dat ik ter goeder ure terugkom,’ zeide mijn vader, wien een blik, op de tafel geworpen, nog meer dan het door elkander roepen der kinderen, de toedracht der zaak deed begrijpen.

Nu ging de schaar haar gang: en het kleine Truitje was uitgelaten van vreugde, toen de losgemaakte papieren haar een fraai gekleeden pop deden aanschouwen.

– ‘Ik hoop,’ zeide Kareltje, mij met zijn blaauwe oogen vragend aanziende: ‘ik hoop..’ hij durfde toch niet te zeggen wat hij hoopte; want hij begreep, dat het anders kon uitvallen; maar toen ik hem het voor hem bestemde toereikte, zag hij dat zijn wensch naar een verfdoos toch verwezenlijkt was.

Het zoude bij u, waarde lezers! weinig belang wekken, indien ik stuk voor stuk de voorwerpen ging opnoemen, waarmede ik de jongere leden der familie beschonk; ofschoon gij, voor zooverre gijzelve ooit in het geval zijt geweest, dergelijke geschenken na uw terugkomst van een buitenlandsche reis rond te deelen, of in uw jongere jaren die van anderen ontfangen hebt, – u de gewaarwordingen nog wel levendig zult kunnen voorstellen, welke men alsdan gevoelt, en welke te streelender zijn, naarmate het geschonkene meer de behoefte of den wensch van het oogenblik bevredigt. Wat mij betreft, te dezen opzichte slaagde ik zeer gelukkig; want al wat ik uitdeelde was ook juist hetgeen men verlangde: en mijn broeders en zusters begonnen reeds te denken dat ik de gaaf had, op verren afstand iemands gedachten te raden, toen een glimlach mijner moeder aan de oudsten althands deed gissen, dat de goede vrouw mij in haar laatste brieven eenige wenken gegeven had omtrent hetgene meest welkom zijn zoude.

Toen nu het kleine volkje beschonken, of, om niet dubbelzinnig te spreken, begiftigd was, kwam de beurt aan de grooteren, en Susanna zette groote oogen op toen ik haar met een sluier vereerde (men zoude thands zeggen: een voile ) die, in aanmerking mijner bekrompen middelen, als een kostbaar geschenk kon worden aangemerkt. Voor mijn moeder had ik een netgewerkt zakhorologie medegebracht en voor tante Letje een eenvoudigen, doch cierlijk gesnedenen ivoren waaier, die haar bijzonder behaagde, omdat hij fraai en toch niet opzichtig was. Tante van Bempden, die alles had of kon laten komen, wat de weelde verlangen kon, ontfing een kleine antieke urn, welke ik te Rome had gekocht: – dit geschenk bracht een langdurige vergelijking te weeg tusschen den antieken en hedendaagschen smaak in bouw- en beeldhouwkunst. – Eindelijk was mijn vader niet weinig in zijn schik, toen ik, een doos open schuivende, hem een kleine verzameling aanbood der Romeinsche munten, die voor den tijd der Keizers in gebruik waren, door mij gedurende mijn verblijf te Rome bijeengebracht. Mijn vader was, ondanks de bezigheden, welke zijn ambt hem opleide, een beminnaar gebleven der klassieke oudheid en van alles, wat daarmede in verband stond: en het was hem de zoetste verpoozing van zijn arbeid, wanneer hij, in de weinige uren van uitspanning die hem te beurt vielen, zich in de lezing en beoefening zijner geliefkoosde schrijvers verlustigen kon. De brokken uit de Latijnsche dichters waarmede hij gemeenzaam was, werden dan ook, gelijk men uit de voorstaande bladzijden heeft kunnen zien, niet minder dikwijls in het dagelijksch gesprek door hem te pas gebracht dan de aanhalingen uit het Corpus Iuris: ja somtijds ontvielen hem die, wanneer hij tegen mijn moeder sprak, hetgeen dan bij deze, en vooral bij mijn zuster, niet zelden een glimlach of een vrolijke scherts deed ontstaan. Maar niet alleen de werken der ouden waren mijn vader dierbaar: al wat zich, al ware het slechts zijdelings, aan de dagen van Athene of Romes grootheid hechtte, was hem welkom: en die geldstukken, wier gehalte of innerlijke waardij voorzeker van weinig beduidenis was, en die hun meeste waarde daaruit ontleenden dat het stel vrij volledig scheen, werden door hem met te meer opgetogenheid beschouwd, naarmate der grootsche herinneringen, die zij bij hem opwekten.

Allen waren dus recht vergenoegd en te vrede: en de vrolijkheid werd niet weinig vermeerderd, toen een groote taart, ter viering mijner terugkomst gebakken, op de tafel verscheen en de zintuigen door de aangenaamste geuren streelen kwam. Witte broodjens, schoteltjens met kalfvleesch en ossetong en heerlijke vruchten, zoo als in Europa de stookkasten van ons land alleen kunnen opleveren, omringden den hoofdschotel: en de sleutel des wijnkelders werd mij toevertrouwd om een flesch te halen van den wijn die mij het best beviel. De kinderen kregen allen verlof, tot tien ure op te blijven: en de avond liep zoo genoegelijk af als men bij mogelijkheid verlangen kon: ja de algemeene vreugde werd door geen ander toeval gestoord, dan dat tante Letje, door het afbrokkelen van een stuk taart, een confituurvlek op haar hagelwitten halsdoek kreeg, en dat Jacob een half glas wijn stortte over eene der prenten, die hij van tante van Bempden gekregen had: twee ongevallen, welke echter, zoo verre mij gebleken is, geen blijvenden indruk bij de lijdende partijen achterlieten.

DigitalDroom Reader

Hoofdstuk XIII

XIII / XXXIX

– ‘Ferdinand!’ zeide mijn zuster Susanna, toen zij zich den volgenden morgen alleen bij mij op mijn kamer bevond, waar zij mij hielp, mijn kleedingstukken en linnengoed in de kasten te schikken: ‘gij weet, dat gij mij nog rekenschap schuldig zijt wegens een gezegde, dat gij u gisteren morgen hebt laten ontvallen:’ –

– ‘Santje!’ zeide ik, terwijl ik haar een zijden vest overreikte: ‘gij weet, dat ik nog de vierschaar over u moet spannen wegens een misdrijf, door u begaan.’ –

– ‘Boe! boe! denk niet, dat gij mij met uw groote woorden zult afschrikken! – Tusschen beide gezegd, daar zal heel wat speksteen noodig zijn, om de vlekken uit dit vest te krijgen: – ter zake: wie heeft u verteld, dat ik uw brieven heb laten lezen?’ –

– ‘Wat dat geweten knaagt! Wie heeft u verlof gegeven, de gedenkwaardige memoriën, die ik u toezond, onder het oog van anderen te brengen?’ –

– ‘Kom aan! daar hebben wij een formele accusatie, gelijk mijn vader zoude zeggen: alleen is zij nog, zoo ik mij niet bedrieg, wat vaag en ongedetermineerd: ja – ik kan ook wel stadhuiswoorden samenflansen: ik weet zeer goed, dat men iemand niet condemneert wegens toegebrachte slagen, ten zij men eerst wete, op wiens rug de slagen zijn neergekomen. Vrage: aan wie heb ik uw prulschriften medegedeeld?’ –

– ‘Antwoord: aan Mejuffrouw Henriëtte Blaek. – Schuldig bevonden! Gij krijgt een kleur – spoedig tot de confessie .’ –

– ‘Wie heeft u dat gezegd?’ vroeg Susanna, terwijl zij uit loutere verbazing een batisten hemd, dat zij opgevouwen had, weder open liet rollen.

– ‘Een irreprochabele getuige, Mejuffrouw Blaek zelve.’ –

– ‘Gij hebt haar dan gesproken? – En hoe vindt gij haar?’ –

– ‘Een zeer aartig meisje; – maar dat doet niets tot het poinct in quaestie.’ –

– ‘Zeer aartig! Beken maar, dat gij op haar verliefd zijt. Gij krijgt een kleur – spoedig tot de confessie .’ –

– ‘Verliefd! op een meisje, dat ik maar eens in mijn leven gezien heb? Denkt gij, dat ik zoo spoedig vlam vat?’ –

– ‘Als wist ik niet, dat de jonge Heeren op uw leeftijd verlieven, wanneer zij slechts een vrouwenmuts op een bezemsteel zien.’ –

– ‘Altemaal praatjens om van den text te dwalen. Vrage nogmaals, of gij genegen zijt, buiten pijn en banden, de confessie af te leggen, van te hebben geperpetreerd het enorme en in een land van goede justitie intolerabele feit, van aan gezegde Juffer Henriëtte Blaek en de hemel weet aan wie nog meer te hebben gegeven communicatie van zoodanige schrifturen en geheime stukken, als u waren toegezonden door den weledelen Heere Ferdinand Huyck, juris Romani nec non canonici Doctor, en welhaast, Deo volente, compagnon in het huis van Bempden van Baalen en C o ?’ –

– ‘En zoo ik dat nu al bekenne, wat dan?’ –

– ‘Dan zal ik u verder interrogeren en vragen wat gij tot uw defensie hebt voor te dragen.’ –

– ‘Dat uw schrift onleesbaar is, zoo dat de Heer van Baalen de handen van schrik in elkander zal slaan, wanneer hij het ziet: en dat ik de hulp van Mejuffrouw Blaek, die zich volkomen verstaat op het ontcijferen van allerlei hieroglyphen en manuscripten, heb moeten inroepen, om er uit wijs te worden.’ –

– ‘Die defensie gaat mank; want mijn schrift is net en leesbaar genoeg, en zoo ik, om het papier te besparen, wat klein geschreven heb, uw oogen zijn jong en goed, en er zijn overal brillen te koop.’ –

– ‘Ik heb ten minsten geen bril noodig om te zien, dat er al heel wat aan uw koussen zal te mazen zijn, en dat, zoo gij nog een paar dagen langer op reis waart gebleven, gij hier blootsvoets had kunnen aankomen: – doch laat ons een speldje bij die gekheid steken: en vertel mij eens zonder omwegen, wanneer, waar, en ter welker gelegenheid gij Henriëtte gesproken hebt.’ –

– ‘Gij verdiendet, dat ik uw nieuwsgierigheid onbevredigd liet; maar kom! ik ben een goede broeder en zal medelijden met u hebben; want gij zoudt misschien barsten van ongeduld, en dat ware ongelukkig voor uw zijden keurs.’ –

Ik voldeed dan aan haar verlangen, en gaf haar een vrij omstandig verhaal van mijn wedervaren op Guldenhof; waarmede zij zich niet weinig vermaakte.

– ‘Maar dat is waarachtig een roman,’ ving zij aan, na dat ik mijn verhaal had geeindigd: ‘en al hadt gij er nog zoo tegen, gij zijt nu toch naar de schoone orde der dingen verplicht op haar te verlieven; – maar gij ziet dat uw verhaal mijn vrijspraak medebrengt; want hoe zoudt gij het mij nu ten kwade kunnen duiden, dat ik uw brieven aan Henriëtte heb laten lezen? Hadt gij anders wel zulk een heerlijke stof tot onderhoud gehad? Gij zijt mij veeleer groote dankbaarheid verschuldigd, dat ik in uw afwezenheid mijn best gedaan heb, om aan een lief meisje goede gedachten van u te doen opvatten.’ –

– ‘Ik geloof, dat ik dit als een compliment moet opnemen, waarmede gij zoekt goed te maken hetgeen gij verbruid hebt.’ –

– ‘Ei kom! gij hebt veel te grooten dunk van uw eigene bekwaamheden, om iets voor mijne complimenten te geven: en ik ben overtuigd dat de betuiging van Henriëtte, dat zij gelagchen heeft om uw gekke uitdrukkingen, en uw beschrijvingen bewonderd, uw eigenliefde bijzonder gestreeld heeft. Ja zelfs, biecht maar zuiver op, hebt gij niet juist daarom van mijn misbruik van vertrouwen melding gemaakt, ten einde de gelegenheid te hebben, van u met mij over Henriëtte te onderhouden? –

Car pour un amoureux.

Il est doux de causer de l’objet de ses feux.’ –

Ik glimlachte; want er was veel waars in hetgeen zij zeide.

– ‘Maar pas op!’ vervolgde zij: ‘en hou uw hart achter dubbel slot, immers voor als nog: de Heer Blaek zoude u toch de hand zijner nicht niet toestaan.’ –

– ‘Wie denkt er aan, hem die te vragen? – maar toch, stel eens, dat ik zulks deed, mag ik dan weten wat hij tegen mijn persoon zoude hebben!’ –

– ‘Tegen uw persoon? – Niets ter waereld. Maar hij zal allen vrijers den zak geven, enkel in de hoop dat het zijn zoon eens behagen zal op zijn nicht te verlieven.’ –

– ‘Dat komt overeen uit met hetgeen mij de waardin te Eemnes vertelde; maar zoo die jonge Heer nu niet wil?’ –

– ‘Spreek er niet van: er schuilt iets achter, ik begrijp niet wat: slechts eens heb ik eenige dagen op Guldenhof doorgebracht, en toen heb ik met eigen oogen gezien, dat de oude Heer, voor zijn zoon, het hof maakte aan zijn nicht. ’t Is in allen gevalle zeer edelmoedig van hem; want dat lieve brokje van een Lodewijk zal zeer rijk worden, en zijn nicht heeft niets en hangt alleen van ooms goedertierenheid af.’

– ‘Hoe!’ riep ik uit met eenige verbazing; want deze mededeeling strookte niet met hetgeen mij door den Heer Bos nopens Henriëttes vader verhaald was: ‘ik meende,’… hier zweeg ik stil; want ik kon mijn autoriteiten niet noemen.

– ‘Geloof mij,’ vervolgde Susanna: het is genoeg bekend, dat zij niets heeft. En haar oom, dit valt niet te ontkennen, heeft recht christelijk met haar gehandeld.’ –

– ‘Dat is wel mogelijk: en toch staat de man mij in sommige opzichten tegen: waarom weet ik zelf niet.’ –

– ‘Dat zeide tante van Bempden ook, toen hij haar voor een paar jaren ten huwelijk vroeg.’ –

– ‘Wat! heeft hij zich op zijn ouden dag nog aan een blaauwtje gewaagd?’ –

– ‘Hij is zoo oud niet als hij wel lijkt: zeker is hij in de laatste jaren merkelijk afgevallen; – maar ja wel! hij heeft het beproefd, niet lang nadat gij van hier vertrokken waart. Zij heeft hem, gelijk aan meer anderen, gëantwoord:

Prince, je chéris trop ma chère liberté,

en heeft ons de vreugd niet willen ontzeggen van in haar een erftante te blijven beschouwen. Echter zijn zij goede vrinden gebleven, en daardoor ben ik in kennis geraakt met Henriëtte, voor welke tante van Bempden een bijzondere affectie heeft opgevat, en van wie zij dikwijls getuigt, dat zij het eenigste meisje is, dat welopgevoed van een kostschool terug gekomen is.’ –

– ‘Maar hoe komt het toch,’ vroeg ik, na een poos te hebben nagedacht, ‘dat die Heer Blaek zoo machtig rijk is, en dat zijn nicht, die toch de eigen dochter is van zijn broeder, niets bezit? Heeft de Heer Blaek van zijn vrouw die schatten geërfd?’ –

– ‘Hoor eens, hoe die jonge heer, die niet verliefd is, zich naar de zaken informeert! Maar denkt gij dan, dat ik de geschiedenis van die menschen zoo op mijn duimpje ken? – Of zijn vrouw geld had, weet ik niet; ik geloof, dat hij gelukkig in den handel geweest is, en bovendien ergens een aartige erfenis gedaan heeft; terwijl de vader van Henriëtte daarentegen den boel er door gelapt heeft, en elendig gestorven is. – Hoe dit zij, de slotsom blijft altijd, dat men haar, even als mij, om onze goede hoedanigheden zal moeten nemen; want dat wij anders groot gevaar loopen van als vrijsters te sterven.’ –

Hier werd het gesprek afgebroken door mijn moeder, die mij kwam onderhouden over de noodzakelijkheid van mij eenige nieuwe kleedingstukken, als hemden, koussen, enz. aan te schaffen: een onderwerp, dat, voor ’t oogenblik althands, nog belangrijker en zeker meer spoed vereischende was, dan mijn vrijerij naar een Juffrouw zonder geld. Daar mijn waarde lezers wellicht niet van deze meening zullen zijn, zal ik hun dit onderhoud schenken, en evenmin gewach maken van ettelijke bezoeken van goede vrienden en kennissen, die mij dien morgen met mijn behoudene aankomst geluk kwamen wenschen.

Wij waren, op den namiddag van denzelfden dag, aan het nagerecht gezeten, toen men aan mijn vader een gezegeld paket overhandigde, hetwelk hij werktuiglijk open deed, wanende dat het in betrekking tot zijn ambtsverrichtingen stond. Maar naauwlijks had hij er een vluchtig oog in geslagen, of verbaasdheid vertoonde zich op zijn trekken: zijn deftig gelaat ontplooide zich, en hij barstte uit in een luid gelach.

– ‘Dat gaat u meer aan dan mij, Ferdinand!’ zeide hij, mij den brief overreikende: ‘ja! lees maar overluid; het zijn geen geheimen?’ –

Ik nam den brief op en las niet zonder verbazing hetgeen volgt:

‘Edel Gestrenge Heer!

Gelijk het van ouds de gewoonte is geweest, dat alle braven zich verheugen over het geluk, dat aan vrome en aanzienlijke luiden te beurt valt, zoo moet de stoffe van blijdschap, welke aan UEG. en geëerde familie geschonken is, door de behoudene terugkomst van UEGs. uitmuntenden Heer zoon, ook bij alle rechtschapene ingezetenen dezer stad een billijke vreugde doen ontstaan.

Bij mij althands is die vreugde zoo levendig geweest, dat ik mijn gevoel deswegens niet heb kunnen noch willen bedwingen, maar hetzelve in hoogdravende klanken lucht heb moeten geven, welke ik toevertrouwd heb aan het nevensgaand papier.

Mocht UEG. op dit zwakke voortbrengsel mijner nederige zanggodinne een gunstig oog laten vallen, niets zoude aangenamer zijn aan hem, die onder ootmoedige aanbeveling in UEGs. protectie, de eer heeft te zijn met den diepsten eerbied,

UEG. Dienstvaardige en Gehoorzame

Dienaar en Hoogschatter

Lucas Helding.’

Mijn adres is op de

Raamgracht, ten huïze van

Heynsz, portretschilder.

Het ‘nevensgaand papier’ droeg tot opschrift:

JUBELZANG,

‘Uitgegalmd ter gelegenheid der voorspoedige wederkomste van den Weledelen Heer Ferdinand Huyck, Zoon enz.’

Daarop volgde een gedicht van ruim honderd regelen, vrij net geschreven, en niet beter noch slechter dan de meeste vaerzen, die men in dien tijd maakte: ik werd daarin bij Theseus vergeleken, die behouden te Athene terugkwam. Gelukkig kende de poeet mijn avonturen van Woensdag avond niet, anders had hij den Heer Bos als Minos, Amelia als de verlatene Ariadne en Andries als den Minotaurus kunnen laten optreden. Overigens werd ik overladen met loftuitingen en afgebeeld als

‘Een jongeling, de bloem der Aemstellandsche knapen,

Zoo kloek van lijf en leên, van inborst zoo rechtschapen,

Die zedigheid aan moed en geest aan vroomheid paart,

En in des levens bloei reeds toont een mannenaart.’

terwijl mijn vader de rijkste epitheta ornantia ontfing, die uit te denken, of bij de oude dichters te stelen waren.

Wij vermaakten ons allen met dit fraaie stuk en ten koste van den armen vervaardiger, uitgenomen mijn moeder, voor wie het genoeg was, dat Helding mijnen vader en mij Iofspraken gaf, welke zij ons in haar hart waardig keurde, en die beweerde, dat het een zeer zoet vaersje was, ofschoon hier en daar wat al te hoogdravend voor haar verstand.

– ‘’t Is een heerlijk denkbeeld, om Papa bij Egeus te vergelijken,’ zeide Susanna: ‘had hij nu maar geweten, hoe Papa ’s morgens in verlegenheid was, toen Ferdinand niet terug kwam, dan had hij die vergelijking nog verder kunnen uitwerken.., ofschoon Vader de dwaasheid niet zou gehad hebben van in ’t water te springen.’ –

– ‘Foei Santje! Wat zijn dat voor malle gezegdens?’ vroeg mijn moeder, die de geschiedenis van Egeus en Theseus niet volkomen helder voor den geest had.’ –

– ‘Wel! laat Frits u die historie eens verhalen,’ zeide mijn vader. ‘ Age puer! incipias! ’ –

En Frits, recht in zijn schik, van de op de Latijnsche School verkregene kunde te mogen luchten, verhaalde nu het geval in al zijn kleuren, hetgeen ik niet zal doen, ten einde aan de mamaas, die in het geval mijner moeder verkeeren mochten, gelegenheid te laten, zich daaromtrent door haar in de mythologie onderwezen zoontjens te doen inlichten, en zich in het geheugen der veelbeloovende knaapjens te verblijden.

– ‘Verbeeld u nu,’ zeide Susanna, nadat het verhaal geëindigd was, dat Papa, die eergister morgen niet anders dacht, of Ferdinand was door den Minotaurus ingeslokt, uit pure wanhoop denzelfden coup had willen doen als wijlen de Heer Egeus, en gij over hem stond, als Badeloch uitroepende:

‘Waar wilt gij heen? uzelf verdrinken in de gracht?

Wat zou dat een treffend schouwspel hebben opgeleverd.’ –

– ‘Nu! ik vind dat malle aartigheden,’ zeide mijn moeder.

– ‘Maar hoe komt die zotte vent van uw terugkomst af te weten?’ vroeg mijn vader.

– ‘Ik heb hem bij den Heer Blaek op Guldenhof ontmoet,’ antwoordde ik, en gaf nu op nieuw, ofschoon ditmaal in weinige woorden, verslag van mijn oponthoud aldaar.

– ‘’t Is een arme duivel,’ zeide mijn vader: ‘ poëta famelicus: en dat gedicht hebben wij niet voor niet; maar het zij zoo!’

– ‘Wij mochten hem toch wel ten eten vragen,’ zeide mijn moeder.

– ‘Niet te spoedig, beste schat!’ hernam mijn vader: ‘ik verlang hem niet tot gastvriend te hebben: wanneer wij zoo terstond bijten aan het eerste aas, dat hij ons toewerpt, dan hebben wij kans, dat hij ons niet loslaat, maar onze geheele familie lid voor lid bezingt.’ –

– ‘Wel dat ware niet onaartig,’ zeide Susanna: ‘ik ben nog wel ouder dan Jetje Blaek, en er is nog nooit een vaers ter mijner eere gemaakt. Het wordt hoog tijd, dat ik ook eens uit mijn vergetelheid rake. Ik zoude van mijn kant zeer hartelijk, wenschen, dat die pöeet eens verzocht werd. Ik wilde wel zien of ik hem niet tot mijn aanbidder maken kon.’ –

– ‘Santje! wat zijn dat voor zotheden, die u door ’t hoofd malen,’ zeide mijn moeder.

– ‘Ik bedank er hartelijk voor om den man in huis te halen,’ zeide mijn vader, ‘en ik wilde dat hij op zijn Pegasus naar China reed.’ –

– ‘Dat is een verwénsching en een vérwensching tevens,’ zeide Susanna.

– ‘Intusschen,’ vervolgde mijn vader, ‘zijn beleefdheid moet betaald worden, en daarmede dient Ferdinand zich te belasten, als zijnde ten dezen de geconcerneerde partij, heros celebratus . Zie daar twee dukaten: die zult gij naar gelang van zaken hem aanbieden of op de tafel laten liggen. Ik geloof, dat die hem nog beter te pas zullen komen dan een uitnoodiging aan onzen disch, die hem nog een fooi aan de meid kost. – Hij is overigens een eerlijke kaerel, die veel wederwaardigheden gehad heeft: en hij verdient een aalmoes, zoo niet voor het goede, dat hij doet, dan ten minste voor het kwade, dat hij nalaat: en dat zegt, helaas! al veel.’ –

– ‘En onder welke van die twee categoriën schikt UEd. zijn vaerzen?’ vroeg Susanna.

– ‘Onder geene, zottinnetje! dat is een gepatenteerde bedelarij, waar tegen geene plakkaten bestaan.’ –

– ‘Die toch wel noodig waren,’ hernam Susanna: ‘want ik ben van de meening van den Misanthrope, en zeg als hij, met betrekking tot slechte vaerzen:

Qu’un homme est pendable après les avoir faits .’

– ‘’t Is toch zonderling,’ merkte mijn vader aan, ‘dat de vrouwen altijd zoo crimineel zijn. Zoo men u tot Hoofdofficier, aanstelde, zoude er binnen de veertien dagen een oproer zijn.’ –

DigitalDroom Reader

Hoofdstuk XIV

XIV / XXXIX

Ik wandelde dan, niet lang na dat wij van tafel waren opgestaan, naar de Raamgracht, en vond weldra het huis, dat ik zocht, en hetwelk kenbaar was aan het, vrij slecht geschilderd, doch sprekend gelijkend afbeeldsel eener in Amsterdam te dier tijd welbekende groenvrouw, ’t welk achter de glasruiten der zijkamer geplaatst was, nevens een bordje, waarop in gekleurde letteren te lezen stond: zacharias heynsz , Portretschilder . Het was een ouderwetsch gebouwde woning, drie verdiepingen hoog behalve den zolder, met twee kruisramen naast elkander en een vrij hoogen recht opgaanden stoep. Ik schelde aan, de bovendeur ging open, en wel, even als zulks alleen in de toovergeschiedenissen en in sommige Amsterdamsche huizen plaats heeft, zonder dat men kon gewaar worden door welk middel: eerst toen ik opzag, ontdekte ik, aan het bovenste einde van een vrij steilen, van de voordeur door een kort portaal afgescheiden trap, iets dat zich in de duisternis bewoog en naar een vrouwelijke gedaante zweemde.

– ‘Wat is er van je dienst, Sinjeur?’ klonk de stem uit de hoogte.

– ‘Ik wilde Monsieur 6) Helding spreken.’ –

– ‘Kom maar op!’ antwoordde de stem: ‘en wees zoo goed, de deur weer achter je te sloiten.’ –

Ik ontsloot op dit verzoek de deur geheel, en na die weder behoorlijk gesloten te hebben, trad ik tastende naar boven, mij tot meerdere zekerheid vasthoudende aan de koord, welke langs den muur liep, en waarmede de vrouw, die boven stond, de deur had opengetrokken,’ –

– ‘Nou dat trappie op,’ zeide zij mij, zoodra ik bij haar stond: ‘en dan de derde deur aan je rechterhand; maar pas op! het is wat doister hier.’ –

En indedaad, het was zoo donker, dat ik werk had, mijn voeten op de rechte plaats nedertezetten. ‘Voorwaar’, dacht ik: ‘ per ardua ad astra! zoo onze dichter nooit den top van den Helicon bestegen heeft, het is niet, dat hij de gewoonte mist van te klimmen.’

Ik vond eindelijk de deur, welke ik zocht, en klopte aan.

– ‘Binnen!’ riep een stem, die mij toonde dat ik te recht was.

Ik trad in: het was een achterkamertje met één raam, waar van de ruiten voor de helft gebroken waren: de vloer was met roode tigchelsteenen belegd, hetgeen in heete zomerdagen zeer frisch, maar ’s winters wat koud moet geweest zijn; terwijl ook de bedstede zonder gordijnen geen zeer behagelijk aanzien had. Overigens bestond de geheele inboedel uit eene tafel, en twee stoelen. Op den eenen zat de bewoner zelf, met een blaauwe bakkersmuts op het hoofd, een rood baaien buis aan ’t lijf en koussen van touwwerk aan de beenen. De andere stoel was met de garderobe des goeden mans beladen: zijn degen stond er tegen aan: zijn pruik vercierde den eenen en zijn hoed den anderen knop.

Het vereischtte geen geringe mate van voorzichtigheid om den bewoner te naderen; daar de vloer grootendeels bedekt was met boeken, wier versletene, bemorste en gescheurde banden wel getuigden, dat de eigenaar meer hun innerlijke waarde dan hun uiterlijken tooi op prijs stelde.

– ‘Wel mijn Heer Huyck!’ zeide Helding, oprijzende en zijn kort, zwart gebrand, pijpje uit den mond nemende: ‘neemt UEd. waarlijk zelf de moeite? Waarom heeft UEd. de meid niet boven gestuurd: ik ware wel afgekomen en vriend Heynsz had ons zijn zijkamertje wel afgestaan.’ –

– ‘’t Is misschien wat vrijpostig, dat ik zoo op kom loopen,’ zeide ik: ‘maar de meid zeide mij, ik moest maar bovengaan. Ik kon niet nalaten, u mijn dank te betuigen voor de beleefdheid….’ –

– ‘Te veel eer, te veel goedheid,’ zeide Helding, terwijl hij mij zijn stoel aanbood en den anderen ontdeed van de daarop geplaatste kleedingstukken, die hij gezamentlijk op den bultzak in de slaapstede wierp: ‘maar wat ik UEd. bidden mag, neem toch eerst plaats. Ik ben geheel verlegen en confuis van de moeite, die UEd. neemt om zoo tot de hanebalken op te klimmen. – Ik woon hier wat hoog.’ –

– ‘Wel! dat is als het behoort,’ zeide ik, lagchende: ‘een pöeet kan niet te dicht bij de Goden huizen.’ –

– ‘UEd. gelieft te schertsen,’ antwoordde hij: ‘maar waarlijk, het is hier te hoog. Voor mij is dit niets: ik ben dit gewend: alleen ’s winters kan het hier wel wat bar zijn; doch ik blijf er gezond bij en vrolijk. En waarmede zal UEd. gediend zijn? Nectar of ambrozijn is hier niet te bekomen; maar ik heb toch nog een paar flacons echten cognacq, die mij overgebleven zijn van een vereering, mij gedaan door den waardigen Heere Willem de Bron, toen ik een dichtstuk gemaakt had op zijn goudene bruiloft.’ –

Ik kon niet nalaten van bij mijzelven te lagchen over de niet onaartige wijze, waarop Helding, terwijl hij mij beleefdheid aandeed, tevens de gelegenheid te baat nam, om mij te kennen te geven, dat hij gewend was, zijn liederen met een cadeau betaald te zien. Ik zocht mij met dat al jegens hem te verontschuldigen, zeggende, dat ik, zoo even van tafel komende, niets verlangde; maar het was vruchteloos praten; de gulle man kreeg een der kostbare fleschjens van onder zijn bedstede voor den dag en vulde daar twee kleine kelkjens mede, waarna hij mij zwijgend aanzag, als wilde hij zeggen: ‘nu ben ik gereed uw lofspraken aan te hooren.’ –

Ik liet hem dan ook niet lang in verlegenheid: en wetende, dat de menschen in ’t algemeen en de dichters in ’t bijzonder nog liever gevleid dan geprezen worden, zwaaide ik aan het flaauwe voortbrengsel zijner Muze meer lof toe dan ik aan de beste vaerzen van Vondel zoude geschonken hebben. Ik schaamde er mij wel wat over; maar wat zoude ik doen? de man had mij zulke onverdiende loftuitingen op rijm vereerd, dat ik hem wel met gelijke munt in proza diende te betalen. Hij hoorde mij zwijgend aan, met een glans van genoegen op het gelaat, nu en dan het bovenlijf buigende, en bij poozen een slokje uit zijn glaasje nemende, hetgeen hij met zooveel welgevallen scheen te proeven, dat het mij twijfelachtig voorkwam, wat hem beter aanstond, de lofspraak of de brandewijn.

– ‘Ach mijn Heer!’ zeide hij, toen ik mijn kraam van complimenten had uitgeput: ‘dachten alle menschen in Holland zoo als UEd. en legden zij allen zulk een juist oordeel en zulk een fijnen smaak aan den dag, het zoude er wat beter met ons Muzenzonen uitzien. Maar helaas! daar is in de zeven Provinciën, geen liefhebberij voor de dichtkunst meer.’ –

– ‘De Heer Blaek,’ zeide ik, ‘schijnt u nog al te beschermen.’ –

– ‘De Heer Blaek,’ antwoordde Helding, ‘is een waardige schutsheer der letteren en ik ben hem groote dankbaarheid verschuldigd. Jammer maar,’ vervolgde hij, een weinig bijschuivende, ‘dat hij zoo veel zaken in zijn hoofd heeft en daardoor somtijds zoo stil is, zoo afgetrokken. Soms gebeurt het, dat ik hem de beste regels voor lees, die ik ooit vervaardigd heb, en wanneer ik aan het einde ben en een klein compliment verwacht, dan schijnt hij als uit een droom te ontwaken, en vraagt an zijn zoon, hoe de wisselkoers op Genua is, of welken prijs de koffij op de laatste veiling gehaald heeft.’ –

– ‘Maar zijn zoon dan?’ zeide ik, zoetjens aan het gesprek op Henriëtte wenschende te brengen.

– ‘Zijn zoon! Een knap jong mensch! vol vernuft en geest; maar zoo wild! nu, de jeugd mag wel wat los zijn: hij schept er altijd vermaak in, den ouden Helding wat te plagen. Soms fluit hij een deuntje, terwijl ik aan ’t voorlezen ben, of maakt proppen en broodballetjens en knipt mij die tegen den neus. Ja! er zijn geene poetsen, die hij mij niet speelt. Heeft hij mij laatst niet buiten mijn weten een scharlaken lap op den rug gespeld en, quasi om een boodschap aan den pluimgraaf, naar de menagerie gestuurd, waar de kalkoenen mij aanvlogen als dol? En, een andere reize, toen ik een lichtkleurigen broek aan had, stuurde hij zijn honden een moddersloot in en liet die vervolgens tegen mij opspringen, zoodat ik, geen andere kleeding bij mij hebbende, den gandschen avond voor het keukevuur heb moeten zitten om mij te droogen, en zeker niet weer in de zaal had durven verschijnen, indien Mejuffrouw Henriëtte, van mijn ongeval gehoord hebbende, zich mijner niet ontfermd had en mij uit de oude plunje van haar oom een ander kleedingstuk had opgeschommeld. Zoo als ik zeg: het is een vrolijk Heer; maar ik moet het van hem wel verdragen! wij zijn zulke oude kennissen: en hij heeft soms wilde buien ook.’ –

Ik schudde het hoofd en beklaagde bij mijzelven den armen man, die op zijne jaren om een aalmoes zulke vernederingen dulden moest. ‘En Mejuffrouw Blaek,’ zeide ik toen: ‘zij althands schijnt u zeer genegen.’ –

– ‘O mijn Heer! Een engel is zij. Wel is waar, zij vat niet altijd de fijne knepen der pöezij; maar anders, een hart heeft zij … zoo als geen meisje uit de stad. Ja! zoo dat eens een huwelijk geeft, de Heer Lodewijk zal dan een juweeltje van een vrouw aan haar hebben, dat verzeker ik u.’ –

– ‘Is dat huwelijk reeds bepaald?’ vroeg ik, eenigzins onrustig.

– ‘De oude Heer zoude het gaarne zien; maar, tusschen ons gezegd,’ vervolgde hij op een vertrouwelijken toon: ‘de Heer Lodewijk wil, geloof ik, zijn vrijheid nog wel wat behouden: ja! ja! dat geeft somtijds onpleizierige tooneelen; maar ik mag niet uit de school klappen. Eergisteren onder anderen, toen UEd. Guldenhof verlaten had, was het er vrij onstuimig.. ja! de oude Heer heeft niet gaarne dat andere jonge lieden hun hof aan Juffrouw Jetje maken. Zoo ik mij op uwe bescheidenheid verlaten kon, zoude ik UEd. kunnen verhalen, wat er bij die gelegenheid voorviel.’ –

Ik antwoordde niets; want ofschoon vrij nieuwsgierig, wilde ik den man niet aanmoedigen om familie-twisten, waarvan het toeval hem getuige had gemaakt, aan mij te openbaren. De brandewijn had intusschen op Helding zijn invloed uitgewerkt en hem spraakzaam, of liever openhartig gemaakt. Hij nam mijn stilzwijgen op als een bewijs van toestemming en ging aldus voort:

– ‘Pas was UEd. uit het oog, of daar begon het lieve leven. De Heer Blaek zette een gezicht, zoo als hij alleen bij feestelijke gelegenheden doet: ‘past het een fatsoenlijk, wel opgebracht meisje,’ vroeg hij, ‘met een jong Heer alleen te zitten en drank met hem te gebruiken?’ Toen sloeg mijn lieve Flora (ik ben schertsender wijze gewoon haar Flora te noemen) haar oogjens neder en zeide: ‘Oom! ik heb geen drank geproefd: ik heb zelfs geen woord met den Heer Huyck gesproken, eer hij zich bekend gemaakt had.’ – Dat lieve stemmetje had de gewone uitwerking: en de omstandigheid, die zijn nicht hem mededeelde, scheen den ouden Heer een pak van ’t hart te nemen. ‘Zoo!’ zeide hij, ‘hadtje hem nooit meer gezien? Maar hoe weetje dan, of hij u geen knollen voor citroenen in de handen gestopt heeft: gij deedt beter om niet meer zoo alleen naar den koepel te gaan: er zwerft zoo veel slecht volk tegenwoordig langs den weg, en een gaauwdief neemt alle namen aan. Baas Roggeveld heeft ons immers verteld van die inbraak. ’t Is zeker volk van de bende van Zwarte Piet. En dan kleeden zich die schelmen soms als Heeren, en sluipen in de huizen, om te zien, of er iets van hun gading is.’ – ‘Ja!’ zeide de Heer Lodewijk: ‘en wanneer zij niets anders vinden, pakken zij de mooie meisjens ook al mede.’ – Ik kan u zeggen, mijn Heer Huyck, het denkbeeld deed mij schrikken! verbeeld u, mijn aanbiddelijke Flora,

Een pronkstuk dat het oog van ieder kan betooveren

Ontschaakt door ’t gruwzaam feit van goddelooze rooveren,

Gelijk de schoone, die Aleides had geroerd,

Bij (‘k weet niet welken) stroom door een Centaur ontvoerd.

En zoo vroeg ik, of het ook zaak ware, al het fraais dat de koepel bevatte naar huis te voeren; ‘want,’ zeide ik:

‘Want, Heer! geloof mij, volle kasten

Zijn niet vertrouwd bij zulke gasten.’

‘Maar meisje! meisje!’ zeide de oude Heer al wederom: ‘hoe konje toch zoo onvoorzichtig zijn, dien man hier binnen te laten?’ – ‘Wel,’ zei Juffrouw Jetje: ‘ik heb hem niet binnengelaten: hij is hier van zelf gekomen. Ik kon hem toch niet wegjagen: of had ik moeten naar huis vluchten en kles nat worden en den koepel open laten staan voor een iegelijk? – Maar ik kon immers wel zien dat hij een fatsoenlijk man was.’ – ‘Taratata!’ zei toen de oude Heer: ‘wat gaat dat mondje weer rad. Nu geef mij maar een zoen, Jetje! wij zullen er niet meer over spreken. Het is eigenlijk de schuld van Lodewijk: die had hier al lang moeten zijn om u af te halen; maar hij heeft zijn tijd met Helding op het biljard verbeuzeld. Kom Lodewijk, geef je nicht een arm.’ – ‘Neen,’ zei mijn lieve Flora: ‘ik weet wel, dat Lodewijk liever alleen loopt. Helding zal mijn cavalier zijn, zoo hij wil, en zijn regenscherm hem niet hindert.’ Wel,’ zei ik, ‘al had ik er duizend te dragen, en nog als Atlas een waereldbol bovendien op mijn schouders, ik zou mijn last niet tellen om zulk een eer te mogen genieten:’ – en zoo streek ik met de Juffer naar huis: terwijl de oude Heer niets deed als Lodewijk zuur aankijken, en Lodewijk een deuntje floot. – En och heden! ik kan het u wel zeggen, mijn Heer Huyck! UEd. zal er toch geen misbruik van maken: ik weet heel goed, wat het liedje was, daar hij de wijs van neuriede, en waarom de oude Heer er zoo korselig over was. Het is omtrent zoo:

Ja! Zij is aartig jong en teêr;

Maar ‘k min de gulde vrijheid meer.

Ik wil, ik wil haar niet.

Een breidel knelt, ofschoon van goud:

Te vroeg getrouwd, te laat berouwd.

Ik wil, ik wil haar niet. –

En dat maakte ook, dat de oude Heer geen woord sprak over tafel en dat zij ’s avonds vrij wat woorden hadden met elkaêr. ’t Was goed, dat zij beiden gisteren morgen ieder op zijn eigen gelegenheid naar stad keerden, en daardoor de twist niet hervat kon worden. – Intusschen: de oude Heer is danig op die verbindtenis gesteld, en als de Heer Lodewijk wat wijzer en bedaarder is geworden, zal hij zijns vaders zin toch wel doen. – ’t Is maar niet pleizierig, dat het zoo veel gehaspel geeft; – maar in ’s hemels naam! mondje dicht mijn Heer Huyck!’ –

– ‘Geen woord zal er van over mijn lippen komen,’ zeide ik: – ‘maar mij dunkt, dergelijke tooneelen en een dergelijk vooruitzicht moeten voor Mejuffrouw Blaek alles behalve aangenaam zijn.’ –

– ‘Dat is waar,’ hernam Helding: ‘maar zij heeft het anders kostelijk bij haar oom. ’t Is hartje wat lustje, mondje wat begeerje? De oude Heer heeft haar lief als den appel van zijn oogen. En zij verdient het; want zij is een engel. Och! als ik haar zoo aanzie!…’ hier hield hij in eens op, schudde het hoofd, zag voor zich: en een paar tranen rolden den ouden man langs de wangen.

– ‘Wat schort er aan?’ vroeg ik, eenigzins verbaasd over deze verandering in ’s mans gemoedsgesteldheid, en niet wetende, waar ik zulk een plotslings opgekomen droefgeestigheid aan had toe te schrijven.

– ‘Och!’ hernam hij met een zucht: ‘als ik haar aanzie, dan herinner ik mij altijd mijn Klaartje:… dat was ook zulk een lief vroom kind, en had ook zulk een paar groote vriendelijke oogen, even als zij. – Och ja! zoolang zij bij mij was, ging het mij nog goed en leefde ik niet in elende en eenzaamheid zoo als thands: en schoon wij het niet breed hadden, wij waren te vrede: alles was altijd netjens en knap om mij heen: Klaartje verdiende ook wat voor de huishouding: en als zij dan te huis was van den winkel, en over mij zat om een muts of hoed op te maken, en luisterde naar mijn vaerzen, – kijk! dan was ik zoo gelukkig, dat ik het met geen Burgemeester zoude geruild hebben; maar nu is dat alles voorbij: ik leef alleen en verlaten en niemand bekommert zich over den armen Helding. – ’t Is waar, ik heb den naam van een vrolijken snaak te zijn: – en dat ben ik ook, in gezelschap; om dat ik van aart gezellig ben en die droevige gedachten dan uit het hoofd stel. Maar als ik alleen ben, och! dan heb ik somtijds bange oogenblikken.’ –

– ‘Gij hebt dus het ongeluk gehad, uw dochter zoo jong te verliezen?’ vroeg ik deelnemend.

– ‘Te verliezen, juist mijn Heer!’ antwoordde hij, somber voor zich ziende.

– ‘Zulk een verlies is zeker onherstelbaar,’ zeide ik: ‘maar de herinnering aan de goede hoedanigheden der afgestorvene zal bij u toch niet louter pijnlijke, maar ook wel zachte en streelende aandoeningen verwekken.’ –

– ‘Der afgestorvene!’ herhaalde hij: ‘gave de hemel dat zij gestorven ware!.. ofschoon het mogelijk is… ik weet het niet. – Neen mijn Heer! zij is mij niet door den dood ontvallen. Zij heeft mij verlaten, mij, haar vader, die haar zoo lief had. Zij is de wijde waereld ingegaan: – en wat is de wijde waereld anders voor een jong meisje als zij was, dan de verderfenis? – Doch ik moest daarover niet spreken: – het is alles wellicht mijn schuld: ik had haar beter gade moeten slaan. Vergeef mij, mijn Heer! het past mij niet, u over mijn eigen leed te onderhouden.’ –

– ‘En waarom niet?’ vroeg ik, een innig medelijden met den man gevoelende: ‘het geeft altijd troost, zijn pijnlijke gedachten te kunnen uitstorten bij iemand, die het wel met ons meent.’ –

– ‘Neen, mijn Heer!’ zeide hij, met meerdere waardigheid dan ik gedacht had, dat hij kon aannemen: ‘er zijn rampen van dien aart, dat haar mededeeling geene troost kan aanbieden. – Er ware slechts een ding, dat mij opbeuring zoude kunnen geven, en dit zoude het bericht zijn, dat zij van den slechten weg, dien zij bewandelt, ware teruggekeerd. Och! dat het verloren schaap berouwhebbend weder bij mij kwame! Ik zoude haar immers weer aan mijn hart drukken en alles zoude vergeten en vergeven zijn: zij zoude mijn armoedje deelen: en misschien beleefden wij nog gelukkige dagen.’ –

– ‘Maar, zoo ik vragen mag, hebt gijzelf geene poging gedaan om haar op te sporen en van het doolpad af te brengen?’ –

– ‘Och mijn Heer!’ antwoordde hij, de schouders ophalende: ‘tot zulke nasporingen is geld noodig: en dat heb ik niet. Ik ben al meer dan eens bij den Onderschout over de zaak geweest; maar die wil er niets aan doen, en zegt, dat hij wel dagwerk zoude kunnen krijgen, van al de meisjens op te zoeken, die de Breeveertien op zijn.’ –

– ‘Nu,’ zeide ik, ‘zoo de Onderschout u niet wil voorthelpen, waarom zijt gij dan niet tot mijn vader gegaan?’ –

– ‘Tot den Ed. Gestr. Heer Hoofdofficier! Ho! dat durfde ik zoo niet: dat ware te onbescheiden geweest.’ –

– ‘Onbescheiden!’ herhaalde ik: ‘onbescheiden, om mijn vader in zijn ambtsbetrekking te spreken? – Zoo gij daarvoor vreest, dan wil ik uw boodschap wel doen.’ –

– ‘Wel! ik zoude UEd. de moeite niet hebben durven vergen; maar och ja! doe dat, mijn Heer Huyck! Ik zal er u levens lang voor dankbaar zijn.’ – En de tranen glinsterden den man in de oogen, terwijl hij mijn handen drukte: ‘Och!’ vervolgde hij, ‘wat heb ik een gelukkige ingeving gehad, van UEd. dat gedicht te zenden; anders ware ik nooit met UEd. in kennis gekomen. – Ik was eerst al huiverig, of UEd. het niet te gebrekkig zoudt vinden; want ik had het nog niet in mijn vriendenkrans voorgelezen en het was dus nog onbeschaafd.’ –

– ‘Is dat anders uw gewoonte?’ vroeg ik, eenigzins verwonderd; want ik was niet op de hoogte van de manier, die onder onze zoogenaamde dichters heerschte.

– ‘Wel zeker, mijn Heer! – Wij hebben een vereeniging om de veertien dagen, waar de braafste dichtgeesten der stad leden van zijn: daar lezen wij onze vaerzen voor, en ieder maakt zijn aanmerkingen: en dan worden de zwakke regels naar het gevoelen der meerderheid verbeterd. – O! het is een zeer vermakelijk gezelschap! Mijn eenig leedwezen is, dat ik de vrienden niet tot mijnent kan ontfangen; want helaas! dat gedogen mijne omstandigheden niet. Anders, wij mogen een gast inleiden: en ik zoude het mij tot een eer rekenen,… maar het ware al te onbescheiden, zoo iets te durven hopen.’ –

– ‘Wel waarom dat?’ zeide ik lagchende, en in de veronderstelling, dat daarvan wel nooit iets komen zoude: ‘ik zoude zeer gaarne dien krans eens bijwonen. – Maar het wordt mijn tijd, mijn Heer Helding! en ik zal u verlaten. – Nu! ik beloof u, ik zal uw zaak ter harte nemen.’ –

Helding hernieuwde zijn betuigingen van dankbaarheid en van vreugde over de eer van mijn bezoek: en, na de twee dukaten behendig in mijn kelkje te hebben laten vallen, wilde ik mij verwijderen; maar, ondanks mijn tegenzeggen, begeerde hij volstrekt mij uitgeleide te doen en mij op den trap voor te gaan, waarvan hij door dagelijksche gewoonte best in staat was mij de afgesleten treden aan te wijzen. Halverwege gekomen, waar een klein zijportaaltje naar de deur eener voorkamer geleidde, hield hij stil en luisterde.

– ‘’t Is of men het daar binnen niet eens is,’ zeide hij, op de gesloten deur wijzende.

– ‘Indedaad,’ zeide ik: ‘mij dunkt, er vallen hooge woorden.’ En ik stond insgelijks stil; want de stemmen kwamen mij bekend voor.

– ‘Het is, zoo waar ik leve, de Heer Lodewijk Blaek!’ zeide Helding: ‘misschien zocht hij mij en heeft hij zich eene verdieping vergist.’ –

– ‘Stil!’ zeide ik, met drift, terwijl ik aandachtig luisterde: – ik hoorde een vrouwestem, welke ik verre was van hier te verwachten, met kracht de navolgende woorden zeggen:

– ‘Nog eens, mijn Heer! ik verzoek u, dit vertrek te verlaten, of gij zult mij dwingen, om hulp te roepen.’ –

– ‘Is het wel mogelijk!’ riep ik: en terstond, door een onwillekeurige gemoedsbeweging voortgestuwd en zonder over de gevolgen na te denken, stootte ik de deur open en trad binnen. Ik had mij niet bedrogen. Midden in het vertrek stond Amelia, met vlammende oogen en in een houding, eener Vorstin waardig, en wees met uitgestrekten arm de deur aan Lodewijk Blaek, die volstrekt niet genegen scheen aan den wenk te voldoen.

Mijne binnenkomst veroorzaakte geen geringe uitwerking. Amelia herkende mij terstond: zij kleurde even, en, haar arm latende vallen, deed zij eene schrede zijwaart naar mij toe, als wilde zij zich onder mijn bescherming stellen.

– ‘Wie is daar?’ vroeg Lodewijk, die met den rug naar ons toe stond en zich eensklaps omkeerde: hij herkende mij, verschoot van kleur; maar herstelde zich dadelijk en zag beurtelings Amelia en mij aan met een schamperen glimlach.

– ‘Aha!’ zeide hij: ‘ziedaar een welkomer gast! Nu zie ik in de daad, dat ik het veld zal moeten ruimen.’ –

Ik gevoelde de noodzakelijkheid van een poging aan te wenden, om zijn kwade vermoedens weg te nemen.

– ‘Mijn Heer!’ zeide ik, ‘gij bedriegt u. Ik verklaar u als man van eer: ik was onbewust, dat deze Juffer hier woonde, en, van een bezoek bij den Heer Helding terugkomende, vond ik mij genoopt, binnen te treden, omdat ik mij verbeeldde, dat hier iemand onbehoorlijk behandeld werd.’ –

– ‘Mijn Heer!’ zeide Lodewijk: ‘zoo ik het ben, wien gij een onbehoorlijke handelwijze toeschrijft, dan zult gij mij rekenschap van die uitdrukking geven.’ –

– ‘Ik zeide alleen, dat ik mij zulks verbeeldde,’ hernam ik, ongezind mij een noodeloozen twist op den hals te halen: ‘Mejuffrouw alleen kan hier beslissen of mijn vermoeden ongegrond was.’ –

– ‘o! Mademoiselle zal u wel gelijk geven,’ hernam Lodewijk, met bitterheid: ‘want dat gij, die met haar in de stad zijt gekomen, niet zoudt weten, waar zij zich ophield, dat zult gij mij toch niet wijs maken.’ –

– ‘Wees voorzichtig!’ zeide ik, gevoelende, dat ik warm werd: ‘ik ben niet gewoon, dat iemand aan de waarheid mijner gezegden twijfelt.’ –

– ‘Om ’s Hemels wil! mijn Heer Lodewijk! mijn Heer Huyck! bezit uw zielen toch in lijdzaamheid!’ riep Helding, angstig tusschen ons intredende: ‘verstaat elkanderen:

En laat geen dwaze twist uw beider ziel doen blaken!’

– ‘Gij hebt mij gëaffronteerd!’ zeide Lodewijk, de hand aan zijn degen slaande: en gij zult er mij rekenschap van geven.’ –

– ‘Wanneer gij wilt,’ hernam ik in drift: ‘maar wij zullen eerst beide dit huis verlaten, en aan Mejuffrouw het bijwonen van zulke ergerlijke tooneelen besparen.’ –

– ‘Tot uw dienst,’ zeide Lodewijk, zich den hoed in de oogen drukkende, en Helding, die hem bij den arm hield, ter zijde schuivende.

– ‘Een oogenblik!’ riep Amelia, zich snel bij de deur plaatsende: ‘mijn Heer!’ vervolgde zij tot Lodewijk: ‘ik heb u zoo even verzocht mij te verlaten: thands begeer ik, dat, zoo gij prijs stelt op den naam van een fatsoenlijk man, gij mij nog een oogenblik aanhoort. Deze Heer heeft de waarheid gesproken. Hij wist niet, hij kon niet weten, dat ik mij hier in huis bevond. Hoe gij mij hebt weten uit te vorschen, is een raadsel, dat ik niet verlang te onderzoeken. Ik weet niet, welke gedachten gij omtrent mij koestert en wil die ook niet kennen; maar dit verklaar ik u, dat alle beledigende uitlegging, die gij aan mijne korte kennis met den Heer Huyck zoudt willen geven, op verkeerde gronden berust.’ –

– ‘Dacht ik het niet?’ zeide Lodewijk: ‘ Mademoiselle is te beleefd om mijn Heer tegen te spreken.’ –

– ‘UEd. ziet het, Mejuffer!’ zeide ik: ‘deze Heer wil geen reden verstaan en heeft vast besloten om uit al wat hij ziet of hoort valsche gevolgtrekkingen te maken.’ –

– ‘Waarlijk, mijn Heer Lodewijk!’ zeide Helding: ‘UEd. is in dwaling: het was wel degelijk aan mij, dat de Heer Huyck een bezoek kwam geven: en ZEd. zoude deze deur stilletjens zijn voorbij geloopen, indien ik ZEd. niet op het gerucht opmerkzaam had gemaakt.’ –

– ‘Mijn Heer!’ zeide Amelia, zich tot den dichter wendende: ‘gij zijt een man van jaren: ik bid er u om: vereenig u met mij, om deze Heeren te verzoeken, mij te verlaten en te vergeten, dat zij mij ooit gekend hebben.’ –

– ‘Kom Helding! gij hoort het,’ zeide Lodewijk, spottende: ‘neem mij dan bij den arm en gooi mij de deur uit.’ –

– ‘Het is genoeg, mijn Heer!’ zeide ik: ‘gij hebt verstaan, dat Mejuffrouw alleen wenscht te zijn: en gij zult haar verlangen eerbiedigen zoo wel als ik: en zoo gij daaraan niet vrijwillig voldoet, zal ik zoo vrij zijn te doen, wat gij aan Monsieur Helding voorstelt.’ –

Onder het uitspreken dezer woorden nam ik hem bij den arm, en er ware ongetwijfeld een tooneel van geweld op gevolgd, toen de deur weder open ging en Heynsz, de huisheer, in eigen persoon binnen trad.

– ‘Mij dunkt,’ zeide hij, ‘dat men het hier niet eens is, en dat hier meer leven gemaakt wordt, dan betaamt in een fatsoenlijk huis. Ik wist niet, Mademoiselle! dat UEd. ontfing zulke drukke visites. Had ik kunnen raden dat dit was uw habitude, ik had u niet verhuurd deze appartementen; want ik ben niet gewoon… maar wat zie ik? mijn Heer Blaek! gehoorzame dienaar! Hoe vaart uw Heer vader? mijn goede vriend Helding ook al hier! mijn Heer Huyck! welkom in ’t Vaderland? Maar mag ik weten, wat dit alles heeft te beduiden?’ –

– ‘O! niets ter waereld!’ zeide Lodewijk: ‘ik kwam aan de Juffer een bezoek geven: en mijn Heer begrijpt, dit kwalijk te moeten nemen.’ –

– ‘Monsieur Heynsz,’ zeide Amelia, met waardigheid: ‘ik heb deze kamer van u gehuurd en dit geeft mij recht om te vorderen, dat ik er mijn vrijheid op moge genieten.’ –

– ‘Uw vrijheid! Certainement! ’ zeide Heynsz, die haar verkeerd begreep: ‘niemand kan u verbieden, te ontfangen visites; maar dit huis heeft altijd gejouisseerd van een honnetten naam: en ik logeer geene dames, die… die meen ik… Heeren bij zich ontfangen. UEd. verstaat mij?’ –

– ‘Neen mijn Heer! Ik versta u niet,’ zeide Amelia, terwijl zij kleurde van schaamte en verontwaardiging: ‘en gij verstaat mij nog minder: ‘ik begeer juist vrij te zijn om niemand te ontfangen: en als Heer des huizes zult gij mij verplichten, zorg te dragen, dat niemand mijne kamer kome oploopen als of…. het een herberg ware. Ik wil alleen zijn, en zoo mij dit niet vergund wordt, zal ik naar een ander verblijf moeten uitzien.’ –

– ‘Mij dunkt,’ zeide ik, Heynsz aanziende, ‘dat Mejuffrouw niets onbillijks vordert.’ –

– ‘Integendeel!’ zeide hij: ‘zij spreekt als een boek: ik was in erreur. Allons! mijn Heeren: gij hebt gehoord de intentie van Mejuffer. Kom, vriend Helding! opgemarcheerd.’ –

– ‘Ik heb de eer nederig mijn compliment te maken aan het geëerd gezelschap,’ zeide Helding, terwijl hij rondboog met de blaauwe muts in de hand, en vertrok.

Gerustgesteld door de tegenwoordigheid van Heynsz, in wiens bijzijn ik begreep, dat Amelia geene belediging te vreezen had, maakte ik insgelijks een buiging en verliet de kamer, doch bleef in ’t portaal staan, daar ik Blaek niet wilde ontloopen.

– ‘Vaarwel! fiere schoone!’ zeide deze, die nu wel inzag, dat hij voor het oogenblik alle hoop moest opgeven; ‘het doet mij recht leed, dat ik u misschien gedwongen heb te veinzen, dat gij met dien Heer niets uitstaande hadt. Nu! ik begrijp, dat hij de oudste brieven heeft, en zal u heden niet meer lastig vallen. – Mijn Heer Huyck! gij gaat nog niet heen! Ik heb u twee woorden te zeggen.’ –

– ‘Ik wachtte u,’ zeide ik, langzaam voor hem uit de trappen afdalende.

– ‘ Eh bien! wat zal dat zijn?’ riep Heynsz, ons achter navolgende: ‘de Heeren zullen immers zoo dwaas niet zijn, op straat te maken rusie! Indien zij nog questie samen hebben, mag ik dan verzoeken, dat zij komen in mijn zijkamer en daar bedaard met elkander spreken over deze affaire .’ –

Onder het uiten dezer woorden was hij ons reeds voorbijgeschoven, en, terwijl hij de voordeur met de eene hand dichtsloot, opende hij met de andere die van de zijkamer. Er zat dus niets anders op, dan aan zijn verzoek te voldoen. Ik ging dadelijk binnen en bleef tegen den rug van een stoel leunen, in afwachting van hetgeen volgen zoude. Lodewijk trad mij eenigzins schoorvoetende en mompelende na, en hield zich, als ware hij verdiept in de beschouwing van eenige portretten, die aan den wand hingen. Toen trad Heynsz binnen, sloot voorzichtig de deur achter zich toe, schoof stoelen aan en zette zich zelf in een armstoel, met al de deftigheid van een Turkschen Bassa: en ik kon niet nalaten van bij mijzelven te lagchen om de vergelijking, welke ik maakte tusschen den gehoorzamen ambtenaar, die de bevelen van den Hoofdschout staande en zonder tegenspraak aanhoorde, en den deftigen huisheer, die des Hoofdschouts zoon in ’t verhoor ging nemen.

– ‘Mijne Heeren!’ zeide hij, ‘zoodra wij alle drie gezeten waren: ‘ik weet bij eigene experientie, waartoe jeugdige passie kan vervoeren ons allen. Ik heb daar exempels van gezien bij menigten. De Heeren weten, dat ik al wat traversen en rencontres heb gehad.’ –

– ‘Met verlof,’ zeide Lodewijk, de beenen over elkander kruissende, en op zijn horologie ziende: ‘kunt gij het niet wat kort maken? want ik moet te zes uren bij La Place zijn om een paar harddravers te probeeren, en het is nu al quartier.’ –

– ‘Het is verre van mij, UEd. te willen ophouden,’ hernam Heynsz: ‘alleen, mag ik zoo vrij zijn van te vragen, wat het motief is van de questie?’ –

– ‘Ik ben niet gewoon,’ zeide Lodewijk, ‘bij een zaak van eer andere lieden in te halen, dan Cavaliers van mijn stand.’ –

– ‘Wat mij betreft,’ zeide ik, ‘ik wil gaarne Sinjeur Heynsz tot scheidsman nemen: zijn stand of de onze doet hier niets toe: hij heeft recht te onderzoeken, wat er in zijn huis is voorgevallen: en, oprecht gesproken, ik acht het voor alle partijen verkieslijker, dat over deze zaak buiten af geen gewach gemaakt worde. Ik ben dus bereid, alles, zoo als het zich heeft toegedragen, te verhalen: en dan zal de Heer Blaek zelf bespeuren, dat er eigenlijk geen reden tol geschil bestaat.’ –

– ‘Zoo gij mij liever verschoning wilt vragen, dan met mij een wandeling buiten de poort te doen, dan zeker is alles spoedig gevonden,’ zeide Lodewijk, mij spotachtig aanziende.

– ‘Ziedaar, wat wij nader zien zullen,’ zeide ik: ‘laat mij, als ’t u belieft, eerst uitspreken. Ik begin, met te bekennen, dat UEd., oordeelende naar de omstandigheden, voor zooverre zij bekend zijn, misschien aanleiding hebt kunnen vinden, om te denken, dat de Juffer geen weerstand aan uw voorstellen zoude bieden; maar, vergun mij UEd. te zeggen, dat, toen zij u met nadruk verzocht, haar te verlaten, en UEd., in weerwil daarvan, haar met uw bijzijn lastig bleeft vallen, uw gedrag niet langer te rechtvaardigen was.’ –

– ‘Voor den duivel!’ riep Lodewijk driftig, ‘neemt gij het op dien toon? – Bah!’ vervolgde hij, lagchende: ‘ik heb er wel honderd gekend, die eerst zoo koppig waren als stieren en naderhand zoo mak als lammetjens, zoodra ik de geeltjens liet klinken.’ –

– ‘Wel mogelijk!’ hernam ik, op een koelen toon: ‘maar dat zoude niet licht het geval worden met de Juffer hier boven. UEd. hebt haar door uw gedrag beledigd: en ik, door op het gerucht toe te snellen en haar partij te nemen, heb niets anders gedaan dan hetgeen elk ander en UEd. zelf in mijne plaats verricht zoudt hebben.’ –

– ‘Wel niets was natuurlijker,’ zeide Lodewijk: ‘gij wildet gaarne uw lief voor u alleen houden.’ –

– ‘Ik herhaal nogmaals, en op het plechtigst,’ vervolgde ik, ‘dat mijne kennis aan haar slechts toevallig en zeer gering is, en dat ik verder niets met haar uitstaande heb. Wat ons betreft, mijn Heer! wij hebben elkander een paar woorden toegevoegd, waartoe de warmte van het gesprek aanleiding heeft gegeven. Gold het ons alleen, ik zoude niet aarzelen, u voldoening te schenken; maar bedenk, dat wij in dit geval, om een armhartig punt van eer, de reputatie van een fatsoenlijk meisje in de waagschaal stellen: en dit betaamt noch u, noch mij.’ –

– ‘Braaf gesproken!’ zeide Heynsz: ‘een fatsoenlijk meisje is het: “haar papa woont te Deventer: van Beveren heet hij: zij is een nicht van den Notaris Bouvelt, en had moeten logeeren bij hem; maar de man, hij is heel ziek, en had daarom hier een kamer voor haar gecommandeerd.” –

– “’t Is zeker wat verhevens! de nicht van een Notaris!” zeide Lodewijk, zijn das ophalende en een gezicht zettende als of hijzelf de neef ware van den Grooten Mogol.’ –

– ‘Dat is hetzelfde, mijn Heer!’ zeide Heynsz: ‘ik ben maar een portretschilder; maar voor dat iemand affronteere die Juffer, ik zelf zoude opnemen haar defensie: ik heb ook de kling leeren manieeren in Frankrijk, en geëchangeerd kogels met luiden van goede noblesse . Wat u betreft, mijne Heeren! ik laat u niet van hier gaan, maar zal zenden een boodschap aan uw ouders, zoo gij niet belooft aan mij, de zaak te termineren in goeden vrede.’ –

– ‘Gij zijt een onbeschaamde vlegel,’ zeide Lodewijk, driftig opstaande.

– ‘Neen mijn Heer! ik ben een portretteur,’ zeide Heynsz: ‘maar ik heb genoeg experientie, om te weten hoe te handelen met lieden die volontair zijn, als UEd.’ –

– ‘Ik wou wel eens zien, dat iemand mij hier hield,’ zeide Lodewijk, de hand aan zijn degen slaande: ‘wat u betreft, mijn Heer Huyck! ik zie wel, dat alle praatjens niet helpen. Ik zal u heden avond nog een briefje schrijven en u een plaats aanwijzen, waar wij de zaak ongestoord kunnen vereffenen. En nu, Heer Portretkladder! ruim baan! en maak de deur open, of ik rijg u aan mijn degen.’ –

– ‘Bah!’ zeide Heynsz, bedaard oprijzende: ‘ik ben niet de waard uit het Hagendoornsche Bosch.’ –

– ‘Wat bedoelt gij daarmede? vroeg Lodewijk, terugdeinzende, terwijl zijn gelaat zoo wit werd als papier.

– ‘Ik bedoel daarmede, dat er geschieden dingen, die men waant niet te zijn bekend, en die tot resultaat zouden kunnen hebben, dat zekere lieden, bon gré mal gré, op de binneplaats van het Stadhuis, onder den blaauwen hemel, zouden kunnen hooren voorlezen zeer onaangename dingen.’ – 7)

– ‘Gij zult mij die woorden nader ophelderen,’ zeide Lodewijk, Heynsz bij den arm nemende en ter zijde trekkende, als vreezende, dat ik iets van het antwoord verstaan zoude.

– ‘Direkt!’ zeide Heynsz: en te gelijk de deur openende, ging hij het portaal in, waar Lodewijk hem volgde als een hond die slagen heeft bekomen. Heynsz luisterde hem iets in ’t oor: en na een kort en driftig gesprek, keerde de onstuimige jongeling terug en zeide, met een heesche stem en zonder mij aan te zien:

– ‘Wij zullen de zaak maar blaauw blaauw laten, mijn Heer Huyck! Ik ben wat driftig geweest, en Sinjeur Heynsz heeft mij alles opgehelderd.’ –

– ‘Ik verlang niets liever,’ antwoordde ik, met een stijve buiging. Lodewijk moffelde even aan zijn hoed, ’t geen voor een groet moest doorgaan, en vertrok.

– ‘Door welke tooverspreuk hebt gij hem zoo mak gemaakt?’ vroeg ik aan Heynsz, zoodra deze terugkeerde.

– ‘Ziedaar wat ik zou vertellen aan UEd., maar aan geen ander,’ zeide deze: ‘die Sinjeur Blaek heeft onlangs met eenige Compagnons, mauvais garnemens comme lui, den boel opgeschept in een nachthuis en den waard gegeven een coup d’épée, waar de man van heeft moeten houden een maand lang het bed. Die zaak is gëapaiseerd, omdat het waren jongelieden van den fatsoenlijksten stand, en dat een van hen is geweest roijaal genoeg om te geven aan den gewonde een goede som gelds. Maar deze Sinjeur Blaek, die eigenlijk was het meest coupabel, heeft niets van zich doen hooren, en dacht, dat niemand hem had verklapt. Nu heb ik hem gegeven te kennen, dat ik die affaire wist, hairklein.’ –

– ‘En schroomt gij niet,’ vroeg ik, ‘dat hij daardoor uw betrekkingen tot de Justitie zal leeren kennen?’ –

– ‘Geen nood: hij zal niet, al soupçonneerde hij iets, daarvan spreken durven. Ik heb hem gezegd, dat, zoo hij u molesteerde, het muisje zou hebben een staartje.’ –

– ‘Ik ben u dankbaar voor de genomene moeite; maar toch ongaarne zoude ik zien, dat hij mij voor een lafbek hield.’ –

– ‘Hoor mijn Heer Huyck! doe wat gij wilt op een andere plaats: dat kan ik niet verhinderen; maar ten mijnen huize zal, zoo ik helpen kan, uw vaders zoon niet betrokken worden in eenige querelles . Voelt UEd.? Wat behoeft dat tumult? ’ –

– ‘Het was niet uit vrees voor dien Heer Blaek, maar om den wille van de Juffer, dat ik gerucht vermijden wilde.’ –

– ‘Bah!’ zeide Heynsz, terwijl hij lagchende den vinger omhoog hief: ‘ik heb te veel experientie om mij te laten foppen. UEd. zal mij geen loer draaien, zoo als UEd. gedaan heeft den Heer Blaek. Ik weet ook wel, dat UEd. op een beteren voet staat met die mamzel als UEd. wel weten wil.’ –

– ‘Wat!’ zeide ik, onthutst: ‘gij weet..’ –

– ‘Dat UEd. met haar van Naarden gëarriveerd zijt! Of ik het weet… maar wees niet bang: ik weet wat ik moet zeggen of zwijgen. Ik zal het niet over-vertellen aan Papa.’ –

Men kan zich licht voorstellen, welk een onaangenaam gevoel ik ondervond, op de gedachte, dat ik van de bescheidenheid diens mans afhing. Maar tevens begon ik vrees te voeden, of Heynsz ook van mijne bekendheid met Ameliaas vader bewust ware.

– ‘Nu ja!’ zeide ik op een onverschilligen toon: ‘ik heb met haar in de Naarder schuit gezeten. Wat zou dat?’ –

– ‘ Juste! maar UEd. heeft niet gepasseerd de nacht te Naarden: evenmin als zij.’ –

Ik hield mijn oogen strak op hem gevestigd; maar ik kon niet doorgronden of hij mij wilde toonen, dat hij het geheim wist, dan wel of hij het integendeel zocht uittevorschen. Ik begreep in allen gevalle zeer voorzichtig en op mijn hoede te moeten zijn, en zeide, zoo bedaard als in mijn vermogen was:

– ‘Gij, die alles weet, gij weet toch niets, dat ten nadeele van die Juffer kan strekken?’ –

– ‘In het minste niet,’ antwoordde hij: ‘ware het anders, ik zoude haar niet logeeren in mijn huis. Ho! ho! Men bedriegt niet Heynsz: ik badineerde maar; doch, franchement, indien het een ander ware geweest als UEd., die met haar had gemaakt de reis, ik zou toch nemen de moeite van mij te informeeren, hoe gij beide u zoo à l’improviste bevondt te Naarden, zonder dat iemand weet, hoe en vanwaar gij daar zijt gëarriveerd.’ –

Ik herleefde; want nu bleek mij, dat hij niets bepaalds wist: ‘welnu!’ zeide ik, ‘daar wij geen van beide verdachte personen zijn, noch Mejuffrouw van Beveren, noch ik, zoo raad ik u maar, u daarover niet verder te bekommeren. Er zijn zaken van meer belang, die uw onderzoek kunnen bezig houden.’ –

Met deze woorden rees ik op, nam mijn afscheid en verliet het huis, niet weinig ontevreden over het noodlot, dat mij scheen te vervolgen en tegen wil en dank van de eene avontuur in de andere te halen en een rol te doen spelen in allerlei zaken, waarmede ik niet verlangde iets te doen te hebben.

DigitalDroom Reader

Hoofdstuk XV

XV / XXXIX

Indien mijn waarde lezers het bovenstaande naauwkeurig hebben gelezen en onthouden, zullen zij zonder veel moeite kunnen uitrekenen, dat de dag, volgende op dien, waarop mijn ontmoeting ten huize van Heynsz plaats had, een Zaturdag was, en wel die, waarop tante van Bempden mijn zuster en mij zoude komen afhalen om ons naar haar buitengoed te begeven. Niet veel later dan negen ure hield haar koets voor onze deur stil, terwijl Susanna en ik reeds een geruime poos in de zijkamer hadden staan draaien, onze zakuurwerken met de staande klok vergeleken, over den juisten tijd gekibbeld, en het oneens waren geweest of de Muntklok voor- of achteruit gezet was, en voor de tiende maal aan onze moeder haar tienmaal herhaalde vraag, of wij niets hadden vergeten van hetgeen wij buiten noodig hadden, bëantwoord, en gegaapt en opgestaan en weer gaan zitten en alle dergelijke belangrijke handelingen meer bedreven, die men niet doet dan alleen wanneer men wacht en zich verveelt. Na afscheid genomen te hebben van mijn moeder, die ons tot op den stoep vergezelde, hielp ik Susanna in het rijtuig, vanwaar mijn tante haar reeds het welkom toeriep. Ik hoorde mijn zuster een kreet van verbazing uiten, stapte na haar het portier binnen, en vond mij nez-à-nez met.. Mejuffrouw Henriëtte Blaek. –

Intusschen gaven Govert en Aagt de kleine pakjens aan, die wij mede moesten nemen: er was vrij wat drokte en bereddering; en ieder sprak te gelijk.

– ‘Wel, Jetjelief! hoe vaarje? wel Tante! wat is dat een lieve verrassing,’ zeide Susanna.

– ‘Hoe! gaat Juffrouw Blaek ook mede?’ riep mijn moeder, van de stoep af, terwijl zij minzaam goeden dag knikte: ‘wel Zuster! dat is een recht aangenaam gezelschap, dat gij aan Santje bezorgt.’ –

– ‘Niet waar Zuster!’ riep Tante weerom: ‘ja! ik wist wel, dat Santje niet aarden kan zonder een karnuitje: en ik denk altijd: hoe meer zielen, hoe meer vreugd.’ –

– ‘Goeden dag Mevrouw Huyck!’ riep Henriëtte: ‘is het niet een recht lieve attentie van Mevrouw van Bempden, dat zij mij wel mee wil hebben?’ –

– ‘’t Is klaar Joris!’ zeide de knecht, het portier sluitende.

– ‘Vaartwel! Adieu!’ klonk het over en weer: en het langzaam voortrollen der koets maakte een einde aan de afscheidsgroeten.

Naauwlijks waren wij onder weg, of er ontstond een oogenblikkelijke stilte: en de verschillende contenance, die wij hielden, zouden zeker niet onbelangrijk geweest zijn in de oogen van een derde, die met onze innerlijke gevoelens ware bekend geweest. Wij zagen elkander beurtelings aan: Tante van Bempden met een blik van zegepraal over het welgelukken van haar verrassingsplan: Susanna met een paar oogen, waarin ik, bij de vreugde over de ontmoeting van haar vriendin, tevens een schalksche nieuwsgierigheid las, om te zien hoe wij ons zouden houden: Henriëtte, die mij eerst vrij stijfjens gegroet had, met een eenigzins verlegen blik. Wat mij betreft, ik was zoo uit het veld geslagen, dat ik niet wist waarheen te kijken en de zotste figuur mogelijk maakte.

– ‘Kom aan!’ zeide Tante: ‘Jetjelief! nu moet ik u mijn neef Ferdinand voorstellen. Ferdinand! Mejuffrouw Blaek.’ –

– ‘Ik heb reeds de eer van mijn Heer te kennen,’ zeide Henriëtte, met een zoo korte hoofdbuiging en op een zoo droogen toon, dat ik geheel en al van mijn stuk geraakte en kleurde tot achter de ooren toe.

– ‘Hoe! kent gij mijn neef al?’ vroeg Tante, met verbazing: ‘en hoe is dat mogelijk? hij komt pas uit verre landen terug.’ –

Ziende, dat Henriëtte op haar beurt een kleur kreeg en dat Susanna op haar zakdoek beet om niet te lagchen, vatte ik eenigzins moed: ‘Mejuffrouw,’ zeide ik, ‘is de eerste stadgenoot geweest, die ik op den vaderlandschen grond ontmoet heb: en UEd. zal bekennen, dat ik het niet gelukkiger treffen kon.’ –

– ‘Hoe varen Letje? en Keetje?’ vroeg Henriëtte, zich naar Susanna wendende, als wilde zij mij de gelegenheid afsnijden om verder over onze ontmoeting op Guldenhof uitteweiden.

– ‘Wel! zeer wel!’ zeide Susanna, ons beurtelings met een verwonderden blik aanziende: ‘zij zijn recht in haar schik met het moois, dat Ferdinand haar gebracht heeft,’ (men ziet, dat zij mij met geweld in het discours wilde sleepen:) ‘wat mij betreft, ik ben maar half te vrede over hem. Ik had gehoopt, dat zijn tochten hem wat zouden verbeterd hebben; maar och! hij is te huis gekomen zoo als hij gegaan is, behalve dat hij deze reis geen paruik op had.’ –

– ‘Wel nu! wat wildet gij dan?’ vroeg Tante, met haar gewone levendigheid, en het gezegde van Susanna voor goede munt opnemende: ‘hadt gij liever gewild, dat hij terug ware gekomen als een vervreemde knaap, die zijn eigen taal verleerd was en met medelijden of verachting op zijn landgenooten en familie neerzag? Wij hebben, sedert de revocatie van het Edict, al genoeg Fransche poedeljassen in het land gekregen: en het is wel zaak, dat wy ten minste de vaderlandsche gewoonten blijven voorstaan.’ –

– ‘Recht zoo Tante!’ zeide Susanna: ‘hoe is u de laatste preek van Talard bevallen?’ –

– ‘Santje! Santje!’ zeide Tante, den vinger dreigend opheffende: ‘is dat gëoorloofd, aldus met uw tante te gekscheren, omdat ik nu van den preektrant van Talard houde, waar onze predikanten wel een voorbeeld aan mochten nemen. Ik geloof, dat ik mijn vaderland daarom even lief heb, al ga ik nu en dan eens naar de Wale Kerk, waar zulk een onstichtelijk gedrang niet is als in onze kerken.’ –

– ‘Neen; maar integendeel een zeer stichtelijk gesprek bij het uitgaan, over alles behalve de preek. Laatst vroeg mij een diaken, dien ik niet noemen zal, juist op het oogenblik, dat ik bij ’t uitgaan mijn gift in ’t zakje deed, of ik veel engagementen had voor het bal van Mevrouw Stoppelaer.’ –

– ‘Zoo, ja!’ hernam Tante: ‘maar daar mij zulke vragen niet gedaan worden, heb ik geen stof tot ergernis en blijf ik even goed Hollandsgezind al hoor ik nu en dan een Fransche predikatie.’ –

– ‘Zijn dat de fontanges, die UEd. uit Parijs hebt laten komen, Tante?’ vroeg mijn onverbeterlijke zuster, die, even als een echte visscher, nimmer kon nalaten de angelroede uittewerpen, waar zij er gelegenheid toe zag.

– ‘Dat is hetzelfde, onbeschaamde meid!’ zeide Tante, glimlagchende: ‘ik laat mijn fontanges uit Parijs komen, omdat zij hier niet goed gemaakt worden: en ik zoude er u haast naar toe sturen om school te gaan en wat eerbiediger te leeren worden jegens menschen van meer jaren.’ –

– ‘’t Is den moriaan geschuurd,’ zeide ik: ‘of UEd. haar al de les leest.’ –

– ‘Zoo! komt gij ook uit den hoek?’ zeide Susanna: ‘neen! dan is het geen gelijke partij meer; want of ik Jetje al te hulp roep, die weet ik te voren, dat mij altijd afvalt.’ –

– ‘Die overtuiging bewijst niet veel voor de deugdzaamheid van uwe zaak,’ zeide Henriëtte.

– ‘Zeer nederig aangemerkt,’ zeide Susanna.

– ‘En ontegenzeggelijk waar,’ voegde ik er bij: ‘want Mejuffrouw Blaek kan zeker nooit een zaak voorstaan dan die billijk en rechtvaardig is.’ –

– ‘’t Is jammer Jetje! dat wij in een rijtuig zitten,’ zeide Susanna: ‘anders zoudt gij zeker opstaan en nijgen, om voor zulk een fraai compliment te bedanken.’ –

– ‘O! ik weet bij ondervinding, dat mijn Heer zeer mooie complimenten kan maken,’ antwoordde Henriëtte, den toon van terughouding hernemende, die mij zoo zeer griefde.

– ‘Waarlijk!’ zeide Susanna: ‘nu dan hebt gij, niettegenstaande uw korte kennismaking, al meer goede hoedanigheden in mijn broeder ontdekt dan ik: want ik had er hem nog niet op betrapt; maar dat geeft hoop op de toekomst.’ –

– ‘Maar vertel mij toch,’ zeide Tante, die half naar dit laatste gedeelte van het onderhoud geluisterd had en half gesnuffeld in een paar nieuwe Engelsche boeken, die zij mede naar buiten nam: ‘waar en hoe hebt gij elkander meer gezien? en laat dat gehakketeer toch eens varen.’ –

Ik voldeed met weinige woorden aan haar verzoek; maar, in weerwil van Tantes vermaning en hoe kort mijn verhaal ook ware, het haalde mij ettelijke zetten en spotternijen van Susanna op den hals, die nu eens beweerde, dat ik een mannetje van zout ware, en voor een klein regenbuitje vreesde, dan weder, dat ik den regen slechts als een voorwendsel had aangegrepen, om te zien, welke Juffer er in de koepel zat, dan, dat ik al zeer vrijpostige manieren had opgedaan om mij zoo in te dringen op een plaats, waar ik niets te maken had, enz. Wat Henriëtte betrof, deze scheen te lijden onder dit gesprek en antwoordde slechts met ja en neen op de vragen, welke te dier gelegenheid tot haar gericht werden, zoodat Tante haar houding begon op te merken en haar vroeg of haar iets deerde, of het haar ook tochtte, of zij het ook te warm had, of zij ook van plaats wilde ruilen enz. Susanna, die wel bemerkte, dat het hem daar niet zat, doch de reden van Henriëttes handelingen volstrekt niet verklaren kon, werd van zelve stil en zag mij zijdelings met eenige ongerustheid aan. Ik was zelf ook lang niet op mijn gemak; maar, al mijn vermogens inspannende, trachtte ik het zooverre te brengen, dat ik een andere wending aan het onderhoud gaf en begon het een en ander over mijn reizen te vertellen. Susanna, die mijn oogmerk raadde, hielp mij dezen keer trouw voort: Tante begon belang te stellen in hetgeen ik mededeelde: haar verbeelding raakte met haar tong aan ’t wedrennen: en Henriëtte zelve, schoon altijd min of meer schoorvoetende, mengde zich nu en dan in het gesprek, glimlachte zelfs bij wijlen, doch verviel, telkens wanneer ik haar bepaaldelijk toesprak, weder in haar afgepaste, koel beleefde houding. Zoo duurde het, tot dat wij aankwamen te ’s Graveland, en het hek van Heizicht binnenreden.

– ‘Komt kinderen!’ zeide Tante, zoodra het rijtuig had stil gehouden voor den prachtigen stoep, waarvan elke trede met kostelijke bloemgewassen prijkte: ‘nu moet gij u zien te vermaken tot den etenstijd; want ik zie daar al dezen en genen, met wien ik het een en ander te verhandelen heb: en ik vrees, dat mij de tijd zal ontbreken, om voor den eten met u op den tril te gaan.’ –

Wij zagen, dat zij gelijk had; want het voorhuis stond vol van lieden, die, met den hoed in de hand en onder beleefde buigingen, de eigenares van Heizicht opwachtten. Daar was de timmerman van het dorp, met wien zij in onderhandeling moest treden over den aanbouw van eenige nieuwe hokken voor de paauwen en fezanten: de metzelaar, die een steenen wal voor den nieuwen achthoekigen vijver maken zou: de schilder, die een nieuwe verf zou geven aan het zomerhuisje: zonder nog te gewagen van eenige leveranciers uit Utrecht en Weesp, die zij besteld had en te woord moest staan. Zij trad dan ook terstond in een zijvertrek, zonder zich den tijd te gunnen van zich van hoed en mantel te ontdoen, en wenkte een der aanwezige personen toe, haar te volgen. Wat de jonge dames en mij betrof, wij begaven ons naar de kamers, welke wij betrekken moesten, en waar de dienstboden ons goed brachten, en maakten ons toilet in behoorlijke orde. Ik althands besteedde daaraan meer tijd en zorg dan ooit te voren mijn geval was geweest: ’t zij, dat ik verlangde wat knap voor de oogen van Mejuffrouw Blaek te verschijnen en een beter figuur te maken, dan toen ik in mijn nat en versleten gewaad op Guldenhof voor haar opdaagde, ’t zij, dat de onaangename gewaarwording, die haar koelheid bij mij verwekt had, mij belette den noodigen spoed te maken. Zooveel is zeker, dat, toen ik geheel gekleed en in orde voor den dag kwam en het huis uittrad om de balsemende buitenlucht te genieten, ik mijn zuster reeds kant en klaar vond en drok bezig om een ruiker te maken.

– ‘Te deksel!’ zeide Susanna: ‘dat toilet heeft lang geduurd. Gij ziet er uit, of gij uit een doosje kwaamt. En dat alles ter eere van Jetje Blaek? Dan vrees ik, dat gij vergeefsche moeite doet; want… maar zeg mij toch, Ferdinand! zonder gekscheren, is er iets tusschen u beide voorgevallen? Want zij wilde u naauwlijks te woord staan, en keek bij wijlen zoo zuur, gelijk ik haar nog nooit heb zien doen.’ Dit zeggende hadden de oogen mijner zuster, anders zoo spotachtig en vrolijk, een uitdrukking van belangstelling, die mij wel bewees, hoe lief zij mij innerlijk had, en hoe het haar hinderen zoude, indien ik door haar vriendin niet naar verdiensten behandeld werd.

– ‘Hoor eens Santje!’ zeide ik: ‘ik kan u thands niet alles zeggen; maar, zoo gij mij verplichten wilt, doe dan uw best en maak, dat ik, al ware het maar een paar minuten, haar alleen spreke: en ik twijfel niet, of alles zal wel in ’t effen komen. Ik zelf gevoel insgelijks behoefte om op een goeden voet met haar te blijven.’ –

– ‘Maar Ferdinand!’ zeide zij, groote oogen opzettende: ‘nu! gij zult mij dat wel nader ophelderen … mij dunkt, dat gij in dat uurtje, op Guldenhof doorgebracht, uw tijd niet verloren hebt.’ – En zij keek weer even schalksch als gewoonlijk.

Op hetzelfde oogenblik werd ons gesprek afgebroken door de verschijning van Henriëtte aan de voordeur, waar zij staan bleef, als in beraad of zij zoude naderen of terugkeeren; maar mijn zuster riep haar toe, of zij niet mede eens rond zoude wandelen: en met langzame schreden kwam zij den stoep af.

– ‘Kom!’ zeide Susanna, haar onder den arm nemende: ‘wij zullen ruim den tijd hebben, de plaats rond te gaan, eer Tante heeft afgedaan. Laat ons dit laantje inslaan: ik heb u heel veel te vertellen, en Ferdinand mag meeloopen, mits hij niet luistere.’ –

Wij draaiden een zijlaan in, en de twee jonge dames begonnen met elkander te fluisteren, terwijl ik er naast liep, al bij mij zelf peinzende, wanneer de gelegenheid, waar ik naar verlangde, zich zoude opdoen. Eensklaps stond Susanna stil: ‘Wat ben ik toch een loszinnige meid,’ zeide zij: ‘daar heb ik mijn zakdoek op het toilet laten liggen: wacht! ik ben dadelijk terug.’ En zonder meer keerde zij zich om, en liep, vlug als een hinde, weder huiswaart, ons toeroepende, dat wij maar langzaam zouden opwandelen, dat zij ons wel zoude inhalen.

– ‘Maar Santje!.. wil ik niet met u gaan?’ riep Henriëtte haar achter na, en was reeds van zins haar te volgen.

– ‘Blijf maar! Ferdinand zal u niet opeten,’ zeide Susanna van verre: en Henriëtte, ziende, dat er niets anders opzat, bleef stilstaan en trok met den punt van haar zonnescherm figuren in het zand.

Ik stond een poos als versteend: en nu de list van mijn goede zuster mij de gelegenheid verschafte, naar welke ik een oogenblik te voren reikhalzend uitzag, was het mij, als of ik nooit in staat zoude zijn, daar een goed gebruik van te maken. Ik was als met botheid en stomheid geslagen en ik voelde, dat ik beefde. Eindelijk zamelde ik al mijn moed bijeen en met een flaauwe stem stamelde ik de navolgende woorden uit:

– ‘Mejuffrouw! ik weet niet of ik mij bedrieg; maar ik geloof, dat ik onwillekeurig uw ontevredenheid heb opgewekt.’ –

Zij zag mij eenigzins verrast aan; doch haar vorige houding weder hernemende, antwoordde zij op een onverschilligen toon:

– ‘Ik weet niet, mijn Heer! welk recht ik zoude hebben om ontevrede op u te zijn.’ –

Het ijs was gebroken en ik moest voortgaan, wilde ik niet als een botmuil worden aangemerkt: ‘Ik geloof,’ zeide ik, ‘dat Mejuffrouw Blaek verheven is boven het geen men grilligheid noemt… Heb ik mij slechts ingebeeld, dat UEd. heden, nu ik bij u bekend ben, in het gezelschap van mijn betrekkingen, mij … kortom … mij minder vriendelijk behandelt, dan toen ik mij op Guldenhof bevond?’ –

– ‘UEd. kan het oogmerk niet hebben om mij te beledigen?’ zeide zij, mij ernstig aanziende.

– ‘God weet, dat dit de laatste mijner gedachten zoude zijn: en ik verwerp alle dergelijke uitleggingen mijner woorden. Maar ik bedrieg mij niet: er is iets voorgevallen … men heeft mij bij u in een kwaad daglicht doen voorkomen.’ –

– ‘Mijn Heer!… ik weet niet;… maar het schijnt of ik een verhoor moet ondergaan,’ zeide zij, kennelijk ontevrede.

Ik begon te begrijpen, dat zij toch niet voor de reden van de verandering in haar gedrag te mijwaart zoude uitkomen, en besloot er dus zelf op te zinspelen, terwijl ik, nu eens aan de gang zijnde en mijn eer op het spel ziende, met meerderen moed en warmte aldus voortvoer:

– ‘Hoe kunt gij mij dus kwellen en een ongunstige wending geven aan al wat ik zeg? Laatstleden Woensdag op Guldenhof hadden wij op zulk een aangename wijze kennis gemaakt en waren op zulk een gullen, vrolijken voet van gemeenzaamheid gekomen, die mij zooveel zoets en genoeglijks voor de toekomst beloofde: en thands wilt gij mij naauwlijks met een antwoord verwaardigen… Wat zeg ik? reeds toen UEd. mij eergisteren morgen te Muiden voorbijreed, was uw groet zoo kort.’ …

– ‘Mijn Heer!’ riep zij verrast uit, terwijl ik in haar oogen haar verontwaardiging las en haar verbazing, dat ik van die ontmoeting gewach durfde maken.

– ‘Of is het wellicht die ontmoeting zelve,’ vervolgde ik, ‘welke bij u tot verkeerde oordeelvellingen omtrent mij heeft aanleiding gegeven? – UEd. zwijgt!’ –

– ‘Indedaad ik weet niet, wat ik antwoorden zal,’ zeide zij na eenige aarzeling: ‘ik ben uwe zedemeesteres niet, en het is mij natuurlijk onverschillig, met wie UEd. omgaat.’ …

Het hooge woord was er uit, en ik zegende mijn besluit om een verklaring uittelokken.

– ‘Veroorloof mij, de overtuiging te behouden,’ zeide ik, ‘dat die ontmoeting alleen u niet tegen mij zoude hebben ingenomen, en dat uw Heer neef, wien ik te Naarden ontmoette, en die zelf wellicht ten mijnen opzichte door den schijn misleid werd, UEd. gedachten heeft ingeboezemd, die het mijn plicht is, u te ontnemen.’ –

Henriëtte werd bleek en een traan glinsterde in haar oog: ik zag, dat ik juist geraden had.

– ‘Ik ben eerst een paar dagen bij de mijnen terug,’ vervolgde ik, ‘en er ligt mij veel aan gelegen, dat mijn goede naam ongekrenkt blijve. Vooral stel ik er prijs op, dat UEd. mij niet verkeerd beoordeele. Zoude UEd. weigeren, aan mijn woorden geloof te slaan, wanneer ik u als man van eer verklaar, dat ik de Juffer, met welke ik mij toen bevond, geheel bij toeval heb ontmoet, dat zij mij niets is, en dat er tusschen haar en mij geene andere betrekking bestaan heeft, dan die de gestrengste zedelijkheid zoude kunnen veroorloven? Ware dit anders, zoude ik dan schaamteloos genoeg zijn geweest, om dit gesprek te beginnen? Had ik niet veeleer gezwegen en gebloosd?’ –

– ‘Mijn Heer!’ hernam zij, na eenige oogenblikken zwijgens: ‘er rustte hoegenaamd geene verplichting op u, mij rekenschap van uwe daden te geven. Het is waar, men heeft mij verteld … ik heb gedacht… om ’t even wat. Ik beken, ik heb u niet beleefd behandeld… en dat was verkeerd van mij, ik verzoek verschoning daar voor.’ –

– ‘In ’s hemels naam!’ riep ik verheugd uit: ‘spreek toch niet van verschoning vragen: de schijn was tegen mij .., en ik ben het, die u vergiffenis moet afsmeeken voor de onbescheidenheid, waaraan ik mij heb schuldig gemaakt.’ –

– ‘Welaan!’ zeide zij, met een bekoorlijken glimlach: ‘dan zullen wij ons maar over en weer quitte rekenen en over dat lastige geval niet meer denken.’ –

– ‘Gij geeft mij het leven weder,’ riep ik: en tevens de lieve hand aanvattende, waarmede zij zich steelswijze de oogen had afgedroogd, drukte ik er een eerbiedigen kus op.

– ‘Ei zoo!’ riep Susanna, die huppelende en in de handen klappende kwam aangeloopen: ‘uit welk land hebt gij die manieren medegebracht?’ –

– ‘Wel Santje!’ zeide Henriëtte, rood wordende: ‘ik dacht, dat gij nooit terug zoudt komen.’ –

– ‘Hoort gij, Broertje!’ zeide Susanna: ‘gij schijnt het talent nog niet te bezitten om iemand den tijd kort te doen vallen.’ –

– ‘Wie zegt, dat Mejuffrouw mij vergunnen wil, zulks te beproeven,’ zeide ik lagchende.

Susanna keek mij zijdelings aan en trok uit de opgeruimdheid van mijn gelaat de juiste gevolgtrekking, dat ik naar wensch geslaagd was: terwijl zij hiervan nog nader de zekerheid bekwam, toen zij op onze verdere wandeling bespeurde, dat Henriëtte een zeer minzamen toon jegens mij aannam, als wilde zij haar koelheid van dien morgen weder goed maken. Wat mij betrof, ik was door dezen aangenamen omkeer zoo verrast en gevoelde mij zoo innerlijk gelukkig, dat ik er stil van werd en mij zelfs kwalijk verdedigde tegen de plagerijen van Susanna, die mij beschuldigde van een druiloor te zijn, en een zeer slecht gezelschap voor jonge Dames. Ik begon op het laatst zelf te geloven, dat zij gelijk had, en dat ik een mal figuur maakte. Ik bedroog mij echter: en met een weinig meer ondervinding in liefdezaken zoude ik geweten hebben, dat een wel opgevoed en weldenkend jong meisje zich meer gestreeld gevoelt, wanneer iemand, die haar zijn hof maakt, zich in haar tegenwoordigheid bedeesd en ingetogen betoont, dan wanneer hij zijn gewone luchthartige vrolijkheid bewaart. In het laatste geval toch kan zij wanen, dat hij slechts aan zich zelven denkt: in het eerste, dat haar tegenwoordigheid hem in ontzach houdt: en het kan niet missen, of deze gedachte moet streelend zijn voor haar eigenliefde.

Doch er was nog een reden, welke mij stil maakte en, zelfs in het bijzijn van de bevallige Henriëtte, stof gaf tot overdenkingen, die haar niet betroffen. Al pratende en wandelende waren wij tot aan het achterste gedeelte der hofstede geraakt. Wij volgden een smal en net opgeharkt laantje, dat rondliep om een vrij aanzienlijk stuk weiland, waarvan het door een doornehaag was afgescheiden, terwijl aan de andere zijde een elzenschering en gruppel de uiterste grenzen afteekenden, die het buitengoed scheidden van de onbebouwde heide. Tusschen de niet overal even dichte takken dier elzen kreeg men nu en dan den toren van Naarden en de omgelegen bosschen in ’t oog: en het gezicht van het een en ander bracht, gelijk zich begrijpen laat, herinneringen bij mij te weeg, nog te versch en te krachtig, om die zoo op eens te kunnen verbannen. Aan het einde van dit laantje bevond zich een bergje (gelijk men een kleine onevenheid van den grond noemde, door het aanbrengen van plaggen opgehoogd) en daarop een groote groen geschilderde zitbank, die in den vorm eener halve maan rondliep, en gelegenheid gaf, om onder het lommer van een fraaien treur-esch uitterusten en een niet onbevallig landgezicht te beschouwen. Immers, wanneer men naar de buitenzijde zag, weidde het oog over de uitgestrekte heide, met paersche bloemen overdekt en waarboven die dunne waassem golfde, die zich altijd bij heeten zonneschijn vertoont. Kort bij was een gedeelte van den barren grond afgezand en terwijl het bovenste gedeelte van den daardoor ontstanen heuvel, op het tijdstip toen wij daar ter plaatse kwamen, met een kudde lammeren bedekt was, die aan het landschap eenige levendigheid bijzette, stuitten de heete zonnestralen op den benedenkant en deden het witte zand schitteren met een verblindenden glans. Wanneer men de vermoeide oogen vandaar afwendde, kon men die binnenwaarts laten uitrusten op het hooge dennebosch, dat aan den voet van het bergje begon en waar onderscheidene paden en watertjens op een schilderachtige wijze door heen kronkelden, – of op de nog donkerder beuken, die, verder, hun zware en weelderige takken spreidden over een vrij breed water, hetwelk aan de eene zijde van het weiland liep. Heerlijk was de terugspiegeling van het loof in het heldere nat, waarvan de kalme oppervlakte niet verbroken word dan door de kringen, welke nu en dan daarin gevormd worden door den koning onzer binnenwateren, den vratigen snoek, of door eenige schoone lakenvelsche koeien, die met eenstatigen tred het weiland verlieten om koelte en schaduw in den frisschen plas te zoeken; maar, eens daarin gekomen, zoo stil en onbeweeglijk bleven, als of zij een bekwamen schilder stonden af te wachten, die haar met zijn kunstpenceel op het doek zoude vereeuwigen. Maar wat geen penceel zoude hebben kunnen teruggeven, was de verrassende uitwerking der zonnestralen, die, hier en daar zich een weg banende tusschen de breede takken door, duizend kantlichtjens op de groene bladen wierpen, en voorts, door de oppervlakte des waters heen op den zandigen bodem afstuitende, al de kleuren van den regenboog in ontelbare mengelingen te voorschijn riepen.

Terwijl wij, op ons gemak neergezeten, ons in deze beschouwing verlustigden, en het verkwikkende genot van de vrije natuur, gepaard met de aangename gewaarwording van uitterusten na een vrij verhittende wandeling, ons alle drie in een stille en weldadige stemming gebracht had, hoorden wij op eens in de nabijheid roepen en praten en herkenden weldra de stem van tante van Bempden, die zich beurtelings uitzette om hop! hop! te roepen en dan weder een min schellen toon aansloeg en een onderhoud scheen voort te zetten met iemand, die haar vergezelde. Wij stonden op, ofschoon slechts langzaam; want ik geloof, dat geen van ons te vrede was, van in zijn mijmeringen gestoord te worden: wij bëantwoordden het hop! hop! met al de kracht onzer longen en begaven ons intusschen naar het dennebosch, waar uit het geluid scheen voorttekomen, en waar wij weldra Tante gewaar werden, in gesprek met een kloeken landman, wien ik terstond herkende voor den man, dien ik in de Zoester herberg ontmoet had en onder den naam van Baas Roggeveld heb ten tooneele gevoerd.

– ‘Zoo! eindelijk gevonden?’ zeide Tante, terwijl zij ons naderde: ‘Gij laat mij ook mooi loopen. Kunt gij nog verder gaan?’ –

– ‘Wel Tantelief!’ zeide Susanna: ‘wie had ooit kunnen denken, dat UEd. ons zoudt komen opzoeken? Er stonden zooveel menschen om u heen, dat ik mij overtuigd hield, al bleven wij een uur weg, u nog bezig te vinden.’ –

– ‘Neen! dat hebben wij spoediger afgehandeld,’ zeide Tante: ‘en dan, de meesten dier besognes zijn gaande weg geschied. Daar is Baas Roggeveld, die had ook al lang afgedaan gehad, indien hij zoo stijf niet op zijn stuk stond, om mij zijn koeien eens zoo duur aan te willen smeeren als het vorige jaar.’ –

– ‘Mevrouw dolt er altijd meê,’ zeide Roggeveld, grinnikende en het hoofd schuddende: ‘eens zoo duur! nou kaik! in dat geval! twaalf honderd gulden de tien! ’t is twintig gulden meer per stuk dan in ’t leste jaer, dat’s waer; maer in dat geval, wil ik ereis zeggen, het binnen er ook biestjens naer. Die van verleden zeumer vielen een beetje mager; maer deuze mostje ereis voelen, in dat geval! zoo modderig als klink klaere butter: ik wed, je heit ze in je hiele land zoo niet staen, wil ik ereis zeggen.’ –

– ‘Neen! dat geloof ik ook,’ zeide Susanna: ‘dat kan Tante niet tegenspreken.’ –

– ‘Hoe heb ik het met u, Santje!’ zeide Tante: ‘wat weet gij van koeien af?’ –

– ‘Ik weet alleen, dat de man letterlijk gelijk heeft,’ zeide Susanna: ‘want in uw heele land staan geen koeien: zij staan allen in ’t water.’ –

– ‘Nou kaik! in dat geval, wil ik ereis zeggen,’ zeide Baas Roggeveld, recht in zijn schik met deze aartigheid: ‘daer het de Juffer Tante toch ereis beet ehad.’ –

– ‘Of jou, Baas Roggeveld,’ zeide Tante, ‘maar dat is hetzelfde: ik betaal toch niet meer dan verleden jaar. Gij weet, ik ben een vaste klant van u: en ’t vee is anders van ’t jaar niet duur.’ –

– ‘Dat is ’t net niet,’ antwoordde de landman: ‘ofschoon het er dan naer is ook: jae kaik, als je ander slach van biesten hebben wou, die kon je krijgen te kust en te keur: en veur weinig geld ook; maer, in dat geval, wil ik ereis zeggen, ’t is maer omdat je op ’t soort bent ‘esteld, van niet as lakenvelsche te willen hebben: en dan hadtje reis motten zien, hoe weinig er van te krijgen zijn. ’t Is niet, as of je ze zoo veur een vasten merktprijs kunt koopen: maer je mot ze zoo bij een occasie treffen: en wilje wel eleuven, dat ik er heel veur naer Alphen heb motten rijen, omdat ik hoorde dat er een boer weunde, die er een paer ‘efokt had? Jae! vraeg het maer aan Meneer, die zal ook wel weten, dat het zoo gemakkelijk niet is, in dat geval.’ –

– ‘Wat ik er van weet,’ zeide ik, mij met mijn hoed in ’t aangezicht waaiende, opdat hij mij niet herkennen zou, ‘is, dat gij ze voor ƒ 80 ’t stuk gekocht hebt van Peer de Groot en er dus een aartig sommetje aan verdient.’ –

– ‘Wel haegels kaik ereis!’ zeide Roggeveld, groote oogen opzettende: nou in dat geval, wil ik ereis zeggen…’ –

Maar hij zeide niets; doch bleef mij verbaasd staan aangapen.

– ‘Hoe kunt gij dat weten, Neef!’ vroeg Tante, insgelijks niet weinig verwonderd.

– ‘Ja Tante! ik ben zoo wat half een toovenaar,’ zeide ik, lagchende, ‘maar laat hij het maar ontkennen, als hij durft.’ En, niet verlangende mij aan een herkenning bloot te stellen, welke tot het weder ophalen van vroegere tooneelen aanleiding geven kon, draaide ik mij om en haalde voor Henriëtte, die, waarschijnlijk weinig belang stellende in dit gesprek, een eind vooruitgeloopen was en begeerig opzag naar eenige hoogwassende kamperfoelie, den tak naar beneden, dien zij niet bereiken kon.

Wij waren langzamerhand een uithoek der plaats genaderd, waar een open hek op een buitenweg bracht. Deze plek was bijzonder wild, en met een menigte heestergewassen begroeid; maar wat er den meesten roem aan gaf, waren twee eikeboomen van ongemeene grootte, die aan weerskanten eener vervallene schaapskooi stonden. De eene, door storm of onweder van zijn kruin beroofd, scheen door zijn dikte te vergoeden wat hij aan hoogte verloren had, en zijn zware armen waren met het dichtste loof bedekt: de andere droeg minder bladeren, en had een holte in den tronk; maar verhief zich nog altijd statig naar boven. Tante van Bempden had, niet oneigenaartig, dezen met den naam van Philemon, en genen met dien van Baucis gedoopt.

Op deze plek hield Tante stil en voegden wij ons bij haar.

– ‘Nu zoo als gezegd is, Baas Roggeveld!’ zeide zij: ‘vijftien gulden meer dan in ’t voorleden jaar wil ik voor ’t stuk wel geven; maar ook niet meer.

– ‘’t Is warentig wat te krap,’ antwoordde hij: ‘maer in dat geval, wil ik ereis zeggen, as het zoo mot, dan mot het. Maer dat ik er op verdienen zou, zoo as die jonge Heer daer zeit, dat heit ook al niet over; maer ’t is net krek of ik jou ken,’ vervolgde hij, mij aanziende en zich den kop krabbende.

– ‘Dat is mijn neef,’ zeide Tante: ‘misschien hebt gij hem hier wel ontmoet voor een jaar of wat.’ –

– ‘Dat kan wel ‘ebeuren,’ zeide Roggeveld, terwijl hij nogmaals den blik op mij sloeg en de uitdrukking van zijn gelaat bewees, dat hij niet volkomen met deze verklaring te vrede was: ‘maer zeg ereis Mevrouw!’ vervolgde hij, als of hem eensklaps iets te binnen schoot: ‘mag ik wel zoo vrij zijn, in dat geval, om je ietwes te vragen?’ –

– ‘Wat is er van uw dienst?’ vroeg Tante.

– ‘Ik zou wel ereis vragen, in dat geval, wil ik zeggen, of de Tsaar van Rusland weer in het land is.’ –

– ‘Wel neen!’ was het antwoord: hoe koomt gij daar aan?’ –

– ‘Nou kaik! Hoe kunnen zij de menschen dan zoo foppen?’ en hij gaf een verhaal van het voorgevallene te Zoest, hetwelk ik achterlaat, daar het niemand vermaken zoude, dit tweemaal te hooren, doch waarin onze dames ongemeen veel behagen schepten.

– ‘Men heeft u een kool gestoofd,’ zeide Tante: ‘maar het schijnt met een goed oogmerk te zijn geschied.’ –

– ‘Ja! dat mag wel zoo!’ zeide hij: ‘in dat geval. Maer is het waar, dat zij het huisje, waar Tsaar Peter te Saerdam in ‘ewoond heit, niet meer verhuren, maer laten het leeg staan?’ –

– ‘Wel natuurlijk,’ zeide Tante.

– ‘Nou kaik!’ hoe kan een mensch zoo teugens zen aigen zelvers wezen?’ riep hij in verbazing uit: ‘geen geld te trekken van een huisje! Neen! as het zoo most wezen met de weuning, die ik hier op ’s Graveland heb staen, die ik van mijn vrouws mortje gëurven heb, weetje, of aigenlijk men vrouw dan, wil ik ereis zeggen, dan verkoft ik het gaauw, in dat geval.’ –

– ‘En gij zoudt gelijk hebben,’ zeide Tante: ‘maar die menschen te Saerdam hebben ook gelijk; daar zij meer verdienen met het huisje te laten zien dan er huur van te trekken.’ –

– ‘Wel kaik! ze kosten het iene doen en het aêre niet laten,’ zeide Roggeveld: ‘maer ik wou toch wel ereis weten, in dat geval, wat er aan zoôn huisje meer te zien is as an en aêr.’ –

– ‘Maar àpropos! ’ zeide Tante: ‘wie is die Monsieur Weerglas, aan wien gij uw huisje verhuurd hebt?’ –

– ‘Wattie doet, weet ik niet; maer hij heit splint en betaelt op zen tijd. ’t Is nog een jong gezel en hij weet aartig te praeten. Hij gaet wat deftig ‘ekleed ook zundags.’ –

– ‘Een jong gezel, die deftig gekleed gaat en geen handwerk uitoefent!’ zeide Tante, het hoofd schuddende: ‘ik hoop maar, dat daar niets achter schuilt.’ –

– ‘Ja! in dat geval, wil ik ereis zeggen,’ zeide Roggeveld eenigzins onthutst: ‘as er ietwes after school, had ie gaauw bij mij af ‘edaen: maer dat’s tot darentoe. Nou Mevrouw! zoo as ‘ezeid is; morgen avond kom ik toch hier met de vrouw om de kermis te zien, in dat geval zal ik de koeien maandag avond of dingsdag ochtend hier bezurgen.’ –

– ‘In dat geval zal ik ze hier verwachten,’ zeide Tante: en de landman wandelde na herhaalde groete het hek uit, terwijl wij den terugtocht aannamen, daar de bengel reeds voor het eten luidde. Wij spoedden ons naar huis, waar wij weldra aan den disch een paar heerlijke tarbotten zagen rooken. Na het middagmaal nam Tante mij ter zijde om mij te onderhouden over de nieuwe betrekking, welke ik in het huis Van Bempden, Van Baalen en C o . ging vervullen. Daar dit gesprek echter van een geheel mercantilen aart was, zal ik er hier geen gewach van maken, zoo min als van hetgeen verder dien avond voorviel, en waarvan ik mij alleen herinner, dat ik smoorlijk verliefd naar bed ging.

DigitalDroom Reader

Hoofdstuk XVI

XVI / XXXIX

Het ontbijt vond ons den volgenden morgen allen kant en klaar om ons naar de Kerk te begeven. Het zij, dat de dorpsklok verzet was, het zij dat de koetsier te laat met het rijtuig voor was gekomen, de Predikant was reeds op stoel, toen wij het Godshuis binnen traden. Geheel vervuld door de troostrijke gedachte, dat ik, na zoo lang uitlandig te zijn geweest, mij weder voor het eerst in een Vaderlandsche Kerk bevond, hield ik mij alleen met de plechtige eerdienst bezig, zonder, gelijk wellicht geschied zoude zijn, indien ik vroegtijdig, bij het aangaan, of minder opgewekt ter kerke gekomen ware, mij met de aanwezigen te bemoeien. Toen echter de Predikant het eerste deel zijner rede ten einde had gebracht en de gemeente van deze gelegenheid gebruik maakte om naar gewoonte te hoesten en zich te snuiten, liet ik even den blik over de vergadering weiden en werd ik in een der meer verwijderde mansbanken iemand gewaar, dien ik verre was, van te dezer plaats te verwachten, en dien ik tot mijn verbazing herkende voor het hoofd der drie struikroovers, die mij hadden aangerand: den zoo gevreesden Zwarten Piet, nog deftiger gekleed dan toen ik hem op den weg zag. Zijn oogen ontmoeteden de mijne: waarschijnlijk had hij mij reeds vroeger opgemerkt: hij knikte mij, vriendelijk, doch bijna onmerkbaar toe, legde den vinger op den mond, als wilde hij mij stilzwijgendheid aanbevelen en zag toen weder aandachtig den leeraar aan.

Deze zonderlinge ontmoeting bracht, gelijk men denken kan, geen kleine ontroering bij mij te weeg, en ik raakte geheel uit de stemming, waarin ik mij bevond: zoodat ik in het eerst buiten staat was, eenige oplettenheid te schenken aan de woorden van den Predikant, die mij als ijdele klanken in de ooren gonsden, zonder dat mijn hart die gevoelde of mijn verstand die bevatte: Ik kon niet nalaten het oog gedurig op den straatroover te werpen, die het zijne daarentegen onafgebroken op den Predikant bleef vestigen, als ware hij bevreesd geweest, dat hem een woord zoude ontsnappen. In den beginne schreef ik zijn houding aan goddelooze huichelarij toe; maar weldra bleek mij, dat ik verkeerd oordeelde. Het zoude dien avond, gelijk ik reeds met een woord heb doen verstaan, kermis zijn op ’s Graveland: en, als men weet, zijn de Predikanten bij die gelegenheid gewoon, zoodanige stoffen te kiezen, als welke zij geschikt achten om er gepaste vermaningen en waarschuwingen uit te putten tegen alle soort van losbandigheid, dronkenschap en ontucht, waartoe dergelijke volksfeesten niet dan te vaak aanleiding geven. Zoodanige kermispreken, hoe nuttig en betamelijk ook, voor zoo verre zij bestemd zijn om indruk te maken op de dorpelingen, ten wier behoeve zij worden opgesteld, boeien doorgaands minder de aandacht der meer aanzienlijken onder de toehoorders, die de kermis niet of slechts ter loops bezoeken en zeker minder gevaar loopen van aldaar tot die zonden te vervallen, waartegen de stem des leeraars zoo ernstig waarschuwt: te meer, daar de Predikanten bij zoodanige gelegenheden nog wel eens gewoon zijn een oud paard van stal te halen.

Dit was echter thands het geval niet: de leeraar was eerst sedert kort beroepen, en men had dus de zekerheid van, zoo niet iets voortreffelijks, althands iets nieuws te hooren. Doch bovendien was ik reeds bij den aanhef aangenaam verrast geweest door de ernst en cierlijkheid zijner voordracht, en door de verstandige wijze, waarop hij zijn onderwerp behandelde. Het leerstellige en uitlegkundige slechts even aanroerende, legde hij er zich voornamelijk op toe, om indruk te verwekken en zijn toehoorders door treffende voorbeelden, door ontzettende schilderingen en door krachtige toespraken te schokken, overtuigd, dat zoo de leer, welke bij gewone gelegenheden wordt gepredikt, meer duurzaam werken moest, die, welke hij thands verkondigde, meer dadelijke uitwerkselen moest te weeg brengen.

Het was dan, toen in het tweede deel zijner rede de Predikant een treffend tafereel ophing van de vreesselijke gevolgen, welke, zoo in dit leven als hier namaals, de zonde met zich sleept, dat ik de duidelijkste bewijzen zag, hoe de aandacht van den struikroover geen veinzerij was. Zijn oogen begonnen in tranen te zwemmen, zijn boezem hijgde, en hij scheen zoodanig door zijn aandoeningen overstelpt, dat hij eindelijk het gelaat op den voor hem liggenden bijbel voorover boog en het, hoorbaar snikkende, met beide handen bedekte. O! dacht ik bij mijzelven, indien eens het goede zaad bij dezen man in een vruchtbaren akker gevallen ware, en hij zich bekeeren mocht van den slechten weg, dien hij is ingeslagen! Welk een zegepraal zoude dit voor den vromen leeraar zijn, en hoe zoude hij juichen over het afgedoolde schaap, dat hij door Gods bijstand tot den eenigen Herder had teruggebracht! – en bij het nagebed zond ik ook het mijne op voor den armen boeteling. – Intusschen was ik niet weinig verwonderd, toen ik in het uitgaan opmerkte, dat onderscheidene notabelen van het dorp, waaronder de timmerman en de schilder, den man heuschelijk groeteden, en zelfs deze en gene hem een woord in ’t voorbijgaan toesprak.

Te huis gekeerd, vereenigden wij ons in de zijkamer, om aldaar de gasten af te wachten, die Tante ten eten genoodigd had, bestaande, behalve uit de beide Heeren Blaek, uit mijn nieuwen compagnon, den Heer van Baalen, en uit zekeren Kapitein Pulver, die voor de firma voer. Niet lang duurde het, of de koets van den Heer van Baalen kwam het hek binnenrijden. Ik had dezen Heer vroeger meermalen ontmoet; maar hem nimmer met die belangstelling gadegeslagen, welke hij thands bij mij moest opwekken, nu het bepaald was, dat ik met hem in een naauwe betrekking zoude komen en dagelijkschen omgang hebben. Ik was even als de zoodanige, die, een verre zeereis zullende ondernemen, de persoon, die hem toevallig aan de haven voorbijgaat, slechts met een onverschilligen blik beschouwt, maar weldra hem met de grootste opmerkzaamheid gadeslaat, nu hij verneemt, dat de onbekende zijn reisgenoot zal wezen: en alsdan uit zijn houding, woorden en gebaren, tracht op te maken, of hij in hem een aangenamen, dan wel een lastigen makker zal aantreffen.

Op dezelfde wijze keek ik den Heer van Baalen aan, toen ik hem, met de dienstvaardigheid, welke ik hem uit hoofde zijner meerdere jaren en onzer aanstaande betrekking verschuldigd was, uit het rijtuig hielp. Ik kan niet zeggen, dat de eerste indruk, dien hij op mij maakte, zeer gunstig voor hem uitviel. Wel wist ik uit oude herinnering, dat hij een man was van meer dan gewone lengte, mager en droog en van geen innemend voorkomen; maar hij scheen mij toe, als ware hij nog in lengte toegenomen en in vleesch verminderd; zijn bleeke, dorre tronie had een nog onvriendelijker uitdrukking dan voorheen: ja, toen hij, uit de koets gestapt, voor mij stond, deed hij mij volkomen aan een gekleed cadaver denken. Hij bëantwoordde ter naauwernood mijn eerbiedige welkomstgroet en buiging, keek mij aan, als of hij zich bij geene mogelijkheid konde voorstellen, wie ik toch wezen mocht, wendde zich vervolgens tot den koetsier, en riep dezen toe:

– ‘Reinier! gij zorgt dat gij precies te zeven ure weer voor zijt: precies te zeven ure: en gij ziet het rijtuig goed na; want ik vrees, dat het heel wat te lijden heeft gehad: en gij brengt het bijdehandsche paard naar den smid en laat het op nieuw beslaan.’ –

Op de beide eerste bevelen had de koetsier eenvoudig: ‘ja wel mijn Heer!’ gëantwoord; tegen het laatste vermeende hij te moeten opkomen.

– ‘Mijn Heer!’ zeide hij: ‘het beest is gisteren pas beslagen.’ –

– ‘Ik herhaal u, gij brengt het naar den smid,’ zeide van Baalen: ‘’t is of ik altijd bedienden aantref, die mij tegenspreken: ik heb duidelijk gehoord, dat een van de ijzers los zit: en gij komt precies te zeven ure voor,’ enz. Hier herhaalde hij zijn bevelen in dezelfde orde.

– ‘De man is punctueel,’ dacht ik: ‘en het schijnt moeilijk hem te vrede te stellen: in allen gevalle zal het mijne schuld zijn, indien ik zijn begeerte niet begrijp.’ –

Intusschen was Kapitein Pulver, die door zijn patroon was medegenomen, de koets uitgesprongen ongeveer als een bom, die uit den ketel vliegt. Zoo de Heer van Baalen een contrast had willen uitzoeken om met hem te reizen, had hij er geen beter kunnen aantreffen. Kapitein Pulver was een kort, dik, rond ventje, zoo zwaarlijvig, dat men zich op een afstand van hem plaatsen moest om zijn beenen te zien: en boven dat ronde lichaam was een klein, rond hoofdje geplaatst, even als een knop op een Delftsche trekpot.

Beide gasten begaven zich onder mijn geleide naar de zijkamer, waar Tante hen verwelkomde. De Heer van Baalen maakte bij het inkomen een buiging in het rond; doch zonder iemand bepaaldelijk aan te zien of toe te spreken, en schijnbaar geheel andere zaken in het hoofd hebbende. Vervolgens haalde hij zijn horologie uit, vergeleek het met het uurwerk, dat in het vertrek stond, en schudde wrevelig het hoofd:

– ‘’t Is fataal!’ zeide hij: ‘ik had gedacht, zoo goed op mijn tijd gepast te hebben: en nu is het reeds quartier over twaalve. Maar mijn horologie zal wel weer mis zijn. ’t Is of mij dit altijd gebeuren moet.’ –

– ‘Ik weet dat UEd. een man van de klok is,’ zeide Tante. ‘Zoo uw horologie en onze klok verschillen, zal het wel aan de laatste haperen.’ –

– ‘Of aan de wegen, die mij belet hebben, genoegzamen spoed te maken: ’t Is of ik altijd…’

– ‘Hoe gaat het, Kapitein Pulver?’ vroeg Tante, zonder verder naar de Jobsklachten van van Baalen te luisteren, aan den goeden Schipper, die achter zijn patroon buigingen stond te maken en zich met een bonte zakdoek het zweet aftedroogen, dat hem tappelings langs het voorhoofd liep.

– ‘Ik hoop dat ik geen belet doe, zoo als het mes tegen de oester zei,’ zeide Pulver, zijn buigingen herhalende: ‘maar UEd. had mij zoo vriendelijk laten noodigen, dat….’

– ‘In ’t geheel niet; gij zijt mij altijd welkom,’ zeide Tante, en zich wederom tot van Baalen wendende, en mij aan hem voorstellende: ‘zie hier mijn neef Ferdinand,’ zeide zij;

– ‘Zoo!’ zeide de Heer van Baalen, mij met een doffen en verstrooiden blik aanziende: ‘het zal mij aangenaam zijn, kennis te maken. Mag ik vragen, of UEd. reeds iets aan de negotie gedaan heeft?’ –

– ‘Wel mijn Heer van Baalen! dat is een vraag!’ zeide Tante: ‘Hoe zegt Rodrigue ook? Nichtje! –

– ‘UEd. wilt Ferdinand toch niet grootsch maken,’ zeide Susanna: ‘door van hem te zeggen:

Ses pareils à deux fois ne se font pas connoitre

Et pour des coups d’essai veulent des coups de maitre.’ –

– ‘Is UEd. dan vergeten, hoe wij de voordeelige schikking onzer zaak met het huis Bertini te Livorno aan hem te danken hebben?’ hernam Tante.

– ‘’t Is waar!’ zeide van Baalen, als uit een droom ontwakende. ‘Dat was een meesterstuk! Een zaak, die mooi ingewikkeld was ook, en dat nog wel in een vreemd land. Gij hebt er u goed uit gered, mijn Heer Huyck! – Maar daar kwam eigenlijk meer rechtsgeleerdheid dan handelskennis bij te pas.’ –

– ‘Ik twijfel niet,’ zeide ik, wenschende zoo veel mogelijk de goede gunst van den man te verwerven, ‘of, niettegenstaande mijn mercantile kennis gering is, mijn goede wil en de voorlichting van den Heer van Baalen zullen mij wel in staat stellen om geen geheel onwaardig figuur aan zijne zijde te maken.’ –

– ‘Wel gezegd!’ zeide hij: ‘de praktijk moet het hem doen: ofschoon, het is thands ook al de goede tijd niet meer: de zaken zijn slap en de verdiensten verminderen bij den dag: althands het is of het mij altijd moet tegenloopen. Wanneer ik eens een speculatie doe, die anderen tonnen gouds in den zak jaagt, moet ik mij met eenige onnoozele percenten vergenoegen.’ –

– ‘Gij kooplieden zijt even als de boeren,’ zeide Tante: ‘altijd klagen, al gaat het nog zoo voor den wind. Zal de balans van dit jaar een zooveel minder voordeelig saldo opleveren als die van het vorige?’ –

– ‘Daar valt nog niets van te zeggen,’ zeide van Baalen: ‘maar,’ vervolgde hij met een zucht: ‘het saldo zoude eens zooveel moeten bedragen, wanneer wij den tegenwoordigen koers van het geld in aanmerking nemen, en nagaan, hoe anderen profiteeren. – En dan die fatale oorlog tusschen Rusland en Zweden!’ –

– ‘Ik dacht in mijn onnoozelheid,’ zeide Susanna, ‘dat het best visschen was in troebel water.’ –

Wij waren intusschen gaan zitten: eenige ververschingen werden toegediend en aan Pulver werd een pijp aangeboden; ofschoon het anders de gewoonte niet was, dat er bij Tante aan huis gerookt werd. Maar zij was, en te recht, van oordeel, dat men aan gasten van een minderen rang nog meerdere oplettendheden moet bewijzen dan aan hen die met ons gelijk staan, en alles aanwenden, om hen op hun gemak te stellen; daar zij anders zich lichtelijk verbeelden, dat men hen uit de hoogte behandelt of hun niet geeft wat hun toekomt.

– ‘De weg van Diemerbrug naar Weespwo rdt bij uitstek slecht onderhouden,’ zeide van Baalen: ‘of liever, in ’t geheel niet. Ik heb somwijlen gedacht, dat ik er niet levend af zoude komen: en ik ben overtuigd, dat mijn rijtuig er van gelust heeft.’ –

– ‘Er bestaat een twist tusschen de Ingelanden en het Zandpad,’ zeide Tante, ‘wie van beide den weg herstellen moet.’ –

– ‘ Et le peuple pâtit de leurs tristes débats ’

zeide Susanna.

– ‘O Mevrouw!’ zeide Pulver, die nu zijn pijp had aangestoken: ‘indien de Patroon een reisje in Java gedaan had, of slechts door Zweden, dan zou hij voorwaar zoo niet klagen. Ik herinner mij Schonen, Smaland, Ostrogotland en Sudermanland te zijn doorgereisd, zonder dag of nacht op te houden, schrijlings zittende op een plank op wielen, ’t geen men daar nog wel gelieft een cariool te noemen, en tot voerman een meisje van vijftien jaren, over dik en dun.’ –

– ‘Dan moet hij veel hebben gehad van een bierton, die vervoerd wordt,’ fluisterde Susanna mij in.

– ‘Ja!’ vervolgde Pulver, terwijl hij een wolkdamp wegblies, ‘dat was een benaauwde reis, die mij al mijn leven heugen zal: van Rostok af tot aan Stokholm toe niets als elende met zuur bier, tweemalen storm, eens door een Russisch Fregat nagezeten, dat ons voor Zweden aanzag: en dan die wandeling op een plank!’ –

– ‘Ja!’ zeide van Baalen, met een zucht: ‘gij hebt altijd tegenspoeden gehad, zoo dikwijls gij voor ons gereisd hebt: En als ik niet wist dat het uwe schuld niet is, en dat gij een knappe kaerel zijt… hm! hm!’ –

– ‘Wel mijn Heer!’ zeide Pulver: UEd. doet mij bloozen, (als de kreeft zei tegen de braadpan:) maar, wat ik zeggen wou, dat alles kwam toch niets bij hetgeen ik doorgestaan heb, toen ik voor de West Indische Compagnie voer. Heb ik dat wel eens aan Mevrouw verteld? Ik geloof al.’ –

– ‘Wel zeker,’ antwoordde Tante: ‘maar daar is Neef en de jonge Juffers, die zouden het misschien wel eens willen hooren.’ –

– ‘O ja! als ’t u belieft, Kapitein?’ riepen Henriëtte en Susanna, als uit eenen mond: en ik betuigde insgelijks, dat ik zeer verlangende was naar het verhaal.

– ‘Nu ja!’ zeide Tante: ‘straks op de wandeling: dan kunnen de Heer van Baalen en ik onze zaken terwijl eens bepraten.’ –

Er was hier niets tegen in te brengen: en zoodra onze lichamen behoorlijk versterkt waren en Kapitein Pulver, door zijn kopje om te keeren, getoond had, dat hij genoeg koffij gebruikt had, verlieten wij gezamentlijk het huis: Tante nam van Baalen onder den arm en was spoedig met hem in een drok onderhoud gewikkeld; en wij jonge lieden drongen ons om Pulver heen, ten einde hem aan zijn belofte te herinneren. Dit was echter niet noodig; want de man brandde reeds van verlangen om zijn verhaal te plaatsen.

– ‘Kom aan! (zoo als de man tegen de naauwe laars zei)’ zeide Pulver: ‘dan zullen wij met de vertelling maar van wal steken: ’t is nog al een aartigheid voor jonge lui, die nooit den neus buitengaats gestoken hebben, zoo reis te vernemen, hoe het op het groote vaarwater toegaat, en dat het niet altijd meeloopt; maar dat zullen wij weldra hooren, zei doove Tijs. Je moet dan weten, dat het zoo omme ende bij een goeie vijf jaar geleden is, dat ik voor de Compagnie voer op het Brikschip, de Prins te Paard, naar Curacao bestemd. Wij hadden altijd voor de wind en geen rakje in ’t zeil gehad, tot dat wij zoo naar mijn beste geheugenis op vijftien graad N.B. waren gekomen. Het woei een bramzeils koelte, genoeg om het schip aan den gang te houden; meer niet: ik was naar kooi gegaan: en pas had ik naar gis een uur geslapen, en droomde dat moeder Pulver, die ik te huis gelaten had in de blije verwachting, met al onze zeven kinderen voor me stond, en dat mijn kleine Maarten, die nu ook al het zeegat uit is, een rateltje in de hand hield en een vervaarlijk leven maakte, zoo dat ik hem een labberdoedas om zijn ooren gaf, en verzocht of hij op wou houen, toen ik een stem boven mijn hoofd hoor: ‘om laag hou! Schipper! om laag hou!’

‘Wat is er?’ vroeg ik, met een schrik opspringende: ‘wie roept daar?’ En het was of ik nog altijd dat rateltje boven mijn hoofd hoorde.

‘’t Is Sander,’ zei hij.

‘Wat nieuws?’ vroeg ik weêr.

‘Hoor je ’t niet?’ vroeg hij: ‘zwaar weer op handen.’

Ik sprong de kooi uit: en nu merkte ik, dat hetgeen ik voor het rateltje van Maarten hield, het kletteren van den regen op het dek was: klik klakkerdeklak! ging het, puur of zij met zakken vol orreten over de planken strooiden.

‘Heb je ooit meer zoôn regen gehoord?’ vroeg Sander. Sander was mijn tweede Stuurman, een jongen als een vlag, daar ik op rekenen kon als op mijn zelvers, die zijn werk goed verstond; maar ik was toch eerst wat knorrig, omdat hij mij in mijn rust stoorde:

‘Wel,’ zei ik zoo: ‘al regende het handspaken en ouwe wijven! benje nou bang voor een beetje regen man?’ maar ik schoot mijn duffel toch aan, zette mijn zuidwester op en kwam boven.

‘Wel wat zegje van dat weertje, Schipper?’ vroeg Sander.

Ik keek reis rond: ‘wat zal ik zeggen?’ zei ik zoo: ‘’t is mooi donker en ik hou niet van zoo’n hooge zee, zonder dat men wind voelt.’

‘De zee is de gandsche nacht al hooger geworden,’ zei Sander: ‘en het zwerk hangt laag.’

Ik keek op mijn klok: het was al vijf uur, en ofschoon de zon al haast moest opkomen, er was nog geen witte streek in het oosten te zien. De regen bleef ondertusschen met geweld vallen, en de lucht was zwart als een inktflesch; maar wat vreemd was, op het water was het helder als de dag.

‘Schip in lij!’ riep de Uitkijk, terwijl ik met den Stuurman en Sander bij het roer stond.

Ik haalde mijn kat-oog voor den dag, en ja wel: daar zag ik duidelijk een galjoen, kennelijk van Spaansch makelei: ik kon masten en tuigaadje klaar onderscheiden. Maar lang keek ik er niet naar; want ik was niet op mijn gemak met het weer. De regen had opgehouden; maar de wolken zonken al lager en lager en begonnen te wervelen en te draaien, als zwarte rook die naar beneden slaat: en zoo ver als men zien kon, waren in het zuidoosten de golven met wit schuim bedekt, en wij hoorden een dof gerommel onder het water als of er een aardbeving op volgen moest. ‘Is dat donder?’ vroeg Sander: ‘’k wou dat het waar was,’ zei ik. Ondertusschen was in de verte de dichte regen loodrecht blijven vallen; maar na een kwartier ongeveer begon de wind er van onderen tusschen te spelen en de stralen van den regen zwaaiden heen en weer, eerst laag, vervolgens hooger op, naar mate de wind klom, tot eindelijk de gandsche watermassa een schuinsche richting kreeg, ik reken zoo van een hoek van dertig graden met den horizon. Ik had onderwijl alle zeilen laten bergen; want ik mistrouwde het weer, zoo als ik zeide: en ik had geen ongelijk als gij hooren zult. De regen viel gedurende eenige minuten dicht als een gordijn naar beneden: toen hij op eens zich verspreidde als of hij weggeblazen werd en in rook verdween. Recht op ons af echter kroop een witte streep over het water als stof op den grooten weg, wanneer het lang droog is geweest. Wij hoorden het doffe geluid al sterker en sterker, en mijn schip begon te kraken en te zuchten, of het zijn lot voorzag. Bof! daar kwam de orkaan: een golf als een berg sloeg over het dek en het was mij, of ik met honderd dozijn natte handdoeken in mijn facie geslagen werd: en eer ik nog: ‘bergje!’ roepen kon, daar kwam er een tweede, die mij oplichtte als of ik een stuk kurk ware geweest, zoodat, ik met al wat er op het dek was, goedschiks kwaadschiks over boord werd gespoeld: en plof! daar dook ik kopje onder, eer ik den tijd had om een schietgebedje aan onzen Lieven Heer te prevelen. Toen ik weer boven kwam zag ik mijn schip reeds op een goeien afstand: en met recht droeg het zijn naam van: de Prins te Paard; want het huppelde en hobbelde over de golven als een ruin, die de kolder in den kop heeft, en ik zag wel in, dat ze met dat booze weer geen sloep konnen uitzetten om mij op te zoeken. – Pulvertje maat! dacht ik bij mij zelven: ’t is met je gedaan: bid een onze Vader en daarmee uit. Maar krek als ik zoo dacht, en op het punt stond van weer te zinken, daar voel ik mij op een stevige manier in mijn wammes pakken en achteruit sjorren. Dat’s een haai! meende ik zoo, die mij voor zijn ontbijt wil nemen, en ik dorst niet omkijken van schrik, maar jawel! ‘Hier ouwe!’ hoorde ik achter mij zeggen: en wie was het? niemand anders dan Sandertje, die, juist als ik, over boord gedwaald was. Maar hij was gelukkig net te land gekomen….’ –

– ‘Gij meent, te water gekomen,’ viel Susanna in.

– ‘Juist, als de Juffer recht aanmerkt: net te water gekomen naast het groote varkenshok, dat ook over boord gegaan was, en hij had het handig beet gepakt. Ik moet zeggen, door een bijzondere bestiering Gods, was hij naar mij toegedreven en wel zoo dicht, dat hij mij grijpen kon, zoo dat ik nu ook kon aanklampen, Daar zaten wij nu op onze kist, als twee kikkers op een kluitje, en dreven al verder en verder van ons vaartuig af; maar ik zei: ‘Sandertje! hou maar goeien moed: Onze lieve Heer heeft ons tot dus verre bewaard; Hij zal ons nog wel verder bewaren.’ ‘De droes ouwe!’ zei Sander, een beetje later: ‘je kijkt al uit naar den Prins te Paard, als of die naar ons toe kon komen rijen; maar draai liever je hoofd reis om: daar is de Spanjool, die is dichter in de buurt.’ Ik keek naar den kant uit, waar Sander heen wees; en hij had gelijk ook; daar danste onze logge Don als een bruinvisch op en neer. ‘Ja!’ zei ik: ‘hij zal mij welkom zijn, (zoo als de spinnekop van de vlieg zei); maar ’t is duizend tegen een, dat hij ons te zien krijgt.’ Ondertusschen, het ergste van de bui was over: en het begon al mooi licht te worden, zoo dat het niet lang duurde, of ik kon de manschap van het vreemde schip onderscheiden: en, wat nog grooter geluk was, wij naderden het al meer en meer. Zij zouden ons echter nog niet bespeurd hebben; maar daar voel ik, dat er iets op mijn borst drukte: ik tast er naar, en ik merk, dat ik mijn roeper, dien ik aan boord nog gebruikt had, en dien ik tusschen mijn duffel en mijn ondergoed had ingestoken, bij geluk behouden had. Heb ik jou daar! dacht ik, en meteen zette ik hem aan mijn mond en schreeuwde als of er vijfentwintig speenvarkens gekeeld werden, tot dat ik geen aassem meer in mijn longen had. Toen was de beurt aan Sander: en toen weer aan mij, tot dat zij eindelijk aan boord van den Spanjool opmerkzaam werden en den kijker op ons richtten. Zij zagen ons: – het weer was bedaard: er werd een sloep uitgezet, en om kort te gaan, het leed geen half uurof wij stonden op het dek van het galjoen. Ik keek terstond uit, of ik den Prins te Paard ook zag; maar die was schoot gegaan, en ik moest alle gedachten opgeven, om hem vooreerst terug te zien, daar de Spanjool een verschillenden koers hield. Het galjoen kwam van Cadix en was voor Carthagena bestemd, waar het, geloof ik, geld moest brengen. Het was nog al wel gebouwd, voerde twaalf stukken en was redelijk bemand ook. Daar voer ik nu met den Don op genade mede en kon meê poot aan spelen voor de sobere victualie, en in plaats van zelf te commandeeren was het siveplei en besolosmanos, zonder andere beloning dan vrij licht bij dag en een schoteltje linzen nu en dan, daar Esau geen halvepenning, laat staan zijn eerstgeboorterecht, voor zou gegeven hebben; maar dat was het minste, en ik was blij, dat ik er met fatsoen van afkwam, (zoo als de edelman zei, toen hij tot den strop veroordeeld was en de gratie verkreeg van onthoofd te worden). Wat mij het meeste hinderde, was, dat ik nu zoo uit mijn koers werd gestuurd, en al bij mijn eigen prakkeseerde, hoe ik van Carthagena weer terug zou komen, want gij voelt, naar Carthagena moest ik mee: ’t is op zoo’n vaart niet als met de trekschuit, waar men de lieden onderweg uit kan zetten.’ –

– ‘Gij hadt echter,’ zeide ik, een vaartuig kunnen ontmoeten, hetwelk u overnam en nader tot de plek uwer bestemming bracht?’ –

– ‘Ja wel degelijk ontmoetten wij een vaartuig,’ antwoordde Pulver: ‘en dat was juist ons ongeluk. Gij moet dan weten, dat zoo ongeveer op 12 graden N.B., zes dagen nadat wij bij den Don aan boord waren, wij een groot vaartuig boven den wind in ’t vizier kregen, dat met alle zeilen bijgezet op ons afkwam. Het was een korvet, en zooverre wij konnen oordeelen, sterk en stevig gebouwd, en met een manschap, die haar ambacht goed verstond, aan boord; want het voerde een takelaadje en ging door het water dat het een lust was om te zien. Maar hoe mooi wij het vonden, wij hadden toch niet veel zin in het voorkomen van onzen maat; want hij voerde geen kleuren en had zoo iets over zich, als of hij zeggen wou: ‘wat doe jelui in mijn vaarwater?’ Nu, de Don dacht er ook zoo over: want hij schudde het hoofd en liet van zijn kant alle zeilen bijzetten om uit het gezicht van onzen vriend te geraken. Maar deze scheen al zoo gesteld op ons gezelschap als een beer op een doedelzak, en hij bleef zoo netjens achter ons voortzeilen als een rijknecht achter zijn heer. De Don keek mooi zuinig; hij zag wel, dat hij van die beleefdheid niet verschoond zou blijven en hij keek zijn equipagie eens rond, om te weten of hij staat op hen zou kunnen maken, indien de vreemdeling eens kwade voornemens had. Toen riep hij mij bij hem; want ik slenterde ook al wat heen en weer over boord, en hij vroeg mij, wat ik wel van dat andere schip dacht? – ‘Wat zal ik zeggen,’ zei ik, in zoo goed Spaansch als ik spreken kon: ‘ik hou niet van die nieuwsgierigen, (zoo als de bakker zei, toen de broodwegers bij hem aan huis kwamen:) ik geloof, dat die korvet daar meer lust heeft om kennis te maken met ons dan wij met haar.’ – ‘Zoo denk ik er ook over,’ zei hij, ‘en ik wou dat hij zijn eigen weg ging. Maar in allen gevalle zal hij toch aan mijn dubloenen niet komen, zonder er om te bakkeleien,’ zei Don Ricardo, terwijl hij zijn knevels opzette. ‘Kan je een stuk bedienen?’ vroeg hij. ‘Dat zou ik hopen,’ zei ik, ‘en een handspaak zwaaien ook.’ – ‘Best!’ zei hij: ‘dan zal ik reis kijken, of je de kost verdient, die ik je geef.’ En met liet hij al het volk op het dek komen en klarigheid maken om te vechten. De stukken werden geladen, de musketten opgebracht, handspaken uitgehaald, de kogels bij de mortieren geplaatst en ieder met kortjan in zijn gordel voorzien. Maar terwijl wij nog bezig waren, daar zagen wij op het vreemde schip een vlammetje voor den dag komen, en br..r! daar vloog ons een kogel door het wand en viel de heele bramsteng over het dek. ‘Dat’s een onbeleefde vent!’ zei ik zoo; ‘maar hij weet goed te mikken.’

‘Wij kunnen hem toch niet ontzeilen,’ zei Don Ricardo: ‘maar wij zullen hem toonen, dat wij ook wat durven.’ – Met gaf hij last om zeil te minderen en dat iedereen zich klaar zou houden. Ondertusschen kwam de korvet statig aanzeilen en was weldra zoo dicht bij, dat wij de manschap op het dek konnen zien – en onvriendelijk genoeg zagen zij er uit; want het waren al handspaken en korte pieken en enterbijlen die men blinken zag. ‘’t Is een vrijbuiter!’ zei ik zoo tegen Don Ricardo, terwijl ik met de lont in de hand stond. Hij knikte van ja, en wees met een op een roode lap, die op het roofschip in top werd gehaald. Toen liet hijzelf de vlag van Spanje waaien, en dadelijk bij de wind stekende, vertoonde ons vaartuig de bakboordzij aan den roover. – ‘Vuur!’ zei toen Ricardo: en: pan! pan! daar gingen zes schoten achter elkander af, den vrijbuiter vlak in de boeg, dat de witte splinters uit het zwarte gangboord vlogen. Maar op het zelfde oogenblik loefde het roofschip mee en gaf ons de volle laag. Krak! krak! daar lag onze fokkemast met want en tuigaadje en al in zee. Maar door de plotslinge beweging van het schip, dat niet zoo gaauw stoppen kon, waren wij uit elkander geraakt en wij hadden misschien, daar het nog al hard woei, gelegenheid gehad om te ontsnappen, indien het tijdig genoeg ons gelukt ware een noodmast op te krijgen; maar eer wij daar mee klaar waren, liep de roover ons achterom en herhaalde zijn beleefde groet van daar even, dat de boelijn over de nok kwam en niemand zich kon herkennen; terwijl hij nu zijn zeil geborgen had en de enterhaken bij ons aan boord smeet. Daar zaten wij nu aan elkander vast en in een oogenblik kwamen er uit den rook en damp wel vijftig lieve jongens op ons dek te voorschijn, ook met een ander voornemen als om een pijp met ons te rooken. Nu schaarden wij ons om den Don, en ik moet zeggen, de Spanjolen hielden zich als wakkere kaerels en lieten de beleefdheid niet onbëantwoord: en Sandertje en ik wij toonden ook, dat wij meer konnen doen dan linzen eten, en wij sloegen er op, dat het een aart had. Maar daar sprong in eens de Kapitein van de roovers op ons af: – en een kaerel, die er meer uitzag om bang voor te worden, heb ik nooit ontmoet.’ –

– ‘Ja!’ zeide Henriëtte: ‘ik geloof, dat die Heeren er zelden vriendelijk uitzien.’ –

– ‘En dan,’ voegde Susanna er bij, ‘als men recht benaauwd is voor nommer één, dan lijkt alles nog leelijker.’ –

– ‘Leelijk was hij juist niet, Juffertje!’ hervatte Pulver: ‘’t was een groote, schoone vent, met een houding als een Admiraal en oogen als glimmende kolen. “ Caracho! ” zeide hij, dat, geloof ik, in ’t Spaansch zooveel wil zeggen als: “geef u over!” – Nu! hij had niet veel welsprekendheid noodig, om het ons te beduien; want de grootste helft van onze Senhores lag al met Don Ricardo op het dek naar de wolken te kijken: en de andere helft was zoo toegetakeld en zoo in de war, dat zij de maan niet van een Edammerkaas zouden hebben onderscheiden.’ –

– ‘En waart gij zelf onbeschadigd?’ vroeg ik.

– ‘Er was een kogel door mijn hoed gekomen,’ antwoordde Pulver, ‘die mij zoo netjens had doen groeten als of er een Schout bij Nacht monstering kwam houen; maar anders, wonden had ik niet.’ –

– ‘Wel dat noem ik zonderling,’ zeide Susanna, het dikke lichaam van den Schipper glimlagchende aanziende.

– ‘Je wilt zeggen, Juffertje! mijn buik was nog al een mooi wit geweest om op te mikken? Maar zoo gaat het: er lag een Senhor naast mij, die drie kogels gekregen had en toch maar een vent was niet veel dikker dan mijn linkerarm. Maar ieder kogel heeft zijn opschrift, weetje? Nu, om weer op ons verhaal te komen, (zoo als mijn eerste stuurman plach te zeggen als hij ’s ochtends zijn oorlam nam,) de rooverkaptein was op het dek gesprongen en zwaaide een blanken sabel in zijn vuist, die niet van stroo was. Ik dacht bij mijzelven: Pulvertje mijn man! daar is je leste uur geslagen: te meer toen ik zoo rondkeek en zag, dat ik op degenen die nog leefden al zoo veel kon rekenen als op een gekaauwden kabel. Wat zou ik doen? Ik lei mijn handspaak neer, en wachtte af, wat het geven zou. Maar daar was Sandertje, die had maar in ’t geheel geen trek om zich over te geven, en net zoo als een van die ongenoode gasten hem bij de lurven wou pakken, daar sprong hij, als een ondernemende durf-al die hij was, recht op den roover-kapitein aan en hieuw naar hem als een dolleman! ‘Hier weerlichtskind!’ zei hij: ‘hou daar beroerde bl…’ –

– ‘Nu ja!’ zeide ik: ‘wij behoeven die uitdrukkingen zoo naauwkeurig niet te vernemen.’ –

– ‘Integendeel, Sinjeur!’ zeide Pulver: ‘want zonder die uitdrukkingen zoude het met Sander en mij er slecht hebben uitgezien, gelijk je op zijn tijd zult hooren, (zoo als de dief, die zijn vonnis beet had, tegen zijn maat zei, die het nog krijgen moest.) Sander sloeg dan in ’t wilde op den roover; maar daar waren er aanstonds vijf of zes van die lieve jongens bij, die hem in zijn baaitje namen en hem op het dek haalden: en juist was er een, die zijn bijl oplichtte om hem met de complimenten naar zijn grootje te sturen, toen de rooverkapitein in ’t Spaansch gelastte, dat zij hem sparen zouden: en ik, die ook begreep, dat de jongen beter deed, zich stil te houen, ik riep al uit al mijn macht: “Sandertje mijn vriend! Benje mal? Wat wil je toch uitvoeren?” En zoo meteen als ik dat, zei, keek de Kapitein mij aan en, naar mij dacht, iets vriendelijker dan de overigen: en toen fluisterde hij iets in de ooren aan een kameraad van hem. Sandertje en ik werden aan mekaar gebonden, en zoo werden wij, namelijk allen die nog leefden, op het roofschip overgebracht en tusschendeks gesmeten.’ –

– ‘Dat was zeker al heel vriendelijk,’ merkte Susanna aan.

– ‘Zoo als je zult komen te hooren,’ zeide Pulver: ‘wij gingen onder zeil en het duurde zoo wat ongeveer vier of vijf etmalen dat wij in dat Satansche hok bleven opgesloten zonder zon of maan te zien: alhoewel, dit moet ik tot eer van den vrijbuiter en van zijn kok zeggen, wij kregen, ofschoon gevangenen, beter eten dan op het Spaansche schip. Eindelijk, den zesden dag geloof ik, liet men ons op het dek hijschen. Ik keek reis rond om hoogte te nemen; maar Joost haal me zoo ik de plaats herkende, waar wij ons bevonden: en dat was nog al natuurlijk, daar ik er nooit geweest was. Wij lagen voor anker in een Zeestraat; althands voor zooverre ik in dien korten tijd heb kunnen bespeuren: het was zout water, en zoo helder dat men het zand van den bodem en al de visschen, die er heen en weer zwommen, onderscheiden kon. Rechts en links een muur van rotsen: die naar mijn gissing wel vijfhonderd voet uit het water oprezen, en zoo steil, dat men zou gedacht hebben, zij waren den dag te voren van elkander gespleten: overal groeiden er boomen en struiken op; waar maar een beetje aard en een scheur in de rots was om zich op vast te hechten: terwijl het kanaal op sommige plaatsen zoo smal was, dat de takken van weerskanten elkander ontmoetten bij wijze van een berceau, zoo als men dat op zijn Fransch heet, geloof ik: en dan had men er vogels in van alle soort, duiven en spechten en eenden, en nachtegalen, die zongen, dat het een lust was, en witte kraanvogels, en zwarte kraanvogels, en grijze kraanvogels, die hier en daar stonden te kijken, met een verwaandheid als een diender voor een Sinterklaaswinkel. Maar ik had niet lang tijd om alles naauwkeurig op te nemen: wij werden in de jol neergelaten en een eind weegs van het schip gevoerd, tot wij ons op een stee bevonden, waar het water een inham in de rotsen maakte. Hier was een landingplaats en een natuurlijke trap in de rots, die wij op moesten: het was er bij wijlen mooi donker; want het hing er zoo dicht van takken en struiken, dat de zon geen gelegenheid had om er door te schijnen: en er liepen overal hagedissen, zoo vlug en zoo glinsterend als ik ze mijn leven niet gezien heb. – Nu! toen wij boven op de hoogte waren, moesten wij er aan de andere zijde weer af, en kwamen zoo doende in een valei, waar dan eigenlijk het ware verblijf van de zeeroovers was: en een goede schuilplaats was het; want wie den ingang tot de zeestraat en het pad over de rots niet kende, zou er jaren naar gezocht hebben. Hier bracht men ons in een groote schuur, waar dag en nacht schildwachten met geladen vuurroeren voor stonden: ’t geen mooi onnoodig was; want al hadden wij willen en kunnen wegloopen, ik weet niet waar wij heen waren gegaan. Alle dagen kwam men een van de met ons gevangen Senhores halen en die kwam dan niet weerom. ‘Die is er om koud,’ zei Sander dan. ‘Maar ik zei: neen! dan zouden zij ons zoo lang de kost niet gegeven hebben; maar zij geven hun de keus om gehangen te worden of dienst bij hen te nemen: dat is zoo zeeroovers manier.’ – Wij dachten al, wanneer zal de beurt aan ons komen? toen eens op een dag een allerliefst Juffertje binnen kwam, een meisje zoo van veertien of vijftien jaren, naar ik gis, met een recht vriendelijk gezichtje en een heel net kleedje aan: ‘zijn er hier geen Hollandsche zeelui?’ vroeg zij in zuiver Nederduitsch. Sander en ik wij keken elkander aan, als of wij het te Keulen hadden hooren donderen. ‘Tot je dienst,’ zeiden wij allebei: ‘wat is er van je believen?’ – ‘Wilt ge zoo goed zijn, mij te volgen?’ zeide zij toen weer, met een allerliefst stemmetje. ‘Niets liever dan dat,’ antwoordde wij; want wij hadden mooi onze bekomst van in die stinkende schuur te zitten. Zij ging vooruit: de schildwachten presenteerden het geweer voor haar, krek of zij een princes ware geweest, en zoo wandelden wij achter haar over het veld, tot dat wij aan een heel aartig zomerhuis kwamen, dat tusschen hooge kokos-boomen gelegen was. Hier stond weer een kaerel op schildwacht, die ons met haar doorliet. Zij stootte een zijdeur open en wij zagen een man aan tafel zitten met een citsche gebloemde japonsche rok aan zijn bast, drok bezig met te schrijven. – ‘Hier zijn de twee Hollanders, Papa!’ zeide het Juffertje. De vreemde Heer keek op: het was warentig de rooverkaptein. – ‘Hoe heetje?’ vroeg hij, terwijl hij mij strak aankeek?

‘Harmen Pulver,’ zei ik: – ‘Wat duivel spreekt UEd. ook al Duitsch?’

‘Gij komt hier om te antwoorden: en niet om vragen te doen,’ zei hij, met een barsche stem, terwijl hij de wenkbraauwen samentrok. ‘Hoe oud zijt gij?’

‘Vijf en veertig jaar,’ zei ik weer, terwijl ik mijn kop krabde.

‘Hoe kwaamt gij op dat Spaansche schip verzeild?’ vroeg hij alweer.

‘Wel!’ zei ik: ‘dat wil ik wel reis vertellen:’ – en zoo zei ik hem de gandsche waarheid, van stukje tot beetje. Hij luisterde heel aandachtig toe en vroeg mij vervolgens, hoe lang ik ter zee gevaren had, of ik vrouw en kinderen te huis had en zoo al meer. Toen draaide hij zich naar Sandertje, die ook zijn naam en zijn jaren op moest biechten. – ‘Sander Gerritz!’ zei hij toen, ‘gij zult vooreerst in mijn dienst blijven, tot zoolang ik een andere bestemming voor u vinde. Amelia! breng dien knaap naar achteren en zeg aan Diego, dat zij hem een stel kleederen bezorge en in zijn werk onderrichte.’ –

Bij dit gedeelte van Pulvers verhaal, kon ik niet nalaten, verwonderd op te zien. ‘Amelia!’ herhaalde ik: ‘heette zijn dochter Amelia?’ –

– ‘Wel ja, Amelia!’ hernam Pulver: ‘een mooie naam voor de dochter van een rooverkaptein. Nu, dat is tot daar aan toe. Het meisje was in allen gevalle een lief en vriendelijk ding: zij wipte de kamer uit, en Sander volgde haar, niet recht zeker of hij wel of kwalijk deed, geloof ik; want hij keek mij een keer of drie aan in ’t heengaan, als een tolgaarder zou doen, wien ze onzuivere munt in de handen gestopt hebben. ‘Nu komt mijne beurt,’ dacht ik. – ‘En gij, Harmen Pulver!’ zei de Kaptein, ‘gij zult Onderstuurman bij mij worden, overmits ik den mijnen in het laatste gevecht heb verloren.’ – ‘Ik bedank u hartelijk,’ zei ik. – Toen zette hij een gezicht, als of hij mij op wou vreten. ‘Wat!’ zei hij: ‘en waarom niet?’ vroeg hij, als of het een Admiraalsbaantje was, dat hij mij gepresenteerd had.

‘Wel!’ zei ik weer, omdat…’ en meteen snuffelde ik in mijn broekzak, waar ik nog, spijt schipbreuk en roovers en al, een klein zakbijbeltje had bewaard, en ik sloeg het open: ‘kijk!’ zei ik, en wees hem op het achtste gebod.’ –

– ‘Dat was braaf gehandeld,’ zeide Henriëtte: en Susanna zag den dikken man met eenigen eerbied aan, als of zij een innerlijke gelofte deed, van ten minsten in de eerste tien minuten den spot niet met hem te drijven.

– ‘En hoe nam de Zeeroover dat op?’ vroegen wij allen uit eenen mond.

– ‘Wel dat viel meê, (zoo als de dronke bottelier zei, toen hij met den gangtrap in zee rolde.) – Hij keek wel eerst wat stuursch, maar het maakte toch indruk, merkte ik: ‘ik wil geen theologisch dispuut met u beginnen,’ zei hij: ‘anders zou ik u kunnen overtuigen, dat dit artikel, (hij noemde het een artikel: de man was ook niet vast in de leer!) dat dit artikel,’ zei hij, ‘op mijn beroep niet toepasselijk is. Ik ben hier zooveel als Soeverein,’ geloof ik, zei hij: ‘en in oorlog met alle natiën: alleen heb ik nog een gekkelijk zwak voor de Hollanders, ofschoon zij het niet aan mij verdiend hebben. – Ik geef u een uur u te bedenken,’ zei hij; en meteen vouwde hij heel bedaard het papier, dat hij geschreven had, dicht, en stond op om heen te gaan. – ‘En zoo ik het nu niet aanneem,’ zei ik: ‘wat dan?’

‘Dan wordt gij gehangen,’ zei hij, op denzelfden toon als of hij mij de keus had gelaten tusschen een slok brandewijn of een glas rood, en hij stapte de deur uit.’ –

– ‘Uw toestand moet alles behalve vrolijk zijn geweest,’ merkte ik aan.

– ‘Om den drommel niet,’ zeide Pulver: ‘maar ik had er mij al zoo half en half op verwacht en mijn besluit was genomen; want ik dacht: men moet toch eenmaal dood en dan nog liever als een Christenmensch gestorven. Zoo ging ik zitten en dacht, ik zal mijn laatste uurtje toch zoo goed mogelijk besteeden en lezen een kapitteltje uit de schrift: en met dat ik daar aan bezig was, zoo komt mij dat Juffertje weer binnen trippelen. ‘Och Kaptein!’ zei ze zoo: ‘vertel mij toch reis wat van Holland: ik hoor zoo graag van Holland spreken.’ ‘Lief Juffertje!’ zei ik, ‘dat zou ik met plezier doen, waarom niet; maar ik heb nu zoo slecht den tijd, want over een uur, weetje, moet ik gehangen worden: en daarom dien ik mijn leste oogenblikken wel te besteeden met mijn ziel in een staat van genade te brengen, en nog eens aan mijn arme vrouw en zes bloeien van kinderen te denken, die ik te huis heb gelaten.’ En met voelde ik dat mijn oogen overliepen. ‘Wat!’ zei zij: ‘hebt gij vrouw en kinderen?’ en zij begon ook mee te schreien, de goede medelijdende ziel. ‘En wie wil u laten hangen?’ vroeg zij: ‘is het Papa? – Ja? – In dat geval, dan zal ik hem zoo lang smeeken en bidden, tot hij u genade geeft.’ – ‘Juffertje!’ zei ik: ‘het hangt van mij af, om te blijven leven; maar dan moet ik dienst nemen bij uw vader; en zie je, dat kan ik nu zoo maar niet met mijn geweten overeenbrengen.’ ‘En waarom niet?’ vroeg zij, met een heel natuurlijk stemmetje. ‘Ja! zei ik zoo,’ ‘om dat het rooversbedrijf, dat strijdt zoo wat tegen goddelijke en menschelijke wetten.’ Toen keek zij mij heel strak in ’t gezicht, omtrent even strak als haar vader gedaan had: ‘Ik weet het,’ zei zij toen, snel sprekende, net als of zij bang was voor hetgeen zij zeide: ‘ik weet het: – spreek daar niet meer over. Gij hebt gelijk: ik ben het slechts ontwend, dergelijke waarheden te hooren. Lees voort en ik zal u niet stooren: – maar ik wil hier blijven: ik moet met mijn vader spreken: dat zal zoo niet afloopen.’ –

– ‘Zonderling!’ zeide Henriëtte, zich een traan uit het oog wisschende: ‘en hoe kwam de vader van een meisje, dat zoo sprak, aan het hoofd van een roofschip?’ –

– ‘Dat is wat ik ook dikwijls gedacht heb, Juffertje!’ zeide Pulver: ‘maar UEd. zal nog meer hooren. Juffrouw Amelia dan ging over mij zitten, met de armen gekruist en terwijl zij stip voor zich keek. Het uur was naauwlijks verloopen, of daar stapte haar vader weer binnen: ‘Wie heeft u geheeten, hier te komen?’ vroeg hij aan zijn dochter: ‘laat ons alleen.’ – ‘Neen!’ zei zijn dochter: ‘dat doe ik niet, of gij moet mij eerst beloven, dien man vrij te laten. Hij heeft vrouw en kinderen,’ zei zij, terwijl zij de handen vouwde: ‘Laat hem gaan, vaderlief, gij zult het immers aan uw kleine Amelia niet weigeren?’ en zoo ging zij voort, terwijl zij hem allerlei lieve woordjens gaf, en hij wrevelig voor zich bleef kijken. Eindelijk scheen hij eenigzins tot andere gedachten te komen: hij nam haar bij de hand, zei iets tot haar in ’t Spaansch, en bracht haar, half willig, half onwillig, de kamer uit. Ik hoorde echter dat hij haar buiten de deur een zoen gaf: dat dacht mij een goed voorteeken te zijn. Toen kwam hij weer tot mij: ‘wel!’ zei hij: ‘hebt gij uw besluit genomen?’ – ‘Ja,’ zei ik. ‘En wat is het, kort en goed, zonder teksten?’ vroeg hij, ‘ja of neen?’ – ‘Neen!’ zei ik. ‘Dus hangen?’ vroeg hij weer. ‘Neen!’ ook niet, zei ik, ‘immers niet met mijn wil.’ – ‘Gij begrijpt toch,’ zei hij, ‘dat er geen derde keus overblijft. Ik kan toch niet iemand, die eenmaal hier geweest is, levend laten vertrekken, om, als hij te huis is, mijn schuilplaats te verklikken.’ ‘Hoor weetje wat, Kaptein!’ zei ik: ‘laat mij gerust gaan, al ware het op dezelfde manier waar ik op gekomen ben, van mijn bezoeken zalje geen last meer hebben, dat beloof ik u: en om aan anderen den weg te wijzen, dan moest ik hem eerst zelf kennen. ’t Is waarachtig beter, dat gij mij het leven schenkt: gij weet niet hoe het u naderhand nog kan te pas komen: als b.v. de Heeren van de Compagnie u eens bij de kladden krijgen, dan zal het u meer goed doen, als ik in uw voordeel spreken kan, dan dat ik nu aan een van die gindsche boomen bungelde.’ – Hij scheen even na te denken: ‘gij kunt onze levenswijs nog niet beoordeelen,’ zei hij: ‘een man moet weten, wat hij kiest of wat hij verlaat.’ Met floot hij en er kwam een aartige jongen in een matroozenpakje binnen, aan wien hij in ’t Spaansch zijn bevelen gaf. ‘Volg dien knaap!’ zei hij toen: ‘die zal u brengen waar gij wezen moet!’ Wat zou ik doen? Ik maakte een strijkaadje, en ging ons maatje achterna, die mij buiten ’s huis bracht en naar een ander gebouw, waar de bende gewoon scheen te zijn, haar middagmaal te nemen. Hier kwam er een hoop bij elkander als of zij van den toren van Babel gestuurd waren, volk van alle natiën en tongen: er waren er Portugezen, Spanjolen, Engelschen, Italiaanders, Françoisen, Hollanders ook, schande genoeg! En ik moest mee aanzitten en zien hoe het er toeging. Ik moet zeggen, die schelmen hadden een tafel of het voor een Burgemeester was: vleesch en gevogelte van allerlei soort: en wijn, zoo veel hun lustte en van den besten ook. Ik dacht, Pulvertje! dat is allemaal om u te verleien; maar deze reis zal het hun niet lukken. – Ondertusschen waren er een paar naastmij komen zitten, die vertelden mij, hoe goed zij het hadden onder Don Manöel, zoo noemden zij den Kaptein, en wat een dwaasheid ik doen zou, indien ik niet met hen bleef: en onderwijl schonken zij mij al in, de eene kroes voor, de andere na. Maar ik lachte in mijn vuist: ‘en dacht:’ als het op poieren aankomt, dan ben ik nog niet bang: ik heb een bast, die kan er tegen, zoo als Thomasvaer in de klucht zeit. En bovendien had ik van al het praten een keel gekregen, zoo droog of ze van een wevers wammes gemaakt was. En ziet, mijn buren raakten allebei zoo mooi bezorgd, dat zij van de bank rolden. Toen kwam er een ander, die wou mij een papier laten teekenen; maar ik smeet het wat deftig over de tafel heen: waarop er een was, die mij te lijf wou; maar ik gaf hem een muilpeer, dat hij naar de tweede niet vroeg. Toen vielen zij allemaal op mij aan; en bonden mij en smeten mij in een hok, waar ik tijd had om uitteslapen. Den volgenden morgen kwamen vier kaerels mij halen, en begonnen met mij een doek over mijn kluisgaten te binden, dat ik niet zien zou wat zij in ’t vizier hadden. Ik kreeg slechte gedachten, toen zij mij naar buiten brachten, en meende, nu was mijn uur gekomen, en ik moest maar mijn best doen om als een vroom Christenmensch te sterven; maar jawel! ik had pas een eind weegs opgekuierd, of zij smeten mij in een sloep, en na een tijd lang roeiens, merkte ik aan den wind, die mij op mijn frontwerk speulde, dat wij kort aan zee waren. Op eens werd ik aan boord van een schip geheschen: ‘zouden zij mij nu naar zeemansmanieraan de ra hangen?’ dacht ik; maar ook al niet: ik werd in ’t vooronder gelaten, ik hoorde het anker lichten, en wij staken van wal. Het duurde zeker wel twintig dagen, eer de reis ten einde was, en ik bleef al dien tijd beneden, zonder eens op het dek te mogen komen, en zonder dat iemand boe of ba tegen mij zei: gij kunt denken, of ik ook het land had. Eindelijk liet men het anker vallen: ik werd al weer geblinddoekt, in de sloep gelaten en aan wal gebracht. Toen mij de doek werd afgenomen, zag ik, dat ik in een klein boschje was, doch waar, wist Joost. Een van de roovers, die Hollandsch sprak, stond naast mij, en stelde mij een geldzakje ter hand. ‘Houdaar!’ zei hij: en maak datje naar den bl… komt. Gij hebt slechts het eerste pad het beste te volgen, om menschen te vinden. Maar zoo gij ons altemet mocht herkennen t’avond of morgen, draag zorg dan ons niet te verklappen, noch ons na te volgen, of…hier maakte hij een beweging, die ik best begreep. ‘Geen nood,’ zei ik, ‘en goeie reis, (zoo als de man, die zich baadde, tegen de haaien zei.)’ Weg liepen zij: en ik stond alleen te kijken als malle Piet. Maar ik dacht, ik zal den anderen weg kiezen: en zoo liep ik dwars door het boschje heen, mooi nieuwsgierig waar ik zou aanlanden, tot ik aan een soort van huisje kwam, waar ik een paar negers vond, die mij te recht hielpen, en mij naar de Havannah brachten, want daar was ik geen twee geweerschoten van verwijderd. Ik kuierde de stad binnen en vond al gaauw een plaats om onder dak te komen, bij een ouden landsman, dien ik er wonen wist. ‘Wel Kaptein Pulver’ zei die, toen hij mij zag: ‘hoe komje zoo uit de lucht vallen?’ ‘Patientie!’ zei ik, ‘dat zal ik u naderhand wel eens vertellen.’ Den volgenden dag ging ik reis op mijn kuier; maar, schoon ik in een paar kooplieden, die ik onderweg ontmoette, twee van Don Manöels volk meende te herkennen, en schoon er een net getuigd en gekoperd brikje onder Portugeesche vlag in de haven lag, dat al rare vermoedens bij mij deed ontstaan, ik paste wel op, mijn mond dicht te houden, zoo lang ik er bleef: ’t geen gelukkig korter was dan ik eerst vreesde: want er kwam eenige dagen daarna gelegenheid om naar Curaçao te varen, waar ik den Prins te Paard bij geluk nog vond, die juist het anker zou lichten, en je kunt denken, hoe zij allen te kijken stonden, toen zij mij in levenden lijve weerom vonden; want zij dachten niet anders, of ik had uit de groote spoelkom gedronken. Nu vraag ik u, of Kaptein Pulver al rare ondervinding heeft opgedaan?’ –

– ‘Mij dunkt zij hebben nog al wat met u gesold,’ zeide Susanna: ‘doch het schijnt u geen kwaad gedaan te hebben, en gij zijt tegen de verdrukking aangegroeid. – En hebt gij naderhand nooit iets van dien rooverkapitein vernomen?’ –

– ‘Neen,’ antwoordde Pulver: ‘en ik heb ook nooit verlangd de kennis te hernieuwen, (zoo als de dief tegen den beulsknecht zei). Maar ik meen dat hij, zoo wat een jaar nadat ik hem gezien heb, verdwenen is: – althands later heb ik niet meer van hem hooren spreken, maar wel van een anderen zeeroover, die onder den naam van Zwarten Piet doorging, en geen hair beter was, dan zijn voorganger.’ –

– ‘Zwarte Piet!’ herhaalde Henriëtte: ‘is dat dezelfde, wien men beweert, dat hier in den omtrek rondzwerft en de wegen onveilig maakt.’ –

– ‘Foei! laten wij niet over dieven spreken, die zoo in de buurt huizen,’ zeide Susanna: ‘dat geeft maar slapelooze nachten. Maar van uw vriend Sander, hebt gij daar nimmer tijding meer van gehad, Kapitein?’ –

– ‘Neen!’ antwoordde hij: ‘en ik vrees, dat hij smaak in ’t rooversleven gekregen heeft; want hij was altijd een ondernemende gast; ’t zou jammer van den jongen bol geweest zijn; doch het bloed kruipt waar ’t niet gaan kan.’ –

De dames gingen voort, den Kapitein nog over vele bijzonderheden te ondervragen. Wat mij betreft, ik was stil geworden. Het weinige, dat de verhaler zoo van het uiterlijke voorkomen als van de handelwijze van Don Manöel en zijn dochter gezegd had, en de naam van Amelia, aan deze laatste gegeven, hadden zonderlinge vermoedens bij mij doen ontstaan, waaraan ik hechten bleef, in weerwil van mij zelf. Wenschende, hieromtrent nader onderricht te ontfangen, wachtte ik het oogenblik af, dat de jonge meisjens met haar ondervragingen hadden afgedaan, en zich vermaakten om in de menagerie, waar wij waren aangekomen, de goudlakensche fesanten te voederen, terwijl Pulver zijn versch gestopte pijp door middel van een brandglas aanstak, om dezen laatsten te vragen, mij nader te beschrijven, hoe die zeeroover er toch wel uitzag.

– ‘Wel! zoo als ik UEd. gezegd heb,’ zeide hij: ‘een groote forsche kaerel, met een sombrero op het hoofd, een plantersbuis en een zeemansbroek, een koppel pistolen…’ –

– ‘Ja,’ viel ik in: ‘en naderhand een japonsche rok; maar zijn gelaat?’ –

– ‘Een knap slag van een vent: een paar fiksche oogen… wat zal ik er veel meer van zeggen?’ –

– ‘En zijn dochter?’ –

– ‘Ja! een aartig meisje, of zij zwart of blond was weet ik niet meer: een goed gezicht…en zoo groot als een meisje van veertien, vijftien jaren.’ –

Met deze opheldering moest ik mij voor het oogenblik wel te vrede stellen: en de klank van den bengel, welke ons de aankomst van nieuwe gasten verkondigde, deed ons spoedig weder den weg huiswaart nemen. Wij vonden den eigenaar van Guldenhof en zijn zoon op den stoep met Tante en van Baalen in gesprek. De Heer Blaek was de eerste, die naar ons toekwam. Zijn kleeding was vrij wat keuriger, zijn gelaat vriendelijker en zijn toon beleefder dan toen ik hem in zijn koeper ontmoette. Hij groette ons op een zeer heusche wijze, zeide iets vleiends aan Susanna, kuste Henriëtte, en zich vervolgens tot mij wendende, drukte hij mij de hand en vroeg mij om verschoning, zoo mijn onthaal op Guldenhof niet was geweest, gelijk het behoorde. ‘Maar, mijn lieve Heer Huyck!’ zeide hij: ‘alles werkte ook samen om mij verkeerde vermoedens jegens u te doen opvatten: uw kleeding, de verrassing van het oogenblik, het verhaal van dieverijen, in de buurt gepleegd, en zoo voort. Nu! doe mij vermaak en toon mij, dat UEd. mij geen kwaad hart toedraagt, door mij eens te komen bezoeken. – Gij zult mij altijd welkom wezen, en het zal mijn zoon ongetwijfeld aangenaam zijn, nadere kennis met u te maken. – Sta mij toe, u aan elkanderen voor te stellen. Lodewijk was niet in zijn schik,’ vervolgde hij, zich tot Henriëtte wendende, ‘dat gij, zoo zonder hem daar iets van te zeggen, herwaarts getrokken waart. Gij weet, dat in uwe afwezigheid Guldenhof weinig bekoorlijks voor hem oplevert.’ –

– ‘Dat wist ik niet, Oom! zeide Henriëtte: ‘en zoo ik hem niet gezegd heb, dat ik hier heen ging, hel is, omdat hij zich in de laatste twee dagen niet te huis heeft laten zien.’ –

Ondertusschen was Lodewijk op den wenk zijns vaders ons genaderd, echter niet met die haast, welke de Heer Blaek wilde doen geloven, dat hem naar zijn nicht dreef.

– ‘Kom aan Lodewijk!’ zeide zijn vader: ‘ik weet, gij zult verlangen om Jetje wat te beknorren; maar eerst moet ik u aan den Heer Huyck voorstellen, en u gelegenheid geven, om, even als ik reeds deed, hem voor onze misvatting en onbeleefdheid verschoning te vragen.’ –

Lodewijk en ik groetten elkanderen met die uiterlijke beleefdheid, welke de samenleving voorschrijft ook van hen, die elkanderen niet lijden mogen.

– ‘Wij hebben de kennis reeds hernieuwd,’ zeide ik.

Lodewijk zag mij schuins aan, en vervolgens, zich tot de dames wendende, begon hij, waarschijnlijk om mij te vermijden, een drok gesprek met Henriëtte, zoodat zijns vaders gelaat van tevredenheid blonk, en deze naauwlijks de buigingen opmerkte, waarmede hem Kapitein Pulver begroette.

Niet lang daarna kwam de boodschap, dat het middagmaal was opgedischt, en begaven wij ons naar de eetzaal. Tante plaatste zich tusschen de beide oude Heeren: naast van Baalen kwam Kapitein Pulver te zitten, vervolgens mijn onwaardig ik, dan Henriëtte, en Lodewijk werd tusschen haar en Susanna geschikt. Ik maakte, gelijk men denken kan, van de gelegenheid gebruik, om aan mijn buurjuffer alle mogelijke kleine oplettendheden te bewijzen, zonder juist op te merken, of liever zonder er mij aan te stooren, dat haar oom dit vrij zuur aanzag, en zich waarschijnlijk reeds beklaagde, dat hij mij den toegang tot zijn huis had opengezet. De afgetrokkenheid van den Heer Blaek ontsnapte echter niet aan Susanna, noch zelfs aan Tante, die hem er over begon te plagen.

– ‘Ach Mevrouw!’ fluisterde hij eindelijk, glimlagchende: ‘er was een tijd, waarin ik niet afgetrokken was in uw bijzijn, en het zoude van u afhangen, dien tijd te doen herleven.’ –

– ‘Ei kom! Het is een hoofdstuk uit de oude geschiedenis, dat gij voordreunt,’ zeide Tante, lagchende.

– ‘Hoe maakt UEd. het toch, om zulke heerlijke doperwtjens te bekomen?’ vroeg van Baalen haar: ‘uit mijn tuin in den Diemermeir kan ik die maar zoo smakelijk niet krijgen.’ –

– ‘Zeg dat niet,’ zeide Tante: ‘ik herinner mij zeer goed, er bij u tot laat in September te hebben gegeten, als de mijne reeds lang gedaan hadden.’ –

– ‘Ja! bij mijn vorigen baas; maar mijn tegenwoordige tuinman heeft er geen verstand van. ’t Is of ik het altijd moet treffen, dat ik mij met lieden behelpen moet, die geen kennis bezitten van hun vak.’ –

– ‘Hoe bevallen UEd. de bruine langstaarten, die UEd. op de Palmmarkt van Govert Sperwer gekocht hebt?’ vroeg Lodewijk aan van Baalen.

– ‘Hm!’ antwoordde deze, het hoofd schuddende: ‘wat zal ik UEd. zeggen? De beesten loopen hard genoeg; maar ’t is mij wat moeilijk in ’t hair te blijven. Ik zal er moeten uitscheiden. Op de Palmmarkt waren er nog meer te krijgen geweest; maar juist toen ik er op afkwam waren zij verkocht. ’t Is of ik altijd te laat moet komen. Maar daar bedenk ik iets: dat spannetje, dat ik heden hier heb, heeft UEd. dat reeds gezien? Dat was juist een kolfje naar uw hand.’ –

– ‘Ik dank u,’ zeide Lodewijk: ‘ik heb nog paarden genoeg, en dan een boeier bovendien; maar ik recommandeer mij, om ze straks eens te zien, enz.’ –

Het gesprek werd nu langzamerhand meer algemeen. Pulver, die niet naliet den goeden wijn van Tante te prijzen, en te betuigen, dat hij zulke waar niet geproefd had, sedert hij bij de roovers had gevangen gezeten, vermaakte ons nu en dan met zijn kluchtige uitvallen, en van Baalen perstte ons menigen glimlach af, door zijn manie van zich over al wat hij had te beklagen. Hetgeen de oude Heer Blaek zeide was meestal gepast en verstandig; en hij beviel mij in alle opzichten beter dan toen ik hem voor ’t eerst zag. Echter was het mij toch, als drukte dien man iets bezwarends op het hart, dat hem midden onder een vrolijk gesprek zijn goede stemming ontnemen kwam, en zich tusschen hem en zijn blijgeestigheid plaatste als een wolk voor een heldere zomerzon. Hij zag er niet uit als iemand, die iets kwaads in ’t zin had of een misdrijf zou begaan; maar wel als iemand die iets bedreven had, dat hem tot naberouw verstrekte. Tante praatte wakker door, en maakte allerlei plannen van vrolijke partijen voor de toekomst. Susanna wierp er bij wijlen een grap tusschen in: en Lodewijk scheen meer werk van zijn nicht te maken dan gewoonlijk.

Wij waren aan ’t nagerecht, en de Heer Blaek was juist bezig over de onbeschaamde diefstallen te spreken, die onlangs in de buurt hadden plaats gehad, toen de knecht mij in het oor kwam fluisteren, dat er een Heer buiten stond, die mij wenschte te spreken.

– ‘Een Heer om mij te spreken!’ herhaalde ik, met eenige verwondering: ‘dat hebt gij zeker verkeerd. Wie kan mij hier iets te zeggen hebben?’ –

– ‘Er is toch geen zwarigheid?’ vroegen de dames, als uit een mond.

– ‘Waar komt hij van daan? Is het iemand uit Amsterdam?’ vroeg Tante.

– ‘Ik weet niet,’ zeide de knecht: ‘’t Is een Monsieur in ’t zwart, en, zoo ik mij niet bedrieg, dezelfde, die in het huisje van Baas Roggeveld woont.’ –

– ‘En komt die om mij te spreken?’ vroeg ik: ‘ik kan niet begrijpen…’

– ‘Gij moest toch eens gaan zien,’ zeide Tante: ‘en kom ons dan daarna verslag doen. Joris! laat dien Monsieur in de zijkamer.’ –

– ‘Met het verlof van het gezelschap,’ zeide ik: en oprijzende begaf ik mij naar de zijkamer; maar wie schetst mijn verbazing, toen ik zag, dat de man, die op mij wachtte, niemand anders was als Zwarte Piet, in propria persona .

DigitalDroom Reader

Hoofdstuk XVII

XVII / XXXIX

– ‘Hoe!’ riep ik uit, terwijl ik den struikroover aanstaarde: gij waagt het!..’

– ‘Ik waag niets, mijn Heer Huyck!’ zeide hij: ‘want ik weet, dat UEd. de man niet zijt, die mij verraden zult.’ –

– ‘Maar toch!’ hernam ik: ‘ik kan niet beseffen, wat gij mij kunt te zeggen hebben.’ –

– ‘In de eerste plaats moet ik mij van mijn schuldigen plicht komen kwijten en u mijn dank betuigen over het stilzwijgen, dat UEd. aangaande onze ontmoeting hebt bewaard.’ –

– ‘En hoe weet gij,’ vroeg ik, eenigzins verwonderd, ‘dat ik gezwegen heb?’ –

– ‘O ho!’ zeide hij met een glimlach: ‘dat kan ik genoeg uit de gevolgen opmaken. Zoo UEd. maar een woord gesproken, maar een sein gegeven hadt, waren de landhaaien mij reeds aan boord geweest, en zoude ik hier thands niet voor u staan, zoo gerust als een Admiraal op zijn dek; want, ofschoon men altijd nog naar Zwarten Piet zoekt, het is in den blinde en zonder dat men weet, welken koers te houden, Niettemin! ik wil het gevaar niet loopen van t’avond of morgen te verzeilen en denk deze haven te verlaten.’ –

– ‘Gij deedt beter,’ zeide ik; ‘uw geheele professie te verlaten, welke u toch nooit tot een gelukkig einde brengen zal.’ –

– ‘Helaas mijn Heer!’ hernam hij, met een treurigen blik en een diepe zucht: ‘hangt het wel van ons zelve af, die met vrijen wil te kiezen? Kan ik tegen wind en stroom opvaren? en moet men niet, als het tij verloopt, de bakens verzetten? Hoe zoude ik, na al het gebeurde, in staat zijn, mijn wandel te verbeteren en onder een betere vlag te zeilen dan die ik tot heden gevolgd ben? Zoo ik, b.v. mijn Heer voorstelde, mij als lakei in zijn dienst te nemen, zoude zulks UEd. aanstaan?’ –

– ‘Gij weet,’ antwoordde ik, om de veronderstelling glimlagchende, ‘dat men geen lakei huurt zonder attestatiën van goed gedrag te zien: en ik twijfel, of de uwe van dien aart zijn, dat zij mij voldoen zouden.’ –

– ‘Daar moest UEd. niet op zweren,’ hervatte hij, terwijl hij een zwartlederen portefeuille uit den zak haalde, en daaruit eenige papieren nam, die hij op de tafel uitspreidde: ‘ik heb hier een menigte getuigschriften van de deftigste inwoners van Batavia en de Kaap, allen bewijzende, dat de persoon van Joachim Weerglas hen in de betrekking van kamerdienaar, schrijver en hofmeester met de meeste naauw-gezetheid gediend heeft. Lees ze maar eens, mijn Heer! zij zijn zoo voldoende als…’

– ‘Als zij valsch zijn,’ viel ik in: ‘wat hebt gij te maken met certificaten van eenen Joachim Weerglas, die wellicht nooit bestaan heeft?’ –

– ‘Zeer zeker heeft de man bestaan,’ antwoordde hij, de papieren wederom naar zich toestrijkende: ‘maar de goede ziel heeft die niet meer noodig; daar hij sedert lang onder de groene baren slaapt, om welke redenen ik er des te minder conscientiewerk van gemaakt heb, mij zijn naam toe te eigenen, en zijn papieren evenzeer, die toch voor niemand meer waarde hebben en mij daarentegen zeer nuttig zijn, wanneer deze of gene hapscheer mij komt praaien en verzoeken mijn kleuren te wijzen. – Maar ook op mijn eigen naam heb ik zeer goede certificaten, die wellicht beteren indruk op UEd. zouden maken.’ –

Dit zeggende opende hij een verborgen gedeelte van zijn brieventasch en haalde daaruit wederom eenige papieren voor den dag.

– ‘Wat dunkt u van dit certificaat?’ vroeg hij, mij een der bewijsstukken overhandigende.

Ik nam het op en las niet zonder verbazing een geschrift in de Spaansche taal, geteekend door den Graaf van Talavera, en getuigende, dat Sander Gerritz, geboortig van Amsterdam, hem met onkreukbare trouw en ijver gediend had.

– ‘Dat kan wel zoo valsch zijn als de rest,’ zeide ik, het hem teruggevende.

– ‘Ho! ho! men kent aan onze kantoren zoowel als aan de landssecretary de naamteekening van den Graaf van Talavera. – Doch hier zijn nog meer stukken, allen van bekende en nog levende personen: als hier is de attestatie van Schipper Slingertouw, met wien ik als halfwassen braassem drie reizen naar de Oost heb gedaan, van Schipper Blaauwketting, bij wien ik twee jaren stuurmansleerling geweest ben, van Kapitein Wijdwimpel, daar ik onderstuurman bij was, van Kapitein Pulver, waar….’ –

– ‘Diens handteekening zouden wij terstond kunnen doen erkennen,’ zeide ik: ‘want de man bevindt zich in de eetzaal.’ –

– ‘De duiker doet hij,’ riep Sander, zijn papieren snel weder verbergende: ‘ik zou, wel is waar, den ouden pekbroek nog gaarne eens terugzien; maar och! door kennis krijgt men kennis en men mocht op zulk een wijze dingen van mij te weten komen, welke ik liever achterbaks houde.’ –

– ‘Mag ik u eens vragen,’ hernam ik, ‘of er onder die certificaten geen is van zekeren Don Manoël, onder wien gij waarschijnlijk ook gediend hebt?’ –

Sander zag mij een wijl aan met een doordringenden blik: ‘UEd. vraagt mij naar den bekenden weg,’ zeide hij vervolgens: ‘en weet zoo goed als ik, dat de man er ook bij is, al luidt zijn naam wat deftiger. – Maar dit daargelaten, UEd. kan uit dit alles besluiten, dat ik onder mijn eigen vlag niet durf varen en dus wel valsche kleuren dien te wijzen. Hoe wil ik nu mijn weg beteren, daar ik, ’t ga hoe ’t ga, gedwongen ben de lieden of te bedriegen of te bestelen?’ –

– ‘Mijn vader,’ zeide ik, ‘is een rechtschapen man: zoo gij u bij hem begaaft, hem rondborstig uw levensloop verhaaldet, en hem ware begeerte toondet om uw doolpad te verlaten, zoude hij waarschijnlijk in staat zijn, u kwijtschelding voor uw begane misdrijven te bezorgen en een beter vooruitzicht voor de toekomst te openen.’ –

– ‘Al is,’ zeide Sander, ‘het schip nog zoo lek en de branding nog zoo fel, zoo zal de matroos, om zijn leven te redden, niet over boord springen, wanneer hij haaien voor den boeg ziet. Ik dank u, mijn Heer Huyck! maar ik heb mijn nek te lief om uw voorslag aan te nemen. Mijn oogmerk is, naat Rusland of Noorwegen te gaan en te zien of men mij daar gebruiken kan; want dat loeren achter de struiken, en dat openveteren van nachtsloten is geen werk voor iemand die een corvet gecommandeerd heeft.’ –

– ‘De Hemel geleide u,’ zeide ik: ‘maar hebt gij mij nu nog verder iets te zeggen? Het gezelschap wacht mij, en …’

– ‘En dat van een boef gelijk ik begint u lastig te worden: dit begrijp ik. Ik zal het kort maken. Deze kleinigheid verzoek ik u aan te nemen als een herinnering aan onze ontmoeting en als en bewijs mijner erkentelijkheid.’ –

Dit zeggende, bood hij mij een ring aan, met fraaie brillanten omzet.

– ‘Ik dank u,’ antwoordde ik, het geschenk afwijzende: ‘ik heb geen waarborg, dat gij recht hebt, dien ring weg te geven, en bovendien verlang ik geen verplichting aan u te hebben.’ –

– ‘De ring behoort mij,’ zeide Sander: ‘ik heb dien met het zwaard genomen van een kaper, die in onze jacht was komen stroopen en wien wij zijn buit deden overgeven. Doch, begeert gij hem niet, het is wel, zoo blijf ik uw schuldenaar. Twee malen hebt gij mij ontmoet: ook deze reis vertrouw ik op uw bescheidenheid te kunnen rekenen.’ –

– ‘Nog vierentwintig uren,’ zeide ik, ‘wil ik u die beloven; maar zijn die verstreken, dan acht ik het mijn plicht als burger, uw verblijf te ontdekken.’ –

– ‘Over vierentwintig uren moogt gij, wat mij betreft, op de daken schreeuwen, dat Sander Gerritz, Joachim Weerglas en Zwarte Piet slechts eene persoon zijn.’ –

– ‘’t Is wel! maar maak nu, dat gij voortkomt. Ik hoor de gasten reeds opstaan.’ –

– ‘Nog een verzoek: misschien kent UEd. in Amsterdam zekeren armen poëet, Lucas Helding bij name.’ –

Ik knikte toestemmend.

– ‘Welnu! zoude ik u mogen belasten met hem dit geld ter hand te stellen. De man is behoeftig, en ik weet, dat zulks hem niet te onpas komen zal.’ –

Dit zeggende, haalde hij een geldzakje voor den dag, en stak het mij toe.

– ‘Wat nu!’ riep ik verbaasd. ‘Behoort Helding ook al tot de bende?’ –

– ‘Neen mijn Heer! – Maar ik heb den man vroeger gekend: ik weet, dat hij broodsgebrek lijdt en leven moet van de brokken, die rijke lieden hem toewerpen, gelijk zij aan hun hofhond zouden doen. Ik heb genoeg om de reis te ondernemen. Dit geld kan ik missen.’ –

– ‘Verschoon mij,’ zeide ik: ‘maar zoo de goede man den oorsprong van dit geld kende, zoude hij het nimmer willen aannemen.’ –

– ‘De henker hale die naauwgezetheid!’ zeide Sander, op de lippen bijtende: ‘de man, wien ik dat sommetje afhandig heb gemaakt, was een vreemdeling, die wellicht te Moskau of te Weenen te huis behoort en wien ik het niet kan terug zenden. Ik wil er mij van ontdoen: kan ik beter handelen, dan door het aan aalmoesen te besteden? En heb ik dan geen recht, iemand daarmede te bevoordeelen, die arm en braaf is?’ –

– ‘Gij zoudt althands rechtvaardiger handelen,’ antwoordde ik, ‘door het aan de lieden terug te geven, die gij bestolen hebt, en die gij kent. Vergoeding gaat boven aalmoesen.’ –

– ‘Vergoeding!’ riep hij ongeduldig uit: ‘en wat heb ik hem niet te vergoeden? Hoor eens mijn Heer! en beoordeel mij. Zes jaren geleden, voor ik met Kapitein Pulver uitzeilde, had ik kennis aan de dochter van Helding: een engel van braafheid, de lust van haar vader en van al wie haar kende. Wij hadden elkander lief: zij zoude mijn vrouw worden, zoodra ik Stuurman was. ’s Avonds voor mijn vertrek, daar wij met ons beide alleen waren….’ Hier begon Sander te snikken.

– ‘Ik versta u,’ zeide ik, getroffen over de ontroering van den man, bij wien in weerwil zijner wanbedrijven het goede zaad nog niet geheel verstikt scheen te zijn: ‘gij waart ondernemend en zij wellicht te zwak….’

– ‘Ja mijn Heer! – Ik ging op reis. Wij hadden met tegenspoeden van allerlei aart te kampen. Wij werden door zeeroovers gevangen: en, door nood gedwongen, trad ik bij hen in dienst. Ik verwierf mij het vertrouwen en de gunst van hun opperhoofd, die mij al spoedig tot zijn Luitenant verhief. Hoe hij ons verliet en hoe ik zelf na zijn vertrek het bevel bekwam, en den naam van Zwarten Piet niet minder beroemd maakte dan die van Don Manoël geweest was, ware te lang om hier te vertellen. De fortuin liep ons eindelijk tegen: ik werd gevangen genomen; doch ontsnapte en kwam op een Hollandsch schip terug. Te Helvoet echter werd ik herkend door een Kapitein, wiens vaartuig ik geplunderd had: ik ontsnapte de rakkers, die mij zochten, en leidde sints een zwervend leven. Van zeeschuimer werd ik struikroover; maar, zoo als ik u zeide, dit laatste beroep begon mij tegen te staan. Ik trachtte intusschen narichten in te winnen omtrent Klaartje; want, ofschoon ik in de West-Indiën, en toen ik geen gedachten had haar ooit weer te zien, haar beeld zoowat op den achtergrond had gezet, bij mijn terugkomst in mijn vaderland was het of mijn liefde met dubbele kracht herleefde; – maar och mijn Heer! wat moest ik hooren? Zij was weg, zij had haar vader verlaten, was van kwaad tot erger geraakt, en leidde nu hier, dan daar, een ongebonden leven. – Ik weet, het is slechts gedeeltelijk mijne schuld: en echter is het mij, als had ik al die elende veroorzaakt. – Ben ik nu den ouden man vergoeding schuldig of niet?’ –

De gelaatstrekken van Sander hadden gedurende dit verhaal, hetwelk hij onder gedurig snikken en met een bevende stem gedaan had, dezelfde bleekheid en ontroering vertoond, welke mij in de kerk des morgens getroffen hadden. Ik besefte nu, waarom het tafereel, door den Predikant gemaald, zulk een indruk op hem gemaakt had.

– ‘Helding zal, indien dit alles waar is, van u althands niets willen aanvaarden,’ hernam ik, zelf niet wetende, wat te zeggen.

– ‘Dat behoeft ook niet. Helding weet niet, mag niet weten, van wie dit komt. Nog eens, wat ik u bidden mag, bezorg dit aan den goeden man.’ –

– ‘Hebt gij geen andere gelegenheid?’ vroeg ik, eenigzins bedremmeld; want ik hoorde het gezelschap dat door den gang kwam en den stoep aftrad.

– ‘Ik heb,’ antwoordde hij, ‘onder mijne kennissen geen eerlijke lieden genoeg, om hun zulk een boodschap op te dragen: – hier ligt het geld: – ik neem het niet weer op: – gij zult – gij moet het bezorgen.’ –

– ‘In waarheid!’ hernam ik: ‘het is een commissie, die ik met mijn geweten niet kan overeen brengen. Gij maakt mij tot heeler van gestolen goed.’ –

– ‘Uw dienaar, mijn Heer! God zegene u.’ En, zich buigende, opende hij de deur om te vertrekken, toen hem iemand, die juist binnen kwam, met een vaart tegen ’t lijf kwam aanloopen.’ –

– ‘Vergeving! vergeving!’ zeide Kapitein Pulver; want deze was het: ‘ik kwam mijn hoed zoeken, dien ik hier gelaten heb..; maar wat deksel! de droes is zoo niet!’ En hij bleef Sander met een open mond aanstaren. Deze was een oogenblik onthutst; maar, zich herstellende, wendde hij het gezicht naar mij toe en van Pulver af en wilde het vertrek verlaten.

– ‘Maar voor den duiker!’ riep Pulver, die al om hem heen gedraaid had: ‘heb ik het mis of heb ik het wis? Is UEd., als ik mag vragen…’

– ‘Uw dienaar, Sinjeur!’ zeide Sander, zich haastig door den gang naar de voordeur begevende.

– ‘Maar met uw verlof! een amerijtje geduld!’ riep Pulver, hem navolgende: ‘Sander! benje ’t? of benje ’t niet? Sandertje! kenje Kaptein Pulver niet meer.’ –

Sander zag waarschijnlijk, dat alleen onbeschaamdheid hem uit dezen pas kon redden. Hij draaide zich aan de voordeur om, trad met een vasten stap naar Pulver toe en zag hem stijf in ’t gezicht.

– ‘Sinjeur!’ zeide hij: ‘hier heeft een misverstand plaats. UEd. heeft de verkeerde voor. Mijn naam is Joachim Weerglas. Ik heb de eer, u te groeten.’ –

Dit gezegd hebbende, maakte hij rechts om keert, liet Pulver bedremmeld staan, stapte den stoep af, en, in ’t voorbijgaan het gezelschap, dat op het voorplein stond, deftig groetende, wandelde hij zonder overhaasting de plaats af.

– ‘Nu! ik mag lijden, dat mijn fokkemast in een nachtkaars verander,’ zeide Pulver, hem verbaasd naoogende: ‘indien ik ooit zulk een gelijkenis meer gezien heb.’ –

– ‘Ik moet zeggen, Neef!’ zeide Tante, toen ik, na den geldzak op mijn kamer gebracht te hebben, weder buiten gekomen was, ‘die Monsieur is lang van stof. Wat had die met u te verhandelen?’ –

– ‘O! heel wat,’ zeide ik: ‘meer dan ik thands vertellen kan.’ –

– ‘Wie was die Heer!’ vroeg Susanna! ‘mij dunkt, ik heb hem heden morgen in de kerk gezien.’ –

– ‘Gij hadt beter gedaan,’ zeide ik, een andere wending aan het gesprek wenschende te geven, ‘den Predikant aantezien, dan de jonge Messieurs te begluren.’ –

– ‘Kan ik het helpen?’ hernam Susanna: ‘die man dwong mij wel hem aan te kijken; want hij snikte zoo luid, dat ieder een het hoorde.’ –

– ‘Indedaad,’ zeide Henriëtte: ‘nu gij ’t zegt, herinner ik mij ook, hem te hebben opgemerkt. Hij scheen zeer getroffen door de predikatie.’ –

– Gekheid!’ zeide Susanna: ‘hij huilde van verdriet bij de gedachte, dat hij bij gebrek aan contanten al de kermisvermaken zoude moeten missen, welke Dominé zoo treffend afschilderde: zoodat hij, als zijn meisje hem van avond vraagt:

Jan! koop mij een kermis,

zal moeten antwoorden:

Mooi meisjen! ik heb er geen geld.’ –

– ‘Nu zijt gij er toch niet achter, Zusje!’ zeide ik: ‘want hij kwam mij juist verlof verzoeken om met u ter kermis te gaan.’ –

– ‘Zoo! En ik hoop, dat gij gezegd hebt: als ’t u belieft.’ –

– ‘Ik zeide, wij waren al Heeren genoeg.’ –

– ‘Wel foei! zoo zal ik nooit een vrijer krijgen, als gij die op zulk een manier afscheept. – Maar, Kapitein Pulver! Hoe is het? Gij kijkt dien Monsieur nog al na, schoon hij reeds lang uit het gezicht is. Ik heb wel gehoord, dat de zeelui door oefening een scherp gezicht krijgen; maar toch! of gij hem zoo door de bladeren heen kunt ontdekken, dat zoude mij verwonderen.’ –

– ‘Kapitein Pulver meende, geloof ik, dat hij den man kende,’ zeide ik.

‘ – Ja waarlijk!’ zeide Pulver, als uit een droom ontwakende: ‘en ik geloof het nog.’ –

– ‘Kent gij Monsieur Weerglas?’ vroeg Tante, hem naderende: ‘want ik meen, dat hij het was.’ –

– ‘Monsieur Weerglas!’ herhaalde Pulver: ‘ik heb nooit een weerglas gekend dan hetgeen ik aan boord gebruik en gemaakt is door Michiel Blut op de Zeedijk. De waarheid is, dat de man als twee druppelen water gelijkt op mijn Onderstuurman Sander Gerritz, daar ik heden van verteld heb.’ –

– ‘De Kapitein,’ zeide Susanna tegen Tante, dacht als Phocas bij Corneille:

Tombai-je dans l’erreur ou si j’en vais sortir? ’

– ‘Ja Juffertje! als ik Fransch verstond,’ zeide Pulver, ‘dan zou ik dat misschien gedacht hebben; maar ik heb die kornoelje nooit gekend.’ –

– ‘Kom!’ zeide Tante: ‘laat ons maar niet meer aan den man denken, en onze wandeling voortzetten. Daar is van Baalen al een eind vooruit met den Heer Blaek, en zij zijn zoo drok over den wissel op Londen aan den gang, dat zij niet bespeuren, dat wij achter blijven. En de Heer Lodewijk, waar is die?’ –

– ‘Ik geloof naar stal,’ zeide Henriëtte: ‘om de paarden van den Heer van Baalen te zien.’ –

– ‘Aha! zoo hij die boven ons gezelschap verkiest,’ zeide Susanna, ‘dan zie ik wel, dat ik op hem ook niet zal moeten rekenen, om mij heden avond ter kermis te brengen, en ik zal Kapitein Pulver wel te vriend mogen houden: anders ben ik geheel zonder vrijer.’ –

– ‘Tante heeft wel gelijk,’ zeide ik stil tegen Henriëtte, ‘wanneer zij zegt, dat wij dien Monsieur Weerglas moeten daarlaten. Hij heeft mij ten minsten lang genoeg onttrokken aan een gezelschap, dat mij boven alles aangenaam is.’ –

– ‘Mijn Heer!’ antwoordde Henriëtte: ‘gij herinnert u onze afspraak op de koepel wel? Wij zouden alle complimenten daarlaten.’ –

– ‘Ik kan het waarlijk niet helpen,’ zeide ik, ‘dat gij geen onderscheid weet te maken tusschen waarheid en complimenten.’ –

Op deze wijze pratende, wandelden wij voort, terwijl Susanna den zeeman had beet genomen, wien zij allerlei vragen deed, en Tante nu rechts dan links liep, om bloemen te plukken, welke zij alsdan aan de jonge meisjens kwam aanbieden. Na eenigen tijd vervoegde zich Lodewijk weder bij ons, of liever bij van Baalen, met wien hij, na lang loven en bieden, den koop eens werd over de harddravers, onder beding, dat hij die nog eens zoude probeeren.

Te huis gekeerd, vonden wij de theetafel, die ons wachtte: en terwijl wij het geurige kruid dronken, liet ik, mij van alle onzekerheid wenschende te ontslaan, het gesprek vallen op de Spaansche aangelegenheden: waarna ik, bij mijn neus langs, de vraag deed, of iemand den Graaf van Talavera ooit had hooren noemen.’ –

Het kwam mij voor, of de Heer Blaek hij deze vraag eenigzins van kleur veranderde: hij hield zich althands, of hij die niet gehoord had; maar van Baalen haastte zich te antwoorden:

– ‘Den Graaf van Talavera! wel zeker! wie kent dien niet? Hij was Vlies-Ridder, Grande van Spanje, Admiraal van Castiliën, Gunsteling des Konings; in een woord, een troetelkind van ’t geluk; – maar ’t kan verkeeren, zegt Bredero: en met hem is het ook mal afgeloopen. Hij is in ongenade geraakt, heeft zich uit de voeten gemaakt, en niemand weet, wat er van hem geworden is.’ –

– ‘’t Is waar ook,’ hervatte ik: ‘nu herinner ik mij, vroeger wel van den man gehoord te hebben.’ –

– ‘Stil! stil toch!’ zeide Tante, terwijl zij van Baalen met den elboog aanstootte.

– ‘Ik mag er dan toch wel bij vertellen,’ vervolgde hij, niets van de geheime wenken van Tante begrijpende, ‘dat hij eigenlijk een Gelderschman van geboorte was en zijn loopbaan in ’s lands dienst begonnen is. De Heer Blaek zal zich den Baron van Lintz wel herinneren?’ –

– ‘Ik, mijn Heer?’ vroeg de Heer Blaek, terwijl hij moeite had, om het theekopje, dat in zijn hand beefde, aan den mond te brengen: ‘met uw verlof.. neen … ik herinner mij niets van hem.’ –

– ‘Niets! Is dan niet… O! Hoe kan ik zoo dom zijn?’ zeide van Baalen, terwijl hij zich zelven met de vuist voor het hoofd sloeg: ‘ik was waarlijk uwe betrekking tot dien Heer vergeten. Ik verzoek verschoning: ik heb mij schandelijk voorbij gepraat. Zoo iets kan slechts mij alleen gebeuren. Ik ben de ongelukkigste man van de waereld.’ –

Nu was ik nog even wijs. Ik keek rond: de Heer Blaek was van zijn ontsteltenis naauwlijks teruggekomen: van Baalen ging voort met excuses te maken: Henriëtte zag met haar groote en fraaie oogen iedereen beurtelings aan als om opheldering te vragen. Tante bood theerandjens en confituren aan, en deed haar best om de aandacht af te trekken. Lodewijk neuriede een Fransch liedje en Susanna mompelde in zich zelve:

‘Et jamais dans Larisse un lâche ravisseur

Me vint-il enlever ou ma femme ou ma soeur?’ –

Wat Pulver betreft, hij was in zulk een rookwolk gehuld, dat het mij onmogelijk was, zijn gelaat te onderscheiden.

Het gesprek werd nu, zoo als meestal het geval is na een dergelijk incident, koud en onbeduidend: ja het was met een waar genoegen, dat iedereen het theegoed zag wegnemen, waarna wij gezamenlijk een wandeling in het dorp gingen doen. – Dewijl de kermisvermakelijkheden, welke wij aldaar bijwoonden, niet van dien aart waren, dat de beschrijving daarvan eenigzins belangrijk voor den lezer zoude zijn, maar slechts dienen zoude, om mijn verhaal nutteloos te verlengen, zal ik hier alleen vermelden, dat Susanna, bij het gooien aan een koekkraam, door de Fortuin begunstigd werd en het geluk had van een grooten koek te trekken, waarop met gouden letters te lezen stond

DIT IS

VOOR

MIJN .

Wij keerden tegen negen ure huiswaart, waarna de vier genoodigde Heeren, wier rijtuigen reeds een poos gewacht hadden, hun afscheid namen, en Heizicht verlieten.

DigitalDroom Reader

Hoofdstuk XVIII

XVIII / XXXIX

Het was met een beklemd hart, dat ik den volgenden morgen de chais van Tante zag voorkomen, om mij naar Amsterdam terug te brengen, en mij een plaats te doen verlaten, waar ik een voorwerp achterliet, dat mij, ondanks onze korte kennismaking, onuitsprekelijk dierbaar geworden was. Ik mocht echter mijn verblijf niet langer rekken; want ik moest dien dag bij den Heer van Baalen zijn om mijn nieuwe betrekking te aanvaarden: en ik wil niet ontkennen, dat de gedachte mij streelde, van niet langer, gelijk voor vijf dagen, te Amsterdam aan te komen, als een berooide straatslijper, die niets te verdienen heeft, maar als de medechef van een gëaccrediteerd handelshuis. Deze betrekking gaf mij dan ook tevens eenige waarborg om met meer vrijmoedigheid aanzoek te kunnen doen naar de hand van een meisje, hetwelk ik niet zoude ten huwelijk durven vragen, zonder het vooruitzicht te hebben, van haar eerlang een maatschappelijke positie te verschaffen, geëvenredigd aan die, waaraan zij gewoon was. – Deze en dergelijke gedachten beurden mij onderweg zoodanig op, dat ik in een recht opgeruimde stemming te huis kwam. Na mijn moeder omhelsd, en de jonge leden der familie verheugd te hebben met den grooten koek, dien Susanna mij voor hen had medegegeven, begaf ik mij naar het huis van van Baalen, die mij uiterst minzaam ontfing en terstond naar zijn kantoor geleidde, waar ik met alle behoorlijke plechtigheid aan de boekhouders, bedienden en loopers werd voorgesteld.

– ‘Ik heb dezen hoek voor u bestemd,’ zeide van Baalen: ‘hopende dat de plaats en het licht u gevallen – en die lessenaar geledigd, die UEd. gebruiken kan, zoolang er geen nieuwe vervaardigd is. – Wijdveld! haal de boeken eens, dat mijn Heer Huyck eenig denkbeeld moge bekomen, hoe de zaken staan en op wat hoogte wij zoo wat zijn. – Zoo UEd. eenige kopijen of notitie van ’t een of ’t ander verlangt, heeft UEd. maar te spreken: en, heeft UEd. eenige inlichtingen noodig, Wijdveld of ik zelf zijn altijd bereid u die te geven.’ –

Gedurende deze minzame toespraak van mijn nieuwen compagnon had Wijdveld, de tweede boekhouder, al de boeken aangebracht, voor mij op de schrijftafel nedergelegd en aan den laatst beschreven folio opgeslagen, waarna hij zich weder naar zijn lessenaar begaf. Ik riep nu al mijn opmerkzaamheid, en hetgeen mij van de theoretische kennis van het Italiaansch boekhouden uit mijn schooljaren was bijgebleven, te hulp, om mij met den staat der zaken bekend te maken. Van Baalen had, naar het mij dien dag voorkwam, overal het oog, en, gelijk mij later bleek, ook het hoofd bij: en, zonder zijn plaats of zijn werk te verlaten, wist hij dat zijner ondergeschikten zorgvuldig na te gaan, hun zijn bevelen te geven, hen, waar ’t noodig was, te recht te wijzen, en op mijn gezicht te lezen, wanneer ik hier of daar zwarigheden ontmoette.

– ‘Mijn Heer Karelsz!’ zeide hij, na eenen der ontfangen brieven gelezen te hebben, tot den eersten Boekhouder: ‘Heinrich Haspel en C o . tot Hamburg, schrijven ons hun te remitteeren a 33½ st. per daalder van 32 ß lubs of op Frankfort a 85 per florijn van 65 kreutzers.’ –

– ‘Ik geloof,’ zeide Karelsz, ‘dat wij a 84 op Frankfort kunnen remitteren.’ –

– ‘Ja,’ zeide van Baalen: ‘en tot 33 st. op Hamburg, hetgeen hun nog voordeeliger uitkomt. Laat Pietje van Lingen het juiste verschil eens opmaken: – en tevens, hoe veel wij in courant geld moeten uittellen om de 1024000 reez aan Isidoro Perez te Lissabon te remitteren a 110 per dukaat, de agio 3 1/8 per cent. – Hier is een advijs van John Smith te Londen, dat hij 480 stuks Blok-tin voor onze rekening heeft ingekocht en te Cadix geconsigneerd om aldaar voor onze rekening te verkoopen… die factuur loopt hoog genoeg: 496 £ sterlings; maar de ongelden schijnen grooter geweest te zijn dan gewoonlijk: – Monsieur Snijders! wanneer gij er in geslaagd zult zijn, uw pen te vermaken, waaraan gij sedert een half uur bezig zijt, wees dan zoo goed, deze factuur eens over te brengen: en te zien hoe onze rekening met dat huis staat: – het verwondert mij, dat hij niets schrijft over die vier balen Beathilies Ternatanes, die hem in de vorige week gezonden zijn; het heeft wel is waar nog al gestormd op zee: en de beurtman kan te laat zijn aangekomen: – aan die Suiker van Harry Harding op Sint Christoffel behoeft geen rekening gegeven te worden, mijn Heer Wijdveld! Ik ben van dien man geen goed meer te wachten. – Ik zie al, waar UEd. naar zoekt, mijn Heer Huyck! UEd. is waarschijnlijk verwonderd, dat de agio niet bij iederen wissel genoteerd staat; maar het is mijne gewoonte, dat op zijn beloop te laten en bij ’t sluiten der rekening het bedrag der agio op Rekening van Agio te brengen, en de rest op Winst en Verlies. – Mijn Heer Karelsz hebt gij al een nota van de Wijs over den verkoop van die 36 ceroenen Indigo Lauro? – Wees anders zoo goed hem daaraan te herinneren: en zeg hem, dat zoo hij die niet dadelijk inlevert, ik mij van een anderen Makelaar zal bedienen: – en denk toch, om van Erkeles te waarschuwen wegens de assurantie voor de Fortuin . Pulver heeft zich al beklaagd, dat men het schip nog niet is komen opnemen. Ziedaar, mijn Heer Huyck! hier is een circulaire, die ik gesteld heb, om bericht van onze compagnieschap te geven: UEd. gelieve uw oordeel daarover te zeggen. Nu zie! dat is mis,’ vervolgde hij, een anderen brief lezende en dien aan Karelsz overreikende, die bleek werd als een doek.

– ‘Hemel!’ zeide deze, met een zachte stem, zoodat geen der bedienden het hooren kon: ‘dat is een ongeval! wie had dat kunnen droomen?’ –

– ‘’t Zijn veertig duizend gulden in ’t water,’ zeide van Baalen, de schouders ophalende, doch zonder een gezicht te vertrekken.

– ‘Paulus Leyster insolvent!’ hernam Karelsz, zuchtende: ‘ik had zooveel vertrouwen op zijn soliditeit.’ –

– ‘Stil!’ zeide van Baalen: ‘men behoeft niet precies te weten, wat wij daaraan verliezen. Bovendien, zonder schade hier of daar gaat de negotie nooit. Tracht intusschen berichten in te winnen, of er nog wat van te recht komt. Mijn Heer Huyck! ik zal u dit later wel vertellen. ’t Valt gelukkig, dat UEd. hier nog niets mede te maken heeft; doch UEd. kan er uit zien, dat het ons niet altijd voor den wind gaat.’ –

Dit was het eenige beklag dat hij zich veroorloofde. Ik kon van mijn verbazing niet terug komen. Was deze dezelfde man, wien ik den dag te voren zoo morrende en klagende had leeren kennen. Hij had zich den ongelukkigsten man der waereld genoemd, om dat zijn tuinbaas hem geen doperwtjens kon leveren: en hij droeg met gelatenheid een verlies van veertig duizend gulden. Hoe verkeerd, dacht ik, zijn de oordeelvellingen der menschen bij een slechts oppervlakkige kennis! Wie den Heer van Baalen alleen in de gewone samenleving ontmoet had, zoude hem niet anders hebben beschouwd dan als een verdrietigen, gemelijken, verstrooiden knorrepot, die zich zelven en anderen tot last leefde; – en ook alzoo had ik hem bëoordeeld, en reeds had het denkbeeld mij bëangst, van in zijn gezelschap mijn dagen te moeten slijten. Hoezeer had ik mij bedrogen! en hoe aangenaam vond ik mij verrast, nu ik hem in zijn waarde leerde kennen: en, dat ik het hier bijvoege, hoe meer tijd ik in het vervolg met hem sleet, hoe meer ik zijn rustelooze werkzaamheid, zijn helder inzicht in de zaken, zijn geest van orde, zijn cordaatheid in ’t handelen en zijn gelijkheid van gemoed bij voor- en tegenspoed leerde bewonderen. Slechts op eene wijze heb ik mij dat verschil tusschen van Baalen op ’t kantoor en van Baalen in de waereld kunnen verklaren. Hij was van de natuur tot handelaar bestemd, en door zijn stand in de maatschappij tot uitgaan gedwongen. In zaken was hij op zijn plaats: in de waereld speelde hij een rol. Maar zijn ziel was bij zijn affaire en bleef er bij, al was zijn lichaam in de dagelijksche kringen aanwezig: hij gevoelde zich aldaar niet op zijn gemak: en verveeling, zucht om zonderling te schijnen, wrevel, of al deze aandoeningen te samen genomen, bedierven alsdan zijn luim en vormden hem tot den man, dien ik vroeger geschilderd heb.

Terwijl ik mij nog op het kantoor bevond, kwam mijn boodschap aan Helding mij in de gedachten. Ik was eerst voornemens geweest, die aan Heynsz op te dragen; maar de vrees om vermoedens te wekken had mij dit plan doen verwerpen: en ik begreep, dat het beter ware en meer overeenkomstig met het doel des zenders, het geld op een zoodanige wijze in handen des dichters te spelen, dat men nooit kon nagaan van wien het kwam. Toen dus, bij het sluiten van het kantoor, de bediende kwam hooren, of de patroon nog iets te zeggen had, verzocht ik verlof aan van Baalen, dien man met een commissie te belasten: dit toegestaan zijnde, nam ik den looper ter zijde, deelde hem mijn instructiën mede, gelastte hem alles zoo geheim mogelijk te behandelen, en stelde hem vervolgens het geld ter hand, dat ik, om op alle gelegenheden gewapend te zijn, bij ’t van huis gaan had bij mij gestoken. Ik bleef toen nog eenigen tijd met van Baalen alleen, ten einde al wat onze compagnieschap betrof op een behoorlijken voet te regelen, en keerde recht te vrede naar huis.

Op den avond van dien dag zat mijn familie in onze huiskamer vereenigd. Tante Letje was bij ons te bezoek en ik was naar mijn kamer gegaan om eenige plaatwerken te krijgen, die ik aan de mijnen wilde laten zien, toen ik hoorde, dat er iemand aangediend en na eenig toevens binnen gelaten werd. Ik kwam weder beneden, mijn platen onder den arm houdende, en was niet weinig verbaasd en te leur gesteld, toen ik ontdekte dat de bezoeker niemand anders was als vriend Helding, die, zoodra hij mij zag, naar mij toekwam, en met de meeste eerbiedigheid mij zijn dank betuigde voor de weldaad, die ik hem bewezen had.

Ik stond als van den donder getroffen en verwenschte het toeval, dat ik juist uit de kamer was, toen hij zich had laten aandienen; daar ik in het tegenovergestelde geval naar hem had kunnen gaan en hem afzonderlijk spreken: en nu, vreesde ik, zoude de bommel uitbreken.

– ‘Maar mijn waarde Monsieur Helding!’ zeide ik eindelijk: ‘ik weet niet waar UEd. van spreekt: ik betuig u, dat uw dankzeggingen mij zoo vreemd voorkomen…..’

– ‘Wel ja!’ zeide mijn vader, die van meening was, dat Helding voor de twee dukaten bedanken kwam: ‘UEd. behoefde waarlijk niet de moeite te doen, van daarvoor hier te komen. Het gedicht, waarmede UEd. ons vereerd hebt, is slechts weinig betaald met zulk een bagatelletje.’ –

– ‘Een bagatelletje Ed. Gestr. Heer!’ riep Helding: ‘waarlijk! zoo UEd. honderd Zeeuwen een bagatelletje noemt! voor UEd. is ’t mogelijk; maar voor mij waarachtig niet.’ –

– ‘Honderd Zeeuwen!’ herhaalde mijn vader: ‘hier moet een misverstand plaats hebben: dat geld komt van mij niet: en ik betwijfel, of mijn zoon ook genoeg bij kas is, om zulke munera weg te geven.’ –

– ‘Eilieve Ed. Gestr. Heer!’ hervatte de poëet: ‘UEd. drijft het al te verre. Zulk een edele wijze van schenken verhoogt de waarde van het geschonkene.’ –

– ‘Dat uw slinkehand niet wete wat uw rechter geeft,’ mompelde tante Letje.

– ‘Maar het is vruchteloos,’ vervolgde Helding, ‘de zaak te willen verbloemen. Hoe fijn het werk ook bestoken was, ik ben er toch achter gekomen.’ –

– ‘Eilieve! Geef ons de historia facti eens,’ zeide mijn vader: ‘want ik ben toch nieuwsgierig, te weten, hoe de vork in den steel zit.’ –

– ‘Met genoegen, Edel Gestr.! Ik zat daar op mijn bovenkamer en had een veldzang ter gelegenheid der verjaring van den Heere Smethof voor mij, terwijl Heynsz, mijn huisheer, juist bij mij zat en mij een quitantie schreef voor drie maanden huur, die ik hem voldeed uit de twee dukaten, die UEd. laatst bij mij gelaten had.’ Daar wordt aan mijn deur geklopt: ik zeg: ‘binnen!’ daar komt mij een Monsieur binnen: ‘Monsieur Lucas Helding?’ – ‘Dezelfde,’ zeg ik. ‘Dan moet ik u dit zakje overhandigen,’ zegt hij: ‘wees zoo goed, mij quitantie daarvoor te geven.’ Met begon hij het geld op de tafel uittetellen: allen gerande Zeeuwsche Rijksdaalders. Ik was zoo buiten mijzelf, dat ik beefde als een rieten blad. ‘Maar man!’ zeg ik: ‘UEd. is zeker abuis. Ik ben geen geld te wachten.’ – ‘Geen abuis ter waereld,’ zegt hij, terwijl hij het geld al vast voortelde: ‘zoo UEd. Lucas Helding is: 29, 30, 31’ – ‘Maar, van wie komt het toch?’ vroeg ik. – ‘Ja! dat mag ik niet zeggen: 45, 46, 47.’ – Het was mij alsof alles mij draaide voor de oogen: zulk een som gelds te zien. – ‘Wel!’ zeide Heynsz: ‘ik zou het maar opsteken. Men moet zoo geen koren van den molen sturen.’ – ‘Och!’ zeide ik: ‘Sinjeur Heynsz! wees zoo goed en schrijf mij de quitantie eens. Gij zijt nu toch bezig: en ik zou niet in staat zijn, een letter op ’t papier te stellen, zoo confuis ben ik.’ – ‘Daar heb ik niet tegen,’ zeide hij: ‘hoe groot is de som?’ – ‘Tweehonderd zestig gulden,’ zeide de vreemde persoon. – Nu, Heynsz schreef het reçu: ik teekende, en de man kuierde weg. ‘Begrijpje daar iets van, Sinjeur Heynsz?’ vroeg ik. ‘Neen,’ zei hij: ‘maar ’t is een buitekansje, daar ik u geluk mee wensch..’ ‘Kenje dien man?’ vroeg ik weer: ‘Jawel!’ zeide hij: ‘’t is een kantoorknecht bij van Baalen.’ –

– ‘Dat die drommelsche verklikker ook tegenwoordig moest zijn,’ dacht ik, bij dit gedeelte van Heldings verhaal. Deze vervolgde:

– ‘Dat was aan geen dooven gezeid. Ik gaf mijn geld aan Heynsz om te bergen en liep naar den Heer van Baalen. Maar ja wel! Ik had pas een paar woorden gezegd, of ik merkte, dat het alweer mis was.’ ‘Ik geef mijn geld zoo niet weg,’ zeide hij, en liet daarop den kantoorknecht roepen, die juist aan huis was. Toen kwam het hooge woord er uit: hij had het van UEd. gekregen om het mij te bezorgen.’ –

Hier zette mijn geheele familie groote oogen op en ik sloeg de mijne neder, mijn noodlottig gesternte verwenschende.

– ‘Ik wist niet, dat uwe middelen zoo ruim waren,’ zeide mijn vader, met bevreemding.

– ‘Het spijt mij, dat het ontdekt is,’ hernam ik: ‘maar ik kan u verklaren, Monsieur Helding! dat uw dankbetuigingen niet aan mij behooren gericht te zijn. UEd. is het geld evenmin aan mij verschuldigd als aan den kantoorknecht, die het u gebracht heeft; want beide hebben wij het van een derde ontfangen: en de man, die het mij ter hand stelde, wil niet genoemd zijn.’ –

Mijn toon was zoo ernstig, dat Helding overtuigd scheen. Nu keek hij mijn vader aan; maar deze schudde het hoofd, en mompelde: ‘ Etiam per interpositam personam donatio consummari potest; maar ik begrijp er niets van.’

– ‘En mag ik er volstrekt niet naar raden, wie de zender is?’ vroeg Helding.

– ‘Ik verzeker u,’ was mijn antwoord, ‘dat gij daar vergeefsche moeite toe zoudt doen. Het is mij bovendien volstrekt verboden u iets dien aangaande te vertellen.’ –

Helding zuchtte en haalde de schouders op: ‘in dat geval ben ik UEd. toch altijd dankbaar voor de bezorging,’ zeide hij: ‘en het zij UEd. de zender zijt of niet, zoo wil ik toch niet nalaten, UEd. het tweede oogmerk mijner komst mede te deelen, zijnde om UEd. te noodigen op een klein partijtje, dat ik sedert lang aan eenigen mijner kunstvrienden schuldig ben, en nu eindelijk in staat ben gesteld, hun te geven.’ –

– ‘Mijn waarde Monsieur Helding!’ zeide ik: ‘ik ben volstrekt niet op de hoogte, om met geleerde lieden om te gaan, en zal bovendien thands droktens genoeg aan de hand krijgen, die mij dergelijke partijen wel zullen beletten.’ –

– ‘Ja! dat vind ik ook,’ zeide mijn moeder, mij met bezorgdheid aanziende: ‘dergelijke partijen duren somtijds laat: men gebruikt er meer wijn dan gewoonlijk, en de gezondheid lijdt er door.’ –

– ‘Och! UEd. meent het niet,’ zeide Helding: ‘de jonge Heer kan immers naar huis gaan wanneer hij verkiest, en behoeft niet meer te drinken dan hem lijkt: een glas roode wijn kan toch op zijne jaren zooveel kwaad niet: en dan bovendien, de jonge Heer heeft het mij beloofd.’ –

– ‘Het zij verre van mij, hier, ongeroepen, wijsheid te willen schaffen,’ zeide mijn vader: ‘maar ik geef u, Monsieur Helding! vriendschappelijk in bedenking, of gij wel doet, de verkregene som zoo dadelijk te gebruiken om uw vrienden te tracteeren. Ik weet wel, gij pöeeten acht het geld als slijk en denkt met Horatius:

Nullus argento color est avaris Abdito terris;

maar toch, ik denk, dat het oogmerk des zenders geweest is, dat gij er uzelven mede te goed deedt, en niet, dat anderen het verbrasten.’ –

– ‘UEd. Gestr. spreekt zeer waar,’ zeide Helding: ‘maar wat is het geval? Ik ben nu al zoovele jaren lid van een vriendekring ter onderlinge oefening in de dichtkunst. Volgens de instellingen van ons genootschap moeten wij maandelijks bij een der leden vergaderen, die de overigen ontfangt en hun een glas wijn schenkt naar zijn vermogen. En daar zij nu weten, dat ik geen kelder heb, wisten zij het altoos zoo te schikken, dat mijne beurt werd overgeslagen. Ik heb nu zoovele jaren altijd op hunne kosten wijn gedronken, en nu wilde ik wel voor eens in mijn leven hunne beleefdheid ten mijnen opzichte vergelden.’ –

– ‘Dat is edelmoedig gedacht,’ zeide mijn vader: maar toch, draag zorg, dat gij niet alles aan den wijn verdoet: en bepaal u dan bij hen, aan wie gij een tractement schuldig zijt.’ –

– ‘Nu ja!’ zeide Helding: ‘of er een paar meer of minder zijn, dat zal er zooveel niet toe doen: en aan den jongen Heer, die mij in staat gesteld heeft mijn huishuur te voldoen, wilde ik toch ook wel toonen, dat ik niet ondankbaar ben. ’t Is zeker wel wat vermetel van mij, te durven hopen, dat iemand als de jonge Heer Huyck mij de eer aan zoude doen mijn arme woning te bezoeken.’ –

– ‘Volstrekt niet,’ hernam mijn vader: ‘en ik heb er niet tegen, dat mijn zoon van uw uitnoodiging gebruik make, indien zijn kantoordroktens het niet beletten en hij voor dien avond niet verzeid is.’ –

– ‘Maar lieve engel!’ zeide mijn moeder, vreemd opziende: ‘gij meent het immers niet?’ –

– ‘Kom, Keetje lief!’ zeide mijn vader: ‘wees maar tevrede: indulge veniam puero .’ –

– ‘Ja!’ zeide zij, de schouders ophalende: ‘als gij Latijn begint te praten, zal ik maar zwijgen,’ en zij schudde het hoofd, terwijl haar geheele wezen te kennen gaf, dat zij die party niet goedkeurde.

– ‘Zie zoo! dat is treffelijk,’ zeide Helding, terwijl hij zich tot mij wendde, en de handen wreef: ‘UEd. zal zien, het zal in orde zijn. Heynsz heeft mij veroorloofd, de gasten op zijne kamer te ontfangen, dan behoeven zij zoovele trappen niet te klimmen…’

– ‘En hebben minder gevaar, er af te rollen,’ dacht ik.

– ‘En ik zal de Juffrouw, die beneden mij woont, verzoeken koffij te schenken: dan heeft het goede mensch ook reis een verzetje: want zij zit den geheelen dag te kniezen en te zuchten.’ –

– ‘En zal die Juffrouw dan alleen met al die Heeren zitten?’ vroeg Moeder.

– ‘Wel neen Mevrouw!’ antwoordde Helding, lagchende: ‘zij zal op haar kamer blijven en ons de koffij sturen. – Och! het is een lief meisje, zoo vriendelijk, zoo zachtzinnig: niet waar, mijn Heer?’ vroeg hij, mij tot getuige nemende.

– ‘Zoo Ferdinand! Kent gij die Juffrouw ook al?’ vroeg mijn moeder, half schertsend, half bestraffend.

– ‘Dat is te zeggen, ja, ik heb haar in ’t voorbijgaan gezien, toen ik Monsieur Helding bezocht,’ zeide ik.

– ‘Nu ja, gezien,’ zeide Helding: ‘en een groote dienst gedaan bovendien. – Nu zij is ook altijd recht dankbaar; want zoo dikwijls ik haar op den trap ontmoet en een praatje met haar maak, vertel ik haar van UEd. en dan glinsteren haar oogen als twee sterretjens.’ –

– ‘Wat is dat voor een Juffer?’ vroeg op zijne beurt mijn vader, met een strakken blik: ‘en wat zijn dat voor diensten, die Ferdinand haar bewezen heeft?’ –

– ‘Och! een zedig meisje,’ zeide Helding, ‘die geen Christenziel bij haar ziet en nooit uitgaat: en vroom ook; – maar zij woont dan bijster alleen en verlaten. Daar hebje den Notaris Bouvelt, daar ik geloof dat het een stuk van een nicht af is, die komt niet eens naar haar omzien. De man is ziek, dat is mogelijk; maar kon hij niet eene van zijn dochters zenden? al was het maar om haar naar de kerk te brengen, waar zij nu niet alleen naar toe durft gaan. Gisteren nog vroeg ik haar, zoo bij manier van spreken, waar zij ter kerke geweest was: en zij antwoordde mij, dat zij sedert haar komst te Amsterdam nog geen voet over den drempel had gehad, omdat zij niet alleen durfde uitgaan. En toen vroeg zij mij, of ik geene zuster of nicht had, die op jaren ware, en haar derwaarts zoude kunnen geleiden.’ –

– ‘Arme ziel!’ zeide tante Letje, met deernis: ‘zij is gelijk aan den geraakte, die de genezende wateren van Bethesda niet kon genaken, omdat er niemand was om hem op te nemen.’ –

– ‘Maar dat heldert nog niet op, wat Ferdinand met haar te maken had,’ zeide mijn vader.

– ‘Anders niet,’ zeide ik, ‘dan dat ik haar bevrijd heb van iemand, wiens bezoek haar lastig was; doch Monsieur Helding weet, dat wij den naam des onbescheidenen indringers niet voegzaam kunnen noemen.’ –

Mijn vader zweeg en nam een snuifje. Ik wist, wat dat beteekende; want de snuifdoos kwam slechts bij bepaalde gelegenheden uit den zak: namelijk, wanneer hij hoofdpijn had, in de pleitzaal bij lange pleidooien, in de kerk bij vervelende predikatien, wanneer hij iets zwaarwichtigs op te stellen had, of wanneer hij misnoegd was. Hij bleef echter dien gandschen avond even vriendelijk jegens mij: ik vermoedde derhalve, dat zijn ontevredenheid alleen op Heynsz zoude nederkomen, die hem van het voorgevallene tot zijnent onkundig had gelaten.

Na een onbeduidend gesprek nam Helding zijn afscheid van het gezelschap, mij meldende, dat de bijeenkomst, waarop hig mij genoodigd had, den volgenden Donderdag te zes ure zoude plaats hebben, terwijl ik van mijn kant beloofde in tijds aanwezig te zullen zijn. Toen ik den man uitgeleide deed naar de voordeur, vroeg hij mij, of ik reeds, ingevolge mijn belofte, hem de vriendschap gedaan had van met mijn vader over zijn dochter te spreken. Ik antwoordde, gelijk de waarheid was, dat ik zulks terstond had verricht: doch dat er met de verlangde nasporingen wel eenige tijd zoude verloopen, vermits het verloren schaap zich sedert lang niet meer in Amsterdam bevond en waarschijnlijk van naam was veranderd. Helding toonde zich hoogst erkentelijk en maakte nog verscheidene verschoningen over de moeite, welke hij mijnen vader en mij veroorzaakte, waarna hij vertrok.

Bij het gezelschap terugkeerende vond ik mijn moeder, bezig mijn vader minzaam te beknorren, dat hij mij naar dat pöeetenmaal liet gaan.

– ‘Ik hoop,’ zeide mijn vader, ‘dat Ferdinand oud en wijs genoeg is, en zich weet te matigen. Gij wilt toch niet, Keetjelief, dat wij een knaap, die nu ruim twee jaren op zijn eigen wieken gedreven heeft, weder als een schooljongen gaan behandelen? En, hoewel ik niet verlang, dat hij Helding tot een huisvriend make, zoo heeft mij de dankbaarheid des mans toch getroffen en wil ik niet, dat hij ons van hovaardij beschuldige. Had ik echter vooraf geweten,’ voegde hij er glimlagchend bij, ‘dat zich zulk een innemende koffijschenkster daar bevond, ik had mij nog eens bedacht.’ –

Men kan zich voorstellen, dat ik bij dit alles niet zeer op mijn gemak was en met schrik opzag tegen het losbersten der donderbuien, die zich van alle kanten boven mijn hoofd samenpakten. Maar mijn ongerustheid moest nog vermeerderd worden. Den volgenden dag kwam er een mand van Tante van Bempden, met groentens en vruchten, welke zij aan mijn moeder stuurde, en een brief er bij van Susanna aan mij, van den volgenden inhoud:

‘Sinjeur Ferdinand!

Gij hebt voorwaar mooie stukjens uitgevoerd! daar zijn nu al mijne profetiën uitgekomen, dat gij nooit zoudt deugen. Ja! Ferdinand werd altijd in de familie als een achtste wonder beschouwd: en ik, die wat beter inzicht in de zaken had, al zoo weinig geloofd als wijlen Juffrouw Cassandra. Maar zoo gaat het: als de wijsheid op de straten schreeuwt, blijft ieder te huis; en als de dwaasheid maar even fluit, is er dadelijk een toeloop. Pas maar op, dat er geen toeloop kome om u te zien ophangen. Denk eens! de zoon van den Hoofdschout het stadhuisraam te zien uitsteken: dat zou een aandoenlijk schouwspel wezen. Nu ja! kijk maar zoo vreemd niet op: de bommel is uitgebroken. Daar komt van morgen Baas Roggeveld met zijn lakenvelsche koeien aanzetten en vertelt aan Tante, dat die Monsieur Weerglas, die in zijn huisje woonde, met de noorderzon vertrokken is, niemand weet waarheen: ofschoon iedereen gissen kan, dat hij niet spoedig terug zal komen: overmits zich heden morgen de Baljuw in eigen hooge persoon aan het ledige huisje vervoegd heeft, bewerende, dat gemelde Monsieur Weerglas niemand anders was als…. nu raad eens, zoo gij kunt; – of liever, zoo gij ’t niet weet: – niemand anders als Zwarte Piet, en de bedrijver van ettelijke diefstallen, huisbraken en rooverijen op den publieken weg. Nu behoefje niet te vragen, hoe of Tante opkijkt, dat gij met dien Sinjeur op zulk een intimen voet waart, dat hij u visites kwam doen. Zij wilde er eerst aan Papa over schrijven; maar ik heb haar beduid, dat zij den man maar verdriet aan zoude doen, en dat het beter ware, dat ik u eerst kapittelde over het aangaan van dergelijke liaisons . Ik kan u zeggen, dat ik er van lil en beef: en dan, hoor ik, heeft Pulver verteld, dat gij een zakje met geld van dien fielt hebt ontfangen. Is UEd. altemet een compagnon van Cartouche en Jaco? –

On apprend à hurler, dit l’autre, avec les loups .

En ik mag van Baalen wel waarschuwen; anders gaat gij nog met de kas strijken, en dan zoude hij indedaad de ongelukkigste man van de waereld worden. Ik heb al aan Jetje Blaek geraden, haar koffertje natekijken, om te zien of gij haar niets ontstolen hebt. – Ten haren opzichte zoude ik het u vergeven; want dat ware volgens het recht van wedervergelding: ( jus talionis, zoude Papa zeggen: ja ik weet ook wel een mondvol Latijn) overmits zij, zoo ’t mij voorkomt, zich aan de dieverij van uw hart heeft schuldig gemaakt. – Nu! op haar hart zult gij wel alle aanspraak verbeuren, zoo gij er dergelijke kennissen op nahoudt. ’t Is toch jammer! laatstleden Zondag scheen zij u zoo genegen, en toen gij aan tafel met den Heer van Baalen aan ’t redetwisten waart over het tarief, keek zij, ofschoon zij er wel niets van begrepen zal hebben, u met zulke aandachtige oogen aan, dat het mij den schijn had, als had zij haar toilettafel tegen een gebroken blompot willen verwedden, dat gij gelijk hadt. – Nu! rechtvaardig u, zoo gij kunt; want Tante is ernstig boos: en er is een zilveren suikerstrooier zoek, dien zij zich zeker verbeeldt, dat door dien vagebond tijdens zijn bezoek is meêgepakt: of hebt gij hem misschien in de lommert gezet? – Gij zijt er niet te goed toe; dit, weet gij, is het oordeel van

Uwe Zuster

Susanna.’

De mededeeling van dit alles was niet geschikt om mij bijzonder gerust te stellen, en ik had reden genoeg om mijn rassche belofte van stilzwijgenheid te verwenschen. Ik kon den brief echter niet onbëantwoord laten en zag in, hoe noodig het ware, Tante te bevredigen. Ik schreef derhalve aan Susanna en dankte haar voor de dienst, die zij mij bewezen had, door mij zoo tijdig van het gebeurde te onderrichten, en vooral, door Tante te doen afzien van haar voornemen om aan mijn vader te schrijven. Wat de ontmoeting van Zwarten Piet betrof, zoo verhaalde ik haar alleen, dat de man mij werkelijk geld had gelaten, met verzoek het aan een derde over te brengen; doch dat het een geheim was, waarin personen betrokken waren, die ik niet noemen mocht. ‘Geloof mij,’ dus eindigde ik, ‘dat ik niet min dan gij verwonderd ben geweest over de eer van ’s mans bezoek, en dat ik wel gewild had, dat hij aan een ander deze lastige commissie had opgedragen. Ik heb die echter niet geweigerd, omdat het werkelijk een vergoeding was, welke de man deed, en dat hij, naar ik mij vleie, op weg is om zijn schandelijk bedrijf te verlaten. Bidden wij liever voor den ongelukkige, dan dat wij hem veroordeelen, en vergeten wij niet, dat, welke zijn misdrijven ook geweest mogen zijn, de poort der genade voor den berouwhebbenden zondaar nooit gesloten blijft.’ –

Ik was nog een bezoek schuldig aan Tante Letje, en besloot den avond te baat te nemen om aan deze verplichting te voldoen. Ten haren huize gekomen, verzuimde ik niet, aan de dienstmaagd, welke mij de deur opende, te vragen, of Tante ook belet had; want ik wist dat zich niet zelden eenige vromen ter onderlinge stichting tot harent verzamelden, en ik was niet bijzonder op het gezelschap van de Weduwe Knijpduim of den Catechiseermeester Zoutbrand gesteld.

– ‘De Juffrouw is alleen,’ zeide de meid, met nog een Juffertje, dat zoo even met een sleetje hier gekomen is.

Op deze verzekering begaf ik mij boven, in de verwachting van de eene of andere neepmuts over Tante te zien zitten; maar wie schildert mijn verbazing, toen ik, in Tantes achterkamer gekomen, gewaar werd, dat de Juffer, die tegen over haar bezig was een kopje thee te drinken, al te wel bij mij bekend, in een woord niemand anders was als Amelia Bos. Wat deze betreft, zij was niet minder verrast door mijne verschijning en het kopje ontgleed bijna haar vingers.

– ‘Zoo Neef!’ zeide Tante: ‘ik was u heden avond niet te wachten. Gij kent de Juffer, naar ik meen.’ –

– ‘Ja Tante!’ antwoordde ik: ‘maar ik was er verre af van te denken, dat de Juffer ook bij u bekend ware.’ –

– ‘Behoeft men dan zijn naaste te kennen, om hem een dienst te bewijzen?’ vroeg Tante: ‘kende de Weduwe van Zarpath den man Gods, dien zij bij zich ontfing? En staat er niet geschreven: vergeet de herbergsaemheid niet; want hierdoor hebben sommige onwetens Engelen geherbergd?’

– ‘’t Is verre van mij,’ zeide ik, ‘dat ik aan uw goeden wil jegens uwen naasten zoude twijfelen; maar toch vind ik mij verrast, door Mejuffer hier te zien, en kan ik niet nagaan, op welke wijze uwe kennismaking heeft plaats gehad.’ –

– ‘Dit laat zich, dunkt mij, nog al raden,’ zeide Tante: ‘de woorden, ten huize uws vaders door dien liedjensmaker gesproken, heb ik bewaard, die overleggende in mijn herte, en het was, als of er eene stem in mijn binnenste sprak: ‘zie! ik moet handelen met deze maget gelijk Hanna handelde met Samuel haren zoon, hem opbrengende tot het huis des Heeren.’ – Maar ik zoude toch geene vrijmoedigheid gehad hebben, zoo maar tot haar te gaan en te zeggen; ‘ziet: hier ben ik:’ ware het niet, dat ik, heden morgen in den koussenwinkel bij van Vlerken zijnde, haar aldaar had aangetroffen met den ouden man, ja, dienzelfden Helding, die haar geleidde, en haar aan mij voorstelde: en, hebbende bevonden, dat zij is gelijk eene Maria, en gaarne luistert naar de waarheid, die uit de godzaligheid is, zoo heb ik haar genoodigd om heden avond bij mij te komen en deel te nemen in de stichtelijke onderwijzing, die ik naar mijn vermogen poog te geven aan wie dorst heeft naar de wateren des levens.’ –

Ik kon van mijn verbazing niet terugkomen. ‘Hoe!’ dacht ik, ‘zal ik dan eeuwig, waar ik ga, uit of t’huis, aan ontmoetingen worden blootgesteld, die aanleiding geven tot nieuwe verwarring? Is mijn geboortestad sedert mijn afwezigheid betooverd geworden of ben ik hetzelf? Of is alles een benaauwde droom? – En dan, Amelia is immers der Roomsche godsdienst toegedaan? Heeft zij Tante Letje, die zoo sterk op haar geloof staat, opzettelijk misleid? Of heeft hier een misverstand plaats? – En hoe deerlijk zal dat dan uitkomen!’ –

Wat Amelia betrof, ofschoon zij in het eerste oogenblik niet minder verlegen scheen dan ik, herstelde zij zich spoedig: zij had het voordeel boven mij, dat mijne tegenwoordigheid, als die van een bekende, haar gerustheid inboezemde, terwijl de hare mij zorg verwekte.

– ‘De Juffrouw heeft mij verteld,’ zeide Tante, na eenig zwijgen, ‘dat gij haar een gewichtige dienst hebt bewezen.’ –

– ‘Zoo!’ antwoordde ik, Amelia eenigzins verwonderd aanziende en onbewust, hoe verre zich hare mededeelingen hadden uitgestrekt.

– ‘Ja mijn Heer Huyck!’ zeide Amelia, mij uit de verlegenheid helpende: ‘ik heb aan Mejuffrouw uw Tante kenbaar gemaakt, dat UEd. zoo vriendelijk geweest zijt om mij van dien lastigen Heer te ontslaan.’ –

– ‘Ik heb alleen mijn plicht gedaan,’ zeide ik: ‘en ieder fatsoenlijk man zoude in mijne plaats even zoo gehandeld hebben.’ –

– ‘En de Juffrouw heeft u zeker ook verteld,’ zeide Tante, ‘hoe het komt, dat zij dus alleen en verlaten is, gelijk Ruth de Moabitische, zonder zelfs een schoonmoeder te hebben, tot wie zij zeggen kan: uw volk is mijn volk ende uw Godt mijn Godt?’ –

Ik wist niet, wat te antwoorden: ‘wat dunkt u lieve Tante!’ vroeg ik, om er mij uit te redden: ‘ziet gij mij aan voor een raadsman, deftig genoeg, om het vertrouwen eener jonge Juffer te verdienen?’ –

Amelia scheen terstond mijn oogmerk met dit ontwijkend antwoord te bevroeden, en haastte zich te zeggen: ‘ja Mejuffer! Ik heb aan uw Heer Neef verhaald, gelijk aan u, dat ik er ongelukkig aan toe ben, daar de Heer Bouvelt mij niet kon ontfangen, en ik niet terug kan keeren naar Deventer, uit hoofde mijn familie van huis is: zoodat ik mij alleen bevinde.’ –

– ‘Had men u ten minste maar bij een ordentelijke burgervrouw besteed,’ zeide Tante: ‘maar, mij dunkt, Amsterdam is groot genoeg, en ik zal zelve aan dien Sinjeur Bouvelt schrijven, en hem voorstellen, u een ander logies te bezorgen.’ –

– ‘ Santa Maria! doe dat niet,’ riep Amelia ontsteld uit: ‘de Heer Bouvelt ligt ziek te bed en is buiten staat zich met eenige zaken te bemoeien.’ –

– ‘Wat zeidet gij daar voor een vreemd woord?’ vroeg Tante, terwijl ik op mijn lippen beet: ‘dat luidde even of het een vervloeking ware: en daar staat geschreven: gij en zult ganschelijk niet vloeken.’ –

Amelia keek eenigzins bedeesd over deze bestraffing: en, naar het hooge rood te oordeelen, dat haar wangen bedekte, geloof ik, dat zij zich bovendien verwijtingen deed, van aan de goede vrouw, die haar bij zich ontfing, een sprookje op den mouw gespeld te hebben; want aan die Deventersche historie begreep ik wel, dat geen woord waar was. Maar nog grooter werd de verwarring van het arme meisje, toen Tante haar, na een korte stilte, de vraag deed, welken Predikant te Deventer zij gewoon was te volgen.

De eene dienst, dacht ik, is de andere waard: en ik poogde op mijne beurt Amelia het antwoord te besparen. ‘Gij maakt misschien,’ zeide ik, ‘geen onderscheid tusschen hen, en hoort allen even gaarne.’ –

– ‘Indedaad,’ zeide Amelia: ‘ik geloof….‘

– ‘Hoe!’ viel Tante in: ‘mij dunkt, er is toch nog al onderscheid tusschen den godvreezenden Klarebron, – die zijn naam te recht draagt; want hij is als eene fonteijne der hoven, een put der levende wateren, – en den ijdelen Zevenslinger, die besmet is met Pelagiaanschen en Sociniaanschen zuurdeessem en die slechts woorden zonder wetenschap voortbrengt, waarmede hij den raad verduistert en de kortzichtigen verblindt.’ –

– ‘Och Mejuffer!’ zeide Amelia, verbaasd over dezen uitval, waar zij niets van begreep: ‘ik heb daar zoo weinig verstand van, en….’

– ‘Maar bij wien hebt gij uw belijdenis dan gedaan?’ vroeg Tante: ‘of behoort gij wellicht tot de zoodanigen, die talmende zijn met die afteleggen, niet indachtig, dat de tijd voortgaat, en dat wij niet weten, wanneer de ure des oordeels komen zal.’ –

– ‘Ik weet het niet recht,’ antwoordde Amelia: ‘ik was elf jaar oud, toen ik het sacrament ontfing, en ben vergeten, welken naam de Priester droeg, bij wien ik mijn catechismus geleerd heb.’ –

– ‘O wee! o wee!’ dacht ik, ‘nu is het geheel en al mis.’ –

Maar welke woorden zouden in staat zijn, de verbazing, de ergernis uittedrukken, welke op het gelaat van Tante Letje te lezen stonden, toen zij, uit hetgene ter kwader ure aan Amelia ontvallen was, de waarheid inzag, en ontdekte, wie zij bij zich in huis ontfangen had. Met open mond staarde zij Amelia aan: zij liet de kous, waaraan zij breidde, op den grond vallen, sloeg de handen in elkander en herhaalde halfluid den gesprokenen volzin, als wilde zij zich overtuigen, of zij wel verstaan had. Wat de arme Amelia betrof, zij begreep niets van het kwaad, dat zij gesticht had: in de Roomsch Catholijke Godsdienst opgevoed en in vreemde landen gewoond hebbende, wist zij, gelijk mij naderhand bleek, op zijn best, dat hier te lande een andere wijze van godsvereering dan de hare de heerschende bestond: haar vader had het hoofd te zeer vervuld gehad met andere zaken, of wellicht de gelegenheid gemist van haar te onderrichten, hoe zij zich omtrent dat stuk in Holland te gedragen had. Zij had dan ook al wat Tante vroeger gezegd had op haar eigen kerkleer toegepast en die uitdrukkingen, welke haar duister of ongewoon voorkwamen, daaruit verklaard, dat er wellicht eenig verschil bestond tusschen den vorm der eerdienst in dit land en in dat harer vroegere inwoning; terwijl de verwarring, veroorzaakt door de vragen, welke Tante haar deed omtrent de plaats, van waar zij voorgaf gekomen te zijn, haar nog minder had doen nadenken over den vorm dan over het zakelijke van haar antwoorden. Ik zag intusschen, dat het zaak werd, tusschen beide te treden.

– ‘Tante lief!’ zeide ik: ‘hier heeft een misverstand plaats. UEd. schijnt niet begrepen te hebben, en ik heb er u niet van kunnen onderrichten, dat deze Juffer tot de Roomsche kerk behoort.’ –

– ‘De Heere beware ons!’ zeide Tante, na een diepen zucht haar stem wederom krijgende, en beurtelings Amelia en mij aanziende: ‘dat zoo iets gebeuren moest! Hadde ik dat kunnen vermoeden, zoo had ik mij wel gewacht de Juffer te noodigen, indachtig aan hetgeen de Schrift zegt: indien iemand dese leere niet en brengt, en ontfangt hem niet in uw huys.’ –

– ‘Tante is Gereformeerd,’ zeide ik tegen Amelia, die nu begon te beseffen, waar de schoen wrong.

– ‘Gij zult niet langer last van mij hebben, Mejuffer!’ zeide zij, met waardigheid, terwijl zij oprees en haar boeltje bijeen pakte: ‘ik dank u voor uw goeden wil, aan mij verlatene betoond, en terwijl ik een erkentelijk aandenken aan uw welwillendheid bewaren zal, zal ik het steeds betreuren, dat een verschil in de vormen des geloofs u beletten moest, de opwelling van uw edel hart in te volgen.’ –

Tante trok bij het hooren dezer toespraak een gezicht, als of zij een leelijk drankje innam; echter stond zij insgelijks op, en mij aanziende, mompelde zij: ‘Ja! de Juffer kon het niet helpen: ’t is een abuis, ’t is een misverstand, zoo als Neef wel zegt.’ –

– ‘Indedaad!’ hernam ik: ‘maar Tantelief! hoewel dit nu oorzaak zijn zal, dat gij uw goede voornemens om met de Juffer naar de kerk te gaan niet zult kunnen ten uitvoer brengen, noch haar op uw oefeningen noodigen, zoo zie ik niet in, dat gij daarom de inspraak van uw voortreffelijk hart niet jegens haar zoudt kunnen involgen en haar op een andere wijze behulpzaam zijn of haar uw gezelschap schenken.’ –

– ‘Er zijn Paapsche vrouwen genoeg in de stad,’ bromde Tante: ‘en bovendien, wat zegt de Apostel: wijckt van desulke af.’ –

– ‘En wat heeft een nog wijzer mond gëantwoord,’ zeide ik, ‘op de vraag, wie onze naaste was?’ –

Het was indedaad opmerkenswaardig, den indruk gade te slaan, dien deze vraag op het vroom en medelijdend hart mijner goede Tante te weeg bracht. Zij zag mij een wijl verrast en verlegen aan, bekeek toen met aandacht de toppen van haar vingeren, als overpeinsde zij mijn gezegde, schommelde een tijd lang zonder spreken in haar zak, om haar neusdoek te krijgen, veegde een paar tranen weg, die in haar oogen opkwamen, drukte mij de hand en trad eindelijk naar Amelia, die nog altijd, met haar werk in de hand, en de oogen op den grond gevestigd, midden in de kamer stond, als gereed om te vertrekken.

– ‘Neen!’ zeide Tante, haar de handen drukkende en op het voorhoofd kussende: ‘al waart gij Heidensch of Turksch, men zal niet zeggen, dat ik u verlaten heb en voorbijgegaan, gelijk de Priester en de Leviet, die den gevonden reiziger voorbij gingen. Het is toch uwe schuld niet, dat gij met de afgoderijen van het Pausdom besmet zijt. Waar ik kan, zal ik u van dienst wezen en u bijstaan in wat zake gij mij zoudt mogen van doen hebben: en wij zullen over geene punten des geloofs spreken, ten zij gij opgewekt wordt om naar de leer der waarheid te hooren.’ –

– ‘Helaas! Mejuffrouw!’ zeide Amelia, terwijl zij langzaam weder haar plaats innam, waar Tante haar heen geleidde: ‘hoe grieft het mij, dat ik u onwillekeurig dit verdriet, deze ergernis veroorzaakt hebbe. Ik was zoo blijde met uwe bescherming; want het was zoo lang geleden, dat geene beschaafde, eerwaardige vrouw een woord van vriendschap en deelneming tot mij gesproken had: en ik verheugde mij zoozeer op de gedachte, dat ik onder uwe schuts weder mijne zoo lang verzuimde godsdienstplichten zoude kunnen vervullen. Waarom hebben wij elkanderen niet terstond verstaan? Waarom heb ik niet dadelijk geweten, dat ik van uwentwege niets hopen of verwachten kon? – want ach! in geen ander opzicht kunt gij mij arme verlatene troost of hulp verschaffen.’ –

– ‘Niet?’ vroeg Tante: ‘wel dat zoude wel ongelukkig zijn. Het is niet zonder wijze oogmerken, dat God ons tot elkander gevoerd heeft: en, ik zie het nu duidelijk in, ik mag niet weigeren, den plicht te vervullen, die mij wordt opgelegd. Zeg mij dan, lief kind! hebt gij raad noodig? – of wellicht geldsgebrek? – Of schroomt gij misschien, u in het bijzijn van mijn neef te verklaren?’ –

– ‘Ik geloof, dat ik beter doe u te verlaten,’ zeide ik, zelf verlangende buiten deze netelige zaak te blijven.

– Uw goedheid is grooter dan ik verdien,’ hernam Amelia, schreiende, ‘maar ziedaar juist mijn ongeluk, dat ik niemand, ook u niet Mejuffrouw! mijn vertrouwen schenken mag, hoe gaarne ik dit wilde. Ik heb u wellicht reeds te veel gezegd. O! ik had niet hier moeten komen.’ –

Tante Letje zag Amelia met medelijden, doch tevens met bevreemding aan: en ik kon bespeuren, dat zij verlegen was, hoe verder te handelen. In haar stille en afgezonderde levenswijze had zij weinig gelegenheid gehad om menschenkennis te verzamelen: en schoon zij dagelijks ongelukkigen bezocht en met raad en daad bijstond, waren de rampen, die zij lenigde, doorgaans van een meer dagelijkschen aart, en had zij zelden zoodanige lieden aangetroffen, wier leed, even als dat van Amelia, een meer buitengewonen, afzonderlijken oorsprong had. Zij zag mij vragend aan; want, ondanks mijn aanbod om te vertrekken, bleef ik nog altijd met den hoed in de hand staan, onzeker of ik wel deed, beide vrouwen alleen te laten, en te wagen, dat Amelia haar geheel vertrouwen schonk aan Tante, die het wel niet verraden zoude, maar die mij toch ongeschikt voorkwam om met ware deelneming naar zulke zaken te luisteren, als de dochter van een buiten de wet gestelden zwerver ongetwijfeld verhalen zoude, en die haar althands geen goeden raad zoude kunnen verschaffen. ‘Mij dunkt,’ zeide ik eindelijk, met een gemaakten glimlach, ‘dat gij beide, mijne dames! beter zoudt doen met een speldje te steken bij het gebeurde en eenvoudig over koussen en borduur-patronen te spreken. – Zie! ik ben overtuigd, dat, zoo Mejuffer zich in haar eenzaamheid verveelt, het voornamelijk daar van daan komt, dat zij niets omhanden heeft: Tante zoude haar stellig geene grootere dienst kunnen bewijzen dan door haar wat werk te verschaffen; en, dank zij den behoeftigen, die hulp vereischen, dat ontbreekt nooit bij Tante.’ –

– ‘Mijn Heer uw neef raadt mijn gedachten,’ zeide haastig Amelia, die mijn bedoeling begreep: ‘O! zoo UEd. mij daaraan helpen konde: – ik zoude zoo gaarne werken voor hen die het behoeven.’ –

– ‘Gij zult werk hebben,’ zeide Tante: ‘gij zult mij bijstaan om kleederen te vervaardigen voor de nooddruftigen: – Neef! wees zoo goed en zeg aan Truitje, dat zij mij den mand krijgt, die in het zijkamertje staat, waar die lijst op ligt. Gij zult mij helpen, mijn kind! en wij zullen arbeiden gelijk Tabitha gezegd Dorcas, voor weduwen en wezen.’ –

Ik zag, dat alles nu in ’t effen zoude komen, en de boodschap van Tante aan de meid gedaan hebbende, nam ik afscheid en liet de beide dames aan haar vrome bezigheid.

einde van het eerste deel .

DigitalDroom Reader

Hoofdstuk XIX

XIX / XXXIX

[Tweede deel]

Negentiende hoofdstuk.

Bevattende ’t geen er op de dichterlijke samenkomst bij Helding verhandeld werd .

Het was niet dan met een soort van huivering, dat ik den Donderdag avond zag naderen, waarop ik volgens afspraak den vriendenkring van Helding moest bijwonen; want nadat ik Amelia bij Tante Letje, waar ik verre was van haar te verwachten, had ontmoet, had ik een voorgevoel, dat ik wel niet zoude kunnen vermijden om haar ten huize van Heynsz tegen te komen, waar ik ten minsten zeker was, dat zij zich bevinden zoude. Tien malen was ik willens om het een of ander voorwendsel uittedenken en nog voor de uitnoodiging te bedanken; maar al kon ik Helding met een schoonschijnende reden afschepen, ik begreep, dat ik toch ook reden zoude moeten geven aan mijn vader: en ik had reeds genoeg mijn bekomst aan ’t veinzen, dan dat ik nieuwe uitvluchten zoude gaan uitdenken. Bovendien, en in weerwil van al de onaangenaamheden, welke mijn kennismaking met den Heer Bos en zijn dochter mij berokkend had en waarschijnlijk nog berokkenen zoude, er bleef toch altijd een zekere nieuwsgierigheid bij mij huisvesten, wat er toch eigenlijk van hunne zaak ware en hoe het met hen af zoude loopen: en ik vertrouw, dat mijn lezers die nieuwsgierigheid niet slechts in mij verschonen, maar ook met mij deelen zullen; – anders deden zij gewis beter dit geschrift maar niet verder doortelezen. Ik was, men vergeve mij deze platte vergelijking, niet ongelijk aan een knaap, die in het Oude Doolhof op de Princengracht rondloopt en die, ofschoon het heen en weer dwalen hem verveelt en hij zeer wel in staat is over de heggen heen er dadelijk buiten te geraken, echter op het ingeslagen pad voort blijft draven, in de verwachting dat hij alzoo eindelijk den waren uittocht zal vinden.

Ik ging dan, ten bepaalden dage en na afloop mijner werkzaamheden aan het kantoor, naar de Raamgracht, waar ik, overeenkomstig de gemaakte schikking, in de achterkamer van Heynsz werd binnengelaten. De mij te gemoetkomende tabaksdamp verkondigde mij reeds aan de deur dat de vrienden, immers gedeeltelijk, al vergaderd waren: en werkelijk vond ik er ettelijken aanwezig, aan wie ik nu met alle plechtigheid werd voorgesteld door Helding, die hen insgelijks bij de rij af aan mij opnoemde. Heynsz was, gelijk dit trouwens wel behoorde, insgelijks genoodigd, en zat in een hoek te gluren en allen beurtelings in oogenschouw te nemen, als ware hij door zijn ambt verplicht geweest, ook deze onschadelijke zielen te bespieden. De overigen, ook zij die na mij kwamen, waren mij persoonlijk onbekend: alleen herinnerde ik mij de namen van dezen of genen onder hen wel eens vroeger te hebben ontmoet aan den voet van een dier lof- of klinkdichten, waarmede het toen smaak was alle uitkomende werken, vooral dichtbundels, bij wijze van aanbeveling op te pronken, complimenten, welke men elkander over en weder toekaatste en waarvan men zich zoo min ontslaan kon als van het bëantwoorden van een beleefdheidsbezoek.

‘Spreek! opdat ik u kenne,’ zeide de oude Wijsgeer, en zoo begon ik, toen langzamerhand het onderhoud levendiger werd, van lieverleede te bespeuren, met welke menschen ik te doen had. Het waren allen lieden van een slach; want over hunne betrekkelijke waarde als dichters wil ik, die nog wel eens een manegiepaard, maar nimmer den Pegasus bereden heb, liever geen oordeel vellen: het eenige onderscheid, dat er tusschen hen scheen te bestaan, was, dat de eene meer in den verhevenen, de andere in den beschrijvenden, een derde in den boertigen dicht- of rijmtrant uitblonk: – ten minsten zij schroomden niet, elkander den ruimsten wijrook over elkanders talenten in elks bijzonder vak toetezwaaien, en dat met zoo weinig terughouding, dat bij mij de gedachte oprees, of zij niet al hun loftuigingen bij zulke gelegenheden verspilden, om in het tijdvak tusschen de bijeenkomsten en buiten de tegenwoordigheid van het geprezene voorwerp er des te kariger mede te kunnen zijn. De eene (de treurpöeet) werd een hoogdravende Muzenzoon, een cieraad van den Pindus genoemd, die de Agrippynsche Zwaan (hiermede bedoelden die Heeren Vondel) groothartig op zijde streefde, bijna had men gezegd: overtrof . De tweede was: cierlijker dan Maro, en vereenigde de liefelijke weelderigheid van Flaccus met de zinrijkheid en kracht van Juvenalis. De derde (de boertige dichter) bekwam zulke verhevene eernamen niet; maar werd met andere tijtels begiftigd, niet minder streelend voor zijn eigenliefde. Hij heette een kluchtige ziel, een koddige duivel, een drollige koopman, een malle weêrga: en hij kon de onnoozelste dingen niet voortbrengen, ja naauwlijks zijn mond opendoen en zijn neus snuiten, of een algemeen gelach, een grinnikend hoofdknikken, een verdoovend handgeklap, begroette zijn vermeende geestigheid of bespaarde hem de moeite van die uittekramen. Overigens muntte ieder van het gezelschap uit door een, mijns bedunkens wat al te gemaakte, nederigheid, die mij deed denken aan de vlucht van een jong meisje, dat achterhaald wenscht te worden, en die derwijze werd aangewend, dat zij zelden haar uitwerking miste, maar altijd nieuwe complimenten afdwong: ’t geen ten laatsten zoo verveelend en walgelijk werd, dat ik mij begon te schamen over mannen, die, in leeftijd reeds gevorderd, de achtbaarheid van hun stand en jaren zoo zeer uit het oog verloren, dat zij een vleitaal uitkraamden en aanhoorden, die zelfs onder jonge lieden van verschillende kunne ongepast zoude zijn geweest. Ik moet echter een enkelen van dezen hoop uitzonderen: deze was een jongeling van een schrander doch eenigzins droefgeestig voorkomen, en blijkbaar van een zwak en teeringachtig gestel. Hij was eerst sedert kort als medelid in het gezelschap opgenomen; sprak weinig en zelden; doch wat hij zeide was juist en gepast: en hij onthield zich van aan een der anderen hoogeren lof te geven dan de burgerlijke beleefdheid vorderde: ’t zij dat hij nog te kort met hen had omgegaan om zich den onder hen gebruikelijken complimenten-kraam eigen te hebben gemaakt, ’t zij dat hij van nature de waarheid te zeer beminde dan dat hij tegen zijn gemoed zoude spreken. Misschien kwam er ook bij, dat hijzelf, als de jongste van ’t gezelschap, wel aanmoediging, maar minder lof genoot, en dat hij zijn medeleden met gelijke munt betalen wilde.

Men moet met dat al niet denken, dat Heynsz en ik, ofschoon niet tot de offeraars op den Pindus behoorende, ons aandeel van de honig misten. Wat mij betreft, daar ik van den beginne af betuigd had een oningewijde te zijn, die bovendien, door mijn uitlandigheid, niet op de hoogte was om den tegenwoordigen stand der dichtkunst in ons vaderland te bëoordeelen, ik werd dadelijk een Maecenas, een Messala gedoopt: en al die verstandelijke gaven, welke iemand geschikt maken om als kunstrechter op te treden, werden mij ruimschoots toegekend. Heynsz verwierf nog hoogeren lof: en, daar hij de eenige schilder in ’t gezelschap was, scheen het aan de overigen een des te geschikter gelegenheid toe om ten zijnen opzichte hun gewoon thema van eerbenamingen te kunnen varieeren . Hij was een Duitsche Apelles: zijn kunstgenooten waren niets bij hem: de werkjens, die men van hem onder ’t oog had (zes of acht onafgehaalde portretjens, die aan den wand hingen) waren kunstjuweeltjens, welke Rembrandt noch van Dijk in staat zouden geweest zijn te vervaardigen: – NB. dit laatste stemde ik met een gerust geweten toe.

Heynsz betoonde in ’t geheel die valsche nederigheid niet, welke aan de overigen eigen was: hij wist, hoe zwaar die verplichtende uitdrukkingen wogen, en was, geloof ik, weinig genoeg door de eigenliefde verblind, om wel te weten, wat er aan de voortbrengselen zijner kunst ontbrak. Hij hoorde dan ook al die lafheden met een effen gelaat aan, terwijl hij den spreker met een schamperen blik aanzag en niets tot antwoord gaf dan uitroepingen als: ‘ei! ei! – wel zoo! – nu ja! -’ tot dat hij ten laatsten, dat gereutel waarschijnlijk moede, de pijp uit den mond nam, een dikke rookwolk wegblies en zich aldus uitdrukte in zijn zonderling Hollandsch:

– ‘’t Is maar jammer, mijne Heeren! dat al de ingezetenen onzer stad niet denken over mij zoo als gij hebt de goedheid van te doen. Dan zou ik ongetwijfeld wat meer hebben de occasie van te maken goed geld voor mijn werken. Want, wat denkt gij wel, dat mij rapporteert het meeste, met den tijd, die voortgaat?’ –

De pöeeten keken elkanderen aan. ‘Waarschijnlijk het behangselschilderen,’ zeide Velters eindelijk (zoo was de jongste van het gezelschap geheeten:) ‘want dat is tegenwoordig aan de orde van den dag.’ –

– ‘Niet kwaad gegist,’ hervatte Heynsz: ‘maar voor dat moet men zijn een Lairesse of een Moucheron. Neen, mijne Heeren! ’t is almede een speculatie op de vaniteit: – ik verdien het meeste geld met te schilderen wapens op de rijtuigen.’ –

– ‘Dat kan ik getuigen,’ zeide Helding: ‘onze vriend Heynsz heeft laatst al de rijtuigen van den Heer Blaek, mijn hooggëachten patroon, en van zijn Heer zoon met wapenborden van zijn maaksel verrijkt: men kan voorwaar niets cierlijkers uitdenken.’ –

– ‘Dat moet zeker nog al wel geven,’ zeide de beschrijvende dichter: ‘want,’ voer hij declameerende voort:

‘Nooit zag men rijker glans van zilveren blazoenen,

En gouden wapenen en paarssen, geelen, groenen.’ –

Ik kon mij niet onthouden te meesmuilen over deze twee regels, die, behalve dat zij vermoedelijk weinig dichterlijke waarde bezaten, zoo duidelijk bewezen, dat de dichter geen woord van zijn onderwerp verstond.

– ‘Ja,’ voegde de treurpöeet er op zijne beurt bij: ‘althands tegenwoordig,

Nu elk, gelijk voorheen verwaande Faëton,

Die trotsche voerman van de kleppers van de Zon,

Of als Salmoneus, die den Dondergod braveerde,

Den zweep in handen neemt, schoon hij nooit mennen leerde.

– ‘Heerlijk! fraai gezegd!’ riepen allen om strijd.

– ‘Nou! ’t zel mijn hard ontgaan,’ zeide de grappige duivel, in zijn plat Amsterdamschen tongval, ‘of Jaap de aschkarreman zel mettertijd ook nog een wapen op zen kar motten hebben.’ –

Deze snedige zet werd met het gewone gejuich ontfangen.

– ‘’t Is juist zoo als gij zegt,’ zeide Heynsz: ‘de kalanten, bij wie ik verdien het meest, zijn niet de adelijke of patricische familiën, maar die champignons van fortuin, die, zoodra zij hebben overgewonnen geld genoeg om te houden rijtuig, zijn van begrip, dat een geschilderd wapen is even onmisbaar daarop, als een L op de deur van een Lidmaat of een klopper op die van een Haarlemmer kraamvrouw.’ –

– ‘Maar,’ vroeg Velters: ‘hebben zij recht, die wapenen te voeren? Ik dacht, dat dit alleen den adel toekwam.’ –

‘Wel mon ami! ’ antwoordde Heynsz: ‘leven wij niet in een vrije republiek? En wat bekreunen zich daarover de Heeren Staten, of er inwoners zijn, die gelieven aantestellen zich als gekken? En dan, men weet hier in ’t generaal zoo weinig af van blazoen,’ (hier sloeg hij een zijdelingschen blik op den beschrijvenden dichter), ‘dat de domme menigte bewondert en slechts enkele verstandigen ophalen de schouders.’ –

– ‘’t Moet ons toch tot spot doen strekken bij den vreemdeling,’ zeide Velters: ‘ik ging van den winter eens op een Zondag met een Franschman rond, die de handen van verbazing in een sloeg, toen wij den Dam over en de Nieuwe Kerk voorbij gingen, waar hij al de koetsen zag, die daar stonden te wachten. ‘J’avais toujours cru,’ zeide hij, ‘que les Hollandois étaient un peuple de commerçans et de bourgeois; mais, voyant toutes ces armoiries, je m’aperçois qu’il y a des nobles ici comme à Venise.’ – Maar hoe vermeerderde zijn verwondering, toen hij, naderbij komende, sommige dier wapenen met grafelijke en hertoglijke kroonen zag prijken, en eindelijk zelfs een paar helmen gewaar werd, met negen viziergaten, gelijk alleen een Koning die voeren mag. Toen keek hij mij aan, als wilde hij mij vragen of de menschen hier mal waren geworden: ik haalde de schouders op. Wat zoude ik gezegd hebben? –

– ‘Doet er dat wat toe, hoe zoo’n helm er uitziet?’ vroeg de beschrijvende dichter aan zijn buurman.

– ‘Niet lang geleden,’ hervatte Heynsz, ‘kreeg ik een grasmof bij mij, die met twee zesthalven in zijn zak is gekomen naar dit land en bijeengeschraapt heeft een fortuin zoo als weinige lieden bezitten: die bestelde mij een wapen op zijn koets: “maar ’t zol schön wèzen moeten,” zeide hij: “kijk! zoo in dezen art; ” en meteen rolde hij uit een perkament, dat hij gevonden had op de eene of andere verkooping, en op ’t welk blonk met al zijn quartieren en ornamenten, het wapen van Spanje. Ik wilde den man niet geheel laten rijden voor mal, en zeide hem, dat ik niet volgen kon precies het model dat hij mij gaf, omdat zulks afbeelde het wapen van een Koninkrijk en niet van een persoon; doch dat hij zoude zijn content. Ik verhakstukte dan de ruiten en lieren zoo wat en maakte een wapen, waar Ménetrier niets van zou hebben begrepen. Onze maat was wonder wel in zijn schik; maar toch had ik vergeten een ding! “die goldene ketten,” zeide hij, “die fehlde daaran.” Ik begreep in ’t eerst niet wat hij meende; maar naderhand werd het mij klaar, dat hij bedoelde de orde van ’t Gulden Vlies, die verciert het Spaansche wapen en welke hij zich voorstelde, te zullen maken op het zijne geene onaartige uitwerking. Ik had alle moeite om te beduiden aan hem, dat de Keizerlijke en Spaansche gezanten beide zouden reclameren tegen zulk een aanmatiging, en voldeed hem eindelijk, door hem te beloven, dat ik zoude vergoeden dit gemis door het bijschilderen van twee wildemannen als tenants, wel gewapend met knodsen.’ –

– ‘Je hadt ze liever zeissen in derlui poten motten geven,’ zeide de koddige snaak: ‘dat ware naar den aart geweest.’ –

Onder dit praten was de tijd gekomen, waarop de eigenlijke werkzaamheden moesten aanvangen. Het bleek mij nu, dat het de gewoonte bij deze Heeren was, om beurtelings een soort van prijsstof op te geven, welke door de anderen bëantwoord werd. De antwoorden werden door den opgever bëoordeeld en daarna door de vergadering onderzocht, gëanatomiseerd, gelikt, beschaafd, en ten slotte onkenbaar gemaakt.

De prijsstof, waarover thands geschreven was, luidde als volgt:

‘Wat doet in Hollands tuin het best de boomen groeien?

Het mesten of het snoeien?’

Ofschoon mij, hoewel geen pöeet zijnde, de zin dezer vraag zeer duidelijk voorkwam, waren er tot mijn verwondering, slechts twee onder deze vernuften, die begrepen hadden, dat de opgever door boomen de ingezetenen van ons Gemeenebest had bedoeld en dat de tweede regel in denzelfden figuurlijken zin moest worden opgevat. Doch met dat al ware het nog maar te wenschen geweest, dat deze twee de vraag liever letterlijk hadden verstaan; want hunne redeneering, in slechte rijmen vervat, toonde genoegzaam aan, dat de goede lieden geene de minste denkbeelden hadden van hetgeen tot de huishouding van den staat behoort.

De opgever had zijne taak insgelijks vervuld, door elke oplossing in een bijzonder vaersje te recenseeren; terwijl zijn conclusie was, dat hij, uit hoofde der treffelijke verdiensten, welke al de antwoorden bezaten, het voorstel deed, den prijs te deelen tusschen de twee medeleden, die zijn vraag best begrepen hadden. Dit vond algemeenen bijval: te meer, daar de prijs uit een schellingskoek bestond en dus zeer deelbaar was. Ik was intusschen eenigzins verwonderd, dat Velters, naar het scheen, niet medegedongen had; maar hij gaf kort daarna te kennen, dat hij zich met zulke fijne dichtgeesten niet in een wedstrijd had durven wagen en dus, eerst nu, na de bekrooning, voor den dag zoude komen met zijne bëantwoording. Hij las ons hierop een stukje voor, hetwelk mij althands beter beviel dan al wat ik van de overigen gehoord had. Hij gaf bij den aanhef te kennen, dat hij den zin der vraag wel verstaan, doch het eenigzins ongepast gëoordeeld had, met zijne weinige ondervinding, over politieke zaken te schrijven, en dus verkozen had, de vraag in dien geest op te vatten, als ware die op de dichtkunst toepasselijk: in welken zin hij een, naar mijn oordeel, zeer aartige uitweiding had gemaakt, waarin hij de dichters bij boomen vergeleek, die gemest of gevoed moeten worden met kennis en studie, en slechts dan gesnoeid moeten worden, wanneer hun al te groote weelderigheid aan het behoorlijk rijpen hunner dichtvruchten nadeel sticht, of wanneer zij anderen in hun groei en wasdom hinderlijk zijn, enz. Het werk van Velters werd echter, misschien omdat het veel beter was dan de rest, minder toegejuicht en alleen met een soort van aanmoediging beloond, welke in mijn oog iets vernederends had.

Vervolgens ging men aan het bëoordeelen en schiften der uitdrukkingen, in de voorgedragen vaerzen gebezigd: elk gezegde werd op drie of vier wijzen omgezet en bijna elk bijvoegelijk naamwoord door een ander vervangen: tot dat langzamerhand alle zweem van oorspronkelijkheid verdwenen ware. Ik kon mij niet onthouden bij deze gelegenheid gedurig te denken aan het briefje in den Bourgeois gentilhomme, en ik kwam, even als deze, tot de slotsom, que la première façon de dire est sans contredit toujours la meilleure .

Daarna werd er gevraagd, of geen der aanwezigen iets bij zich had, waar hij het gezelschap op vergasten kon. Deze vraag was overbodig; want ieder had de zakken vol en zat slechts op een gunstig sein te wachten om zijn kinderen aan ’t licht te brengen, schoon zelfs dan niet als schoorvoetende en onder herhaalde betuigingen, dat het niet de moeite waardig ware er de aandacht van zulke fijne vernuften mede te vermoeien. Het eerst was onze heldendichter aan de beurt, die, na de pijp neergelegd, gehoest en zich gesnoten te hebben, eenige vrij groote vellen uit zijn zak haalde, en aan de vergadering mededeelde, dat hij een lijkzang zoude voordragen, ‘op het noodlottig verscheiden van zekeren krijgsoverste, die kort te voren (schoon niet op het veld van eer, want het was aan een maaltijd) het offer van den dood geworden was.’ Na een vrij lange voorafspraak, ving hij aan. In zijn gedicht, dat ongemeen hoogdravend was, vercierde hij zijn held, die, zooverre ik weet, nooit kruid geroken had, maar zijn rang alleen door ancienneteit verworven had, met alle militaire verdiensten, en stelde hem met Turenne, Marlborough en Prins Eugenius gelijk.

Na dit fraaie stuk, hetwelk de algemeene goedkeuring verwierf, brak de stroom los, en regende het van alle zijden lijk- geboorte- huwelijks- en verjaarsdichten; terwijl onze boertige pöeet mede niet achterbleef, maar ons nu en dan een epigram van zijn maaksel opdischte, waar men al om lagchte eer hij nog iets gezegd had, ofschoon er niets aan ontbrak als de punt, welke hij echter vergoedde, door op de plaats, waar die behoorde te vallen, zelf in een schaterend gelagch uittebersten. Een staaltjen van deze voortbrengselen zij hier genoeg om de rest te bëoordeelen:

Aan een Burgemeester:

Al wordt gij achtbaar, ja ook zestienbaar geheeten,

Toch wordt u, zijt gij dood, slechts ééne baar gemeten.

Toen elk zijn beurt had gehad, werden Heynsz en ik evenzeer uitgenoodigd om tot het algemeen genoegen bij te dragen. Vergeefs verschoonde ik mij: men stond er op: ik moest mijn gelag betalen zoo wel als de anderen: ik zoude ongetwijfeld ook wel eenmaal in mijn leven aan de Zanggodinnen gëofferd hebben, enz. Terwijl ik, met de zaak verlegen, niet wist, hoe ik er mij uit redden zoude, schoot mij een vierregelig vaersje te binnen, dat ik in een Hoogduitsch boek gelezen had, en waaraan zin noch slot was. Ik weet niet welke goede of boze geest mij inblies, dat dit stukje een goede uitwerking zoude doen, en na het, met verbazing over mijn eigene vlugheid, bij mij zelf in ’t Nederduitsch vertaald te hebben, (waartoe het zich gereedelijk voegde) dreunde ik het op:

Snedig antwoord:

‘Zeg Piet, hebt gij dat nieuwe werk gelezen

Van Bonifaas? Men zegt, het wordt geprezen.’

Dus vroeg eens Hein. Toen sprak de spotter Piet:

‘Neen beste Hein! gelezen heb ik ’t niet.’ –

– ‘Dat is verduiveld aartig! – wat is dat fijn! – daar zit wat in! – Nu die kan menigeen in zijn zak steken!’ – en honderd andere loftuigingen meer begroetten deze epigram, waarin ieder overtuigd was, dat een bijtende satyre lag opgesloten; ofschoon geen van allen natuurlijk wist, waar; maar elk hield zich, of hij die begreep. Alleen de drollige kwant, ’t zij uit jaloezij, ’t zij dat hij gemerkt had, dat ik spotte, voegde zijn lof niet bij dien der overigen, maar zag mij aan of hij mij had willen verslinden.

Wat Heynsz betrof, deze bleef ernstig volhouden, dat hij geene vaerzen kon voordragen; doch, zoo men zich daarmede te vrede wilde stellen, wel een avontuur uit zijn merkwaardigen levensloop kon mededeelen. Dit voorstel werd aangenomen en nu deed hij de vraag:

– ‘Hebben de Heeren wel ooit gehoord van mijn zonderlinge ontmoeting met den beroemden Cartouche?’ –

– ‘Neen! neen!’ klonk het uit eenen mond: en allen zwegen en schoven hun stoelen bij en zagen met aandachtige belangstelling naar den man, die op het voorrecht bogen mocht, van Cartouche te hebben gezien.

– ‘Wel!’ zeide Heynsz: ‘het is nu een goede dertig jaren geleden. Ik reisde van Lyon naar Parijs, in vrij berooid equipagie en met schraal voorziene beurs of liever met in ’t geheel geene beurs, en levende van hetgene de goede lieden mij schonken om Gods wille, etende (als de papa van Ulenspiegel) als ik wat had en vastende als ik het niet had: en meestentijds slapende onder den blaauwen hemel. Eens op een nacht gebeurde het ik weet niet in welk dorp, dat ik genomen had mijn legerstede op een mesthoop aan den weg, (hetgeen, in parenthèse gezegd, het warmste bed is, dat men hebben kan), en dat ik sliep heel gerust, toen ik wakker werd van een groot licht, dat mij scheen in de oogen, en recht over mij zag een huis staan in brand, een groot huis voor een dorp: ik geloof dat daarin woonde de Notaris, of de Schout: – nu dat’s égal . Ik stond op: er was al volk op de been: en spoedig bood iedereen hulp met water dragen, met handspuiten, etcetera. De bewoner van het huis zat al op straat met een gebranden voet, in zijn nachtjak en zonder dat hij had gehad den tijd te redden een kleinigheid of zelfs meer aan te doen dan eene pantoffel… nu, ’t was zomernacht en het vuur maakte ons heet genoeg: hij zal niet gevat hebben kou, hoewel hij beefde als een juffershondje. Bij hem stond zijn vrouw, of liever lag zijn vrouw; want zij kreeg gedurig toevallen. ’t Eene was pas over of ’t andere kwam op. De man deed niets als te wringen zijn handen en te roepen mon Dieu! mes enfans! – want zijn kinderen waren nog in het brandende huis; maar zoowel hij als zijn vrouw waren te veel in de war om te zeggen, waar zich de arme wichten bevonden; en niemand had de couragie om te gaan in het groote huis en te zoeken daar in den blinde. Terwijl wij daar waren bezig, daar komt een Heer, welgekleed met een karmozijnen rok aan, en berijdende een fraai zwart paard, en hoorde den papa, en ook de mama, zoo dikwijls zij weer bijkwam, schreeuwen om haar arme kinderen. “Allons!” riep hij: “twintig louis d’or voor dengene die toont de couragie en redt die arme kinderen.” – Er waren er terstond een stuk vijf zes, die wilden naar binnen; maar de vlam sloeg er uit met zulk een geweld, dat zij terug sprongen van schrik. Toen vroeg de vreemde Heer weder aan den kermenden papa: “zeg eens,” zeide hij: “is er geene andere deur en waar zitten die kinderen ergens?” – “ Ah ma foi! ” zeide de arme vader, die weer bij zijne positiven kwam: “er is de tuindeur; maar die is gesloten van binnen: en nu ik mij bezin, pauvre malheureux que je suis! ik heb ook opgesloten die arme schapen in hun kamer: omdat de eene is somnambule, ” … slaapwandelaar, zeggen wij geloof ik. – “ N’est-ce que ça? ” vraagt de vreemdeling. “ Qui m’aime me suive. ” En klets! springt hij met paard en al over de hegge in den tuin: en ik hem achterna, met wel tien anderen. Maar daar stort een brandende balk en een stuk van het dak tusschen ons naar beneden, dat de meesten het opgaven; althands ik was de eenige, die met den ruiter aan ’t achterhuis bij de tuindeur kwam. “ Vous êtes un brave, ’ zeide hij: “zult gij mij assisteren?” – “Dat zal ik,” zeide ik: “maar hoe zullen wij open krijgen die huisdeur, die van binnen gesloten is?” – “Bah!” zeide hij: en hij keek mij aan, als of ik gedaan had de onnoozelste vraag van de waereld, terwijl hij meteen tastte in zijn zak en daaruit waarschijnlijk haalde een breekijzer: althands in een oogenblik waren de hengsels uit de deur en de deur omgehaald. Toen sprong hij van ’t paard, trok uit rok en vest en liep naar binnen en ik hem achterna. Dit gedeelte van ’t huis was nog ongedeerd door het vuur; maar er was rook genoeg om gevaar te loopen van te stikken: en wij zouden niet geweten hebben waarheen ons te wenden, hadden wij niet gehoord de stem van een kind, dat huilde en om hulp schreeuwde: “ C’est ici! ” zeide de vreemdeling en een, twee, drie had hij open geveterd eene kamerdeur; wij traden binnen en al tastende in het donker op het geluid af vonden wij eerst een jongetje: en toen werd het vertrek verlicht door de vlam en zagen wij ook een meisje, dat al half gestikt op den grond lag. Maar nu moesten wij terug en dat was een moeilijker geval. De tocht, die woei door de opene achterdeur, had weder erger gemaakt den brand en de toegang was ons versperd van dien kant. Nu haastten wij ons open te maken het raam: ik sprong uit en mijn kameraad gooide mij eerst de kinderen een voor een toe en volgde toen mijn voorbeeld. Ik dacht, wij zouden nu terug keeren bij de ouders; maar de vreemdeling hield mij staande en vroeg wie ik was. “Een arme drommel,” zeide ik, “een vreemde zwerver, die niets bezit.” – “ Tant mieux, ” zeide hij: “haast u, eer iemand komt: ik moet vluchten om een affaire d’honneur . Trek mijne kleederen aan en geef mij uw kiel. In mijn zakken vindt gij geld genoeg.” En zonder er iets bij te voegen, had hij mij mijn kiel van ’t lijf gehaald, vlugger dan zoude doen de beste kamerdienaar, die aan zijn lijf getrokken, was op ’t paard gesprongen, en voort, den tuin door, en weg. Wat zoude ik doen? Ik trok rok en vest aan; en pas had ik dat gedaan, of er kwam een geheele zwerm menschen opdagen: zij hadden uit den weg geruimd het gevallen puin en een vrijen doortocht tot ons verkregen. Ik bracht de kinderen bij papa en mama: zij zagen mij allen aan voor den vreemden Cavalier; niemand kende mij, en ik hield mij goed en lamenteerde slechts, dat mijn paard mij ontstolen was, terwijl ik mij bevond in het brandende huis. Terwijl wij daar bezig waren, kwamen er een stuk of zes dienaars van de wacht aan te paard van Lyon en in vollen draf. “Aha!” zeide de voorste, zoodra hij mij in ’t oog kreeg: “daar hebben wij onzen maat. Nu zult gij ons niet ontsnappen, monsieur Cartouche!” – Met pakten zij mij aan, maar een hunner, die Cartouche waarschijnlijk kende, zeide, toen hij mij nader beschouwde, dat zij zich bedrogen, en dat Cartouche veel ouder was: – ik was toen even over de twintig. Zij wilden mij echter meepakken, onder voorwendsel dat ik bij mij had geene papieren; maar ik zeide, die waren in mijn porte manteau met mijn paard voort: en al de dorpelingen namen mijn partij, omdat ik mij zoo goed had geweerd: en ’t scheelde niet veel of de dienaars hadden gekregen braaf slaag. – De pastoor van ’t dorp kwam mij vragen bij hem te blijven die nacht: ik nam aan en toen ik mij uitkleedde vond ik in mijn karmozijnen rok een beurs met tweehonderd louis d’or. Ik verstopte mijn broek, die niet à l’unisson was met de rest van mijn toilet, leende een ander van den pastoor, onder voorgeven dat de mijne was gezengd en vol gaten, en verliet het dorp den volgenden dag, nagevolgd door de zegeningen van iedereen.’ –

Ik dacht, dat Heynsz er nog bij zoude voegen, hoe diezelfde beurs (gelijk ik hooger verhaald heb) hem naderhand noodlottig werd; doch hij hield hier op, keek op zijn horologie en sloop, zoodra het gesprek weder algemeen werd, schier onopgemerkt uit het vertrek.

Intusschen was de koffij, die eerst rondgediend was geweest, sedert lang door den wijn vervangen; en onder de gasten begon een vrolijkheid te heerschen, welke hoe langer hoe luidruchtiger werd. Alle aanmatiging zoowel als valsche zedigheid was geweken: ieder schertste en spotte zonder zich meer te bedwingen: er werden vrolijke liedjens gezongen; de rokken gingen uit: de bedaardsten werden snapachtig en de droksten werden stil: in ’t kort, het druivennat begon zijn invloed uitteoefenen, en ik, te denken dat het voor mij ook welhaast zaak zoude worden, het voorbeeld van Heynsz te volgen en mij stil te verwijderen, toen Helding, die een oogenblik naar buiten was geweest om wijn te halen, weder binnen kwam met het bericht, dat er een Heer in ’t portaal was om Heynsz te spreken. Deze was echter zoek: en de meid, geroepen zijnde, verklaarde niet te weten, waar Sinjeur gestoven of gevlogen was. Haar verlegen toon bij het geven van dit bescheid, deed mij echter vermoeden, dat de Heer des huizes niet verre af was, maar wellicht met dezen of genen over politiezaken redeneerde.

– ‘Wij kunnen dien Heer toch niet op den trap laten staan,’ zeide Helding: ‘’t schijnt een deftig man: en Heynsz zal toch wel terugkomen. Wat dunkt u, dat ik hem binnenroepe?’ –

– ‘Wel ja!’ zei de Treurpöeet, met de vuist op de tafel slaande, dat al de roemers er van dansten: ‘hoe meer zielen, hoe meer vreugd.’- Ook de overigen keurden goed wat de tractant voorstelde, die dan ook vertrok en na een kort vertoeven terugkeerde, een vreemdeling inleidende met een karmozijnen rok, een zwaar gepoederde paruik, een bril met groote glazen, een stok met een amberen knop en een deftig voorkomen.

– ‘Kom binnen, mijn waarde Heer!’ zeide Helding, hem als ’t ware binnendringende met een ongemeene drokte: ‘’t is immers beter in een warme kamer te wachten dan op een tochtig portaal. Een stoel voor mijn Heer. Wees zoo goed en neem plaats. Maak, bid ik u, geene complimenten. Hier! een pijp voor mijn Heer! en een schoonen roemer.’ –

De onbekende bëantwoordde al deze beleefdheden met stille buigingen; doch sprak zoo weinig of hij stom ware. Hij vlijdde zich in den leunstoel, welke hem werd aangeschoven, sloeg beleefdelijk met een beweging der hand de aangeboden pijp af, zag met een vluchtigen blik het gezelschap rond, en haalde toen een zijden doek uit, die waarschijnlijk met welriekende wateren doortrokken was; want hij bracht dien dadelijk voor het gezicht en berook hem met zooveel welbehagen, dat het wel te bespeuren was, dat hij geen liefhebber was van den tabakswalm.

Zijn komst en nog meer de weinige voorkomendheid van zijn manieren brachten die stilte te weeg, welke doorgaans op dergelijke bezoeken volgt en niet ongelijk is aan die, welke op een school, waar alles lustig en vrolijk toegaat, bij de komst des meesters ontstaat. Helding bespeurde deze onwelkome stemming, en, als een plichtmatig tractant, deed hij zijn best om de vreugd weder aan te wakkeren.

– ‘Kom aan mijn Heer!’ zeide hij, den roemer des onbekenden boordevol schenkende: ‘sta mij toe, dat ik uwe gezondheid drinke. Misschien is UEd. beteren wijn gewend dan deze; maar wij burgerlui doen het er mede, en wij kunnen u niet meer aanbieden dan wij hebben.’ –

– ‘Dat zei Lys Morsebel ook,’ zeide de pöeta comicus, ‘en zij smeet haar buurvrouw een handvol vlooien naar ’t hoofd.’ –

– ‘Uwe gezondheid, Messieurs!’ zeide de vreemdeling, met een schorre stem, zich buigende en zijn glas naar de hoogte brengende, dat hij vervolgens bij kleine tusschenpozen ledigde.

– ‘Wel!’ zeide de grappige duivel, met die gemeenzaamheid, welke onzen burgerstand veelal eigen is: ‘mijn Heer is, geloof ik, ook bang, dat er hoorntjens en schelpen in zitten.’ – En, om te toonen, dat hij dezelfde vrees niet koesterde, ledigde hij zijn glas in eene teug.

– ‘Komt!’ zeide Helding: ‘hoe zit gijlieden allen zoo stil? mijn Heer Huyck! laat ik u eens inschenken. Waar waren wij ook gebleven? Komt! lustig aan en leve de pret!’ –

Maar de pret laat zich niet gebieden: en allen bleven even stemmig kijken, als of de glazen voor des vreemdelings oogen de uitwerking van Medusaas hoofd bezaten.

– ‘’t Is of wij hier bij de Kwakers zitten,’ zeide de drollige vent: ‘hoe is het? getuigt de geest niet, Pietje?’ (dit was de voornaam van den tragicus ) ‘Je zoudt een liedje zingen.’ –

– ‘Wel ja! kom aan! een liedje!’ zeide Helding; maar de Treurpöeet was schor of verklaarde althands het te zijn.

– ‘Kom!’ zeide eindelijk de koddige kwant: ‘’t is of gijlieden bang zijt, dat mijn Heer u op zal eten: mijn Heer is geen bullebak. Jelui kijkt hem aan, of het Cartouche was, daar Heynsz zoo even van vertelde… en pots seldrementen! dat is nog al grappig! mijn Heer heeft ook een karmozijnen rok aan.’ –

Deze onhebbelijke uitdrukking, in stede van, gelijk anders de kwinkslagen des geestigen duivels, de vreugd te doen herleven, maakte op de aanwezigen een onaangename uitwerking: en velen, wier gedachten niet meer helder waren, keken den vreemdeling zoo angstig aan, als of zij werkelijk meenden dat Cartouche uit de andere waereld onder die gedaante te voorschijn kwam. Wat den man zelf betrof, ik zag dat zijn voorhoofd zich fronste; maar hij zeide niets. Ik begreep inmiddels, dat het meer dan ooit tijd voor mij werd om af te trekken; doch wenschte daartoe een tijdstip af te wachten, dat mijn vertrek niet bemerkt zoude worden: en daartoe moest het onderhoud weder levendig worden: ik bood derhalve aan, zelf een liedje te zingen, daar al de overigen dit weigerden: en dit met gretigheid aangenomen zijnde, dreunde ik een barcarolla op, die ik te Venetiën van de Gondeliers had gehoord en waarvan ik verzocht, dat men het referein in koor herhalen zoude. Dit had de gewenschte uitwerking: nu raakten de tongen weder los: de een zong voor, de andere na, en eindelijk zong alles door elkander, behalve alleen de karmozijn gekleede Heer, die, gelijk de malle weêrga het uitdrukte, er bij bleef zitten als Ducdalf in ’t Doolhof . Ik maakte nu van de drokte gebruik en sloop onopgemerkt de deur uit.

DigitalDroom Reader

Hoofdstuk XX

XX / XXXIX

Terwijl ik, in mijn zak schommelende, de meid riep om haar een fooi te geven, hoorde ik mij zachtjens bij mijn naam noemen. Ik keerde mij om en zag Amelia op den trap staan, die naar haar kamer geleidde.

– ‘Hebt gij een oogenblik tijd voor mij?’ vroeg zij, met een gesmoorde, eenigzins bevende stem.

– ‘Kan ik u van dienst zijn?’ stamelde ik, insgelijks onthutst en kwalijk te vrede van op nieuw in hare zaken bemoeid te worden.

– ‘Volg mij!’ zeide zij, op een toon die meer gebiedend dan smekend was: en mij bij de mouw vattende, als wilde zij mij den weg wijzen op den donkeren trap, ging zij mij voor naar boven. Ik volgde werktuiglijk: en de Hemel vergeve mij de dwaze gedachten, die op dat oogenblik mijn brein vervulden, en den verkeerden dunk, dien ik van hare voornemens opvatte.

Wij kwamen in haar kamer, waar een licht op de tafel brandde. Zij zette de deur aan, zonder echter de kruk om te draaien, nam toen achter de tafel plaats en wenkte mij tegen over haar te gaan zitten, terwijl zij een stoel, die bij haar stond, wegschoof, als wilde zij zorg dragen dat ik niet naast haar zoude komen. Deze voorzorgen en nog meer de waardigheid, over haar geheele wezen, in weerwil van haar blijkbare ontsteltenis verspreid, deden mij bloozen over mijn ongepaste vermoedens.

– ‘Ik ben recht verheugd,’ zeide zij op een haastigen toon, ‘dat ik u nog aantref. Ik had al een poos op den trap vertoefd en vreesde zoo dat er een ander kwame. En ik moet u zoo noodwendig spreken: ik heb hier toch niemand buiten u in de geheele stad, waar ik op vertrouwen kan.’ –

– ‘Ik hoop,’ zeide ik, met de meeste koelheid die ik voor kon wenden: ‘ik hoop, dat ik in staat zal zijn, uw bezwaren weg te ruimen; maar uw toestand is van zulk een ingewikkelden aart…’ –

– ‘Om u niet op te houden dan… Ik moet van hier. Ik kan niet langer in dit huis blijven.’ –

– ‘En welke reden noopt u tot dat besluit?’ –

– ‘Hoor toe: ik begin te vreezen, dat het een afgesproken werk is… dat mij hier een strik wordt gespannen… dat men mij met opzet hier heengebracht heeft. Die Heynsz… o ’t is afschuwelijk..! Hij is een verklikker: een geheime dienaar der Justitie.’ –

– ‘Dit wist ik,’ zeide ik: ‘maar ik wilde u door de mededeeling daarvan geen ongerustheid baren.’ –

– ‘Hoe! gij wist dit? Hebt gij dan zelf misschien?.. maar neen! uw aangezicht is te eerlijk.. foei mij, dat ik zulke gedachten van u voeden zoude! – Maar hoor verder en oordeel over mijn angsten. – Ik was straks op den trap, om..’ hier kleurde zij hevig en zweeg plotslings stil.

– ‘Wel nu? om….’

– ‘Niets. – Ik hoorde u juist zingen. – In ’t kort, ik was op den trap: daar is een reet in ’t beschot: – ik keek er door – en ziet: in een vertrekje, waarvan ik het bestaan niet kende, stond de huisheer, die Heynsz, in gesprek met denzelfden Jood, die mij hier bracht.’ –

– ‘Dien Simon? – Gelukkig kent hij u niet, en weet alleen, dat gij met mij hier gekomen zijt. Hij heeft u niet met uw vader gezien.’ –

– ‘Ach! Gij zoekt mij gerust te stellen,’ zeide zij, het hoofd schuddende: ‘maar luister verder: ‘in den beginne verstond ik niets van hun discours; maar langzamerhand merkte ik, dat de Jood aan Heynsz berichten gaf omtrent zekere dievebende, die zich te Naarden heeft opgehouden. Dit ontstelde mij reeds; maar verbeeld u mijn schrik, toen de Jood, op een vraag, hem door Heynsz gedaan, hem vertelde, dat iemand, wien zij alle moeite deden om te ontdekken, en dien ik aan de beschrijving voor mijn vader herkennen moest, in Zuid-Holland had rondgezworven, zich in ‘sHage had opgehouden en morgen, volgens zijne berichten, met de schuit van Utrecht hier te Amsterdam moest komen.’ –

– ‘Hier! In den muil des leeuws?’ –

– ‘Oordeel, hoe ik te moede was? Ik hoop nog, dat het niet waar moge zijn; want o! mijn vader is verloren, zoo hij herwaarts komt. Alleen uit zijn bezorgdheid omtrent mij zoude ik een zoo onvoorzichtigen stap in hem kunnen verklaren. Doch, hoe dit zij, heb ik niet te vreezen, dat men hem naar dit huis wil lokken om hem in de gespreide netten te vangen? Moet ik mij niet uit deze gevaarlijke plaats verwijderen?’ –

– ‘Met uw verlof?’ vroeg ik, na een oogenblik te hebben nagedacht: ‘hebt gij voor u zelve iets te vreezen voor de nasporingen der Justitie?’ –

– ‘Ik?’ antwoordde zij, blijkbaar verwonderd: ‘wat zoude ik met haar hebben uittestaan? of strekt men in dit land vijandschap tegen den vader tot op zijn kinderen uit.’ –

– ‘Dat juist niet,’ zeide ik: ‘maar er worden soms maatregelen van voorzorg genomen… ik zoude u afraden, deze kamer voor alsnog te verlaten. Weet men nog niets, dan zoude dit alleen argwaan wekken en oorzaak zijn, dat men uw gangen bespiedde: – is men reeds achter de waarheid gekomen, dan is het toch een onnutte voorzorg en geen verwijdering kan u meer baten. Bovendien: gij schijnt zelve onbewust, waar zich uw vader bevindt. Zoudt gij, ingeval gij van hier gaat, hem kunnen verwittigen, waarheen gij u begeeft? De Heer Bouvelt, die de eenige tusschenman schijnt te zijn, is ongesteld: zoo zelfs, dat hij voor niemand te spreken is: – ik weet u geen anderen raad te geven, dan de toekomst met gelatenheid af te wachten.’ –

– ‘Met gelatenheid!’ herhaalde zij, oprijzende, en de kamer op en neer gaande: ‘God! Is dat een mogelijkheid in mijn toestand? – o! het ergste lot ware minder onlijdelijk dan deze verschrikkelijke onzekerheid. – En dat is de eenige troost, die gij mij bieden kunt?’ –

– ‘Helaas!’ zeide ik, zuchtende: ‘wat wilt gij, dat ik voor u doe? Wanneer zelfs mijne betrekking als zoon van den Hoofdschout mij niet verbood, krachtdadig voor u werkzaam te zijn, zoude niet de zorg voor ons beider goeden naam mij van alle dadelijke bemoeijingen in deze moeten doen afzien, ten einde den laster geen stof te geven om iets schuldigs in mijn deelneming te vinden?’ –

Dit gezegde van mij was hard en zij gevoelde het diep; want, op eens stilstaande, zag zij mij aan met oogen waarin zich big een hevige verontwaardiging een diepe smart liet lezen.

– ‘Men had het mij voorspeld,’ zeide zij met bitterheid, ‘dat ik in dit land slechts koele harten vinden zoude. De laster.. ja voorzeker! – Ziedaar de voorwendselen, waarachter men zich verschuilt, wanneer het er op aan komt, zijn naasten een dienst te bewijzen: men zoude een mensch zien verdrinken, eer men een vooroordeel opofferde. – Is het niet, omdat de Godsdiensten verschillen, dan is het omdat men voor zijn reputatie vreest. – Maar ik zal u niet langer lastig vallen, mijn Heer Huyck. Ik vraag u om verschoning voor de moeite, die ik u veroorzaakt heb.’ –

– ‘Mejuffrouw!’ zeide ik, niet zonder verlegenheid: ‘ik heb u onwillig beledigd: – en, God weet het, dat was verre van mijn voornemen. – Gij hebt, en hier in dit vertrek, en ten huize mijner tante, naar ik geloof, kunnen bespeuren, dat ik, zoodra het in mijn vermogen stond, bereid was u van dienst te zijn. Waarlijk, ik heb een innig medelijden met uw toestand, en wenschte slechts, dat iemand mij kon zeggen, wat mijn plicht ware, en hoe ik tot uw voordeel handelen kan?’ –

– ‘Gij hebt gelijk,’ zeide zij, zich een traan uit de oogen wisschende: ‘en ik ben het, die onbillijk en ondankbaar ben. Gij hadt, na al wat gij voor mij gedaan hebt, iets beter dan verwijtingen van mij verdiend. En uw tante ook! zij is zoo goed, zoo minzaam jegens mij geweest. – Ach! zoo mijn vader het mij slechts veroorloofde.. hoe gaarne zoude ik haar de vertrouwde van mijn lijden maken. – Zij zoude mij bijstaan, daar ben ik zeker van; mij uit dit huis helpen, waar alles mij doet beven: mij verlossen van de onbescheidene aanzoeken van dien Heer Blaek, die mij geen oogenblik met rust laat.’ –

– ‘Hoe!’ riep ik uit: ‘heeft hij op nieuw pogingen gedaan om u te spreken?’ –

– ‘’t Is vruchteloos,’ zeide zij, ‘of ik hem zijne brieven en geschenken terug zende: den volgenden dag vind ik die weder op mijn kamer liggen: hij moet hier in huis medeplichtigen hebben. Zie, wat hij mij durft zenden.’ –

Dit zeggende rukte zij met drift een lade open en haalde er een fraai garnituur uit, hetwelk zij voor mij op tafel neerleide: ‘En dan zijn brieven,’ vervolgde zij, waarin hij mij voorslagen doet, die ik mij schamen zoude te herhalen! ‘o! Ik ben diep ongelukkig.’ –

Hier zegevierde de droefheid over haar kracht van geest: zij bracht de zakdoek voor de oogen en snikte luide. Ik was opgestaan om de juweelen te bezichtigen. Zij stond naast mij en boog onwillekeurig het hoofd voorover zoodat het op mijn schouder te rusten kwam. Mijn toestand werd netelig: en ik wist niet, hoe ik best daar vandaan zoude geraken, toen wij op eens menschen den trap hoorden opkomen.

Amelia trad sidderend ter zijde: ‘mijn God!’ riep zij: ‘zoude men hier komen? op dit uur!’ –

– ‘Hier heen, mijn Heer van Beveren!’ zeide de stem van Heynsz: de deur ging open: en de gepoeierde Heer met den karmozijnen rok trad binnen, door Heynsz gevolgd.

– ‘Ik ben het, Amelia!’ zeide de Heer Bos (want hij was het zelf:) ‘ik wist niet,’ voegde hij er op een gestrengen toon bij: ‘dat gij gezelschap hadt.’ –

Amelia stond als verplet. Zij wrong de handen en zag haar vader aan, met oogen, waarin een onbeschrijfelijke angst was uitgedrukt. Wat Heynsz betrof, hij meesmuilde achter den rug van den Heer Bos en hief, spotachtig dreigend, den vinger tegen mij op; maar ik was onzeker, of de vrolijke uitdrukking van zijn gelaat te weeg gebracht was door zijn blijdschap, dat hij den man, dien hij zocht, in den knip had, of wel alleen uit zekere schalksche vreugde ontstond, dat ik door Ameliaas vader zoo te onpas verrast werd.

– Ja mijn kind!’ vervolgde de Heer Bos, waarschijnlijk om haar gerust te stellen: ‘gij hadt mij zoo vroeg niet verwacht; maar ik heb mijn zaken spoediger gedaan gekregen dan ik gehoopt had: en daarenboven is mij, gelijk ik den Heer Heynsz verteld heb, een onaangename avontuur overkomen, die mij wel noodzaakte mijn komst alhier niet langer uittestellen. Ik merk ook,’ vervolgde hij, met een verheffing van stem en terwijl hij mij scherp aanzag, ‘dat het tijd werd dat ik kwame.’ –

– ‘Met uw verlof,’ zeide Heynsz, ‘tusschen beiden tredende: ‘deze Heer is de Heer Huyck, zoon van onzen achtbaren Hoofdofficier, en een eerlijk cavalier, wien Mejuffer zich niet behoeft te schamen van te kennen.’ –

– ‘Met uw verlof,’ zeide Bos, zich naar Heynsz keerende en op een hoogen toon sprekende, welke mij vreemd genoeg voorkwam jegens iemand, van wien hij zooveel te duchten kon hebben: ‘ik ben zelf de beste bëoordeelaar der kennissen, welke het mijner dochter betaamt te onderhouden: en, dewijl hetgene ik deswege met haar te spreken heb best zonder getuigen wordt afgehandeld, zal ik de vrijheid nemen u te verzoeken…’ hier wees hij op de deur met een gebiedenden wenk.

– ‘Niets is billijker,’ zeide Heynsz, eenigzins overbluft: ‘ik zal u niet stooren:’ en met een verliet hij het vertrek. Ik stond onzeker of ik hem volgen of blijven zoude.

– ‘Blijf mijn Heer!’ zeide Bos: ‘ik heb een woord met u te spreken.’ –

– ‘o God! mijn vader!’ zeide Amelia, met een gesmoorde stem, terwijl zij hem omklemde: ‘wat hebt gij verricht? weet gij, welke onvoorzichtigheid gij begaat? wie de man is, die de kamer daar verlaten heeft?’ –

– ‘Ik weet alles,’ antwoordde Bos: ‘en ik geloof, dat ik niet de onvoorzichtigste ben van ons drieën. Slechts toen was ik het, toen ik op het eerlijk gelaat van mijn Heer vertrouwde.’ Hier zag hij mij ernstig aan.

– ‘Mijn Heer!’ zeide ik, geraakt: ‘ik heb uwe geheimen bewaard, zelfs ten koste van mijne rust. Maar spreek zacht, bid ik u. Men kon ons beluisteren, en..’

– ‘En men zoude nog niets verstaan,’ viel Bos in, ‘zoolang de vrienden beneden zoo luidruchtig blijven, dat onze woorden door hun gezang versmoord worden. Ik spreek niet van het bewaren mijner geheimen; – ik vraag, wat uw bezoek op een zoo ongelegen uur, wat de juweelen te beduiden hebben, die ik op tafel zie?’ –

– ‘De Heer Huyck is onschuldig, mijn vader!’ zeide Amelia, eer ik antwoorden kon: ‘hij is hier op mijn verzoek gekomen… hij heeft met deze juweelen niets te maken.’ –

– ‘Hoe!’ herhaalde de vader, meer en meer verstoord: ‘op uw verzoek? En waart gij dan..? o ik onnoozele!’ riep hij, zich voor ’t hoofd slaande.

– ‘De geheele toedracht der zaak is dood eenvoudig,’ zeide ik, op een toon, zoo kalm als mij mogelijk was aan te nemen: ‘indien UEd. aan Mejuffer of mij vergunt, u te verhalen al wat sedert onze komst te Amsterdam heeft plaats gehad, zal het u niet bevremen, dat zij, door de uiterste angst gedreven, mijn raad heeft ingenomen, als van den eenigsten, op wien zij wist te kunnen vertrouwen. Door eenige andere uitlegging aan mijne tegenwoordigheid te geven, zoude UEd. en haar en mij onbillijk beoordeelen.’ –

– ‘Welaan!’ zeide de Heer Bos, terwijl hij plaats nam: ‘ik luister: het zoude mij al te veel kosten, mijn achting en liefde te moeten verliezen voor het eenige voorwerp, dat mij nog aan ’t leven hechtte.’ Hier stak hij de hand aan zijn dochter toe, die ze met vurigheid kuste. Daarop gaven wij hem een beknopt verslag van het voorgevallene. Hij maakte niet een enkele aanmerking, noch gedurende, noch na den afloop van het verhaal, maar vergenoegde zich met nu en dan bedenkelijk het hoofd te schudden en zich den poeder van den rok te schuieren. Hij eindigde met de hand zijner dochter, die nog altijd in de zijne lag, minzaam te drukken; het geen mij ten bewijze strekte, dat hij met de gegeven opheldering voldaan was.

– ‘En thands, mijn Heer!’ hervatte ik na een korte pause: ‘thands moet ik u bekennen, dat Mejuffer zich mijns inziens niet zonder recht ongerust maakt, en dat uwe komst alhier niet wel geschikt is, die ongerustheid te doen ophouden.’ –

– ‘Ik ben er zelf evenzeer over verwonderd van mij hier te zien,’ antwoordde hij, ‘als de Doge was, toen hij zich aan het hof van Lodewijk XIV bevond; maar ik heb door de ondervinding geleerd, dat onbeschaamde stoutheid soms beter in staat is, de menschen te bedriegen, dan de fijnst gesponnen list. Ik was, Amelia! sedert uw vertrek, hoogst ongerust, geen brief van u te ontfangen, vooral nadat ik u reeds een paar reizen onder couvert van den Notaris Bouvelt geschreven had, dat ik mij in ‘sHage bij den Russischen Gezant ophield…’

– ‘Welke brieven,’ zeide ik, ‘waarschijnlijk nog ongëopend bij Bouvelt liggen, die gevaarlijk ziek is.’ –

– ‘Ik had intusschen bemerkt,’ vervolgde de Heer Bos, ‘dat mijn gangen gevolgd werden door datzelfde Joodje, hetwelk te Zoest zoo ongenadig door mij begroet werd. Bekommering over uw lot kwelde mij: ik kon niet langer aan de begeerte weerstaan om iets van u te vernemen. Aan mijn Heer dorst ik niet schrijven: hij had reeds last genoeg van ons gehad: en ik wilde hem geene nieuwe onaangenaamheden veroorzaken. Eindelijk kon ik mijn geduld niet langer bedwingen en ik besloot hierheen te reizen. Maar ik moest eerst mijn lastigen verspieder verschalken. Gisteren was ik te Utrecht: daar zat hij mij weder op de hielen. Ik had mijn plan gevormd, en toen ik hem op de straat tegenkwam, vroeg ik hem, of hij een boodschap voor mij wilde doen. Ik zag zijn oogen van blijdschap vonkelen. Toen gaf ik hem geld om de roef af te huren naar Amsterdam voor de schuit van morgen middag, niet twijfelende of hij zoude de heuchelijke tijding van mijn overkomst alhier dadelijk aan zijn betaalmeester overbrengen. Hem dus van ’t spoor geleid hebbende, wandelde ik de poort uit, nam te Zeist een rijtuig, dat mij naar Amersfoort bracht en wachtte daar de komst van den Deventerschen wagen, die mij hier voerde. Onderweg had ik mijn kleeding stuk voor stuk veranderd, mijn hair gepoederd en mij door het opzetten van een bril nog meer onkenbaar gemaakt. Hier gekomen nam ik mijn intrek in het beste logement onder den naam van van Beveren, begaf mij dadelijk naar Bouvelt en vernam daar uw verblijf. Zoodra ik den naam van Heynsz hoorde, was mijn besluit gevormd. Ik kende, om ’t even hoe, de geheime betrekkingen, die deze Sinjeur vervult: en wetende, dat niets beter in staat is om ook de schranderste personen te misleiden, dan het streelen hunner ijdelheid, begaf ik mij naar hem toe. Reeds hier beneden had ik aanvankelijk het genoegen van te zien, dat mijn vermomming gelukt was, daar zelfs de Heer Huyck mij niet herkende. Kort na uw vertrek, mijn Heer Huyck! kwam Heynsz binnen. Ik verzocht hem alleen te spreken. Ik meldde hem dadelijk, dat ik de vader was van Amelia, de Overijsselsche koopman, waar hem Bouvelt over gesproken had. Voorts verhaalde ik hem, dat ik opgelicht was door zekeren schelm, wien ik zoo juist beschreef, dat zijn portret volkomen overeenkwam met dat van den man, die u bij Naarden heeft aangerand: en zeide, dat hij, Heynsz, mij was aan de hand gedaan als de bekwaamste man om dergelijke fielten te doen opspooren. Ik eindigde mijn verhaal met een fatsoenlijk present en oordeel nu den man gewonnen te hebben. Dat hij mij met dat al te slim is, is mogelijk; doch, naar zijn houding te oordeelen, geloof ik, dat hij niets vermoedt.’ –

– ‘Maar Papa!’ zeide Amelia, ‘al misleidt gij Heynsz, zijt gij niet beducht, dat er hier te Amsterdam nog vele lieden zijn, die u herkennen zullen?’ –

– ‘En wie zoude thands in mij den kadet der marine herkennen, die voor vijf-en-twintig jaren hier over straat slenterde of den galant speelde bij de jonge schoonen?’ –

– ‘Bij den eersten opslag niet; – maar, wanneer men weet, dat gij u hier in de buurt bevindt? – En dan, vloeit deze stad niet over van vreemdelingen, die u vroeger, in andere landen, hebben kunnen ontmoeten?’ –

– ‘Ook denk ik mij niet meer dan noodig is op straat te vertoonen. In allen gevalle, ik heb besloten, het te wagen. Hier toch heb ik een betere gelegenheid dan elders om mij naar de plaats onzer bestemming in te schepen. Bovendien, ook buiten deze stad was ik niet langer veilig; want ik weet, dat de Spaansche Ambassadeur op mijn uitlevering aandringt, en dat de Staten-Generaal, die anders zoo prat zijn om de vrijheden des lands te bewaren, in dit geval hunnen bondgenoot te wille zullen zijn. – Wij moeten dus voort: en wel zoodra ik in het bezit ben dier noodlottige papieren.’ –

– ‘En zal ik hier blijven?’ vroeg Amelia.

– ‘Ik zie daarin geene zwarigheid. Integendeel, ik heb Heynsz gevraagd, of hij mij insgelijks huisvesting verleenen kan: en daar er, zoo hij zegt, bij deze kamer nog een kabinetje is, waar een ledekant kan gezet worden, zal zich dit zeer goed schikken. Voor deze nacht keer ik naar mijn logement. Wat die juweelen betreft, berg die maar weer: ik zal voor de terugzending zorg dragen.’ –

Ik wilde nu mijn afscheid nemen. De Heer Bos verzocht mij, daar hij toch eenen weg met mij op moest, hem mijn gezelschap te schenken; waarop wij, na Amelia vaarwel gezegd te hebben, het huis verlieten.

Wij gingen eenige oogenblikken zwijgend naast elkanderen. De Heer Bos was de eerste, die het gesprek aanving:

– ‘Ik ben u groote dankbaarheid verschuldigd,’ zeide hij: ‘maar ik wensch mijn schuld niet te vermeerderen. Of liever – ik zal u nog erkentelijker zijn, indien UEd. voor het vervolg uwe bezoeken staken wilt.’ –

– ‘Mijn Heer!’ antwoordde ik, op een koelen toon: ‘ofschoon ik medelijden met u en met uw dochter heb, verlang ik niets liever, dan dat ik niets meer van u hoore: de zaak heeft mij reeds kwelling genoeg veroorzaakt.’ –

– ‘Dan verstaan wij elkander volkomen. – Intusschen, wij scheiden in vriendschap. Ik ben u de betuiging schuldig, dat mijn vermoedens mij leed zijn, en dat ik u voor een eerlijk man houde. Het is alleen, om dat ik weet hoe gevaarlijk het is, wanneer jonge lieden elkander vaak, vooral op zulk een geheimzinnige wijze spreken, dat ik als vader eenige zorg gevoele.’ –

– ‘Mijn Heer! Ik schroom niet, u te zeggen, dat mijne affecties elders geplaatst zijn.’ –

– ‘’t Is mogelijk,’ zeide hij: ‘maar het hart mijner dochter is nog vrij: en – zonder u een compliment te willen maken – het is niet voor u, het is voor haar, dat ik mij bekommer, en dat ik een dergelijke gemeenzaamheid noodlottig zoude achten.’ –

– ‘Mijn Heer!’ hernam ik: ‘uw dochter is een beminnenswaardige Juffer, aan wie ik het hoogste geluk toewensch; doch zoo weinig verlang ik, eenige genegenheid voor mij onwaardige bij haar op te wekken, dat ik het als eene der aangenaamste tijdingen zal rekenen, wanneer ik verneem, dat zij met u in veiligheid van hier is.’ –

Dit gezegde was niet beleefd; maar het scheen hem echter te vrede te stellen; en hij sprak niet weder, tot wij de deur van de herberg genaderd waren. Toen zeide hij, terwijl hij mij de hand op den schouder legde, op een plechtigen toon: ‘jongeling! mijn leven is tot nog toe een afwisseling geweest van hoogheid en tegenspoeden, van macht en vernedering, van weelde en gebrek; maar mocht ik mij ooit weder in de gelegenheid bevinden van wél te doen aan anderen, wees dan verzekerd, dat mijne dankbaarheid jegens u zich met meer dan ijdele woorden toonen zal, en dat ik u door daden het verdriet zal pogen te vergoeden, dat ik u thands onwillig veroorzaakt heb.’ –

Met deze woorden verliet hij mij, en ik vervolgde mijn weg, door deze nieuwe ontmoeting in een vrij onaangename stemming gebracht, mijn gesternte verwenschende, dat mij met dien Bos, van Beveren, of wat namen hij verder voeren mocht, in kennis gebracht had; en toch begeerig te weten, hoe het met hem en zijn beminnelijke dochter zoude afloopen. Wat mij het meest kwelde, was de valsche stelling, waarin mij deze lastige historie tegen over mijn ouderen geplaatst had. Ik was bijna zeker, dat mijn vader reeds vermoedens koesterde en dat het tot een onderhoud zoude moeten komen, waaruit ik niet wist, hoe mij te redden; daar het aan de eene zijde tegen mijn gemoed en kinderplicht streed, de waarheid voor hem te verbergen, en aan de andere zijde, mijn belofte mij het zwijgen opleide. o! Hoe folterde mij de gedachte, dat het onderling vertrouwen, hetwelk altijd tusschen mijn ouders en mij had geheerscht, en waar ik zoo grooten prijs op stelde, wellicht voor langdurigen tijd stond verbroken te worden: en dat, al werd mijn gedrag later eenigzins gerechtvaardigd, de eens gegeven indruk niet zoo ras zoude worden uitgewischt. Had iemand mij veertien dagen vroeger gezegd, dat ik, eene week na mijn terugkomst in het ouderlijk huis, met looden schoenen zoude derwaart gaan en zelfs opzien tegen een ontmoeting met mijn vader, hoe buitensporig, ja onmogelijk zoude mij de vervulling eener dergelijke voorspelling zijn voorgekomen. En echter: zoo stonden thands de zaken! – Ik trok met een bevende hand aan de huisschel: ik wenschte, dat mijn ouderen, daar het reeds laat was, zich ter ruste mochten begeven hebben, en ik gevoelde een angstige gewaarwording, toen de dienstbode mijn vraag, of mijn ouders nog op waren, toestemmend bëantwoordde.

Met een kloppend hart trad ik de eetzaal in, waar de goede lieden mij wachtende waren, beide in hun nachtgewaad, bij het licht van een paar kaarssen, die reeds dreigden in de pijp te branden. Het gewone avondmaal, brood, kaas en vruchten, stond nog op de tafel: en mijn zorgvolle moeder had een waterkaraf voor zich, met een fleschje spiritus, voor het geval dat ik te veel gebruikt mocht hebben.

– ‘Zoo Ferdinand! benje eindelijk daar?’ vroeg mijn moeder, terwijl ik haar omhelsde: ‘is dat nu vroeg te huis komen, gelijk gij beloofd hadt? Hoe is het? benje nuchteren of niet? Laat ik u eens in de oogen zien. Ja: uwe oogen staan goed; maar anders zieje er geweldig ontdaan uit. ’t Is goed voor eens; anders deugen u die slemppartijen en dat nachtbraken niets.’ –

– ‘Ik hoop,’ zeide mijn vader, mij bij de hand nemende en mij insgelijks, doch met een ernstigen blik aanziende, ‘dat de slemppartijën en het nachtbraken nog maar de eenige redenen zijn van uw verbleekte kleur en ontstemde pols. Maar, mag ik u vragen, is Helding verhuisd? of zijt gij de nachthuizen nog rondgeloopen met uw pöeeten? Ik weet, dat zulks wel eens de gewoonte is… een gewoonte, die de zoon van den Hoofdofficier niet moest navolgen.’ –

– ‘Hoe meent UEd. dat?’ vroeg ik, niet weinig verlegen: ‘ik begrijp niet…’

– ‘Reeds een uur geleden heb ik, op aandrijven uwer moeder, die bezorgd was, dat gij de gracht voor den wal zoudt aanzien, Joris met de lantaren naar het huis van Heynsz gezonden: en hij is teruggekomen met de boodschap, dat de jonge Heer reeds vertrokken was.’ –

Ik begreep terstond, dat de knecht daar gekomen was, toen ik mij bij Amelia bevond en toen ieder beneden mij vertrokken waande.

– ‘Ik heb,’ zeide ik stamelend, een der gasten, met wien ik een zeer belangrijk gesprek voerde, te huis gebracht en ben wat lang met hem blijven staan praten. Maar ik kan u verklaren, dat ik niets gedaan heb, waarover ik mij behoef te schamen.’ –

– ‘Dan behoeft gij ook niet te kleuren,’ zeide mijn vader: ‘hoe heette die nieuwe vriend, die zoo belangrijk sprak?’ –

Deze vraag bracht mij deerlijk in ’t naauw; want, in omstandigheden als de mijne waren, zijn de eenvoudigste doorgaands het moeilijkst te bëantwoorden. Nu moest de drajerij wel een logen worden: ‘Velters,’ zei ik, bevende.

– ‘Velters? – Nu ja, wat schort er aan, dat gij zulk eene moeite schijnt te hebben om een zoo eenvoudigen naam uittespreken? Ik ken Velters bij reputatie. Hij is een braaf jong mensch, die vlijtig oppast, en wel voort zal komen, indien zijn gezondheid zijn goeden wil evenaart. Maar het belangrijkste gesprek had u niet moeten doen vergeten, dat uw moeder ongerust was en gij haar wakende hield.’ –

– ‘Nu!’ zeide die goede moeder: ‘wij moeten ook denken, Ferdinand is zoo lange jaren buiten’s huis geweest en den gewonen sleur wat ontwend. Hij zal vergeten hebben, dat wij lieden van de klok zijn. Ik hoop maar, dat dergelijke invitaties niet te dikwijls zullen komen. – Nu! ik ga naar bed; want ik heb werk, dat ik uit mijn oogen zie. Blijft gijlieden nu ook niet langer plakken.’ –

Dit zeggende, kuste zij ons goede nacht en verliet de kamer. Mijn vader rees ook op, en, zich tot mij wendende: ‘slaap wel!’ zeide hij: ‘maar, voor gij u ter ruste begeeft, bid God, dat hij u vertrouwen inboezeme in een vader, die u lief heeft.’ –

De tranen ontsprongen mijn oogen op het hooren dezer toespraak: ‘Lieve vader!’ riep ik, de hand des braven mans tusschen de mijne drukkende en die aan mijn mond brengende: ‘God weet het, ik zoude niets liever verlangen, dan dat ik spreken mocht; maar….’

– ‘Ik zal geduld hebben, en de ure des vertrouwens afwachten,’ zeide mijn vader, bedaard: ‘Gij zijt geen kind meer en ik wil u niet tot spreken dwingen, wanneer gij beter acht te zwijgen. Dit slechts wensch ik, dat de Alwijze uw geest verlichte en u leere wat uw plicht medebrengt.’ – Met deze woorden drukte hij mij nogmaals de hand en vertrok, terwijl ik mij zuchtende naar mijn slaapvertrek begaf. Zoo had ik dan voor ’t eerst mijnen ouderen voorgelogen ! – Ach! ik gevoelde te wel de behoefte, om het voorschrift mijns vaders na te volgen: en in angstige verzuchtingen smeekte ik den Almachtige, mijn gangen te bestieren en mij licht te geven op mijn donkeren weg. Dit besluit nam ik echter, om, wat er ook de gevolgen van wezen moesten, mijn vader te overtuigen, dat ik, hoezeer misschien verkeerdelijk mijn woord gegeven hebbende, door hemzelf niet van mijn belofte ontslagen kon worden.

Het was dan ook met dit oogmerk, dat ik den volgenden dag, na den eten, en toen ik wist, dat Heynsz zich verwijderd had, mijn vader kwam opzoeken. Ik had dit oogenblik verkozen, omdat ik wenschte uittevorschen, of Heynsz den Heer Bos ook verklapt had, in welk geval mijn verplichting tot geheimhouding ophield en ik, door voor de zaak uittekomen, dezen laatsten misschien dienst kon doen. Mijn vader bespeurde wel aan mijn houding, dat ik iets op het hart had, en, zijn papieren ter zijde schuivende, vroeg hij mij met een ongemeene vriendelijkheid:

– ‘Hebt gij iets met mij te spreken? Dan zal ik die stukken wel even laten rusten. Echter heb ik niet lang tijd,’ vervolgde hij, op zijn uurwerk ziende: ‘want waarschijnlijk zal er straks een bezoek komen.’ –

– ‘Ik heb u slechts weinige woorden te zeggen, Vader!’ zeide ik: ‘maar ik wenschte wel, dat ons gesprek langduriger zijn kon.’ –

– ‘Wat meent gij? Dat klinkt eenigzins raadselachtig en duister.’ Fallax sollertia nobis .’

– ‘Helaas!’ zeide ik, ‘UEd. heeft te recht opgemerkt, dat er iets is, hetwelk mij als een pak op het hart ligt. Ik ben soms afgetrokken, verstrooid: mijn gangen, zoo UEd. die hadt doen naspooren, zouden wellicht zonderlinge vermoedens bij u hebben doen ontstaan: ik heb, zeer mijns ondanks, vreemde avonturen gehad sedert ik terug ben: – en hetgeen mij het meest nog hindert, is, dat ik de reden van dat alles aan u niet ontdekken mag.’ –

– ‘Ik kan,’ zeide mijn vader, de schouders ophalende, ‘niet oordeelen over uw verplichting tot zwijgen, daar ik de aanleiding niet ken, welke u die heeft doen aangaan. Alleen zoude ik u, in ’t afgetrokkene, willen oplettend maken op het gevaarlijke om zich tot iets dergelijks te verbinden. Er zijn slechts weinige zaken, welke een kind aan zijn ouderen niet zoude mogen openbaren. Dan alleen, wanneer het geheimen van derden geldt, kan er een uitzondering bestaan; doch een geheim, dat u niet persoonlijk betreft, kan, dunkt mij, zulk een invloed niet op u gehad hebben, gelijk aan dien, welken uw houding en gedrag mij doen zien dat bij u is te weeg gebracht.’ –

– ‘Het is een geheim van derden,’ zeide ik, niet weinig verheugd, dat mijn vader zelf mij alzoo vrijheid tot zwijgen gaf: ‘maar een geheim, waar ik door een samenloop van omstandigheden ben ingewikkeld.’ –

– ‘En..’ vroeg mijn vader, na zich een wijl bedacht te hebben: ‘betreft dit geheim ook zekeren Zwarten Piet? Ik vraag u dit als vader, niet als Hoofdschout.’ –

– ‘Slechts zeer zijdelings,’ antwoordde ik, uit deze vraag de gevolgtrekking makende, dat mijn vader omtrent de wezenlijke oorzaak nog niets wist: ‘doch, vergun mij ook een vraag, mijn vader! indien deze Zwarte Piet mij het leven gered had, en ik zijn verblijf kende, zoude UEd. dan oordeelen, dat ik verplicht ware, het aan den Hoofdschout te openbaren, bijaldien deze er naar vroeg.’ –

– ‘Gij weet waar Zwarte Piet is?’ vroeg mijn vader, met drift.

– ‘Neen,’ antwoordde ik, glimlagchende: ‘en ik heb ook aan hem geene verplichting; maar ik stel dit slechts als een voorbeeld.’ –

‘Gij weet te goed,’ zeide mijn vader, dat, ofschoon de dankbaarheid slechts een officium imperfectum is, en het inlichten der Justitie een officium perfectum, als zijnde dit laatste bij Keuren en Ordonnantiën voorgeschreven, de tweede plicht in dezen voor den eersten zoude moeten wijken, aangezien de dankbaarheid door een hoogere dan de aardsche wetgeving is voorgeschreven. Dan, dit daargelaten: zoo gij een geheim bezit, hetwelk gij mij niet vertrouwen moogt, waarom er mij dan over gesproken? want nu kan ik niet nalaten, te gaan gissen en raden.’ –

– ‘Slechts daarom, mijn vader! omdat mij het denkbeeld onverdragelijk is, dat gij mij van gebrek aan vertrouwen beschuldigen zoudt: omdat ik u smeken wilde, uw oordeel over mij slechts zoolang op te schorten, tot ik in staat zal wezen, u de noodige opheldering van mijn gedrag te geven en te openbaren wat u thands onverklaarbaar moet voorkomen.’ –

– ‘Gij hebt wel gedaan, mijn zoon! En ik zoude een slecht rechter zijn, indien ik u condemneerde, zonder u den tijd te laten om aan te voeren, wat tot uw defensie dienende kan zijn. Dit slechts moet gij mij verzekeren, dat gij niets hebt beloofd, wat tot nadeel van dezen lande zoude kunnen strekken. Gij weet, dat wanneer het de veiligheid van den staat geldt, het crimen reticentiae hem, die het begaat, tot medeplichtige maakt aan het gesmeede landverraad.’ –

– ‘De veiligheid van dezen lande loopt zoo weinig gevaar,’ zeide ik, glimlagchende: ‘dat ik overtuigd ben, dat UEd. zelf mijn stilzwijgen zult billijken.’ –

– ‘Dan ben ik te vrede,’ zeide mijn vader.

Op dit oogenblik werd hard aan de voordeur gebeld en er hield een rijtuig stil.

– ‘Is het reeds zoo laat?’ vroeg mijn vader, op zijn horologie ziende: ‘ja waarlijk! nu moet gij voort; want ik verwacht een deftig bezoek: of blijf hier: ik zal in de zijkamer gaan: hij, wien ik verbeide, is een man van gewicht, en dient als zoodanig ontfangen te worden.’ –

Dit zeggende haastte hij zich naar de zijkamer; maar de persoon, die hij verwachtte, verscheen niet: en, gelijk mij later bleek, was het alleen de Onderschout, die met een koets aan de Beerebijt de aankomst der Utrechtsche schuit had staan wachten, ten einde den Heer Bos bij het uitstappen te knippen. Daar deze niet was komen opdagen, en de schipper verklaarde, dat de gehuurde roef ledig gebleven was, kwam de Onderschout alsnu eenvoudig verslag geven van het mislukken der hem opgedragen commissie, en de zaak liep voor ’t oogenblik af met een schrobbeering, die Simon ontfing, omdat hij zich had laten verschalken.

DigitalDroom Reader

Hoofdstuk XXI

XXI / XXXIX

Den volgenden morgen (Zaturdag) begaf ik mij, volgens de met Tante gemaakte afspraak, weder naar Heizicht, waar ik met een kloppend hart mijn Dulcinea terug vond en door Tante ter verantwoording geroepen werd over mijn ontmoeting met Zwarten Piet. Dewijl ik op haar vragen voorbereid was, kostte het mij minder moeite, die te bëantwoorden: en zonder haar de geheele waarheid te vertellen, wist ik haar omtrent de reden van het bezoek des roovers zoodanige opheldering te geven, dat ik haar te vrede stelde en haar ongerustheid wijken deed. Wij aten dien dag zeer vroeg en zeer overhaast, vermits het oogmerk van Tante was, met ons naar een boerderij te rijden, welke zij eenigen tijd geleden in de omstreken van Oud Naarden gekocht had, om daar met wandelen en koffij drinken den avond door te brengen. Wij reden tegen twee uren af; trokken over de heide naar Laren en vandaar over Blaricum den Tafelberg langs, waar wij een zijweg insloegen, die ons in korten tijd aan het doel van onzen tocht voerde. Hier hielden wij voor een schuur stil, welke tot stalling diende, stapten af, en wandelden naar het woonhuis; en niet weinig keek ik op, toen de vrouw, welke ons aan de deur verwelkomde, niemand anders bleek te zijn dan de oude Martha, en haar woning dezelfde, waarin mij de Heer Bos ontfangen had. Zoo ik de gelegenheid niet dadelijk herkend had, het was omdat wij deze reis langs een anderen weg waren gekomen. Nu werd mij duidelijk, waarom de oude vrouw mij op dien noodlottigen avond zoo had aangekeken: en ik verwonderde mij, haar toen reeds niet herkend te hebben, daar zij vroeger tuinvrouw bij mijn oom van Bempden geweest was.

De oude vrouw ontfing Tante met de gebruikelijke formules van:

– ‘Wel Mevrouw? hoe vaart Mevrouw? Mevrouw is hier in lang niet ‘eweest. Ik kan niet zeggen, dat Mevrouw ‘er uitzien er op ‘ebeterd is? – een compliment, waar schier alle lieden van die classe gewoon zijn hunne meesters op te vergasten, als ware het de uitgezochtste vleierij. Mij herkennende, geraakte zij min of meer in verlegenheid en zocht mijn blik te vermijden. ‘Ik heb het koffijgoed boven klaar gezet,’ ging zij voort.

– ‘Ja! dat is wel,’ zeide Tante: ‘maar het is zulk mooi weer. Wat zeggen de meisjens er van? zouden wij de koffij niet liever buiten deur gebruiken?’ –

Dit voorstel werd toegejuicht en de bevelen diensvolgens gegeven.

– ‘Is uw zoon niet hier?’ vroeg Tante, ziende, dat Martha zelve met een tafel en stoelen kwam aandragen.

De oude vrouw zuchtte en haalde de schouders op: ‘och Mevrouw!’ zeide zij, ‘men zeun is men kruis: sedert acht dagen heb ik hem niet ‘ezien; waar hij zit, God weet het.’ –

Ik kan niet ontkennen, dat deze gemaakte of schijnbare ongerustheid der moeder mij genoegen deed; want ik beschouwde de tegenwoordigheid van Andries aan de hoeve niet slechts als hoogst gevaarlijk voor de nabuurschap, maar ook als zeer schadelijk voor de belangen mijner Tante: en ik nam voor om, het mocht kosten wat het wilde, haar in te lichten omtrent de hoedanigheden van dien persoon. Intusschen, onder den schijn van de vrouw te willen helpen in het aandragen der benoodigdheden, volgde ik haar naar binnen. Zoodra wij in de keuken waren, tikte ik haar op den schouder: ‘Is het stellig waar,’ vroeg ik, ‘dat uw zoon verdwenen is?’ –

– ‘Zoo waar ik leef, Meneer!’ zeide zij, al bevende: ‘om Gods wil! maak ons niet ongelukkig.’ –

– ‘Ik geloof ook,’ vervolgde ik, ‘dat het raadzaam voor hem zijn zal, zich niet weer hier te vertoonen; want het is genoegzaam bekend bij de Justitie, dat hij met Zwarten Piet en zijn makkers heult, en, zoo men hem krijgt, zal hij den dans van den ladder niet ontspringen.’ –

– ‘o Meneer Huyck!’ zeide zij: ‘je weet niet, wat ik van den jongen te lijen heb. Och! hij heit nooit willen deugen; maar ik kan het warentig niet helpen: ik heb hem vermaningen genoeg ‘egeven.’ – Vervolgens den toon latende zakken: ‘UEd. heit toch niet ‘esproken met Tante, van dat UEd. hier laatst ‘eslapen heit, en van de menschen, die UEd. hier heit ‘ezien?’ –

– ‘Volstrekt niet,’ antwoordde ik: ‘maar zeg mij, hoe kent gij die lieden?’ –

– ‘Hoe ik hen ken?’ vroeg zij: ‘heb ik den Jonker niet an men aigen borst ‘evoed? – en toen Kaptein Reefzeil op ’s Graveland weunde, was het toen niet bij mijn an huis, dat hij altijd met Keetje Reefzeil, dat zoete hartje, spreken kwam? Maar kom an, ik mot het theewater buiten brengen,’ en meteen zich omwendende ging zij naar voren. Ik wilde haar volgen, toen toevallig mijn blik in den tuin viel en ik twee oogen ontmoette, die op mij gevestigd waren.

Ik heb vroeger gezegd, dat de achterdeur, door welke ik de eerste reis in deze woning gekomen was, in de keuken opende en op den tuin uitkwam. Naast deze achterdeur was een openstaand raam: en voor dat raam, op het tuinpad, stond een man, in havelooze lompen gekleed, mij aan te gluren. Zoodra hij merkte, dat ik hem van mijnen kant gezien had, begon hij op een smekenden toon:

– ‘Meneertje! zoo waar God leeft, gheen dijt rijk! Hik ‘eb nog gheen ‘andgift gead van dhaag: gheen dijt rijk, zoowaar zelje ghezond blijven.’ –

– ‘Gij hier Simon!’ riep ik, den man herkennende: ‘wat komt gij hier zoeken? En waar is de negotie?’ –

– ‘Neghoossie. Och! was ik mhaar zoo gelikkig, dat hik een klein beetje neghoossie thoen kon; – mhaar een vrouw met zheuven kinderen! Je mot dhenken, dat khan wat an: – gheen dijt rijk…’

– ‘Foei!’ zeide ik: ‘is het geld al op, dat de jonge Heer Blaek u gegeven heeft, om de gangen van eerlijke meisjens te bespieden?’ –

– ‘Heerlijke meissies! Na doch!’ zeide Simon, het hoofd schuddende.

– ‘Ja zeker eerlijk! En zoo ik mijn vader dergelijke stukjens van u verhaal, zal hij u afleeren, u met zulke knoeierij op te houden.’ –

– ‘Khom! word dan thoch maar niet boos. Khan ik et ‘elpen? Een bhoodschap is een bhoodschap! As Meneer Blaek theugens me zeit: ‘Shimon! ga en khijk waar die Jiffrouw blijft: je zelt een ghilden van mier ‘ebben – nou khijk! wat mot Shimon dan doen? der stheekt gheen kwaad hin, dat Meneer Blaek weet, waar de Jiffrouw whoont, en der stheekt veul ghoeds hin, dat Shimon voor een dhag of wat de khost heit mit zen hijshouwen, – Maar je vraagt men of het vertheerd is sints dhien thijd? – Och! hik eb sedert gheen dijt verdhiend: gheen penning! khan men dhaar van leven hacht dhagen mit en hijshouwen? zoowaar zelje ghezond blijven.’ –

– ‘Misschien zult gij mij ook zoeken wijs te maken, dat Heynsz u de reis niet betaalt, die gij heden doet.’ –

– ‘Nou khijk meneer Hyk! ’t Is homdat je de zeun van den ‘Oofdhoffesier bent – God zegen hem – ’t is een schraal loon, dat hik van ‘Eynsz ontfang. – Hik khan er waarachtig niet van bestaan. – En hik ‘eb ommers gheen woord er van ghesproken, dat je met die Jiffrouw in de Naarder schijt ‘eb gheseten?’ –

– ‘Denkt gij,’ zeide ik wrevelig, ‘dat ik mij bekommer over hetgeen gij van mij vertelt? Maar wat doet gij nu hier? Wie valt hier te bespieden? Het is hier geen publieke grond; en zoo Tante hoort, dat gij op haar erf zijt, zoude zij u er wel eens door den koetsier kunnen doen afjagen.’ –

– ‘Na doch! je weet wel, wien hik ier zoeken khom: – ’t his ommers je papha, die et ghelast eeft. Shimon is ommers gheen dhief, die wat wegnemen zal.’ –

– ‘Ik geloof, dat gij vergeefsche moeite doet,’ zeide ik, wel gissende, wien hij zocht: ‘maar wees gewaarschuwd, en pak u weg; want zoo iemand anders u ziet, zult gij niet vriendelijk ontfangen worden.’ –

Met deze woorden wendde ik mij van hem af en keerde terug bij de dames, die reeds onder de breede takken der eiken om de theetafel gezeten waren. – ‘Wel!’ zeide Susanna, zoodra zij mij zag: ‘waar hebje nu weer gestoken? Ik dacht, gij waart uitgegaan om de oude Martha te helpen, en gij komt met ledige handen weer. Gij slacht de poes wat, die men naar Rome zendt en die miaauw zeit, als zij terug komt. Nu! daar hebben wij ook veel aan, aan zoo’n cavalier, die ons alleen laat zitten: en dat nog wel in een tijd, dat het van dieven en struikroovers grimmelt. Maar zeker! aan uwe hulp zouden wij weinig hebben; daar gij toch ook maatjens zijt met de bende.’ –

– ‘Ik dacht, Santje! wij zouden daar niet meer over spreken,’ zeide Tante, die niet hield van scherts over zulk een onderwerp.

– ‘Gij ziet hoe mijn lot is,’ zeide ik tegen Henriëtte, ‘en hoe ik door mijn zuster behandeld worde. Gij, die zoo goed zijt, zoo gij een broeder hadt, zoudt hem zeker niet zoo kwellen.’ –

– ‘Hoe weet gij, of ik goed ben,’ zeide zij lagchende: ‘vraag maar aan Lodewijk: hij zal u wel zeggen, dat ik er hem ook van langs kan geven.’ –

– ‘Ja kom!’ zeide Susanna: ‘maar daar hebje geen pleizier van; want Lodewijk wordt boos als men hem kwelt: en dat moet ik tot eere van mijn broeder zeggen, hij neemt het altijd nog al wel op.’ Hier klopte zij mij op den schouder.

– ‘Dat is nu het beste, dat gij in lang gezegd hebt,’ zeide ik: ‘daarvoor moet ik u omhelzen.’ –

– ‘Weg! weg!’ zeide Susanna, mij afweerende: ‘ jeux de mains, jeux de vilains . Gebruik uw mond en niet uw handen.’ –

– ‘Wel ’t is ook juist mijn mond, dien ik gebruiken wil,’ zeide ik, haar kussende.

– ‘Och Jetje! help mij toch!’ zeide Susanna: ‘gij blijft daar maar zitten en trekt u het lot niet aan van uw mishandelde vriendin.’ –

– ‘Ik zal wel deugdelijk oppassen, van er mij niet mede te bemoeien,’ zeide Henriëtte.

– ‘Integendeel!’ zeide ik: ‘Santje heeft gelijk: en gij zoudt mij een bijzonder genoegen doen, zoo gij er u mede wildet bemoeien.’ –

– ‘Wat is het toch kinderen?’ vroeg Tante, die intusschen met Martha geredeneerd had: ‘op deze wijs krijgen wij geen koffij.’ –

– ‘Och! ’t Is Ferdinand, die mij plaagt,’ zeide Susanna.

– ‘Men plaagt wie men lief heeft,’ zeide Tante.

– ‘Zoo dat waar is, dames!’ zeide ik, terwijl ik, hoewel in ’t algemeen sprekende, het oog bepaaldelijk op Henriëtte gevestigd hield, ‘hoe meer gij mij dan plaagt, hoe aangenamer het mij zijn zal.’ –

Met deze en dergelijke praatjens, welke toen voor de belanghebbenden vermakelijk waren, maar wier mededeeling den lezer verveelen zoude, hielden wij ons bezig gedurende het koffij drinken, waarna Tante een wandeling voorsloeg, bij welke gelegenheid ik niet verzuimde alle pogingen aan te wenden om meer en meer de gunst mijner schoone te verwerven. Eindelijk maakte ik het zoo bont, dat zij den arm van Susanna nam, en vooruitholde, beweerende niet meer naar mij te willen luisteren.

Ik was zelf bang, wellicht te ver te zijn gegaan, en bleef dus een wijl met Tante achter, aan wie ik, zoowel bij wijze van gesprek als uit nieuwsgierigheid, de vraag deed, of de oude Martha niet vroeger tuinvrouw op Heizicht geweest ware.

– ‘Ja!’ antwoordde zij: ‘tot den dood van haar man. Toen heeft zij een woning op het dorp gehad: en naderhand, toen ik deze hoeve kocht, heb ik haar daarop gezet.’ –

– ‘Heeft zij,’ vervolgde ik, ‘niet eerst bij Kapitein Reefzeil gewoond?’- Ik wist wel beter; doch wilde zoodoende het gesprek op die familie brengen.

– ‘Dat geloof ik niet,’ antwoordde Tante: ‘het is echter mogelijk; want toen ik met uw oom van Bempden trouwde, was zij reeds op Heizicht; maar hoe vraagt gij dat zoo?’ –

Daar zat ik vast: ‘och! dat weet ik zelf niet,’ zeide ik: ‘daar lag mij iets in ’t hoofd, betreffende die Reefzeils.’ –

– ‘De moeder van Jetje Blaek was een Reefzeil,’ zeide Tante: ‘was het dat, wat gij meendet?’ –

– ‘Indedaad?’ zeide ik: ‘neen, dat wist ik niet. Maar was er niet nog een zuster?’ –

– ‘Ja voorzeker! – Keetje Reefzeil: zij waren beide mooi, Keetje en Jetje: de eene was een blondine en de andere een bruinet. Jetje, de blonde, trouwde met den Heer Hendrik Blaek: en de goede man had er niet lang pleizier van; want zij stierf in ’t kraambed. Keetje, ja, die heeft het niet best laten liggen: zij is het pad opgegaan met den Baron van Lintz. Dat is in der tijd een fameuse historie geweest.’ –

– ‘Mochten zij dan niet trouwen?’ vroeg ik, meer en meer belang stellende in het verhaal.

– ‘Zij had, geloof ik, weinig of niets,’ zeide Tante: ‘en van Lintz ook niet veel meer dan zijn gagie als Luitenant bij de Marine. Bovendien hij was Roomsch; maar dat alles hielp niet: hij wist haar te bepraten en trok met haar het land uit. De familie zoude wel weer bijgedraaid zijn; maar hij was deserteur: en dat was erger. Hij heeft zich een poos sobertjens moeten generen, nu hier, dan daar: en vervolgens – maar dat weet gij zoo goed als ik – vervolgens is hij in Spaansche zeedienst gekomen en een groot Heer geworden; en nu is hij, geloof ik, dood of weg: althands men heeft rare dingen van hem verteld. Hij is in ongenade vervallen, dat is zeker, en toen verdwenen. De hemel weet: hij is misschien Turksch geworden en Bassa met een half dozijn paardestaarten; want ik geloof dat hem de godsdienst ook wel om ’t even zijn zoude, mits hij maar voort kwame. Ik had laatst werk genoeg, om van Baalen te beletten van door te slaan, toen hij in tegenwoordigheid van den Heer Blaek en Jetje over dat onderwerp begon. Zij heeft met de folies van haar Tante niet noodig. ’t Was anders een aangenaam mensch, die van Lintz: ik herinner mij nog zeer goed, met hem menigmalen gedanst te hebben. Hij was la pluie et le beau temps in zijn tijd.’ –

– ‘Zijn dwaze stap verdient dunkt mij eenige verschoning,’ merkte ik aan. Er zijn zoo velen van die adelijke Heeren uit de lands – provintien, die alleen te Amsterdam komen om een rijk huwelijk te doen, en enkel op geld zien. Hij werd ten minste door liefde gedreven en niet door zucht naar schatten.’ –

– ‘Neen! die waren bij de Reefzeiltjens niet te zoeken,’ hernam Tante: ‘nu, Hendrik Blaek is er ook om gebrouilleerd geraakt met zijn familie; want hij was ook slecht bij kas en is te Cadix, of te Lissabon, weet ik het, arm gestorven. Gij weet zeker, dat Henriëtte geheel afhangt van de goedheid van haar oom… en zij heeft wel reden om dankbaar jegens hem te zijn; want al ware zij zijn eigene dochter, hij kon haar niet teederder liefhebben en beter behandelen. Zij zal ook wel eindigen, denk ik, van zijn wensch te vervullen en met haar neef te trouwen. – Waarom zegt gij: hm? ’ –

– ‘Heb ik hm gezegd, Tante?’ –

– ‘Ja Neef! Gij hebt gezegd: hm! En waarom? Zoudt gij het zoo bespottelijk vinden, dat zij Lodewijk nam of Lodewijk haar?’ –

– ‘Wat zal ik u zeggen? Ik bespeur niet, dat zij veel werks van elkander maken: en ik weet althands wel iemand, aan wien ik haar liever zoude gunnen.’ –

– ‘ Quel est donc ce héros ou bien ce téméraire? ’ vroeg Tante, mij scherp aanziende: ‘gijzelf toch niet, hoop ik?’ –

– ‘En al ware ik het zelf, Tante? Wat zoude UEd. daartegen hebben?’ –

– ‘Ferdinand!’ zeide Tante: ‘gij jaagt mij een schrik op het lijf. – Niet, of het is een lief meisje; maar wat zouden uw vader en moeder wel van mij denken: – als of ik u beide had samen willen brengen. En uw vader zoude het zeker maar half goed keuren; want zij heeft niets. Neen! dat zou ik voor als nog maar uit mijn hoofd stellen.’

Hier werd ons onderhoud, hetwelk voor mij geene zeer troostrijke wending begon te nemen, afgebroken door Susanna, die van een hoogte, welke zij met Henriëtte beklommen had, ons toeriep:

– ‘Komt toch hier: men heeft hier zulk een heerlijk uitzicht.’ –

Wij versnelden onzen tred en stonden welhaast bij de jonge dames, om met haar het bevallige natuurtooneel te bewonderen, dat zich beneden ons vertoonde. Aan de eene zijde strekte zich, zoover het oog kon reiken, als een gebloemd tapijt de golvende vlakte uit, waarvan de eentoonigheid werd afgebroken door enkele partijen eiken hakhout, dat reeds hier en daar de geele najaarskleur bij het malsche groen van het Augustusloof vertoonde. Ten Zuidwesten vertoonden zich de torens van Naarden, en verder op die van Weesp en Muiden; terwijl Amsterdam slechts even door een graauwen nevel zichtbaar was: Oostwaart lag het bevallige Huizen en daarachter het netgebouwde Blaricum: en ten Noorden liep de heuvel glooiend af tot aan de plek, waar de Zuiderzee zijn voet kwam bespoelen: verscheidene vaartuigen van alle grootte en soort kruisten elkanderen in de verte over de stille oppervlakte der wateren: naderbij lagen eenige visschersbooten en kon men de visschers onderscheiden, die hun netten in zee wierpen. Eindelijk, kort aan den wal lag een rijk vergulde en nieuw opgeschilderde boeier ten anker, waarvan de rijzige mast en de nette tuigaadje zich scherp en luchtig afteekenden tegen het groene water en de heldere lucht daarachter.

– ‘Ik geloof waarlijk, dat het de boeier van Lodewijk is,’ zeide Henriëtte, na eenigen tijd daarop gestaard te hebben.

– ‘Is hij een liefhebber van zeilen?’ vroeg ik.

– ‘O! Lodewijk heeft alle liefhebberijen van dien aart,’ antwoordde zij: ‘maar het zeilen is een hartstocht bij hem. Hij blijft somwijlen dagen achtereen op het water.’ –

– ‘Het schijnt een aartig gebouwd vaartuig,’ zeide ik: ‘zeker gaat het er goed door.’ –

– ‘O! Het moet een eerste snelzeiler zijn; althands volgens het zeggen van Lodewijk.’ –

– ‘Hoe! Zijt gij er zelve nooit op geweest? – Of houdt gij niet van zeilen?’ –

– ‘Hij heeft mij nooit verzocht om mede te gaan.’ –

– ‘Dat geloof ik wel,’ zeide Susanna: ‘die Heeren hebben veel te veel pret onder elkander, dan dat zij er dames zouden bij vragen.’ –

– ‘Het schijnt, dat hij zelf aan boord is,’ hernam ik: ‘althands daar komt iemand op het dek.’ –

– ‘Indedaad! Ik herken hem,’ zeide Henriëtte: ‘maar hij heeft nog een paar Heeren bij hem. Zie eens: zij richten hun kijker op ons.’ –

– ‘Wel! dat is niet het gekste, dat zij doen kunnen,’ zeide ik.

– ‘Wat gaan zij nu uitrichten?’ vroeg Tante, een groote drokte aan boord gewaar wordende.

– ‘Zij maken de sloep los,’ zeide ik: ‘pas op! zij komen ons nog verrassen.’ – En indedaad, wij zagen drie personen achtereen in de sloep springen en met kracht naar wal roeien.

– ‘Kijk! zoude waarlijk Lodewijk eens galant worden en ons komen verzoeken, zijn bodem te bezichtigen?’ vroeg Henriëtte.

– ‘Indedaad!’ zeide Susanna:

‘… et jusqu’aux bords que la mer vient laver

Sur son vaisseau tout pret il vient nous retrouver: ik herken uw neef; maar wie zijn die twee andere Heeren?’ –

– ‘Ik weet het waarlijk niet,’ antwoordde Henriëtte: ‘hij heeft somtijds zulke rare kennissen. Maar ja: de een is, geloof ik, de Heer Weinstübe, een associé van een Duitsch kantoor: den anderen ken ik niet.’ –

Wij waren intusschen den heuvel afgegaan en naar de zeezijde opgewandeld. De drie Heeren sprongen op het strand, maakten hun sloep vast en kwamen met haastige schreden naar ons toegetreden.

– ‘Hoe! zijt gij het?’ riep Lodewijk, toen hij, dichter bij gekomen, ons herkende.

– ‘Zoo! Het is dan geen bezoek, dat gij ons kwaamt geven?’ vroeg Henriëtte.

– ‘Wij hadden dames gezien,’ antwoordde Lodewijk: ‘en kwamen eens hooren, of zij ook lust hadden van eens aan boord te komen.’ –

– ‘Gij zult zien,’ zeide Susanna, zachtjens, ‘dat zij ons onbekend zouden verzocht hebben, en ons niet willen hebben, nu zij weten wie wij zijn.’ –

– ‘Maar was hiendert das?’ vroeg een van Lodewijks kameraden in zijn platduitschen tongval, terwijl hij de jonge meisjens beurtelings op een vrij onbescheidene wijze aanzag: ‘zoo je ze kent, kottorie! tes te peter, dan oef je te kennisch niet te machen.’ –

– ‘Stil!’ zeide Lodewijk, hem aanstootende: ‘Mevrouw van Bempden, uw dienaar: ik stel u den Heer Weinstübe voor, en den Heer Reynhove. – Mijn Heeren! Mevrouw van Bempden, mijn nicht Blaek, Mejuffrouw Huyck.’ –

– ‘Mefrouw fon Pempten!’ herhaalde Weinstübe, terwijl hij dadelijk een zeer nederigen toon aannam en een menigte strijkaadjen maakte: ‘ick pin zeer verheugd, die eere te heppen. Wie faart de familie?’ –

– ‘Ik hoop,’ zeide Reynhove, terwijl hij insgelijks, doch op een meer hoffelijke wijze zijn compliment maakte, ‘dat de dames ons toilet zullen excuseeren. Wij konnen ons op deze charmante rencontre niet verwachten. Ik ben waarlijk gedesespereerd er zoo genegligeerd uittezien.’ – Onder het uiten dezer laatste woorden maakte hij de bovenste knoopen los van zijn net gemaakte visscherskiel en vertoonde daardoor een keurig hemd, met prachtige kanten gegarneerd; terwijl hij de andere hand aan zijn das bracht, als wilde hij de aandacht vestigen op den kostbaren ring, die zijn vinger vercierde en op den juweelen gesp, waarmede de strop was vastgemaakt.

– ‘Ach noe ja!’ zeide Weinstübe: ‘die dames sollen ons kenadik bardon schenken wollen: ’t Is waraftig onze schuld nicht. Herr Plaek sagte: “da sind tamen: wollen wir ons combliment machen kaan.” Aber wir woesten nicht, dat er eine so achtbare keselschaft da ware.’ –

– ‘Dat valt u dan tegen,’ zeide Susanna.

– ‘Hoe vaart uw vader, mijn Heer Blaek?’ vroeg Tante.

– ‘Klagend en hypochonder, Mevrouw! de oude deun. Hebben de dames ook trek, om mijn vaartuig eens te zien?’ vroeg hij vervolgens, op een toon, die wel te kennen gaf, dat hij deze uitnoodiging alleen deed, omdat hij niet wel anders kon.

– ‘Dat zal ons wat lang ophouden, vrees ik,’ zeide Tante: ‘wij moeten naar de boerderij terug en dan naar huis.’

– ‘Wel Mevrouw!’ zeide Reynhove: ‘’t zoude immers een al te groote cruauteit in u zijn, ons niet te permitteeren van zulk een aangename societeit te profiteeren.’ –

– ‘’t Is solk een schones wetter,’ zeide Weinstübe: ‘en Plaek kan oe immers weer afzetten waar je woelt. We motten toch weer nach Amsterdam mit ten abend.’ –

– ‘Wel nu! wat zeggen de jonge dames er van?’ vroeg Tante: ‘ik ben wit papier.’ –

Ik vleide mij, dat zij bedanken zouden; maar het scheen, dat beide een groot verlangen hadden om den boeier te zien (een begeerte, die ik toen allerbespottelijkst vond) en na elkander een wijl aangekeken en met de oogen geraadpleegd te hebben, gaven, eerst Henriëtte en toen Susanna, te kennen, dat zij niet ongenegen waren, om van het vriendelijk aanbod van den Heer Blaek gebruik te maken.

– ‘Kom aan! dan maar hoe eerder hoe beter,’ zeide Lodewijk, terwijl hij den arm aan Tante van Bempden bood: en eer ik nog gereed was, het voorbeeld te volgen, had zich die hatelijke Mof van Henriëtte, en Reynhove van Susanna meester gemaakt, terwijl ik volgde, den boeier en zijn geheel equipaadje voor Sint Felten wenschende.

Wij stapten in de sloep, die ter naauwernood groot genoeg was, om ons allen te bevatten, en werden door Lodewijk en Reynhove met kracht naar het vaartuig geroeid. Alvorens wij dit echter betreden, zij mij een korte uitweiding vergund over de twee nieuwe personaadjen, met welke ik bij deze gelegenheid kennis maakte.

Caspar Weinstübe was, gelijk ik naderhand kwam te weten, een gelukzoeker geweest, gelijk Westfalen die jaarlijks overzendt naar Amsterdam. Hij had de groote stad als een knaap van vijftien jaren betreden met een schraal voorziene beurs, maar met het onverzettelijk voornemen, om die te vullen: en hij had zijn doel bereikt langs die middelen, welke, ofschoon toen meer zeldzaam, thands helaas! van jaar tot jaar algemeen worden. Vijf jaren lang had hij op een klein kantoor gewerkt, gekropen en honger geleden. Toen was hem een gering aandeel in de winsten toegekend geworden en weldra bekwam hij, als loon van zijn onvermoeiden arbeid, de teekening per procuratie . Van deze had hij zich bediend om zaken voor zich zelven te beginnen: de actiehandel was hem te stade gekomen: het huis, waar hij deelgenoot in was, had tot tweemalen toe moeten ophouden te betalen; maar hijzelf was na elk bankroet rijker voor den dag gekomen, en bevond zich nu aan het hoofd van een aanzienlijk vermogen en van een winstgevende zaak. Maar het was hem niet genoeg zijn wenschen bereikt en schatten verworven te hebben: hij verlangde nu ook in de groote waereld ontfangen te worden: en dit was voor hem in Amsterdam, waar de lijn van afscheiding tusschen de verschillende kringen misschien scherper afgeteekend is dan in eenige stad ter waereld, geen gemakkelijke zaak. Hij vond zich dan ook overal terug gedrongen, zoo vaak hij het beproefde, de uitsluitende gezelschappen der zoogenaamde patriciërs binnen te dringen; maar hij gaf daarom den moed niet verloren. Het spreekwoord zegt, dat de Arragonezen, om een spijker in te slaan, geen hamer behoeven, maar hun hoofd gebruiken: en Caspar Weinstübe deed voor de Arragonezen niet onder. Hij wist zich aan te sluiten bij jonge lieden, die, zoo als Lodewijk Blaek, er minder op zagen, met wie zij omgingen, mits het slechts liefhebbers waren van rijden, rossen en geld verteeren: en door middel van dezulken hoopte onze Westfalinger langzamerhand met hooger standen in betrekking te geraken. Dit middel was hem wel is waar vrij kostbaar; doch hij had sints lang vaarwel gezegd aan die taaie zuinigheid en ontbering, die hem tot ladders hadden verstrekt om tot de fortuin te geraken: en hij wist thands zijn geld even schoon te verkwisten, als of hij het van zijn vader gëerfd had. Ofschoon niet misdeeld van zekere schranderheid, en zelfs vlug van geest, zoo vaak het zijn geldelijk belang betrof, was hij in alle andere zaken dom en onkundig gebleven, bezat geen manieren ter waereld, en was, gelijk de meeste gelukzoekers, even trotsch en lomp jegens hen, die hij als beneden zich beschouwde, als laag en kruipend jegens zijn meerderen. – Het was voor hem, om dit in ’t voorbijgaan aan te merken, dat Heynsz dat fraaie blazoen geschilderd had, waarvan vroeger gesproken is.

Wat den Heer Reynhove betreft, hoewel zijn onderhoud wat veel doorspekt was met Fransche woorden, zijn toon en manieren waren echter die van een fatsoenlijk man: en hetgeen hij zeide, zoo niet altijd even belangrijk, was echter nimmer dom of ongepast: ja, schoon hij vaak over beuzelingen sprak, wel voorgedragen beuzelingen zijn, gelijk men weet, door den bank, meer dan gesprekken over gewichtige onderwerpen geschikt, om in gemengde gezelschappen aan iemand den naam van een aangenaam mensch te doen verwerven. Hij was bovendien welgemaakt van persoon, keurig op zijn kleeding, en dus in vele opzichten welkom bij de schoone kunne. Wat zijn maatschappelijke positie betrof, hij had noch beroep noch affaire; doch het had slechts van hem afgehangen in deze of gene staatkundige of hoffelijke betrekking geplaatst te wezen; daar zijn vader in zijne woonplaats ‘sGravenhage een der hoogste ambten van de Republiek bekleedde. Hij had Lodewijk op de paardemarkten leeren kennen, waarvan beide trouwe bezoekers waren, en was op de uitnoodiging van dezen eenige dagen bij hem komen doorbrengen.

DigitalDroom Reader

Hoofdstuk XXII

XXII / XXXIX

Zoodra wij den boeier hadden bestegen, liet Lodewijk het anker lichten en alle zeilen bijzetten, ten einde gebruik te maken van een flaauw zuchtje, dat uit het zuiden woei en ons langzaam de kust langs tegen den stroom opdreef. Lodewijk, die recht als een schipper uitgedoscht en met een kort pijpje in den mond aan het roer post hield, scheen zich weinig over onze tegenwoordigheid te bekreunen en liet aan zijn vrienden de zorg over om ons de honneurs van zijn vaartuig te doen. Reynhove had dadelijk met voorkomende beleefdheid al de vouwstoelen uit de kajuit gehaald en zette die op het dek neder, ten einde de dames plaats konden nemen, terwijl Klaas, de schippersknecht, een tafel aanbracht en Weinstübe een paar flesschen opentrok en de glazen inschonk. Waarschijnlijk wist hij niet hoe anders het gesprek op een betamelijke manier aan te vangen en begreep hij, dat het aanbod van een glas wijn daartoe de geschiktste gelegenheid zoude verschaffen.

– ‘Wol de Jiffrouw nicht een klaasje nemen,’ vroeg hij aan Henriëtte, die in stille aandacht de kust zat te beschouwen, die langzaam voorbijgleed: ‘ik kan ’t wel anpefielen: ofschoon ik an Plaek kezegd ep, dat hij nicht an ’t peste gandoor iesch. Niet of die witwe Pieter Plutz en Soonen iesch ein gnappe fent; maar ie heeft keen koete gorrespondens: en wie wil er nou mienderen wein trinken, as men de peste kriegen kan? Da iest Peter Traubetropf, die hat koeten wein; und nicht meliert: – wel tierder, ja! – das ist waar: aber was kan das scheelen, wie tier die wein iest as tie maar goet iest? – fooral foor soon reike blitz as Plaek iest.’ –

– ‘Ik bid u, accepteer toch een glaasje, Mevrouw!’ zeide Reynhove, zich overeenkomstig de betamelijkheid eerst tot Tante wendende: ‘aan boord mag zulk een offerte niet gerefuseerd worden; wanneer men zooveel water om zich heen ziet, mag men wel wat wijn gebruiken om een contrepoids te geven.’ –

– ‘Mijn Heer schijnt wel te huis in de gewoontens aan boord,’ zeide Susanna.

– ‘Ja! ik heb altijd, van mijn jeugd af, veel van de Marine gehouden, en was er eigenlijk voor gedestineerd; maar ik had er dit tegen, dat de meeste zeelieden zoo ruw en ongemanierd zijn, en het zoude mij wat al te veel gegeneerd hebben, mij aan hunne formen te plieeren.’ –

– ‘Maar dat zie ik volstrekt niet in,’ zeide Tante: ‘het is toch niet noodzakelijk, dat men juist de manieren van het scheepsvolk aanneemt: ik herinner mij zeer goed den Graaf Tromp, onzen gewezen buurman op ‘sGraveland: die had zeer beschaafde en hoffelijke manieren: en zoo als ik van mijn vader dikwijls gehoord heb, de Admiraal de Ruyter, die toch uit een minderen stand was, had insgelijks een zeer ordentelijken toon en was een vijand van vloeken en drinken.’ –

– ‘Tante heeft gelijk,’ zeide ik: ‘ik heb veel bulderbasten gekend onder de zeelieden; maar ook anderen, die tot een voorbeeld van wellevendheid hadden kunnen verstrekken en op wie het pek geen smet had achtergelaten.’ –

– ‘O! dat wil ik niet nieeren,’ hernam Reynhove: ‘maar UEd. gevoelt, als eenige stamhouder van mijn familie….’

– ‘O! nu vat ik het,’ hernam Susanna: ‘UEd. was van te goeden huize misschien om met Jan en alleman om te gaan. Maar, om niet van zoovele anderen te spreken, daar hadt gij b.v. den Heer van Opdam, die was nog al van een redelijk goede familie.’ –

– ‘Mejuffer schept er behagen in, van mij niet te willen verstaan,’ zeide Reynhove: ‘ik bedoel mijn stand niet, maar mijn betrekking als eenigen zoon. Het zoude een te groot chagrin voor mijn ouders geweest zijn, indien ik mij aan de gevaren der zeedienst had gëexposeerd.’ –

– ‘Ja dat is zeker waar,’ hernam Susanna: ‘maar gelooft UEd. niet, dat men op het land niet even veel gevaar kan loopen van ’t hoekjen om te gaan? b.v. bij slempmalen, harddraverijen en andere vermakelijkheden?’ –

Ik zag, dat Reynhove een kleur kreeg. Susanna had juister getroffen, dan zij zelve wist.

– ‘En dan,’ vervolgde zij: ‘sterft men aan een galziekte ten gevolge van het lekker eten of drinken, of breekt men zijn nek door van zijn harddraver af te tuimelen, er is niemand die u beklaagt; maar dan is het: tu l’as voulu George Dandin: boontje komt om zijn loontje, enz.; terwijl men, in een zeeslag sneuvelende, ten minsten sterft met het bewustzijn van nuttig geweest te zijn en nog een lofspraak in de courant bekomt boven dien.’ –

– ‘Dat is zeker zeer troostrijk voor de erfgenamen,’ zeide Reynhove, lagchende: ‘ik moet echter avoueeren, dat UEd. volkomen waarheid spreekt; doch UEd. zult mij toestaan, te observeeren, dat men ook op andere wijzen zijn Vaderland dienen kan, en dat, wanneer men, zoo als ik, eenige zoon is, men beter doet een betrekking te kiezen, welke ons niet obligeert onze famille gedurig en soms voor zeer langen tijd te quitteeren.’ –

– ‘En in welke betrekking dient UEd. het Vaderland dan?’ vroeg Susanna.

– ‘Tot nog toe in geene,’ antwoordde hij, half lagchende, half beschaamd: ‘maar ik zal met genoegen de carrière volgen, welke gij mij aan wilt wijzen.’ –

– ‘Ik vrees, dat ik een slechte raadgeefster zoude zijn,’ zeide Susanna: ‘en ik zoude u beklagen, zoo UEd. in dezen den raad van een ander noodig hadt.’ –

Terwijl zij aldus voortging met hem tot het doel te nemen van haar plagerijen, welke hij echter wel opnam, ja waarin hij zelfs behagen scheen te scheppen, overlaadde Weinstübe Henriëtte met een vloed van zoutelooze vleierijen, waar ik bijna vergeefs een woordje poogde tusschen te voegen. Tante, die ongaarne een gelegenheid liet voorbijgaan om zich te onderrichten, had zich bij Lodewijk vervoegd, wien zij met haar gewone levendigheid allerlei vragen deed betreffende de zeevaart en stuurmanskunst, welke hij nu en dan bëantwoordde, zoo dikwijls hij zijn pijpje uit den mond nam, om een slok uit de nevens hem staande flesch te nemen.

Wij waren onder dit alles een goed eind verder gekomen en bevonden ons reeds op de hoogte van Muiderberg, toen Tante, die al pratende niet vergat, dat de tijd voortging, aan Lodewijk vroeg of hij niet welhaast terug zoude keeren, en haar, volgens belofte, aan de hoeve afzetten. Niettegenstaande het beklag van Reynhove en van Weinstübe, dat de dames hen zoo spoedig weder verlaten wilden, begon Lodewijk, die misschien in zijn hart wel van ons ontslagen wenschte te zijn, bereids aanstalten te maken om den steven te wenden, toen Henriëtte hem een vraag deed, welke, hoe onschuldig ook, de gewichtigste gevolgen had.

– ‘Aan wien behoort de fraaie boeier,’ vroeg zij, ‘die daar achter ons komt aanzetten?’ –

– ‘Te deksel ja!’ zeide Lodewijk: ‘aan wien behoort die boeier, Klaas?’ –

– ‘Dat is de nieuwe boeier van Jan Pergens,’ antwoordde de knecht: ‘die ons vooruit wil: hij heit er al lang op ‘eloerd.’ –

– ‘Ons vooruit!’ riep Lodewijk: ‘neen voor den d…..! dat zullen wij hem anders leeren. Je mot het mij niet kwalijk nemen, Mevrouw! maar dat laat ik mij niet doen.’ –

– ‘Maar mijn Heer Blaek!’ zeide ik: ‘het wordt laat en de dames wenschten wel, aan wal te zijn. Wat gaat het u aan, of hij vooruit komt, daar hij toch op de stad aanzeilt, en wij op Oud Naarden moeten aanhouden?’ –

– ‘Wat het mij aangaat?’ herhaalde Lodewijk, met het geheele gewicht van zijn lichaam over het roer buigende: ‘Klaas! man! pas op je tellen. – Wat het mij aangaat? – Zet het zwaard nog wat neer, Klaas! – Wat het mij aangaat? – Wel! zoo ik op den wal aanhield, zou hij denken, dat ik voor hem loopen ging.’ –

– ‘Maar mijn Heer Blaek!’ zeide Tante, na mij eenigzins verlegen te hebben aangezien: ‘wij wenschten gaarne te huis te wezen: en UEd. is te beleefd om aan het verzoek van dames geen gehoor te geven.’ –

– ‘’t Is waarachtig mijn eer te na, Mevrouw! – Klaas! haal de fokkeschoot nog wat aan.’ Hier zag hij achter zich om, met een angst op het gelaat, als ware de boeier een roofschip geweest: ‘’t Is maar voor tien minuten, Mevrouw! om hem mijn meerderheid te toonen; en dan zeilen wij in een ommezien weer terug naar de hoeve.’ –

– ‘O! nu gaat het recht pleisierig, Mevrouw! Dat mag zeilen heeten, Tante!’ zeiden Henriëtte en Susanna, die er juist zooveel kwaads niet in zagen of zij een uurtje later te huis waren, en er beide vermaak in schepten om te zien met welk een snelheid het vaartuig, daar de wind nu was aangewakkerd, de golven kliefde.

Wat mij betreft, ik was minder voldaan met het antwoord van Lodewijk; want ik berekende, dat, hoe meer de wind thands in ons voordeel ware, hoe meer moeite wij zouden hebben om weer terug naar de hoeve te zeilen: en mijn ongerustheid werd niet verminderd door een leelijke wolk die uit het noordwesten tegen den wind kwam opzetten.

– ‘Ziet gij die bui daar opkomen?’ vroeg ik, zoo zachtjens mogelijk, om de dames niet te verontrusten, aan den schippersknecht: ‘het zoude mij ontgaan, indien wij daar geen regen uitkregen.’ –

– ‘Wij zullen geducht sop hebben,’ antwoordde Klaas: ‘maar wat wilje der an doen? Meneer kan den boeier toch niet laten voorbij zeilen?’ –

– ‘Mijn Heer Reynhove!’ zeide ik, den Hagenaar naderende: ‘heeft UEd. ook invloed genoeg op den Heer Blaek, om hem te beduiden, dat hij aan het verlangen der dames gehoor geve?’ –

– ‘ Comment! ’ vroeg hij: ‘UEd. heeft zelf gehoord, dat het zeilen de dames amuseert en dat zij prefereeren, nog niet aan wal te gaan.’ –

– ‘Wel mogelijk! maar,’ beet ik hem in ’t oor: ‘daar is zwaar weer op handen: en wij zeilen de bui vlak in ’t vizier.’ –

– ‘ Vous croyez? ’ vroeg hij, eenigzins van zijn stuk geraakt: ‘ja! en effet! maar wij kunnen immers terstond ergens binnenloopen; – intusschen! ik zal het hem vragen. – Zeg eens, Blaek!’ –

– ‘Uit den weg!’ riep Lodewijk, zonder op zijn woorden acht te slaan: ‘sta mij niet in ’t gezicht.’ –

– ‘Haar kijk dan voor u,’ zeide Reynhove, knorrig: ‘zie je de bui niet, die daar aankomt?’ –

Maar Lodewijk, in stede van naar de bui te kijken, wendde keer op keer het oog naar het andere vaartuig, dat, het zij het scherper zeilde, het zij het beter bestuurd werd, ons meer en meer nader kwam.

– ‘Is het waar? Vreest UEd. een bui, mijn Heer?’ vroeg Tante, met bezorgdheid, aan Reynhove: ‘ik smeek u, mijn Heer Blaek! laat ons dan terug keeren.’ –

Maar Lodewijk antwoordde niets. Hij stond, bleek van spijt, op den anderen boeier te turen, die hem reeds op zijde was. Eenige jonge lieden, daarop gezeten, wuifden met de hoeden ten teeken van overwinning, en de eigenaar, die aan het roer stond, hief een glas wijn op en dronk spottenderwijze onze gezondheid.

– ‘Wacht! Ik zal u weerom salueeren met een flesch,’ schreeuwde Lodewijk, woedende, en, naast zich tastende, greep hij de ledige wijnflesch en smeet die met kracht naar het zegevierende vaartuig. Het werptuig bereikte echter zijn bestemming niet; maar viel halverwege in het water; terwijl een schaterend gelagch van den anderen boeier oprees en deze mislukte poging eener machtelooze woede bespotte: al het welk Lodewijk nog gramstoriger maakte.

– ‘Foei Lodewijk!’ zeide Henriëtte: ‘is dit nu handelen, gelijk een fatsoenlijk man betaamt?’ –

– ‘Zij moeten niet denken, dat zij ’t gewonnen hebben,’ zeide Lodewijk, zonder acht te slaan op de afkeuring, welke zijn gedrag bij ons allen gevonden had: ‘zie eens! zij minderen al zeil. Klaas! hou je goed! Wij zullen hen wel weer voorbij raken.’ –

– ‘Zij minderen zeil,’ zeide ik: ‘en zij hebben gelijk ook; want zij willen niet door de bui verrast worden. Het is onvergeeflijk van u, mijn Heer Blaek! de dames aldus bloot te stellen om doornat te worden.’ –

– ‘Gekheid! – Wij keeren terstond terug. – Klaas! haal de kluiffok nog wat aan. Hoezee! Wij halen hen in! Wij halen hen in, zeg ik. Hij heeft er niet op gelet, dat de wind gekrompen is. – Ja, voor den wind kan hij zeilen; maar hij verstaat er niets van om met halven wind vooruit te komen. Is dat een zeiler? – Kijk wat doet hij nu? Hij gaat ver…. nog een zeil strijken! – Hoezee! Wij zijn hem al voorbij! – Hij erkent zijn minderheid! Lagcht hem uit, vrienden! nu is het onze beurt.’ –

Vreemd genoeg, hoe weinig de jonge meisjens ook met Lodewijk op hadden, en hoe ontrust zij een oogenblik te voren waren, scheen haar echter de nu behaalde zegepraal te streelen, als deelden zij daarin: en zij schreven aan Lodewijks bekwaamheid een overwinning toe, welke alleen aan de meerdere voorzichtigheid van den bestuurder des anderen boeiers te danken was. Het was mij duidelijk, dat deze, te vrede met het bewijs zijner meerderheid gegeven te hebben, en de bui ziende aankomen, zijn voorzorgen genomen had: en de schippersknecht versterkte mij in deze opvatting, door mij te verklaren, dat zoo zijn Heer niet spoedig alles bergen liet, het te laat zoude zijn.

– ‘En waarom zegt gij het niet?’ vroeg ik, niet zonder ontsteltenis over dit bericht.

– ‘Wel ja!’ zeide hij: ‘dan was mijn paspoort geschreven: ‘je kent Meneer niet.’ –

– ‘Dan zal ik het zeggen,’ zeide ik: ‘mijn Heer Blaek! ik weet niet, of gij al dan niet een weerkenner zijt; maar ik vraag u nogmaals, of gij die opkomende bui niet bemerkt? Laat toch strijken. Wilt gij de dames aan gevaar bloot stellen?’ –

– ‘Gevaar!’ riepen allen, onthutst en zich naar achteren dringende.

– ‘Och! wat gevaar!’ zeide Lodewijk: ‘wij zullen eenvoudig terug keeren: en, voor de bui er is, zijt gij aan de hoeve terug. – Wenden Klaas!’ –

Maar het was te laat! Toen hij wenden wilde, weigerde het vaartuig aan de beweging van het roer te gehoorzamen en bij den wind te draaien. Op dit zelfde oogenblik deed zich een dof gegons hooren over de oppervlakte van het water: de zee, nog kort te voren zoo helder, werd zwart en vuil van kleur, alsof een onderaardsche beweging het water beroerd had: donkere, laaghangende wolken sloten zich aan het zwerk in een, en de beide oevers waren in een oogenblik achter een dicht gordijn van regen verborgen, terwijl de wind, plotselings omschietende, met zulk een geweld in de zeilen voer, dat het vaartuig over een kant ging en stellig zoude omgeslagen zijn, indien niet de sterk gespannen touwen aan stukken waren gesprongen. Een algemeene kreet van ontsteltenis deed zich hooren. Lodewijk werd bleek als een laken en een krachtige vloek bestierf op zijn lippen.

– ‘Ach! mein Kot!’ riep Weinstübe: ‘set mihr aus: ich wil er aus. Ich wil nicht langer hier pleiben.’ –

– ‘’t Is niets!’ zeide ik; de dames wenschende gerust te stellen: ‘wij hebben het ergste al geleden. Alle man aan ’t werk: dames! gaat in de kajuit!’ – En, te gelijk mijn best doende, hielp ik Klaas om de einden touw te kappen, waar de gescheurde zeilen in smalle reepen en strooken nog aan bleven fladderen. Reynhove, die gaarne mede van dienst wilde zijn, maar bij ongeluk een verkeerd touw had aangegrepen, werd door den schippersknecht op zijde gestooten en liep nu heen en weder, met de verlegen houding van iemand die, gaarne van dienst wil zijn, maar niet weet op welke wijze.

De bui was intusschen meer en meer genaderd, en weldra viel de stortregen op het dek. De dames, hoewel in de kajuit geborgen, waren ook daar niet veilig voor het water, dat als een cascade de trappen afstroomde. Weinstübe was insgelijks naar binnen gevlucht en prevelde al de gebeden, die hij in zijn leven geleerd had. Lodewijk stond in sombere verslagenheid bij het roer en Reynhove zag mij aan als of ik er wat aan doen kon. Wij waren allen tot het hemd toe nat; ofschoon Lodewijk het voordeel had van een duffelsche jas, die hij dadelijk had aangeschoten.

– ‘Wat zoudt gij nu denken, dat best ware?’ vroeg ik aan Klaas, op wiens doorzicht ik in dit geval meer vertrouwen stelde dan op dat van zijn meester.

– ‘Ja!’ zeide hij, om zich heen ziende: ‘te Muiden kunnen wij niet komen. ’t Zal best wezen, dat wij aan de overzij een opperwal zoeken en daar ten anker blijven tot het opklaart.’ –

Tot mijn genoegen keurde Lodewijk dit voorstel goed. Wij heschen een fokje op, en het gelukte ons, na een paar gangen te hebben gedaan, een goede legplaats te bereiken, waar wij het anker uitwierpen en nu aan het eind van onzen kabel slingerden, dat het een lust was om te zien.

Dit alzoo geschikt zijnde, ging ik naar de deur der kajuit, om te vernemen, hoe de dames het maakten: ‘hoe is het daar binnen gesteld?’ vroeg ik.

– ‘Kom in,’ riep Susanna: ‘’t Is hier een lief huishouwentje.’ –

Ik trad af. Een akelig en tevens walgelijk schouwspel wachtte mij. De tafel was omver geworpen met alles wat er op stond, en de vloer met pot- en glasscherven bedekt. Tante zat, of liever lag op den grond uitgestrekt, bleek als een doek van zeeziekte, met de kleederen bemorst door het ingestroomde water. Henriëtte zat naast haar op een voetbankje en ondersteunde haar het hoofd, terwijl Susanna een paar servetten had saamgefrommeld, die zij als een dweil bezigde om den vloer wat te boenen. Wat den Duitscher betrof, deze had, sedert wij ten anker lagen en dus oogenschijnlijk buiten gevaar waren, met bidden opgehouden en lag zoo lang hij was op de rustbank, met het gezicht in een stapel kussens gedompeld.

– ‘Wat zou onze Aagt wel zeggen, als zij mij zoo aan ’t werk zag?’ vroeg Susanna: ‘maar hoe is het? liggen wij ten anker? En waar ergens zijn wij?’ –

– ‘Wij liggen bezuiden Durgendam, kort bij den dijk,’ antwoordde ik: ‘Is Tante niet wel?’ –

– ‘Tante mag wel zeggen: Qu’allais-je faire dans cette galère? ’ zeide Susanna: ‘en dat nog wel om onzentwil.’ –

– ‘Welk een ongelukkige reis!’ zeide Henriëtte: ‘is UEd. niet doornat, mijn Heer Huyck?’ –

– ‘Zoo als UEd. ziet, Mejuffer!’ zeide ik: ‘en ik ben waarlijk eenigzins beschaamd mij aldus aan u te vertoonen.’ –

– ‘Net als of het de eerste reis ware, dat Jetje u met een nat pak ziet,’ zeide Susanna. Henriëtte glimlagchte even; maar haar lach had iets droefgeestigs en de blik, dien zij op mijn zuster wierp, scheen aan deze te verwijten, dat zij in zulk een oogenblik schertsen kon.

– ‘Maar lieve Ferdinand!’ vervolgde Susanna, bij wie de spotzucht geen hartelijkheid uitsloot: ‘gij zult waarlijk ziek worden. Moet gij nu in die doornatte kleederen blijven?’ –

– ‘ Comme c’est malheureux! ’ zeide Reynhove, die nu insgelijks binnentrad: ‘en dat wij de dames zulk een fataal moment geprocureerd hebben.’ –

– ‘Mijn Heer Blaek weet allerliefste partijtjens te geven,’ zeide Susanna: ‘jammer maar, dat zij zoolang duren.’-

– ‘Maar wat doet gij toch, Mejuffrouw?’ vroeg Reynhove. ‘Permitteer mij, dat ik den knecht roepe om den boel hier wat in orde te brengen.’ – En weg was hij.

– ‘Die is ten minste beleefd,’ zeide Susanna, en wierp een zijdelingschen blik op Weinstübe.

– ‘Ja! dat is ook waar,’ zeide ik, den onbeschoften knoet naderende: ‘mijn Heer!’ zeide ik, hem op den schouder tikkende: ‘zoudt gij zoo goed willen zijn, uwe plaats aan de dames af te staan? – Mijn Heer!’ –

Eerst op de tweede uitnoodiging gaf Weinstübe teekenen van leven. Hij lichtte even het hoofd op en zag mij aan met een versuften blik en een open mond.

– ‘Kom mijn Heer!’ zeide ik: ‘als er dames in ’t gezelschap zijn, zult gij toch wel de beleefdheid hebben, de rustbank niet voor u alleen te nemen.’

– ‘Ach Kot! ich pin so krank,’ zuchtte hij, met de oogen draaiende als een schelvisch die op het strand ligt.

– ‘Dat is wel mogelijk,’ zeide ik: ‘maar die dames zijn ook niet wel:’ en, zonder meer plichtsplegingen te maken, nam ik hem bij de kraag met de eene en om het midden met de andere hand en wentelde hem van de bank af; waarna ik, mijn natten rok uittrekkende en mijn mouwen opstroopende, Tante optilde en op de ontruimde plaats nederleide, nadat de jonge meisjens de kussens weer wat hadden opgeschud. Beide namen nu naast haar plaats en poogden haar toestand zoo gemakkelijk mogelijk te maken. Wat Weinstübe betrof, hij bleef liggen waar hij nedergekomen was, met de ongevoeligheid van een zeeziek mensch. Weldra keerde Reynhove met Klaas terug, welke laatste nu knaphandig den boel opredderde.

– ‘Waar is de Heer Blaek?’ vroeg ik, eenigzins verwonderd, dat Lodewijk niet opdaagde.

– ‘Die zit in ’t vooronder,’ antwoordde Reynhove, ‘zijn pijp te rooken en een glaasje brandewijn te drinken: en, in ’t passant gezegd, wij mochten ook wel iets nemen tegen de nattigheid. Ik geloof, dat onze vriend wat confuis is over hetgene gearriveerd is en zich niet aan de dames durft presenteren.’ –

– ‘Hoelang zullen wij hier nog moeten blijven?’ vroeg Susanna.

Ik haalde de schouders op: ‘zoolang de storm duurt, kunnen wij hier niet van daan,’ zeide ik: ‘en vooreerst schijnt het weer niet te zullen bedaren.’ –

– ‘Neen,’ zeide Klaas: ‘en als wij hier vroeger van daan kwamen, zou het fout wezen; want dan gingen wij zoo zeker tegen den overkant als twee maal twee vier is: en dan bleef er geen spaander van den heelen boeier over. Ja! ja! daar zijnder hier wel met een minder windje naar de kelder ‘egaen.’ –

– ‘Een aangename consolatie,’ zeide Reynhove.

– ‘Zie zoo!’ vervolgde Klaas tegen de dames: ‘nou doe jelui zelvers ook ‘ereis ondervinding op, dat het niet allemaal plezier is aan boord. Nou, dat’s tot darentoe. – Ja! nou wou jelui wel een zoopje brandewijn hebben (dit tegen ons:) Ik ‘loof dat er nog wel wat in ’t lakkeurkeldertje wezen zel.’ –

Dit zeggende haalde hij een fleschje voor den dag: en Reynhove en ik verkwikten ons met een paar goede teugen.

– ‘Motje ook niet wat hebben? Sinjeur?’ vroeg Klaas, Weinstübe schuddende: ‘of ben je er vies van?’ –

Weinstübe poogde op te staan; maar naauwlijks had hij zich half opgericht, of het vaartuig onderging zulk een schok, dat hij weder achterover tuimelde; terwijl Klaas, onder den uitroep van: ‘God help ons! het anker!’ de kajuit uitvloog. Reynhove en ik snelden hem na. Het was maar al te waar: wij waren van ons anker geslagen en dreven nu voort waar de wind en de golven ons heenvoerden.

Op het dek ontmoette ik Lodewijk: en nooit zal ik de uitdrukking vergeten, welke zijn verwilderde oogen en bleeke gelaatstrekken in dit oogenblik vertoonden: ‘vervloekte boeier!’ riep hij: ‘wij zijn naar de w……!’ En staroogende bleef hij vooruit zien, zonder eenig bevel te geven.

Op dit oogenblik voelde ik een hand, die mij op den schouder gelegd werd. Ik keerde mij om. Het was Susanna, die met Henriëtte de kajuit had verlaten: en sprakeloos van angst schenen zij mij met de oogen omtrent de hoegrootheid van het gevaar te ondervragen. Ik drukte aan beide de handen: mijn antwoord bestond uit een schouder ophalen: waarna ik mij tot Klaas wendde, die tegen zijn Heer stond te spreken, zonder dat deze eenige acht op zijn woorden scheen te geven.

– ‘Klaas!’ riep ik: ‘wat moet er gedaan worden?’ –

– ‘Lensen op ’t fokje,’ antwoordde hij:’ en zooveel mogelijk van wal houen en in ’t open vaarwater trachten te komen.’ –

– ‘Wel nu! doe dat,’ zeide ik: ‘en ik zal terwijl op het roer passen.’ –

Maar het was te laat: de wind had ons reeds te dicht op de kust gedrongen: naauwlijks had Klaas de fok geheschen en ik de roerpen los gemaakt, of het vaartuig raakte grond, en het roer, den zandbank ontmoetende, gaf mij een slag tegen de beenen, dat ik op het dek nederkwam.

– ‘Ferdinand! mijn Heer Huyck!’ riepen de beide meisjens, met een angstigen gil toeschietende: en ik voelde vier zachte handjens, die mij poogden op te helpen.

– ‘Hebt gij u bezeerd?’ was beider gelijktijdige vraag.

– ‘’t Is niets,’ zeide ik, opkrabbelende: ‘maar ik houde het er voor, dat wij aan den grond zitten.’ –

– ‘Vier voet!’ zeide Klaas, den peilstok uitwerpende: wij zitten secuur vast ook: mijn Heer Blaek! zouden wij niet een schot doen?’ –

Lodewijk gaf geen antwoord; maar in zijn zakken tastende, scheen hij den sleutel van de kruidkast te zoeken. Eindelijk, na eenige oogenblikken, welke zoovele uren schenen, bracht hij een sleutelring te voorschijn en begon, met bevende handen, sleutel voor sleutel te hanteren. Ik zag, dat het hem nooit zoude gelukken, diengenen dien hij hebben moest van de overigen te onderscheiden, en, hem den geheelen bos uit de handen rukkende: ‘volg mij!’ zeide ik tegen Klaas: ‘waar bewaart mijn Heer zijn kruid?’ –

Klaas bracht mij in de kajuit. ‘Het kruid zit in het kastje onder die bank,’ zei hij.

– ‘Tante!’ zeide ik: ‘het spijt mij, dat ik u lastig moet vallen; maar wij moeten hier binnen wezen:’ en meteen lichtte ik Tante met kussens en al op en ontsloot het kastje.

– ‘Zijn wij aan wal?’ vroeg zij met een flaauwe stem.

– ‘Ach! jounge! kelner!’ riep Weinstübe, die, weder wat bijgekomen zijnde, in een hoek tegen den wand aanzat: ‘pring mij wat matera en een pescheitje. Ich pin soo vlaauw.’ –

– ‘Wij hebben wel tijd, om mijn Heer madeira en beschuitjens te bezorgen,’ zeide ik, wrevelig, terwijl ik de ammunitie voor den dag kreeg. Van het noodige voorzien keerde ik met Klaas op het dek terug, die zich hierop met Reynhove, (welke laatste daarvoor beter berekend was dan ik) met het laden van het geschut belastte. Toen verzocht ik de meisjens dringend weder naar binnen te gaan; daar zij onnoodig in den weg stonden en zij bij Tante meer van dienst konden zijn dan op het dek. ‘Ik zelf zal u het voorbeeld geven,’ zeide ik: ‘mijne hulp zoude hier toch niets baten en ik moet Tante waarschuwen tegen hetgeen er gebeuren zal.’ –

Wij keerden dan terug in de kajuit: ‘Tante!’ zeide ik, haar weder op de rustbank helpende: ‘schrik niet: er zal zoo meteen geschoten worden: wij moeten een sein geven, dat wij hier aan den grond zitten.’ –

– ‘O God!’ zeide zij, even het hoofd oplichtende: ‘moeten wij hier omkomen?’

– ‘Ik hoop voorwaar van neen,’ antwoordde ik, mijn best doende om een opgeruimd gezicht te zetten: ‘wij bevinden ons hier niet op een onbekende kust noch bij een onbewoond land. Er zwerven hier altijd zooveel visschers rond, dat het wel wonder zoude zijn, indien men ons niet bespeurde.’ –

– ‘Ach Kot! ’t zal wel de laatste maal seijn, dat ich op ’t vater kom,’ zuchte Weinstübe.

– ‘Kom!’ zeide ik: ‘Sinjeur Weinstübe! Wees een man. Wat drommel! als het niet was om het ongerief, dat zulks aan de dames veroorzaakt, zoude ik mij, wat mijzelven betreft, niet verlegen maken.’ –

– ‘Vloek maar niet,’ zeide Susanna: ‘daar is het nu geen tijd toe.’ –

– ‘Meent gij dat oprecht, hetgeen gij zegt, mijn Heer Huyck!’ fluisterde Henriëtte, terwijl zij mij ernstig aanzag: ‘meent gij stellig, dat er geen gevaar is?’ –

Ik werd rood en sloeg de oogen neder, terwijl ik op Tante wees.

– ‘Er is gevaar,’ ging zij voort, altijd op denzelfden toon sprekende: ‘en gij wilt het maar verbloemen om ons niet ongerust te maken. Maar!’ en hier blonk een traan in haar oog: ‘wanneer een oogenblik ons de eeuwigheid kan doen ingaan, is het dan gëoorloofd een ijdele gerustheid voor te wenden? en ons af te trekken van die gedachten, welke ons op zulk een gewichtig tijdstip betamen?’ –

Ik gevoelde mij beschaamd en diep getroffen: ‘Mejuffrouw!’ zeide ik, haar bij de hand nemende: ‘ik handelde om bestwil. Maar gij doet mij mijn ongelijk gevoelen. Wat er ook gebeure, laat mij ten minsten dezen troost, dat gij niet te onvrede op mij zijt.’ –

Zij antwoordde mij niet, maar drukte mij met aandoening de hand, en toen, de hare wegtrekkende, veegde zij zich de oogen af en wendde het gelaat om.

Op dit oogenblik ging het schot af.

– ‘Mein Kot!’ riep Weinstübe, opspringende: ‘was ist das?’ –

– ‘Dames!’ zeide Reynhove, die terstond daarna binnentrad: ‘ik kom u vragen, of gij ook prefereert in ’t vooronder te zitten: niet, omdat het séjour daar zeer gerechercheerd is; maar omdat aldaar vuur aan ligt, en gij er u warmer zult bevinden dan hier.’ –

De dames zagen elkander aan: ‘wij danken u wel voor uw attentie,’ zeide eindelijk Susanna: ‘maar wij zullen liever bij Tante blijven.’ –

– ‘Is er vuur aan?’ zeide Tante, met vaardigheid opstaande: dan ga ik er stellig heen; want ik verga hier van de koude.’ –

– ‘Ja!’ zeide Weinstübe: ‘dan ka ich er auch heen: denn ich pin sehr kaut.’ –

– ‘Met verlof,’ zeide ik tegen Tante: ‘dan moeten wij zien, dat wij u tegen den regen beveiligen. De overtocht is wel kort; maar toch lang genoeg om nat te worden.’ –

Dit zeggende nam ik de tafellakens en hong die aan de dames als regenschermen om. Weinstübe liep vooruit, zeker met het oogmerk om de beste plaats voor zich te nemen. Reynhove en Susanna ondersteunden Tante en ik volgde met Henriëtte. Dan naauwlijks waren wij op het dek, of een windvlaag kwam met zooveel geweld tegen ons aan, dat wij werk hadden om ons op de been te houden. Te gelijk bespeurden wij dat het vaartuig op zijde ging.

– ‘O God!’ zeide ik, Henriëtte aan mij vast klemmende: ‘indien ik u slechts konde redden.’ –

– ‘Wij zijn in Gods hand,’ zeide zij met een onbeschrijflijke uitdrukking: ‘en toch,’ voegde zij er fluisterend bij: ‘het is mij, als of ik, met u zijnde, niets te vreezen had.’ –

Een nooit te voren gekend gevoel doorstroomde mijn aderen op het hooren dier woorden en vooral van den toon waarop die werden uitgesproken: en, midden in het ijsselijke van onzen toestand, gevoelde ik mij gelukkig, bij de gedachte dat ik weder bemind werd. En toch, want tot langdurige overdenkingen bestond thands geen tijd, toch verzuimde ik tevens niet, voor onze veiligheid te zorgen en klemde mij, op het voorbeeld der anderen, aan het gangboord vast: in sprakelooze verwachting bleven wij allen een oogenblik staan, en staarden op een geweldige golf, die op ons af kwam als wilde zij het geheele vaartuig overstelpen. De uitwerking was echter anders. De golf lichtte den boeier, als ware hij een stuk kurk geweest, van den zandbank af: wij werden bespat en gedurende eenige sekonden verblind van het schuimende water: en toen wij onze oogen weder konden openen en voor ons uitzagen, bespeurden wij den dijk op geen twintig voet afstands.

– ‘’t Is gedaan!’ riep een stem uit ons midden.

Susanna scheurde zich los van Tante en viel mij om den hals: ik drukte haar en Henriëtte tegen mij aan. Een nieuwe golf nam ons op. Er was weder een oogenblik, dat wij niets als water zagen. Toen voelden wij, dat het vaartuig een beweging onderging, als werd het door een weeke zelfstandigheid heen gevoerd: en plotslings hield het stil, met een schok, die ons allen op het dek wierp. Wij hoorden het zeenat als grommende van rondsom wegloopen; – maar toen wij, wanende dat ons laatste uur gekomen was, weder oprezen, zagen wij nergens geen water meer.

De boeier was over den dijk heengevlogen en lag tegen de binnenste helling in het slijk vast.

DigitalDroom Reader

Hoofdstuk XXIII

XXIII / XXXIX

Het gadeslaan der verschillende aandoeningen, welke ons na een zoo wonderbare redding bezielden, zoude aan den zoodanige, die, zonder in onze gevaren gedeeld te hebben, eensklaps in den gestranden boeier verplaatst ware geweest, een niet onbelangrijk schouwspel hebben opgeleverd. In de eerste oogenblikken, en voor dat men recht wist, hoe men het had, heerschte er een soort van verbijstering, en waren wij gelijk aan lieden, die, op een vreemde plaats geslapen hebbende, bij hun ontwaken in de war zijn, en eenig herinneringsvermogen moeten aanwenden, alvorens zij zich kunnen bezinnen, waar zij eigenlijk zijn. Daarbij, het was avond geworden: de wind en regen bleven aanhouden, en alles om ons heen was in nevel en duisternis gehuld.

Voor zooverre ik mij herinner, was ik de eerste, die sprak: en de oogen om mij slaande, om de dames te zoeken, die door den schok van mij afgeraakt waren, riep ik in vervoering uit: ‘God lof! wij zijn gered!’ –

– ‘Dat mag wel ‘ezeid worden, bij ’t walletje langs,’ zeide Klaas: ‘op zoo’n rare manier ben ik nooit aan wal ‘ekomen.’ –

– ‘Goddank! dat was boven verwachting!’ riep Lodewijk; maar met deze uitboezeming scheen hij zijn geheelen voorraad dankbaarheid te hebben uitgeput; want, op het dek heen en weder loopende, begon hij bij zich zelven te mompelen: ‘’t is een mooie winkel! hoe d… krijgen wij den boeier hier weer van daan?’ –

De drie dames zeiden niets. Henriëtte en Susanna hielden Tante omvat en alle drie schenen in stille, eerbiedige overpeinzing, verzonken.

Wat Reynhove betrof, zijne blijdschap was de luidruchtigste. Hij sprong en danste over het dek rond, drukte Lodewijk, mij, de dames, zelfs den schippersknecht de handen, beurtelings lagchende, zingende en weenende, tot eindelijk zijn voet op de natte planken uitgleed en hij achterover rolde. ‘’t Is niets,’ zeide hij, terstond weder opspringende: ‘het gevaar is voorbij, en wij zijn allen gesauveerd:’ en hij begon weder van voren af aan handjens te geven en elk in ’t bijzonder geluk te wenschen met een hartelijkheid en een uitbundigheid, welke merkelijk afstaken bij zijn gewone gëaffecteerde vormen, en bewezen, hoe veel guller en beter hij in den grond zijns harten was dan hij oppervlakkig scheen te zijn.

– ‘Maar waar zijn wij toch eigentlijk?’ vroeg Tante.

– ‘Op een veilige plaats, Tantelief!’ was mijn antwoord: en waar wij op de vreemdste manier ter waereld zijn aangekomen.’ –

– ‘Nu zal ik nooit meer lagchen over den vreemden Jood, die zich verbeeldde, dat hij met trekschuit en al over de brug heen getrokken zoude worden,’ zeide Susanna, die haar vrolijkheid terug bekomen had.

– ‘Mevrouw!’ zeide Lodewijk, die toch scheen te gevoelen, dat hij eenige apologie noodig had, terwijl hij zich bij Tante vervoegde: ‘dat is waarlijk gelukkig afgeloopen. Het doet mij recht leed, dat UEd. er zoo ongelukkig bij te pas zijt gekomen.’ –

– ‘Ja mijn Heer!’ zeide Susanna: ‘Tante mocht u wel toevoegen, gelijk Athalia tot Abner:

dans quel piège as-tu conduit mes pas? ’

– ‘Het schijnt,’ zeide Tante, met rede eenigzins gevoelig over de handelwijze van Lodewijk, ‘het schijnt, dat mijn Heer Blaek weinig gewend is, dames aan boord te hebben.’ –

– ‘Ja Mevrouw!’ vervolgde Lodewijk, eenigzins verlegen: ‘tegen ’t weer kan niemand: en wie had zich op zulk een onvoorzienen en geweldigen storm kunnen verwachten? – Al had ik niet met dien anderen boeier om ’t hardst gezeild, wij waren toch niet vrijgekomen.’ –

– ‘Mocht de drommel!’ zeide Klaas, wiens zeemans rondheid deze logenachtige verontschuldiging niet verdragen kon: ‘Jan Pergens lag warm en wel binnen Muiden, toen het zware weer begon: en dat hadden wij ook kunnen doen.’ –

– ‘Wat reutelje Klaas?’ zeide Lodewijk, zich omkeerende, op een barschen toon: ‘bemoei je met je werk en niet met ons discours, of je krijgt je paspoort op staande voet.’ –

– ‘Mijn paspoort!’ herhaalde Klaas, zich ter zijde begevende: ‘hm! er zal op den boeier in de eerste weken toch niet veul te verdienen vallen.’ –

– ‘Nu mijn Heer Blaek!’ zeide Tante: ‘gedane zaken hebben geen keer, en het beste is, dat wij alle verwijtingen maar daar laten.’ –

– ‘Te meer,’ zeide Henriëtte, ‘daar Lodewijk al genoeg gestraft is; want hij zal zijn boeier ook niet even gemakkelijk aan de overzijde van den dijk krijgen als hij aan deze zijde gekomen is.’ –

– ‘Neen!’ zeide Reynhove: ‘ten zij er een aardbeving kome, die hem weder terug lanceert.’ –

– ‘Ja!’ bromde Lodewijk: ‘jelui hebt goed spotten. Hoe ik hem hier van daan krijg, weet Joost.’ –

– ‘Mij dunkt,’ zeide ik: ‘wij moesten liever zien, hoe wij zelf hier van daan komen. Op wat hoogte zijn wij zoo wat?’ –

– ‘Wij zullen een heel end bëoosten Muiden zijn,’ zeide Lodewijk: ‘wij konnen verd… nergens ongelukkiger te land komen: wij zijn een half uur van alle bewoonde plaatsen af: en het wordt zoo donker, dat men niet zien kan welken weg men op moet.’ –

– ‘Dat is zeker ongelukkig,’ zeide ik: ‘maar wij kunnen toch niet hier blijven: en ik geloof zelfs, dat eenige beweging goed zal doen aan de dames, en de slechte gevolgen voorkomen, die koude en nattigheid te weeg brengen.’ –

– ‘Ik zal gaarne de dames accompagneren,’ zeide Reynhove: ‘maar ik moet alleen remarqueeren, dat het in de kajuit droog is, en dat zij buiten geëxponeerd worden, om nog meer doornat te worden.’ –

– ‘Ja dat mag zoo zijn,’ zeide Henriëtte: ‘maar ik voor mij zal van harte gaarne loopen: – indien echter Mevrouw van Bempden het afkeurt…’

– ‘Ik doe alles liever, dan langer in dezen noodlottigen boeier te blijven,’ zeide Tante: ‘Kom! terstond maar opgewandeld! Wij zullen toch wel ergens te land komen.’ –

– ‘Vergezelt gij ons?’ vroeg ik aan Lodewijk: ‘of blijft gij aan boord?’ –

– ‘Ik heb altijd gehoord,’ zeide Lodewijk, ‘dat de Kapitein het laatst aan boord moet blijven; maar, zoo gijlieden ergens aankomt, stuur mij dan in ’s hemels naam wat vertrouwd volk om hier den boel te bewaken.’ –

– ‘Ik zoude u gaarne van dienst zijn,’ zeide ik: ‘maar gij gevoelt, dat ik de dames niet verlaten kan.’ –

– ‘En ik evenmin,’ zeide Reynhove: ‘eerst moeten de dames en lieu de sureté zijn: zij hebben waarlijk bij nacht niet te veel aan de assistentie van ons beide: en zoo gij ons Klaas met de lantaren wildet medegeven, ware zulks, geloof ik, niet te veel geëxigeerd.’ –

– ‘En wie zal mij dan volk gaan halen en hier brengen?’ –

– ‘Wel stuur Weinstübe op kondschap uit,’ zeide Reynhove: ‘maar dat is waar ook: où diantre est-il? ’ –

– ‘Ja! waar is Weinstübe?’ riepen wij allen, ons zelven het stil verwijt doende, dat wij hem niet eerder gemist hadden.

– ‘De Hemel beware ons!’ zeide Tante: ‘ik hoop niet, dat hij over boord is gevallen!’ –

Weinstübe werd overal gezocht: doch vruchteloos: nergens, noch in de kajuit, noch in het vooronder was hij te ontdekken. Sommigen onder ons meenden zich te herinneren, dat zij hem, een oogenblik voor dat wij over den dijk geraakten, nog aan de voorplecht hadden zien staan: en wij konden niet nalaten de gevolgtrekking op te maken, dat hij te dier gelegenheid over boord was geslagen en zijn dood in de golven gevonden had. Hoe gek en lastig de vent ook ware, het was toch een schrikkelijke gedachte, onzen reisgenoot verloren te hebben door een zoo noodlottig toeval, hetwelk evenzeer elk onzer had kunnen treffen. Er was echter niets aan te herstellen: en deze gebeurtenis versterkte zelfs de begeerte der dames om hoe eerder hoe beter het tooneel van zooveel treurigs te verlaten. Ten einde zij echter een geschikte plaats zouden vinden om af te stappen, liet ik mij over boord glijden en zocht nu welke plek de droogste ware en tevens de naastgelegene om den weg te bereiken, die beneden langs den dijk liep. Naauwlijks echter had ik een oogenblik rondgeloopen, of ik hoorde een flaauwe stem kort bij mij, die erbarmelijke klaagtoonen aanhief, welke ons de wind en de regen tot nog toe waarschijnlijk hadden belet te hooren.

– ‘Wie is daar?’ riep ik, zonder in de duisternis eenig voorwerp te kunnen onderscheiden: ‘Klaas! licht eens bij. Hier in de buurt is iemand, die angstig kermt.’ –

– ‘God beware ons!’ riep Klaas, die niet geheel vrij was van bijgelovige denkbeelden: ‘als het de geest maar niet is van dien armen mof.’ –

– ‘Om ’t even!’ zeide ik: ‘wij moeten het toch onderzoeken.’ –

Klaas vatte echter moed en, met een brandende lantaren gewapend, liet hij zich naast mij afzakken. Wij vernamen nu nog duidelijker het gesteen, en een flaauwe stem liet deze woorden kort bij ons hooren:

– ‘Ach lieber Gott! zum hulfe! Ick pin todt.’ –

– ‘’t Is wel Weinstübe zelf en niet zijn geest,’ zeide ik, op het geluid afgaande: en weldra ontdekten wij, met behulp der lantaren, den armen Duitscher in eigen persoon, die ongeveer tien passen van het vaartuig af tot den hals toe in een moddersloot was gezakt en ontwijfelbaar gestikt ware bij gebrek aan spoedige hulp. Hoe hij daar kwam, was ons een raadsel; maar dewijl het niet te vergen was, dat hij ons in zijn tegenwoordigen toestand daarvan de oplossing geven zoude, staken wij hem een roeispaan toe en trokken hem uit de sloot, waaruit hij deerlijk toegetakeld voor den dag kwam en nu aan den kant te beven stond als een juffershondje, buiten staat om eenig antwoord te geven. Wij raadden hem, zoo het hem zijn krachten toelieten, met ons mede te gaan en zich warm te loopen; daar er toch aan boord geen gelegenheid was, om hem van andere kleederen te voorzien.

Nu werd de trap uitgezet op de geschikst bevondene plaats: en de dames verlieten het vaartuig; waarna wij Lodewijk, hoezeer tegen zijn zin, alleen latende, ons gezamentlijk op weg begaven, vooruitgelicht door Klaas, die in de eene hand de lantaren droeg, en in de andere een roeispaan om den grond te polsen en te zorgen, dat wij niet van den weg afdwaalden. Na hem volgden Henriëtte en Susanna: dan ik, Tante geleidende: en vervolgens Reynhove met een tweede lantaren: terwijl Weinstübe hompelend en strompelend zich achterna sleepte. Het was geen gemakkelijk noch aangenaam werk, alzoo door den modder te ploeteren, ofschoon de wind tot ons geluk merklijk verminderd was en de dijk ons eenigzins beschutte; maar het was stik donker; terwijl een fijne regen den grond zoowel als onze kleederen doorweekte.

Wij hadden ongeveer een kwartier uurs voortgesukkeld, en ik bemerkte, dat Tante, hoe goed zij zich ook poogde te houden, hoe langer hoe minder in staat was om voorttegaan en al zwaarder en zwaarder op mijn arm leunde. Zij was uitgeput van angst en vermoeidheid en liep slechts werktuiglijk voort. Eindelijk bleef zij geheel staan met den uitroep: ‘o wee! daar verlies ik mijn schoen!’ –

– ‘Hou op!’ riep ik, tot hen die voor mij waren: – en de trein stond stil.

– ‘Tante is haar schoen kwijt,’ zeide ik: ‘waarachtig, de weg is al te slecht. Is er hier dan geen woning in de nabijheid?’ –

– ‘Als je nog een amerijtjen geduld heit,’ zeide Klaas: ‘daar gunter aan den weg zie ik een lichtje.’ –

– ‘Is ’t nog ver?’ vroeg Tante: ‘ik kan waarachtig niet verder voort en ik zal u liever hier tegen den dijk blijven wachten.’ –

– ‘Dat zal ik nooit dulden,’ zeide ik: ‘’t ware om te besterven. Maar zoo de Heer Reynhove mij zijn rotting wil toesteken, zie ik wel kans om u voorttehelpen.’ –

Reynhove was dadelijk bereid en gaf zijn licht aan Weinstübe, waarop wij, ieder een einde van de rotting nemende, Tante verzochten daarop te gaan zitten en haar armen om onze schouders te slaan. Op deze geimproviseerde draagbaar, die zeker niet van de gemakkelijksten was, droegen wij haar verder voort, niet zonder vrij wat te struikelen en dikwijls op te houden. Nog kan ik het mijzelf niet verklaren, hoe het mogelijk was, dat wij op den smallen weg, waar wij telkens tot de enkels toe inzakten en gedurig uitgleden of afweken, niet honderdmalen met onze vracht zijn omgerold: en ik beken, dat ik recht in mijn schik was, toen wij eindelijk voor een boerehek stonden, hetwelk naar een boerderij geleidde, en dat ik het ongastvrij hondengeblaf met welgevallen begroette.

Nu hielden wij allen stil voor het geslotene hek en Klaas, een stentorstem opzettende, begon uit al zijn macht te schreeuwen: ‘heidaar! boer! boer!’ –

Wij ontfingen echter op dit eerste geroep geen ander antwoord dan een nog vervaarlijker gehuil en gejank van de honden. Wij begonnen dus allen eenparig mede te schreeuwen, elk bij zijn best, en de honden des te harder te blaffen, als of wij wedijverden, wie het meeste leven kon maken: en het was een geweld, dat men op een uur afstand had kunnen hooren.

Eindelijk werd er een deur in de boerewoning ontsloten en zagen wij licht door de opening schemeren. Wij zwegen allen, als door een gelijktijdig gevoel van hoop en verwachting overvallen.

– ‘Wat wil jelui? Wat is er?’ vroeg een stem.

– ‘Schipbreukelingen!’ riep de een. ‘Kunnen wij opkomen?’ vroeg een ander. ‘Eilieve hoor eens!’ schreeuwde een derde: ‘goed volk!’ riepen wij eindelijk, allen te gelijk.

De persoon, die in de deur stond, en wiens donkeren omtrek alleen wij tegen den verlichten muur achter hem konden onderscheiden, deed geene beweging om te naderen en scheen besluiteloos. Toen verzocht ik mijn tochtgenooten wat stil te wezen, en, mijn stem verheffende: ‘kom eens hier, goede vriend!’ riep ik: ‘gij kunt een goede fooi verdienen, zoo gij ons helpen wilt.’ –

Het woord fooi maakte blijkbaar indruk: de persoon kwam naar buiten, en, ofschoon wij hem door de duisternis weder uit het oog verloren, hoorden wij aan het geklos zijner klompen, dat hij ons naderde. Maar toen hij, naar onze gissing, halverwege den afstand tot het hek gekomen was, bemerkten wij, tot onze bittere teleurstelling, dat hij eensklaps met een vervaarlijken kreet terugkeerde en vrij wat sneller dan bij zijn aankomst den weg naar huis nam, en de deur achter zich toesmeet.

– ‘Dat zel hem de duivel leeren,’ zeide Klaas: ‘wij motten er toch binnen.’ –

– ‘Kan dit hek niet geforceerd worden?’ vroeg Reynhove.

Het hek was wel voorzien en de sloot te breed om er over te springen; maar bij onderzoek bemerkten wij, dat er kans ware om op zijde van het hek om te klimmen en ik stelde voor aan Klaas, dit gezamenlijk te doen.

– ‘Om Gods wil, doe het niet Ferdinand!’ zeide Tante: ‘zoo de honden u eens aanvielen.’ –

– ‘Geen nood Tante! zoo wij in Friesland waren, waar de honden altijd losloopen op de werf, dan zoude ik weinig zin in de expeditie hebben; maar in dit gewest liggen zij meestal vast.’ –

Dit zeggende, was ik reeds aan de andere zijde, en, door Klaas gevolgd, wandelde ik op het woonhuis aan; doch naauwelijks hadden wij eenige schreden gedaan, of het bleek ons, dat men van binnenshuis deze schennis van het grondgebied had bespeurd; want een raam werd opengeslagen en een hoofd kwam voor den dag.

– ‘As jelui niet gaauw maakt, dat je weg komt,’ werd ons toegeschreeuwd, ‘zel ik er op losbranden, in dat geval!’ –

– ‘Maar hoor dan toch eens!’ riep ik: ‘wij zijn geen dieven: wij…’

Hier werd mijn reden op een zeer onaangename wijze afgebroken door het afgaan van een vuurroer, dat de man aan het venster in de hand hield. Gelukkig trof het schot geen van ons beide; maar het baarde niettemin een grooten schrik bij ons gezelschap, dat een angstig gegil aanhief. Ik besloot echter nog eene poging te doen, en, mij achter een boom stellende, waar ik schootvrij meende te zijn, riep ik wederom:

– ‘Wees toch voorzichtig. Het is Mevrouw van Bempden van Heizicht, die aan het hek staat: en ik ben Huyck van Amsterdam.’ –

– ‘Wat zegje?’ hernam de stem van boven: ‘Mevrouw van Bempden! scheer je ze wat? ja, in dat geval, wil ik ereis zeggen…’ –

– ‘Kenje mij niet, Roggeveld!’ riep ik; want ik herkende nu duidelijk de stem, die mij al in den beginne niet vreemd was voorgekomen: ‘ik ben Huyck! geloof mij toch: Mevrouw van Bempden staat daar buiten.’ –

– ‘Wel wie heit van zijn leven!..’ riep hij: ‘verakskeseer mijn onbeleefdheid. Ik kom zoo bij je.’ –

– ‘’t Is warempel ‘elukkig ook, dat de man je kent,’ zeide Klaas: ‘aêrs hadden wij nog werk ‘ehad het hum aan zijn domme verstand te brengen.’ –

Ondertusschen riep ik hun die buiten stonden toe, dat zij maar gerust zouden wezen en dat er hulp zoude komen opdagen. Niet lang duurde het ook, of de voordeur ging weder open en Roggeveld trad te voorschijn en kwam naar ons toe, terwijl zijn vrouw, zijn knecht en een paar meiden nieuwsgierig aan de deur bleven staan.

– ‘Wel wie heit van zijn leven!’ herhaalde Roggeveld, naar ons toekomende: ‘ik heb jelui ummers niet ‘eraekt? – Nou! ’t was maer los kruid, wil ik ereis zeggen; maer ik dacht niet aêrs, of het dieven waren, in dat geval.’ –

– ‘Dat had uw knecht wel anders kunnen gewaar worden,’ zeide ik: ‘indien hij niet was gaan loopen.’ –

– ‘Jae! Kees dacht, et waeren spoeken: en jelui ziet er ook al pover uit, hoor.’ –

Ik kon den man geen ongelijk geven; want op den afstand, waarop wij ons bevonden, leverden zij die buiten stonden, vooral de dames, die, zoo als ik vroeger verhaald heb, tafellakens hadden omgeslagen, bij het twijfelachtige licht der lantaarn een vrij kluchtige vertooning op, en de schrik van Kees kwam mij vrij natuurlijk en verschoonbaar voor.

Het hek werd ontsloten, en terwijl wij ons ongeval in korte bewoordingen aan Roggeveld mededeelden, bracht deze ons naar zijn woning. Ik laat aan mijn lezers over zich de uitroepen voor te stellen van: ‘wel kijk ereis! Heere bewaar ons! Lieve tijd! wel jemenie! wie heit ooit zoo iets meer beleefd!’ en diergelijke, die het Roggeveldsche gezin deed hooren bij het vernemen onzer wederwaardigheden.

– ‘Nou vraag ik je reis,’ zeide de vrouw van den huize, terwijl zij haar best deed om een goed vuur aan den gang te krijgen, ‘wat of die rijke lui zich al in gevaar begeven, en op zee gaan uit plezier, wanneer zij warm en wel te huis kunnen zitten.’ –

Intusschen werd de breede raad gespannen, wat er te doen stond. Ik stelde voor, dat, indien Roggeveld de noodige ligging bezorgen kon, de dames zich hoe eerder hoe beter te bedde zouden begeven, terwijl wij Heeren de nacht bij het vuur zouden doorbrengen. Tante had niets in te brengen tegen het eerste gedeelte van mijn voorstel; maar vroeg of er intusschen niet iemand zoude kunnen gaan naar Heizicht of naar de hoeve van de oude Martha, om haar rijtuig te zoeken en te zeggen dat men haar afhalen kwam.

– ‘O!’ zeide ik: ‘er valt nog veel bovendien te beredderen: maak maar eerst, dat gij in bed komt: dat is nu het voornaamste.’ –

De dames begrepen, dat dit indedaad de verkieslijkste partij ware en verwijderden zich met de vrouw en de dochters van den huize: terwijl wij ons, zoodra het vuur goed brandde, om den haard sloten en op Engelsche wijze, naar een recept van Reynhove, die er zich goed op verstond, van brandewijn, water en suiker ons een verwarmende drank bereidden, terwijl wij ons langzamerhand van schoenen en bovenkleederen ontdeden en die op de warme plaat voor het vuur lieten droogen.

– ‘Nu hebt gij ons nog niet verhaald, Weinstübe!’ zeide Reynhove, toen wij een poos gezeten hadden, ‘hoe gij daar in die sloot zijt gëarriveerd.’ –

– ‘Wat sol ich er lang ofer braten?’ zeide Weinstübe: ‘ich stond an de foorblecht, und da kingen wir den dijk ober: und ich dacht zo, wir kingen nach de blitz: und ich fiel und ich hield mihr selbst an ein tauw fest: und die tauw schlingerde mit mir, und ich fiel pijten poord, und ich dacht das ich versaufen waar: aber nein: ich lag in ’t gras. Und ich stund op und ich dacht: dat tijfelsche schip komt ofer mich hin, und so lief ich voraus, und ich sakte bis de ooren in eine motterschloot und da lag ich zu sportelen, und zu dreien, und zu schreien; aber da waar niemand, die mihr achtte.’ –

– ‘Ik geloof indedaad,’ zeide Reynhove, ‘dat uw positie verre van amusant was; maar laat u raden, Weinstübe, en vertel dat gedeelte uwer lotgevallen aan niemand over. Het is waarlijk al te vernederend, om, wanneer men zulk een schoone kans heeft geloopen van in de open zee te verdrinken, slechts in een stinksloot te land te komen.’ –

Terwijl Reynhove op deze wijze voortging met Weinstübe te plagen, wendde ik mij naar Roggeveld, en vernam of er ook gelegenheid ware, iemand, zoo wel naar het gestrande vaartuig, als naar Oud Naarden of ’s Graveland te zenden: en op deze punten ingelicht zijnde, vroeg ik aan de beide Heeren, wat hunne verdere voornemens waren. Nadat ieder zijne meening en verlangen gëuit had, werd alles dien overeenkomstig geregeld en bepaald, en ik wilde juist de vrouw van Roggeveld roepen om van het afgesprokene aan de dames kennis te geven, toen zij de keuken binnen kwam en mij berichtte dat Tante mij wenschte te spreken. Ik volgde haar naar een opkamertje met twee bedsteden: in de eene zag ik Tante zitten, die het nachtgewaad der boerin aan ’t lijf had en bezig was een kandeeltje te drinken. Op de andere bedstede, waarvan de gordijnen waren dichtgeschoven, durfde ik slechts een zijdelingschen blik slaan:

– ‘Hoe bevindt gij u, Tante?’ vroeg ik, mij tot haar begevende.

– ‘Dat schikt wel,’ antwoordde zij: ‘en blijde, dat ik in bed lig. Maar hoor eens Ferdinand! Ik vrees, dat men op Heizicht doodelijk ongerust zal wezen.’ –

– ‘Dat vrees ik ook Tante!’ –

– ‘En ik ben bang, dat men boodschappen naar Amsterdam en naar Guldenhof en de Hemel weet waar verder heen zal sturen, en overal alles in rep en roer brengen.’ –

– ‘Dat is niet onwaarschijnlijk.’ –

– ‘Ik wenschte daarom wel,’ vervolgde Tante, ‘dat Baas Roggeveld of iemand van zijnentwege kon gaan zeggen, dat wij ons allen wel bevonden.’ –

– ‘Ik ben bereid er heen te rijden,’ zeide ik.

– ‘Neen? dan wil ik volstrekt niet: gij behoeft u niet op nieuw aan nattigheid en koude bloot te stellen.’ –

– ‘Laat dat aan mij over, lieve Tante! Gij zult toch niet langer verkiezen hier te blijven dan tot morgen ochtend, en wel eenig schoon goed willen hebben, om behoorlijk gekleed te huis te komen.’ –

– ‘’t Is gelukkig juist Zaturdag avond,’ zeide de stem van Susanna van uit de andere bedstede: en zij liet er een halfgesmoord gelach op volgen, terwijl een ander stemmetje ‘st! stil’ fluisterde.

– ‘Stil wat meisjens!’ zeide Tante: ‘wel foei!’ –

– ‘Wilt gij eens weten, wat wij hebben afgesproken, onder uw welnemen,’ zeide ik: ‘Roggeveld zal zijn boerewagen inspannen, en daarmede zullen Reynhove, Weinstübe en ik naar Muiden vertrekken.’ –

– ‘ Beau trio de baudets, ’ mompelde Susanna.

– ‘De Heeren zullen van daar hun weg wel vinden naar Amsterdam; en ik den mijnen naar ’s Graveland, van waar ik iemand naar de hoeve zal sturen, om te zien of uw rijtuig zich daar nog bevindt.’ –

– ‘Goed overlegd,’ zeide Tante.

– ‘En wat Klaas betreft, die zal met al wie hier in de buurt kan opgeloopen worden, naar zijn meester terugkeeren, ten einde hem de hulp te bewijzen, die hij noodig mocht hebben.’ –

– ‘’t Zou ook jammer zijn, dat zij den armen jongen wegstalen,’ zeide Susanna.

– ‘Nu! ik vind alles zeer goed geschikt,’ zeide Tante: ‘als gij dan maar met Kaatje de kamenier overlegt: die weet, wat ons gezonden moet worden.’ –

– ‘Dit zoo zijnde, wensch ik u een goede nacht,’ hernam ik. Ik bleef echter nog een oogenblik staan, en vroeg met een bevende stem:

– ‘Hebben de jonge dames ook nog iets te gelasten?’ –

Ik bekwam in het eerst geen antwoord; maar er was eenige beweging en een dof gemompel achter de bedgordijnen. Ik stond zelf eenigzins verlegen, niet wetende, of ik gaan of blijven zoude. Op eens vertoonde zich het hoofd van Susanna tusschen de gordijnen door.

– ‘Henriëtte vraagt, of gij niet een boodschap aan haar oom zoudt kunnen zenden, die anders misschien in ongerustheid zoude wezen over zijn lieve zoontje.’ –

– ‘Ik was bevreesd om onbescheiden te wezen,’ fluisterde het lieve stemmetje van Henriëtte: ‘maar UEd. zoude mij zeer verplichten, mijn Heer Huyck, indien het in uw vermogen ware.’ –

– ‘Ik neem dit stellig op mij,’ zeide ik, mij buigende.

– ‘En dan verder,’ vervolgde Susanna, ‘verzoekt Henriëtte, dat gij aan Kaatje haar kapsel met rozeroode strikken vraagt, en haar kleed met de fontanges, en haar zijden keurs, en haar Brusselsche schoenen, en…’

– ‘Ik verzoek om verschoning, mijn Heer Huyck,’ zeide Henriëtte: ‘ik heb niets van dat alles gezegd: zoo als Kaatje ’t schikt, is ’t mij wel. Foei Santje!..’

– ‘Foei Santje!’ zeide ik op mijne beurt: en het schelmachtige gelaat mijner zuster verdween weder achter de gordijnen; – waarop ik, de dames nogmaals een goede nachtrust wenschende, mij naar beneden begaf. Welhaast was nu de boerewagen ingespannen en schokten en hotsten wij naar Muiden, waar wij de halve stad in opschudding brachten. Ik zond eenig volk aan Lodewijk tot bewaking van het gestrande vaartuig, en een man te paard naar de hoeve van de oude Martha: ik nam afscheid van mijn reisgenooten, terwijl Reynhove op zich nam mijne familie te Amsterdam gerust te stellen, en, een fourgon nemende, reed ik naar ’s Graveland, waar, als men denken kan, niemand naar bed was gegaan. Ik deelde aan de kamenier de bevelen van Tante mede, schreef een briefje aan den Heer Blaek, om hem in korte woorden met de toedracht der zaken bekend te maken, en begaf mij vervolgens ter ruste. Ofschoon het gebeurde van den avond wel geschikt was geweest, om mijn ziel te ontstemmen, en mij, in het begin, de beeldtenis van de verbolgen zee en het geteisterde vaartuig en daar tusschen dat van de beminnelijke Henriëtte gedurig voor de oogen speelden, en hare liefdevolle woorden mij tusschen het geruisch der golven en het gegier der winden in de ooren suisden, zoo zegevierde toch eindelijk de vermoeidheid over deze kinderen van het brein en viel ik in een diepen slaap, waaruit ik niet eerder ontwaakte, dan toen de bediende mij kwam waarschuwen, dat het rijtuig van Heizicht terug gekomen en weder met versche paarden bespannen was. Ik kleedde mij spoedig aan, ging naar beneden, en vond de kamenier reeds met een half dozijn doozen, gereed om mij te vergezellen. Wij begaven ons terstond op weg naar de boerderij van Roggeveld, van waar de dames, na een haastig toilet, met ons terug keerden. Alle drie waren naar tijdsomstandigheden vrij welvarende: alleen Tante klaagde over hoofdpijn, en ging dus, zoodra zij op Heizicht kwam, weder naar bed; terwijl wij jonge lieden onze krachten poogden terug te bekomen door het gebruik van een stevig ontbijt.

DigitalDroom Reader

Hoofdstuk XXIV

XXIV / XXXIX

– ‘Ik hoop,’ zeide Henriëtte tegen Susanna: ‘dat de gezondheid van die goede Mevrouw van Bempden maar geen slechte gevolgen moge ondervinden van dezen ongelukkigen tocht.’ –

– ‘Ik hoop het met u,’ zeide ik: ‘maar ik durf denzelfden wensch koesteren met betrekking tot allen, die van de partij zijn geweest.’ –

– ‘Wel ja!’ zeide mijn zuster: ‘neem den wensch zoo algemeen mogelijk: ’t zou jammer zijn u zelf te vergeten. Gij doet zoo als nicht Bender, die, als zij gasten heeft, nooit zegt: “ik hoop dat het de vrienden,” maar: “ik hoop dat het ons wel zal smaken.”’ –

– ‘Wat mij betreft,’ zeide ik, ‘ik ben niet van zout of van kraakporcelein en zal aan een nat pak of aan een weinigje vermoeienis niet sterven.’ –

– ‘Ei kom!’ zeide Susanna: ‘gij praat als een held, en ondertusschen, laatst, toen gij terug kwaamt van de reis, waart gij ook mooi ziek van de bui, die gij op uw dak hadt gehad.’ –

– ‘Indedaad?’ vroeg Henriëtte, op een toon van bezorgdheid, die mij verrukte: ‘dan zoude het u toch waarlijk wel kwaad kunnen doen, mijn Heer Huyck! van zoo kort daarna op nieuw aan zulk een weer te zijn blootgesteld.’ –

– ‘Het zoude hem kwaad doen,’ zeide Susanna, haar napratende: ‘wel Jetje! gij zoudt mijn broeder in den grond bederven. ’t Is goed, dat gij zijn zuster niet zijt.’ –

– ‘Dat zeg ik ook,’ zeide ik, Henriëtte aanstarende met een veelbeteekenenden blik, die haar de oogen neer deed slaan.

– ‘Ik moet zeggen, ’t is al zeer beleefd,’ hernam Susanna: ‘waar hebje die fraaie complimenten leeren maken?’ –

– ‘O!’ zeide ik; ‘Mejuffrouw Blaek houdt niet van complimenten: en ik durf hetgeen ik zeg staande houden, zonder wegens onwellevendheid veroordeeld te worden.’ –

– ‘Dat loopt mij te hoog,’ zeide Susanna.

– ‘Ja, mij ook,’ zeide Henriëtte: ‘en wij zullen mijn Heer de verklaring zijner woorden maar niet afvergen: Zie!’ zeide zij, na eenige oogenblikken zwijgens en met het blijkbaar inzicht om van gesprek te veranderen: ‘’t is mij nog even of ik de beweging van het vaartuig voel.’ –

– ‘Een gewone sensatie wanneer men op het water is geweest,’ zeide ik: ‘en die van zelve wel slijten zal.’ –

– ‘Nu!’ zeide Susanna: ‘ik begeer die van mijn leven, noch in schijn, noch in de daad weder te ondervinden: ik denk als Poot: ’t is varen, maar met groot gevaar: en, zoo ik ooit trouw, zal ik de voorwaarde maken, dat mijn man er geen boeier op nahoude. Ik zoude geen oogenblik gerust zijn.’ –

– ‘Dan moogt gij evenzeer de voorwaarde maken,’ zeide ik, ‘dat hij geen rijtuig houde; want ik geloof, dat men, alles bijeenrekenende, meer ongelukken met rij- dan wel met vaartuigen tellen zal.’ –

– ‘Dat leert mijne ondervinding niet,’ zeide Susanna: ‘want ik heb wel honderdmalen in een rijtuig gezeten, en nog nooit eenig ongeluk gehad: en, voor de eerste reis dat ik op het water ben, loopt het zoo deerlijk af.’ –

– ‘Lodewijk zoude u een tegenovergestelde ondervinding voorwerpen,’ zeide Henriëtte: ‘hij is wel twintig maal van ’t paard gevallen en heeft, de hemel weet hoe dikwijls, met de chais omgelegen, terwijl deze rampspoed de eerste is, die zijn boeier overkomt.’ –

– ‘’t Is dan zeer gracieux van zijnent wege,’ zeide Susanna: ‘dat hij die juist voor ons bewaard heeft.’ –

Op dit oogenblik kwam de kamenier van Tante binnen, en verzocht, of Mejuffrouw Susanna even bij Mevrouw wilde komen.

– ‘Ohe!’ zeide Susanna: ‘ik voorzie het al: de beschikkingen van den maaltijd zullen mij worden opgedragen. Wat eet gij liefst, Jetje? – En gij Ferdinand?’ –

– ‘Kom!’ zeide ik: ‘maak maar, dat gij boven komt: Tante wacht u immers.’ –

– ‘Aha! – Mijn Heer wilde gaarne van mij ontslagen worden! Nu! ik zal u verlossen van mijn overtollig gezelschap: ik ga al.’ – En, een spotachtigen blik op ons slaande, verliet zij het vertrek en liet ons samen.’ –

Wij bleven, gelijk veelal in dergelijke gevallen plaats heeft, een geruimen tijd zwijgende over elkander zitten: ik, vast besloten hebbende, mijn zielsverlangen te uiten, maar verlegen, hoe best het onderhoud aan te vangen: zij, ten gevolge van dat fijne voorgevoel, hetwelk aan alle vrouwen eigen is, vermoedende wat er in mij omging, en ijverig voortwerkende, met het hoofd voorover gebogen en de oogen stijf op haar borduurwerk gevestigd; terwijl echter haar kleursverandering en het zwoegen van haar boezem de onrust van het gemoed verrieden.

Ik wilde beginnen mijn hartsgeheim te ontdekken, maar wist niet hoe: mij dacht, ik kon toch niet zoo plomp weg met de deur in huis vallen en in de plaats van: ‘’t is mooi weer,’ tegen haar zeggen: ‘ik bemin u.’ Ik vergat, dat tusschen twee gelieven, al spreekt men geen woord, het onderhoud zijn loop vervolgt, de geest dezelfde gedachtereeks bij beide doorloopt en langs dezelfde schakels voortgaat, zoodat, indien beide na een uur zwijgens den mond open deden, men tien tegen een zoude kunnen wedden, dat beide hetzelfde woord zouden uitspreken: even als twee gelijkgestemde harpen, die hetzelfde akkoord uitslaan.

Eindelijk, toen de pause een geruimen tijd had geduurd, en ik reeds beducht begon te worden, dat Susanna terug zoude komen eer ik nog een woord gesproken had, hervatte ik het gesprek daar, waar wij het gelaten hadden.

– ‘Wij spraken daar van ongelukken met rijtuigen en schepen. – Daar ligt al een zeer troostrijk denkbeeld voor mij in opgesloten.’ –

– ‘Voor u? En hoe dat?’ vroeg zij, zonder de oogen op te slaan, en terwijl mijn onbeduidend gezegde haar een kleur als bloed aanjoeg.

– ‘Omdat,’ zeide ik, ‘ik geen rij- noch vaartuig houde, en dus minder dan anderen in de gelegenheid ben om ongelukken daarmede te krijgen.’ –

Nu had die fraaie, zoogenaamde troostgrond, wel beschouwd, noch zin noch slot; want, ofschoon geen boeier hebbende, had ik niettemin den vorigen avond tot het getal der schipbreukelingen behoord: en ik reed dikwijls genoeg, zoo niet in mijn eigen, dan toch in eens anders rijtuig: maar het ging mij, zoo als het zelfs verstandiger lieden bij dergelijke gelegenheden gaat, ik sprak, zonder dat het mij scheelen konde, wat ik zeide, mits ik maar aanleiding vond om tot het punt te komen waar ik wezen wilde: en deed even als de jager, die, het wild navolgende, er weinig om geeft, of hij een gebaand pad volgt en veeltijds door heggen en struiken kruipt of over sloten en dammen springt om zijn doel te bereiken. Henriëtte nam dan ook de moeite niet van mijn argument tegen te spreken; maar deed er het zwijgen toe: zoodat ik mij genoodzaakt zag, op denzelfden toon voort te gaan.

– ‘En ik geloof niet, dat ik ooit een boeier of een rijtuig bezitten zal.’ –

Dezelfde stilte.

– ‘Ik geloof, dat men zeer gelukkig kan zijn zonder een van beide.’ –

Dezelfde stilte; maar haar lieve vingertjens begonnen te beven, alsof zij bespeurde, dat ik weldra duidelijker spreken zoude.

– ‘En gij, Mejuffer!’ vervolgde ik, niet minder bevend: ‘gelooft gij insgelijks… ik meen: zoudt gij gelukkig kunnen zijn… zonder rijtuig… zonder al die gemakken, waaraan gij thands… aan het huis van uw oom… gewoon zijt geraakt?’ –

Dit was een vraag: en hier diende een antwoord op. Dat antwoord was echter datgene, hetwelk altijd gegeven wordt, wanneer men schroomt of zich ongehouden acht, rechtstreeks of onbewimpeld te antwoorden.

– ‘Dat weet ik niet… dat is betrekkelijk .’ –

– ‘Vergeef mij,’ zeide ik: ‘mijn vraag was misschien onbescheiden. Maar,’ vervolgde ik, opstaande, en mij nevens haar plaatsende, met de eene hand op de tafel en de andere op den rug van haar stoel: ‘indien ik die vraag doe, ’t is omdat, bijaldien uw hart gehecht ware aan die genoegens, welke de rijkdom alleen kan verschaffen, ik schroomen zoude, u een verklaring te doen, die..’ hier zweeg ik een oogenblik en begon nog harder te beven. Zij bleef stip op haar werk zien, beurtelings rood en bleek wordende.

– ‘Gij hebt mij gisteren,’ vervolgde ik, ‘toen wij ons in levensgevaar bevonden, eenige woorden toegesproken, welke ik nimmer vergeten zal en die mij ook thands nog als hemelmuzijk in de ooren ruischen. Ik zoude echter geene gevolgtrekkingen durven maken uit hetgeen wellicht alleen aanleiding vond in de ontroering van het oogenblik en in den staat van opgewondenheid, waarin wij toen verkeerden. Maar zoudt gij thands, bij bedaarder zinnen, mij vergunnen, aan die woorden een uitlegging te geven, welke mij voordeelig ware?’ –

Hier lichtte Henriëtte de oogen op en zag mij aan met een engelachtigen blik, maar terstond weder voor zich ziende: ‘ik durf mij vleien,’ zeide zij, ‘dat ik toen bedaard was en geen bewijs van opgewondenheid gegeven heb. Wat ik dus toen zeide…’

– ‘Blijft gij dat ook thands gestand doen?’ vroeg ik, in verrukking, haar bij de hand vattende en mij over haar schouder neerbuigende.

Zij bëantwoordde mijn handdruk en liet terzelfder tijd het hoofd tegen mijn arm nedervallen. Maar weldra richtte zij zich weder op, en, het hoofd schuddende, zeide zij met een weemoedigen blik: ‘Kom! Ik ben een zottin. Verschoon mij, mijn Heer Huyck! Het is beter, dat wij dit onderwerp niet verder aanroeren… en zelfs, dat wij elkanders gezelschap vermijden.’ –

– ‘Hoe!’ riep ik uit, verbaasd en ter neer geslagen: ‘gij geeft mij de zoetste hoop en te gelijker tijd, in eenen adem, wilt gij mij die weer ontnemen.’ –

– ‘Ik gevoel, dat ik verkeerd heb gehandeld,’ zeide zij: ‘maar ik beschouw u als edelmoedig genoeg, om geen misbruik te maken van een oogenblik van zwakheid. Uw woorden hadden mij verrast…’ (Met allen eerbied gesproken, ik geloof dat dit een weinig bezijden de waarheid was) ‘en ik heb niet wel gedaan, die zoo onbedachtzaam te bëantwoorden.’ –

– ‘Niet wel gedaan,’ herhaalde ik: ‘door aan de inspraak van uw gevoel gehoor te geven liever dan aan die van de koele rede? Doch, ik zie niet in, waarom deze beide in dit geval in tegenspraak behoeven te zijn. Zoo uw hart, door de bëantwoording mijner liefde, mij tot den gelukkigsten der stervelingen maken wil, begrijp ik niet, welke wichtige gronden de rede daartegen kan inbrengen.’ –

– ‘Ik ken u nog sints zeer kort,’ zeide zij: ‘en niet genoeg, om te weten of het gevoel van.. voorkeur, dat ik u toedraag, behoorlijk te rechtvaardigen is!’ –

– ‘Indien dit zoo is, wil ik de hoop niet opgeven,’ zeide ik: ‘want ik ben overtuigd, dat de narichten, die men over mij zoude willen inwinnen, niet zoo geheel tot mijn nadeel kunnen uitloopen.’ –

– ‘Ik geloof u, mijn Heer!’ hernam zij, het hoofd schuddende, met een droefgeestige uitdrukking op ’t gelaat, die mij bewees, dat zij de ware reden van haar terughouding niet vermeldde: ‘maar toch!..’

– ‘Wel nu! wat kan er meer zijn? Ik bid u, verzwijg uw zwarigheden niet: ik vlei mij, dat zoo gij mij slechts wederliefde schenken wilt, ik in staat zal zijn alle andere bedenkingen te overwinnen.’ –

– ‘Ik hang van mijn oom af,’ zeide zij, de oogen neerslaande: ‘en ik twijfel, of hij…’ –

– ‘Hoe!’ zeide ik: ‘zoude hij iets tegen mijn persoon of familie kunnen in te brengen hebben? Of is het mijn gebrek aan fortuin, dat mij in den weg zoude staan? ’t Is waar, rijk ben ik niet; maar ik ben thands deelgenoot eener bloeiende firma en hoop weldra in staat te zijn, een vrouw, wel niet op een weelderigen, maar toch op een ordentelijken voet te kunnen onderhouden.’ –

– ‘Mijn oom zal het nooit willen,’ herhaalde zij: ‘en ook dan zelfs, wanneer ik mondig en mijn eigen meesteresse ware, zoude ik nimmer iets doen, hetgeen hem mishagen kon, hem aan wien ik alles verschuldigd ben en dien ik eeren moet als een vader, ja meer dan een vader; want hij heeft mij welgedaan, zonder daartoe gehouden te zijn.’ –

– ‘Men kan het hem ten minste vragen,’ zeide ik: ‘geef mij slechts uwe toestemming om mijn vader te verzoeken, met den Heer Blaek te spreken: dat is al wat ik verlang.’ –

– ‘Hoor! ik wil oprecht met u zijn,’ zeide zij, ‘en u niets verzwijgen. Mijn oom heeft zich vast in het hoofd gezet, dat Lodewijk mij trouwen moet. Tot nog toe, (moet ik zeggen gelukkig voor mij?) stemmen vader en zoon niet overeen in hun wenschen: anders weet ik waarlijk niet, wat ik zoude moeten doen. Zoolang Lodewijk dus nog ongehuwd blijft, zal mijn oom zijn hoop niet laten varen, en ieder aanzoek afwijzen, dat hem om mijn hand gedaan wordt.’ –

– ‘Dus zoude ik dan moeten wachten, tot mijn Heer Lodewijk goed vindt, zich in den echten staat te begeven, of op te stappen? – Mij dunkt toch, dat uw oom, bespeurende, dat gij over en weer geen geneigdheid gevoelt om zijne plannen te bevorderen, niet dwaas genoeg zal zijn, om die vol te willen houden. Hij heeft u en zijn zoon beide lief: en zal uw beider ongeluk toch niet willen. Mij dunkt, ik zoude mij sterk maken, hem zulks aan zijn verstand te brengen.’ –

– ‘Ik vrees, ik vrees,’ zeide Henriëtte: ‘maar ik heb er in zooverre niets tegen, dat gij het beproeft,’ voegde zij er bij met een betooverenden lach.

– ‘Heb dank voor deze vergunning,’ zeide ik, haar hand met vurigheid aan mijn lippen brengende: ‘laat nu gebeuren wat wil, eenmaal toch zullen wij vereenigd zijn.’ –

Op dat oogenblik ging de deur open. Wij stoven verschrikt uit elkander en zagen, tot onze niet geringe ontsteltenis, de Heeren Blaek, vader en zoon, binnen treden. De eerstgemelde scheen onze verwarring niet te bespeuren; althands hij toonde daar niets van; maar terstond naar Henriëtte toegaande, omhelsde hij haar hartelijk en vroeg haar, of zij reeds van den schrik bekomen was, en of zij zich niet ongesteld gevoelde.

– ‘O!’ zeide zij: ‘ik ben zoo wel, of er niets gebeurd ware.’ –

– ‘Ik weet niet, Nichtje!’ zeide Lodewijk, die intusschen ons beiden met een spotachtigen blik beschouwd had: ‘maar mij dunkt, als men u wel aankijkt, gij ziet er toch wel wat ontdaan uit. Laat eens zien,’ vervolgde hij, haar hand nemende: ‘gij beeft er waarlijk nog van.’ –

– ‘In allen gevalle,’ zeide ik, niet zonder eenige verontwaardiging: ‘zoude het geen wonder zijn, indien Mejuffrouw de gevolgen van dien noodlottigen avond nog ondervond.’ –

– ‘Zoo, vriend Huyck!’ zeide Lodewijk, als zag hij mij eerst nu: ‘wel gerust? – Ja! ’t was een ongelukkig geval. Maar wie drommel kan het helpen? Ik lij er het meest bij? En hoe heeft die stoffel van een Weinstübe het toch gemaakt? Jongens! wat zat de vent in de benaauwdheid!’ –

– ‘Ik ben uw dienaar, mijn Heer!’ zeide de oude Heer Blaek, zich buigende: ‘wij waren eens komen vernemen naar de gezondheid van de dames: en tevens moet ik u mijn dank betuigen voor de spoedige mededeeling. Lodewijk dient ook zijne verontschuldigingen te maken: – hij heeft gewis wat onvoorzichtig gehandeld; doch, zoo als hij zegt, hij lijdt er het meeste bij; want het zal geen kleintje kosten om den boeier weer in ’t water te krijgen: – en er zullen wel wat reparatiën aan moeten gedaan worden ook.’ –

– ‘En verhaal ons eens,’ zeide Henriëtte; ‘hoe is het u verder gegaan?’ –

– ‘O!’ antwoordde Lodewijk: ‘men heeft mij wel lang genoeg laten wachten; maar eindelijk kwam er toch volk opdagen, en toen heb ik Klaas bij den boeier gelaten en ben naar Guldenhof getrokken, en terstond, zoodra ik gekleed was, was het wederom inspannen om hier heen te rijden.’ –

– ‘Gij gevoelt,’ zeide de Heer Blaek tegen Henriëtte, ‘dat Lodewijk zich geen oogenblik rust wilde gunnen, voor hij vernomen had, hoe het met zijn lieve nicht was gesteld.’ –

Onder dit praten kwam Susanna weder binnen, met de boodschap aan de Heeren, dat Tante eenigzins vermoeid was, doch meende op te staan om hen te ontfangen. Het ontbrak nu niet aan stof tot gesprek, waartoe al de gebeurtenissen van den vorigen avond weder werden opgehaald. Na verloop van eenigen tijd kwam Tante ook beneden, en kort daarna reden mijn ouders, die vroeg in den morgen door Reynhove bericht van het gebeurde bekomen, en, niet weinig bekommerd, dadelijk rijtuig besteld hadden, Heizicht binnen. Ik zal hier van de blijdschap des wederziens niet gewagen, die men zich licht kan voorstellen: en evenmin van de gesprekken, welke dien dag gevoerd werden en waarvan de reeds verhaalde gebeurtenis het hoofdonderwerp uitmaakte. Ik was vermoeid en verveeld van zoo dikwijls over hetzelfde te hooren praten, en bovendien belette mij de verliefde stemming, waarin ik mij bevond, behoorlijk aandacht te schenken aan hetgeen er gesproken werd.

Het was mijn oogmerk geweest, met Susanna den volgenden morgen vroegtijdig weder naar Amsterdam te vertrekken: de komst mijner ouders bracht echter eenige verandering in ons plan te weeg: en, daar zij twee plaatsen in hun rijtuig open hadden, werd er goedgevonden dat wij beide na den eten met hen zouden terugkeeren: een schikking, waar niet veel tegen in te brengen viel; hoezeer Tante zich bitter beklaagde, dat men haar juist nu, na dat zij zulk een schrik had gehad, zoo alleen liet; (want Henriëtte zoude ook den volgenden dag vertrekken); dat dit niet vriendelijk of beleefd was, enz. Intusschen wisten wij allen zeer goed, dat zij van den schrik reeds genoeg bekomen was, en indedaad liever alleen wenschte te zijn, om op haar gemak al de toebereidselen te kunnen maken voor de feestviering, welke zij voornemens was, veertien dagen later, ter gelegenheid van den jaardag mijner moeder, op Heizicht te geven, en waarmede haar levendige verbeelding reeds sedert lang werkzaam was geweest. – De tweede persoon, die reden had om zich over de bespoediging van ons vertrek te beklagen, was ik zelf: want ik zag mij daardoor te leur gesteld in het aangename vooruitzicht om nog dien avond in het gezelschap door te brengen van haar die ik lief had. Men begrijpt echter, dat ik mijn verlangen om te blijven niet aan den dag dorst brengen, vreezende, zoo ik daarvan sprak, mijn zielsgeheim te verraden, hetwelk ik, gelijk verliefden gewoonlijk doen, mij verbeeldde, dat ieder reeds in mijn oogen lezen kon. Alleen een droevige blik, op Henriëtte geworpen, en een handdruk die meer dan gewoonlijk beteekende bij ons vertrek, moesten haar doen weten, hoeveel mij dit afscheid kostte: – en ik geloof mij niet bedrogen te hebben, zoo ik, toen wij reeds in het rijtuig gezeten waren en het laatst vaarwel over en weder klonk, een traan in hare oogen meende te zien glinsteren.

In het naar huis gaan was ik stil en afgetrokken, zoo zelfs, dat Susanna mij daarover bespotte: ik had echter twee zeer goede verschoningen gereed, namelijk: slaap en vermoeienis: welke mijn goede moeder allezins geldig vond: en ik bekwam alzoo verlof om niet te spreken en mij tot slapen te zetten. Susanna, die, niettegenstaande zij er mij mede gebruid had, zelve toch eenigzins de uitwerking der doorgestane vermoeienissen voelde, begon weldra te gapen en te knikkebollen, en raakte, zoodra het donker was, in een diepe rust; zoodat ik nu volle vrijheid bekwam om, met geslotene oogen en in een hoek van het rijtuig gedoken, mij overtegeven aan mijn verliefde droomen, welke langzamerhand in werkelijke droomen overgingen: zoodat ik, toen wij de Weesperpoort binnenreden, in een gerusten slaap lag gedompeld.

DigitalDroom Reader

Hoofdstuk XXV

XXV / XXXIX

– ‘Dat zijt gij gelukkig ontkomen,’ zeide de Heer van Baalen, toen hij mij den volgenden morgen op het kantoor begroette: ‘gij hadt waarlijk tot spijs voor de visschen kunnen verstrekken: – belieft het u, dezen brief intezien, die gisteren met de Hamburger post is aangekomen?’ –

– ‘In waarheid,’ antwoordde ik, den brief aannemende: ‘het is een bijzondere bewaring Gods!’ en ik doorliep vluchtig het blad dat ik in handen had.

– ‘Men wil wel zeggen,’ vervolgde hij, ‘dat die jonge Heer Blaek de rechte man niet is, om een boeier te besturen! – Is UEd. niet van oordeel, dat wij die commissie zeer goed kunnen volbrengen?’ –

– ‘Mij dunkt, dat de risico niet groot is,’ antwoordde ik, op de laatste vraag. ‘Ja mijn Heer! Het is eigenlijk een gewaagde onderneming, met hem te gaan zeilen,’ was mijn bescheid op de eerste.

– ‘Neen voorwaar!’ hernam hij: ‘ik heb ook in mijn jongen tijd een boeier gehad; maar ik ben er vroeg mede uitgescheiden: ik trof nimmer goed weer: de spullen waren altijd onklaar: ik kon nooit een geschikten helper krijgen: ik was altijd ongelukkig in al dat soort van ondernemingen. – Maar, om die commissie te volvoeren, wenschte ik gaarne een meer ijverigen Makelaar te nemen dan dien de Wijs: – ik heb nog al die nota niet ontfangen, waar ik laatst over sprak. – Bovendien ben ik stellig onderricht, dat hij somtijds zaken voor zich zelf doet: en de zoodanigen wil ik niet gebruiken. Zij, die zaken voor zich doen, moeten die van hun Patroon noodwendig verwaarloozen.’ –

– ‘Wat dunkt UEd.,’ zeide ik, mij mijn vriend van de dichteren-vereeniging herinnerende: ‘zoo wij Velters gebruikten?’ –

– ‘Hm! Hm! Hij is niet onknap, en heeft een goeden wil, maar hij is wat jong.’ –

– ‘Des te ijveriger zal hij zijn en des te minder eigenwijs.’ –

– ‘Dat moet ik u toegeven; – maar er is nog iets anders: – hij rijdt te paard: – en ziedaar iets ongehoords voor een Makelaar.’ –

– ‘Niet anders als zeer vroeg in den morgen,’ zeide ik: ‘en op voorschrift van zijn doctor; – maar ik geloof niet, dat iemand hem ooit in gezelschap met anderen heeft zien rijden.’ –

– ‘En dan,’ vervolgde van Baalen: ‘wat het ergst van alles is, hij maakt rijmpjens. – Hoe wil er nu ooit een degelijk en bruikbaar mensch van groeien?’ –

– ‘Wel!’ zeide ik: ‘dat bewijst alleen, dat hij te veel ledigen tijd heeft. Hij is waarlijk niet onknap: en, zoo ik er eenigzins over durf oordeelen, dan heeft hij veel kennis van zaken en een helder, gezond verstand. Verschaffen wij hem werk, dan zal hij dat rijmen van zelfs wel laten varen.’ –

– ‘Nu, fiat! UEd. heeft zijn zaak zoowel bepleit, dat ik er niets verder tegen kan inbrengen. Zijn vader was bovendien een braaf man, aan wien ik veel verplichting heb gehad. – Wij kunnen het beproeven. – Zien wij verder: Willem Bartelsz en C o . te Enkhuizen schrijven, dat zij op ons trekken zullen. Eilieve! mijn Heer Wydveld! Hoe staat onze rekening met dat Huis? – Mij dunkt, wij moeten reeds in avans voor hen zijn.’ –

– ‘Zoo is het, mijn Heer!’ zeide de Boekhouder, het folio opslaande.

– ‘Daar zal over geschreven dienen te worden,’ zeide van Baalen: ‘dat kan zoo niet gaan.’ –

– ‘Heeft UEd. geen vertrouwen op die lieden?’ vroeg ik.

– ‘Hoor, mijn waarde Heer Huyck! Vertrouwen is een goede zaak en buiten die kan men geen handel drijven; maar ne quid nimis! zoo als wij op de school plachten te zeggen. In de negotie moet men zelfs zijn eigen vader niet te veel vertrouwen schenken: dat is een vaste regel: hou u daaraan. Niet of de firma Willem Bartelsz en C o . staat ter goeder naam en faam: en ik zoude gaarne een dik pak wissels op haar bezitten, door een solide huis getrokken; – maar alles kan mee en tegen loopen: en ik heb er zoovelen in mijn leven zien vallen, die zoo vast schenen te staan als het stadhuis. – Monsieur Snijders! zijt gij bij den Notaris Bouvelt geweest? – En hoe luidde de boodschap?’ –

– ‘Ja mijn Heer!’ antwoordde de kantoorbediende: ‘En het briefje was meer geruststellend: de patient heeft een redelijke nacht gehad en bevindt zich iets beter.’ –

– ‘Nu! dat verheugt mij,’ zeide van Baalen: ‘zoude hij er waarlijk boven op komen? Er zoude ook veel aan den man verloren zijn geweest. – Hij bezit het vertrouwen van de halve stad: ja van menigeen buiten de stad: – ik geloof zelfs, dat men weinig handelkantoren zoude vinden, die zulke uitgebreide relatiën hebben als hij.’ –

– ‘De Hemel geve dat hij spoedig herstelle!’ dacht ik bij mijzelf: ‘dan is het te verwachten, dat mijn geheimzinnige vriend Bos ook spoedig klaar komt en opdrost.’ –

Die naam van Bouvelt had intusschen op nieuw een snaar aangeroerd, welke een reeks van herinneringen deed ontstaan: en ik had werk om behoorlijke aandacht te schenken aan hetgeen mijn Compagnon mij verder mededeelde. En toen ik eindelijk, aan mijn lessenaar gezeten, mij tot den arbeid zoude begeven, zag ik mij op nieuw buiten staat om een behoorlijke oplettenheid te wijden aan datgene, waar ik mij mede bezig moest houden, en schenen de letters, die ik voor mij had, zich telkens te vereenigen om geen anderen naam aan mijn oogen voor te stellen, dan dien van Henriëtte Blaek. –

Ik schaamde mij echter, niet over mijn liefde, maar over den invloed, dien een hartstocht over mij uitoefende: en ik vormde het besluit om niet langer uittestellen mijn ouders met het gebeurde bekend te maken. ‘Het is,’ dacht ik, alleen de onzekerheid, welke mij het werk moeielijk maakt. Is eens mijn lot op deze of gene wijze beslist, dan zal ik kalmer zijn en weder in staat mijn plichten naar behooren te vervullen.’ –

Hoe zegende ik het geluk, een moeder te bezitten. Want, men gevoelt het, het was voor haar, dat ik in de eerste plaats mijn hart wenschte uitteboezemen. Zij, dit wist ik, zoude mij met verschonende deelneming aanhooren: zij zoude wat in mijn hart omging op rechten prijs stellen: zij zoude mij ten voorspraak strekken bij een vader, dien ik lief had en eerde, maar die wellicht mijn liefde af zoude keuren, of als een voorbijgaande neiging aanzien, bestemd om even spoedig te verdwijnen als zij was opgekomen.

Ik nam dan ook nog dienzelfden namiddag de gelegenheid waar, dat mijn vader in zijn kamer aan ’t werk zat, en dat Susanna met de jongere kinderen een grachtje rond ging, om de lieve vrouw over mijn huwelijksplannen te onderhouden, en haar te bidden, mijn vader te bewegen, om een bezoek bij den Heer Blaek af te leggen en hem voor mij de hand zijner nicht te vragen. Mijn moeder luisterde naar mij met de belangstelling, waarop ik wist te kunnen rekenen; maar toch kon ik aan de eenigzins ontevredene uitdrukking van haar gelaat bemerken, dat het medegedeelde haar niet volkomen welkom was. Ik was echter op zwarigheden voorbereid en wist met de welsprekendheid eens verliefden al de bedenkingen op te lossen, welke zij, zoowel uit de kortstondigheid mijner kennismaking met Henriëtte, als uit ons gebrek aan fortuin wist te putten. Het viel mij echter zwaarder dan ik gedacht had, haar te overreden om mij haar hulp te beloven ter bereiking van een oogmerk, dat, naar ik duidelijk gewaar werd, hare meer verhevene verwachtingen te leur stelde. Want, welke moeder, zij moge overigens de nederigste en verstandigste vrouw zijn, koestert geene inzichten en wenschen omtrent haar kinderen, hooger en grootscher dan de wezenlijkheid kan te weeg brengen? Eindelijk echter, toen zij vernam, dat ik mijn liefde reeds verklaard had, en dat de zaak tusschen Henriëtte en mij zoo goed als beklonken was, deed zij, zoo als alle moeders zouden gedaan hebben: zij omhelsde mij, en beloofde, mijn belangen te zullen voorstaan en bij mijn vader bepleiten.

Den volgenden namiddag riep mijn vader, die aan tafel buitengewoon stil en afgetrokken was geweest, mij met hem naar zijn kamer. Ik volgde, bevende als een misdadiger, die in het verhoor zal gaan; want zijn gelaat stond strak en ernstig en voorspelde weinig goeds. Hij wees mij zwijgend een stoel aan en zette zich over mij. Na een snuifje te hebben genomen, begon hij aldus:

– ‘Uw moeder heeft mij gezegd, dat gij huwelijksplannen in ’t hoofd hebt.’ –

– ‘Indedaad, Vaderlief! En ik zoude mij hoogstgelukkig achten, indien zij uwe goedkeuring konden wegdragen.’ –

– ‘Gij hebt altijd een bedaard oordeel gehad, Ferdinand! en waart nooit gewoon u te overijlen. Des te meer bevreemt het mij, dat gij, nu het den gewichtigsten stap uws levens geldt, u blootstelt van wegens onberadenheid veroordeeld te worden.’ –

– ‘Ik hoop,’ zeide ik, ‘dat mijn keus mij voor een dergelijk vonnis vrijwaart.’ –

– ‘Rechtuit gesproken, dat doet zij niet. Ik heb altijd veel goeds van de bedoelde Juffer gehoord,’ (’t is zonderling, dat vaders in een dergelijk geval nooit den naam uitspreken, als waren zij bang dat daarin een mystieke kracht lag opgesloten) ‘zij ziet er lief uit, en ik kan klaar begrijpen, dat een jong mensch haar naar zijn zin vindt; – maar toch! een meisje, dat gij nog den tijd niet hebt gehad, te leeren kennen, zoo op eens tot de gezellin uws levens te kiezen, dat is wat vlug, wat wild geprocedeerd, en, zoo als ik zeide, dat had ik niet van u verwacht.’ –

– ‘Ik moet bekennen,’ zeide ik, dat uw beschuldiging veel grond heeft; maar ik neem de vrijheid, u te doen opmerken, dat ik, door een samenloop van toevallige omstandigheden, gelegenheid heb gehad haar karakter te leeren kennen en waardeeren. Toen ik haar voor het eerst ontmoette op de koepel van Guldenhof, trof mij haar beschaafde toon, haar ingetogenheid en minzaamheid: later op Heizicht vond ik een nieuw behagen in haar ongedwongen en toch recht fatsoenlijken omgang: – en op den boeier, in de ure des gevaars, kreeg ik eerbied voor haar beradenheid, haar kalmte van geest en godsdienstzin. UEd. zult mij toestemmen, dat die weinige dagen mij beter hebben in staat gesteld, een oordeel over haar te vellen, dan dat ik haar jaren lang op gastmalen en danspartijen ontmoet had.’ –

– ‘Daar is wat aan: – en met welk oog ziet zij u aan?’ –

Ik verhaalde aan mijn vader de omstandigheden van mijn onderhoud met Henriëtte.

– ‘Ik had niet verwacht,’ hernam hij, ‘dat gij een dergelijken stap zoudt doen, alvorens uw ouders daarover te raadplegen.’ –

– ‘Ik betuig u, mijn vader!’ zeide ik, ‘dat het volstrekt mijn voornemen niet was, toen ik naar Heizicht vertrok, mijn liefde te verklaren; doch na hetgeen op den boeier was voorgevallen, kon ik niet nalaten van te spreken.’ –

– ‘Intusschen zie ik niet, dat gij nog ver gevorderd zijt.’ –

– ‘Niet! – daar ik de zekerheid heb, dat mijn aanzoek aan Henriëtte niet onverschillig is?’ –

– ‘Goed! maar zij heeft u te kennen gegeven, dat haar oom zijne toestemming waarschijnlijk zal terug houden: – en ik moet u betuigen, dat ik niet anders zeggen kan, of de man zal gelijk hebben ook. Zoolang zij nog minderjarig is, zoude hij zeer verkeerd handelen, alle meer schitterende uitzichten, die zich voor haar zouden kunnen opdoen, te vernietigen, door haar weg te geven aan iemand, wiens fortuin slechts in verwachtingen bestaat; – want gij weet het, wat ik u kan medegeven is weinig of niets.’ –

– ‘Ik verlang ook niet,’ zeide ik, ‘dat de Heer Blaek terstond in een huwelijk stemme. Zoo hij slechts verlof geeft, dat ik zijn nicht oppasse, en, zoo ’t heet, nadere kennis met haar make: ziedaar alles, wat ik voor het oogenblik vergen kan.’ –

Mijn vader haalde de schouders op. ‘Na hetgeen gij met de Juffer gesproken hebt,’ zeide hij, ‘hebt gij mij in een zekeren zin wel in de noodzakelijkheid gebracht om accès voor u te verzoeken. Ik zal den Heer Blaek belet doen vragen.’ –

– ‘Vader!’ riep ik, uitgelaten van blijdschap; ‘uw goedheid is grooter dan ik verdien. Hoe zal ik dat vergelden?’ –

– ‘Stil!’ zeide hij: ‘verheug u niet te spoedig en bouw maar geene luchtkasteelen; want het antwoord van den Heer Blaek kon die wel op eens vernietigen. – Intusschen, ik moet het u zeggen, de mededeeling van uw liefde heeft mij in zeker opzicht genoegen gedaan. Ik was indedaad bezorgd, dat gij andere dingen in uw schild voerdet, en dat uw afgetrokkenheid in de voorgaande week een andere, min verschoonbare oorzaak had. – Doch ik hoor Heynsz de trap opkomen: – ianitor ante fores: ga nu heen: – ik beloof u, heden avond nog zal ik aan den Heer Blaek schrijven.’ –

Ik kuste vurig de hand mijns goeden vaders, en na aan mijn moeder en Susanna den stand van zaken te hebben medegedeeld, snelde ik met een opgeruimd gemoed naar het kantoor. Bij mijn terugkomst in den familiekring, verhaalde mijn vader mij, dat hij aan den Heer Blaek had geschreven, en dat deze gëantwoord had, hem den volgenden avond te zullen afwachten.

– ‘Nu hoop ik, Papa!’ zeide Susanna, ‘dat UEd. toch niet vergeten zult, al de goede hoedanigheden van Ferdinand op te tellen, ten einde den Heer Blaek te overtuigen, dat hij aan niemand anders zijn nicht beter kan besteeden, dan aan hem.’ –

– ‘Gij zoudt wel doen, mij die op een lijstje te geven,’ zeide mijn vader: ‘misschien mocht ik er sommige vergeten.’ –

– ‘UEd. zoudt kunnen beginnen, hem het lofdicht van Helding te laten lezen,’ zeide Susanna. –

– ‘ Carminibus confide bonis, ’ zeide mijn vader: ‘maar Ovidius beweert nergens, dat men ook op prulvaerzen vertrouwen moet.’ –

– ‘Nu!’ hernam Susanna: ‘dan moet UEd. het over een anderen boeg wenden en vooreerst hem prijzen wegens het buitengewoon doorzicht, dat hij aan den dag legt, door zoo, in vier of vijf dagen welke hij met haar heeft doorgebracht, zich in staat te bevinden om al de voortreffelijke hoedanigheden te ontdekken, waarmede Jetje Blaek begiftigd is.’ –

– ‘Ik zoude die snaar maar niet roeren,’ zeide mijn moeder, het hoofd schuddende: ‘ik vrees, dat de Heer Blaek al wel uit zich zelven de opmerking zal maken, dat die liefde al vrij spoedig is opgekomen.’ –

– ‘In de tweede plaats,’ vervolgde Susanna: ‘moet UEd. hoog opgeven van Ferdinands zelfsvertrouwen, hetwelk hem vrijmoedigheid geeft om, hoewel hij zelf niets bezit, een Juffer te vragen, die ook niets heeft, in de vaste overtuiging, dat hij spoedig fortuin zal maken.’ –

– ‘Och! gij maakt weer paskwillen,’ zeide mijn moeder: ‘maar al heeft Ferdinand nu niet veel, hij is toch niet geheel zonder vooruitzichten: en, zoo als ik mijn schoonzusters ken, vlei ik mij, dat zij wel iets zullen bijbrengen, om hem in staat te stellen, zijn huishouding te beginnen.’ –

– ‘Wel ja!’ zeide Susanna: ‘wat zou men niet voor zulk een lief neefje doen? – Nu! ik zal eens zien, of zij in de bos voor hem blazen; want zij zullen voor mij vast niet minder doen, en dan weet ik, ingeval ik eens gevraagd worde, waar ik op rekenen kan; – maar laten wij niet afdwalen: – UEd. moet verder zijn standvastigheid roemen in het bewaren van geheimen, ’t geen zich daaruit bewijzen laat, dat hij aan niemand, zelfs aan mij niet, die hem toch nog met goeden raad had kunnen dienen, iets van zijn liefde heeft laten blijken.’ –

– ‘Dat was juist zoo lofwaardig niet,’ zeide mijn moeder.

– ‘Ga maar voort,’ zeide ik tot Susanna: ‘ik ben nu best gestemd om geplaagd te worden.’ –

– ‘Wel gij zoudt mij haast doen zwijgen,’ hernam zij: ‘want in dat geval heb ik er weinig eer van. – Voorts moet Papa breed uitweiden over de welsprekendheid, die gij bezit, en waarmede gij zoo in een wip het hart van een onschuldig maagdelijn veroverd hebt, zoodat gij zeggen kunt als Cezar: ik kwam, zag en overwon.’ –

– ‘Ik weet niet,’ zeide mijn vader, ‘of het juist veel voor het oordeel van de Juffer bewijst, dat zij haar jawoord zoo spoedig aan dien Sinjeur gegeven heeft.’ –

– ‘Foei Willem!’ zeide mijn moeder: ‘hoe kunt gij zoo iets zeggen.’ –

– ‘Och! ’t is maar één paar bedorven,’ zeide Susanna: ‘maar gij moet denken, Papa, dat Jetje ook niet te streng veroordeeld moet worden. Zij kan haar vrijers wel tellen: en dewijl haar neef, die bullebak, haar toch niet hebben wil, doet zij zoo mal niet, van de gelegenheid niet te laten voorbijgaan. Ik weet, helaas! zelve bij ondervinding, dat de liefste, beminnelijkste, aartigste, geestigste meisjens, zonder geld, vruchteloos op den uitkijk zitten, en als Mevrouw Blaauwbaard roepen: Anna! zuster Anna! ziet gij niets komen?’ –

– ‘Ei zoo Santje!’ zeide ik: ‘ik wist niet dat gij er zoo over dacht? Hebt gij zulk een haast om getrouwd te zijn?’ –

– ‘Oho! hadt gij hoop van mij als een oude vrijster te zien sterven, en rekent gij al op mijn erfenis voor uwe kinderen?

Op potgeld, rente, kustinghbrieven;

En schimmelpenningh, langh vergaert,

En spaerpot, uyt myn mont gespaert?

zoo als Vondel zegt: – Och jongelief! Stel dat maar uit uw zinnen: het zou de bloeien toch uit de hand vallen: en zij zouden hun vingers aan Tantes geld wel niet blaauw tellen. Maar Vaderlief! zeg mij toch eens: wij hebben er laatst ook over gesproken, Ferdinand en ik: hoe komt de oude Heer Blaek toch zoo schrikkelijk en geweldig rijk en zijn nichtje zoo arm? – heeft Jetjes vader er den boel wezenlijk doorgelapt, gelijk men verhaalt?’ –

– ‘Gij vraagt mij meer dan ik u zeggen kan,’ antwoordde mijn vader: ‘ik ben ambtshalve genoeg gedwongen om in de geheimen van anderen te dringen, zoodat ik mij daar uit nieuwsgierigheid zelden over bekommer. Wel weet ik, dat zoowel Jacobus als Hendrik Blaek weinig vermogen bezaten: zoo zelfs, dat zij beide, eens weduwenaars zijnde, het vaderland hebben verlaten om hun fortuin elders te beproeven. Den eenen is dit gelukt: de andere is gestorven eer hij tijd had gehad, iets te vergaderen.’ –

– ‘Hij moet wel schrikkelijk veel geld hebben, die oom Blaek,’ zeide Susanna: ‘althands zijn zoontje maakt nog al verteering, zonder dat het hem schijnt te hinderen.’ –

– ‘Lodewijk Blaek heeft geld van zijn eigen,’ zeide mijn moeder: ‘maar wat bekommert gij u daarover, kinderen! het geld maakt iemand immers niet gelukkiger: uw vader en ik zijn nooit lieden van vermogen geweest en wij hebben toch genoegelijke dagen te samen gesleten. Ik heb, dat beken ik, wel eens gewenscht, dat uw vader niet verplicht ware, een zoo drokke bediening waar te nemen als hij doet, en dat hij wat meer tijd over had; maar zonder werkzaamheid zoude hij zich ook ongelukkig voelen.’ –

De komst van mijn jongere broeders en zusters, die zoo even door den cijfermeester verlaten waren, en nu het vertrek binnenstoven, deed het gesprek hier afbreken, en er werd dien avond van dat onderwerp niet meer gerept.

Men kan licht beseffen, dat ik den daarop volgenden dag weinig rust of duur had en den Hemel dankte, toen de werkzaamheden aan het kantoor des avonds waren afgeloopen, en ik, hoewel met een beklemd gemoed, mij naar huis kon spoeden; alwaar ik mijn moeder en zuster, benevens tante Letje, die mede in ’t geheim was, gezeten vond, insgelijks in pijnlijke verwachting de terugkomst mijns vaders verbeidende.

Er verliep echter nog een goed half uur, alvorens wij de bekende schel hoorden overgaan. Ons aller hart klopte hevig bij zijn binnentreden; maar toen wij hem aanzagen, stond zijn gelaat zoo strak, dat de vraag: ‘wel! hoe is het afgeloopen?’ ons op de lippen bestierf en wij elkander zuchtend aankeken.

Mijn vader plaatste zijn hoed op een stoel en nam zwijgend plaats.

– ‘Ik zie het al,’ zeide ik: ‘het aanzoek is niet gunstig opgenomen.’ –

– ‘Zie hier in substantie waar het antwoord op is nedergekomen. De Heer Blaek heeft mij zeer beleefd ontfangen, en betuigd, dat een verbindtenis met onze familie hem zeer zoude vereeren. Maar, volgens zijne meening, rustte er, ten opzichte zijner nicht, een nog zwaardere verantwoording op hem dan er bestaan zoude, ingeval de Juffer zijn dochter geweest ware. – Zoolang zij nog minderjarig was, kon hij, als haar voogd, zijn toestemming niet geven tot een huwelijk met iemand zonder middelen: zij was nog te jong en te onbedreven om zelve te kiezen: – hij kende u volstrekt niet: – en hij moest u dus verzoeken alle verdere pogingen om zijn nicht te zien of te spreken te laten varen, tot zij meerderjarig ware en zelve gerechtigd een keus te doen.’ –

– ‘Hoe! mag ik zelfs de kennis niet onderhouden? – Dat is toch wat hard en onbillijk.’ –

– ‘Veroordeel den Heer Blaek niet,’ zeide mijn vader: ‘ik kan hem zoo groot ongelijk niet geven: hij is aan God verantwoording schuldig van het lot zijner nicht, en hij behoort voor haar te waken. Gij hebt haar reeds alleen gesproken, uw liefde verklaard en antwoord van haar ontfangen: hij mag, nu hij het aanzoek afslaat, de hernieuwing van dergelijke pogingen niet toestaan.’ –

– ‘Hij bewaart haar zeker voor zijn lieven Lodewijk,’ zeide Susanna, wrevelig: ‘maar zoo zij dien neemt, wil ik haar nooit meer zien.’ –

– ‘Kom! omhels mij Ferdinand! en troost u,’ zeide mijn goede moeder: ‘de tijd baart rozen: zoo gij haar wezenlijk blijft lief hebben en gij haar mede niet onverschillig zijt, kan alles nog te recht komen.’ –

– ‘Recht uit gezegd,’ zeide mijn vader: ‘is het misschien beter zoo: – gij zult nu gelegenheid hebben om uw hart te beproeven en te ontdekken of het alleen een voorbijgaande neiging dan wel een duurzame, oprechte liefde is, die u bezielt. Het is voor u, ik beken het, een teleurstelling; maar het is nuttig en heilzaam voor ons zwakke stervelingen, beproevingen te ondervinden en die standvastig te leeren dragen.’ –

Ik zweeg en zag voor mij; want hoe waar en verstandig ook de woorden mijns vaders waren, het was van mij toch op dat oogenblik niet te vergen, dat ik er mede instemde. Ik zette mij mistroostig neder: ook de overigen waren weinig tot vrolijkheid gestemd: en de avond zoude vrij treurig zijn afgeloopen, had niet een onvoorzien bezoek ons eenige afleiding geschonken.

Het was namelijk Reynhove, die zich liet aandienen: wij konden niet nalaten, hem te ontfangen, daar men hem reeds gezegd had, dat wij te huis waren; ofschoon wij, althands in de eerste oogenblikken, van gedachten waren, dat hij zijn tijd al zeer verkeerd uitkoos. Hij werd dan binnengelaten, en zijn ongedwongen, vrolijke zwier leverde een zoo sterk contrast op met de donkere, betrokkene gezichten der aanwezigen, dat hij in het eerst geen aangenaam denkbeeld van onzen huisselijken kring kan hebben opgevat.

– ‘Ik kan niet mankeren,’ zeide hij, na eenige strijkaadjen, ‘mij te komen informeren naar de gezondheid van Mejuffrouw Huyck. Ik hoop, dat UEd. geene suites van die fatale historie hebt ondervonden.’ –

– ‘Volstrekt geene,’ antwoordde Susanna: ‘en het eenige, wat er mij van bijblijft, is een vast voornemen om niet weder met zulke wilde zeilers scheep te gaan.’ –

– ‘En tevens kwam ik mij de eer procureren,’ vervolgde Reynhove, ‘van kennis te formeren met den Heer en Mevrouw Huyck: een satisfactie, welke ik mij tot nog toe had moeten refuseren, en welke het gunstigste resultaat is van dat facheus geval.’ –

– ‘Wig zijn zeer verplicht voor uwe goedheid,’ zeide mijn vader, glimlagchende: ‘het doet ons echter leed, dat er een zoo gewichtig voorval noodig was om ons de eer van uw bezoek te verschaffen.’ –

– ‘De Heer Reynhove,’ merkte Susanna aan, ‘kan met recht zeggen, dat hij hier is komen aanwaaien; vermits hij zonder den storm hier niet zoude geweest zijn.’ –

– ‘Mejuffrouw drijft er den spot mede,’ zeide Reynhove, een weinig verlegen: ‘en ik beken, dat ik mij verkeerd exprimeerde. Ik heb tegen mijn eigen belang gehandeld, dat ik hier niet vroeger een visite ben komen brengen; maar ik declareer oprecht, dat, zoodra ik aan Mejuffrouw Huyck gepresenteerd was, ik het project geformeerd had, dat ik thands effectueer.’ Dit zeggende, keek hij Susanna zoo veelbeteekenend aan, dat zij een kleur kreeg, en dat mijn moeder eenigzins bezorgd opzag.

– ‘Men kan wel zien, dat mijn Heer uit den Haag komt,’ zeide Susanna, en zag te gelijk haar moeder aan, als wilde zij zeggen: ‘heb geen zorg.’ – ‘Wat mij betreft,’ vervolgde zij tot Reynhove: ‘ik blijf nooit achterlijk, wanneer ik complimenten ontfang, en ik zal op mijne beurt avoueeren, dat ik, hoewel eerst na den storm, het plan geformeerd had, mijn Heer te bedanken voor de attenties, ons bij gelegenheid van het ongeval getemoigneerd.’ –

– ‘Foei Santje!’ zeide mijn moeder: ‘gij moet dit niet als een compliment doen voorkomen. Het is niet meer dan plichtmatig, dat gij mijn Heer bedankt, en wij, als ouders, doen het zelfde.’. –

– ‘Het weinige, dat ik verrichtte, meriteert geen eloges, ’ zeide Reynhove: ‘ik ben te gelukkig van in de occasie te zijn geweest, om de dames eenige geringe diensten te kunnen bewijzen, en heb niets gedaan als hetgeen ieder, die eenig gevoel van compassie en betamelijkheid bezit, in mijne plaats zoude verricht hebben.’ –

– ‘Dat is een mooi compliment voor Weinstübe,’ zeide Susanna.

– ‘Ik kan het niet helpen,’ zeide Reynhove, ‘zoo hij geen beter meriteert.’ –

– ‘Nu!’ zeide mijn moeder, altijd geneigd om alles van de beste zijde te zien: ‘hij is verschoonbaar: ik kan nog al vergeven, dat men bij een storm anderen vergeet en alleen om zichzelven denkt. Aan wal zoude hij waarschijnlijk beleefder geweest zijn.’ –

– ‘Ik twijfel er aan,’ zeide Susanna, het hoofd schuddende.

– ‘En dan,’ voegde Tante Letje er bij: ‘ik ken den mensche niet; maar, een zondaar zijnde, gelijk wij allen, zal hij misschien, toen hij de stemme Gods hoorde spreken op de wateren, gedacht hebben, dat de ure des oordeels over hem gekomen was, en zijn ziele hebben gewend tot boete en bekeering.’ –

– ‘Dat is wel mogelijk,’ zeide Reynhove: ‘want hij heeft dien avond meer gebeden gereciteerd, dan hij anders, geloof ik, in een jaar doet.’ –

– ‘Welnu,’ hernam Tante: ‘UEd. ziet, dat ik gelijk heb: – en alzoo acht ik het vergeeflijk niet alleen, maar zelfs betamelijk en lofwaardig in dien Weinstübe, dat hij, vervuld zijnde van die dingen, welke dienstig zijn tot de zaligheid, zich alleen bezig hield met het noodige, en die kleinigheden verwaarloosde, welke de waereld voorschrijft, maar die in een zoo plechtig oogenblik niet meer zijn dan asch en drek.’ –

Reynhove keek eenigzins zuinig bij het aanhooren van deze taal; maar hij was te wellevend om er iets op te antwoorden. Susanna beet zich de lippen, als wilde zij het stekelige antwoord bedwingen, dat haar op den tong zweefde. Wat mij betreft, ofschoon hulde doende aan de gevoelens, welke de woorden mijner Tante hadden ingegeven, ik kon niet verdragen, dat Weinstübes gedrag op den boeier als lofwaardig voorgesteld of ten koste van dat van Reynhove geprezen zoude worden, en vatte daarom het woord op.

– ‘Tante!’ zeide ik: neem mij niet kwalijk; maar ik moet een opmerking maken. UEd. hebt menigmalen, in mijn bijzijn, die kluizenaars veroordeeld, die wanen den hemel te zullen winnen, door zich aftezonderen en hun leven met bidden te slijten, zonder van eenig nut voor hun medemenschen te zijn.’ –

– ‘Dat heb ik,’ zeide Tante: ‘want er staat geschreven: niet zij, die roepen: Heere! Heere! maar zij die den wille des Vaders doen, zullen het Koninkrijk Gods bëerven.’ –

– ‘Welnu!’ vervolgde ik: ‘op de groote levensreis zijn wij verplicht ons leven zoodanig in te, richten, dat het niet slechts tot onze heiligmaking strekke, maar ook aan den naasten nut en voordeel aanbrenge. Is dit in het algemeen waar, zoo is het zulks ook in bijzondere gevallen, als op onzen tocht met den boeier, dien ik een afschaduwing der levensreis durf noemen, in zooverre als wij, reisgenooten zijnde, met moeilijkheden en wederwaardigheden te kampen hadden. Nu, op dien kleinen tocht, handelde Weinstübe juist zoo, als de kluizenaars, die UEd. veroordeelt. Hij vergat, dat er anderen met hem waren, zwakker, en meer hulpbehoevend dan hij, en in de plaats van hun nood te verlichten, bemoeide hij zich niet met hen, maar strekte hun tot last en maakte hun toestand nog moeilijker en onaangenamer. De Heer Reynhove daarentegen, die voorzeker, zoowel als ik, met ernstige gedachten bezig was, bleef echter in het oog houden, dat zijn welbegrepen plicht niet medebracht, om op een bank te liggen zuchten, maar wel, om zijn reisgenooten te ondersteunen en op te beuren: en zoo wij in die ure vergaan waren, zoude hij met de zelfvoldoening gestorven wezen, dat hij bij het opontbod werkzaam gevonden ware.’ –

– ‘Zoo gij het op die wijze beschouwt, Neef!’ zeide Tante, ‘dan hebt gij gelijk: en dan had zeker die Duitsche Heer beter gedaan, zoo hij niet alleen zelf gebeden had, maar ook de overigen in een lofwaardige stemming had pogen te brengen.’ –

– ‘Mijn Heer!’ zeide Reynhove, mij met warmte de hand drukkende: ‘ik declareer u op mijn eer, dat UEd. een perfect Advocaat zoudt zijn; maar waarlijk! ik meriteer niet, dat UEd. met zulken lof spreekt van de stemming, welke mij toen bezielde. Ik had een pressentiment, dat wij er wél zouden afkomen; en dacht daardoor zeer weinig aan die zaken, waarover ik had moeten denken, gelijk Mejuffrouw mij zeer juist doet inzien. Ik schaam mij wel een weinig, dat te avoueeren; maar ik begeer geene louanges, die mij niet toekomen.’ –

– ‘Dat is braaf van u gedacht, mijn Heer Reynhove!’ zeide mijn vader: ‘en doet u in mijne opinie rijzen. UEd. zal het misschien onbeleefd vinden, dat ik u de eerste reis, dat UEd. ons met een bezoek vereert, zoo onbewimpeld de waarheid zegge; maar ik moet u ronduit verklaren, naar het weinigje dat ik van u gezien heb oordeelende, dat het van u afhangt, een voortreffelijk mensch, en, wat meer zegt, een godvreezend Christen te worden.’ –

– ‘En ik, mijn Heer!’ zeide Reynhove, ‘kan u van mijne zijde declareren, dat ik niets meer ambitionneer dan uwe goede opinie te meriteren.’ –

– ‘Is UEd. niet een zoon van den Heer Ambrosius Reynhove, die lid is van HH. Hoogmogenden?’ vroeg mijn vader. – Reynhove boog.

– ‘Wel! dat verheugt mij. Wij zijn nog te samen aan de academie geweest. Hij was een mijner beste vrienden.’ –

– ‘Hij heeft mij ook met hooge achting over UEd. gesproken,’ zeide Reynhove, ‘en mij gechargeerd, UEd. zijne complimenten te brengen.’ –

– ‘Wij zeiden dikwijls onder ons,’ vervolgde mijn vader: ‘Reynhove zal nog eens een aanzienlijk persoon worden; want toen reeds was hij de primus inter pares en de geboren Voorzitter van alle mogelijke Studenten – Commissiën. – En UEd., mijn Heer Reynhove! bekleedt zeker ook reeds deze of gene betrekking?’ –

– ‘Tot nog toe niet. Ik kan niet zeggen, dat ik die ooit zeer gëambitionneerd heb.’ –

– ‘Des te erger, mijn Heer! – Iemand van uwe jaren, die niet geheel van bekwaamheden ontbloot is, behoort werkzaam te zijn, en niet te vergeten, dat de Staat recht heeft op zijnen arbeid en talenten:

Hos ante effigies maiorum pone tuorum .

Bovendien, de ledigheid is een duivels oorkussen.’ –

– ‘Spreek toch niet zoo, Papa!’ zeide Susanna, die ik alreeds wegens haar langdurig stilzwijgen bewonderd had: ‘’t Is uit klinkklare edelmoedigheid, dat mijn Heer niets uitvoert.’ –

– ‘Uit edelmoedigheid, Mejuffrouw!’ herhaalde Reynhove, verbaasd.

– ‘Wel ja,’ hernam zij: ‘er zijn zoovele arme slokkers, die niets bezitten en naar een postje hunkeren, om er van te bestaan, dat de Heer Reynhove, die rijk genoeg is, geen hunner daarvan berooven wil.’ –

– ‘UEd. is te goed, Mejuffrouw!’ zeide Reynhove: ‘maar ook dezen lof moet ik refuseren; want ik beken, dat mij dit excuus nimmer voor den geest is gekomen.’ –

– ‘Het zoude bovendien geene verschoning zijn,’ zeide mijn vader: ‘zoolang er eereposten genoeg zijn, die werk verschaffen en die men zonder bezoldiging waarneemt. Ik ben overtuigd, mijn Heer Reynhove! dat uw vader er over denkt gelijk ik.’ –

Reynhove boog, niet wel wetende wat hij zeggen zoude.

– ‘Maar ik vergeet,’ vervolgde mijn vader, ‘dat UEd. mij niet zonder reden zoudt kunnen betichten van mij te bemoeien met hetgeen mij niet aangaat. Schrijf dit toe aan mijn post van Hoofdschout, die mij in de noodzakelijkheid brengt van mij met eens anderen mans zaken te bemoeien.’ –

– ‘Ik schrijf,’ zeide Reynhove, ‘dit liever toe aan UEds. belangstellende vriendschap en neem in die suppositie uwe raadgevingen met dankbaarheid aan, gepersuadeerd, dat UEd. mij niets kunt zeggen dan hetgeen door mij verdient gemediteerd en betracht te worden.’ –

– ‘UEd. neemt het recht heuschelijk op,’ zeide mijn moeder: ‘mag ik vragen, waar UEd. gelogeerd is?’ –

– ‘Bij den Heer Blaek,’ antwoordde Reynhove: ‘ik heb zijn zoon op de paardemarkt leeren kennen en heb niet kunnen weerstaan aan zijn pressante invitatie om eenigen tijd bij hem te komen passeren.’ –

Mijn vader keek eenigzins strak; maar hervatte spoedig met minzaamheid: ‘ik twijfel niet, mijn Heer! of uw verblijf bij den Heer Blaek is genoeg berekend om u allerlei genoegens te doen smaken: ook wil ik hem zijn gasten niet aftroggelen. Intusschen, zoo UEd. eens een dag vrij zijt, en de gewone pot bij ons voor lief wilt nemen, wees dan zoo goed daarvan gebruik te maken. UEd. zult ons altijd welkom zijn.’ –

– ‘O ja mijn Heer!’ zeide mijn moeder: ‘maar vergeet niet, dat het geen Haagsche festijnen zijn, welke wij u kunnen verschaffen.’ –

– ‘UEd. heeft te veel goedheid,’ zeide Reynhove: ‘zijt gëassureerd, dat ik er met het grootste plaisir van profiteren zal, en mij feliciteer, van zoo wél in eene estimabele familie als deze gëaccueilleerd te zijn.’ –

Na eenig verder onderhoud stond Reynhove op en nam afscheid. Toen hij vertrok, deed ik hem uitgeleide. Zoodra wij in den gang waren, nam hij mij bij de hand: ‘ik had nog een verzoek aan u,’ zeide hij: ‘maar ik dorst er daar binnen niet mede voor den dag komen: uw ouders zijn zulke deftige lieden: ik was bang, dat zij mij railleeren zouden. Ik zal u zeggen, wat het geval is. Ik beweerde gisteren tegen Blaek, dat ik met mijn Engelschman naar Haarlem en terug zoude rijden in zeven quartiers: hij pretendeert hetzelfde te zullen doen met de harddravers, die hij van den Heer van Baalen gekocht heeft: en daaruit is een pari ontstaan, wie onzer het eerst den weg heen en weder zoude afgelegd hebben. Wij moeten dit morgen namiddag beslissen: te vijf ure rijden wij af aan de Tweehonderd Roe. Hebt gij lust om het te komen zien en naderhand een glas wijn te blijven drinken?’ –

– ‘Ik dank u,’ antwoordde ik, ‘ik moet aan ’t kantoor zijn. Er is een schip van ons, dat op zijn vertrek staat, en dat geeft mij veel droktens.’ –

– ‘Het spijt mij,’ zeide hij: ‘nu, au revoir dan.’ –

Hij vertrok en ik keerde in de huiskamer terug, bij mijzelven denkende, dat Reynhove wel gedaan had, zijn voorstel niet te doen in tegenwoordigheid mijner ouders, bij wie een harddraverij contrabande was. Toen ik binnen trad was mijn moeder bezig, mijn vader in ’t vriendelijke te beknorren, dat hij dien vreemden Heer, bij zijn eerste bezoek, zoo de les gelezen had.

– ‘Kom! kom!’ zeide mijn vader: ‘ik zoude het niet gedaan hebben, indien ik niet de overtuiging bezat, dat bij dien knaap een goede grond ligt en dat de kern beter is dan de schil. ’t Is maar jammer, dat hij met dien Lodewijk Blaek omgaat.’ –

– ‘En dat hij zooveel Fransche woorden bezigt,’ zeide mijn moeder.

– ‘Dat is Haagsche stijl,’ zeide ik: ‘en hij doet het niet erger dan anderen.’ –

– ‘Hij zal nog veel te leeren hebben, eer hij de tale Canäans spreekt,’ zeide Tante Letje.

– ‘En gij Santje! Hoe denkt gij over onze nieuwe kennis?’ vroeg ik, bemerkende, dat Susanna, tegen haar gewoonte, stil was: ‘hoe gevalt hij u?’ –

– ‘O! ik vind hem zeer naar mijn zin,’ antwoordde zij: ‘gij weet, ik hou veel van kapellen, en duizendschoonen, en gouden torren, en palmpaschen en pinksterbloemen en al wat blinkt en cierlijk is.’ –

– ‘Dat is geen bepaald antwoord op mijn vraag,’ zeide ik: ‘hij verdient, volgens de getuigenis van Vader, niet verward te worden met die pronkers, wier eenige verdiensten in hun mooien rok bestaat.’ –

– ‘Volstrekt niet,’ hernam zij: ‘want hij draagt bovendien een bijzonder nette pruik en keurige lubben en een schitterenden diamant aan zijn das. – Het portret van den saletjonker uit den Verliefden Pöeet van Buysero is volkomen op hem toepasselijk:

‘k Zag nooit netter van mijn leven:

Wel driemaal op een dag werd hem schoon goed gegeven.

Geen kreukje zag men in zijn kleeren, en, om recht

Te gaan, ’t was in dien tijd een keuning van een knecht.

Hij wou zijn handen maar in roozewater wasschen.

Men heeft zijn leven zoo geen man een pruik zien passen.

En zijn handschoenen, ho! die waren klaar Jasmijn.’ –

– ‘Santje! Santje!’ zeide ik: ‘biecht zuiver op; want ik bedrieg mij zeer, of die Hagenaar heeft een goed oog op u; en zoo gij iets tegen hem hebt, is het beter, dat hij maar spoedig daarvan kennis bekome; anders zal hij het u nog lastig genoeg maken.’ –

– ‘Santje heeft volkomen gelijk, dat zij het met een Jantje van Leiden afmaakt,’ zeide mijn moeder: ‘een jong meisje moet zich nooit uitlaten over een Heer: het mocht haar naderhand berouwen.’ –

– ‘Juist zoo!’ voegde mijn vader er bij: ‘want de oude spreuk zegt te recht, dat men met zijn spot naar bed gaat.’ –

Met dezen grap was het onderhoud over Reynhove besloten en wij vervielen langzamerhand weder tot de zwaarmoedige stemming en de stilte, waaruit zijn bezoek ons voor een poos gered had. – Mijn zuster zelfs, anders zoo levendig en opgeruimd, deed geen moeite om het gesprek gaande te houden, en zat in gepeinzen verdiept; ’t zij dat haar genegenheid voor mij haar de slechte uitkomst van mijns vaders pogingen even diep had doen gevoelen als of het haar eigene zaak geweest ware: ’t zij dat werkelijk het bezoek van Reynhove een bijkomende aanleiding lot overdenking had opgeleverd. Eindelijk vroeg mijn moeder, onder andere onverschillige zaken, aan Tante Letje, of zij die Juffer nog gezien had, die bij Heynsz aan huis woonde?

– ‘Wel ja!’ antwoordde Tante: ‘heeft Neef u niet verhaald, dat hij haar tot mijnent ontmoet heeft?’ –

Allen zagen mij aan en mijn vader zelfs met een ernstigen blik. Ik gevoelde terstond, hoe verkeerd ik gedaan had, van deze toevallige ontmoeting niet te reppen; daar ik nu van achteren den schijn op mij laadde, als had ik die opzettelijk verzwegen.

– ‘’t Is waar!’ zeide ik: ‘ik had het vergeten… ik had het hoofd zoo vol. Ook heb ik niet gedacht, dat er iemand belang in stelde.’ –

– ‘Nu! die jonge Juffer stelt dan wel belang in u,’ zeide Tante in haren eenvoud des harten: ‘zij is nog tweemalen sedert dien tijd bij mij geweest, en heft mij telkens naar u gevraagd, Neef! – Een zoet meisje, dat moet ik zeggen: jammer maar, dat zij Roomsch is. Haar vader heeft mij heden ook bezocht, om mij te bedanken voor de vriendelijkheid, die ik, zoo hij zeide, voor zijn dochter gehad had. Een beleefd mensch, die Heer van Beveren, dat moet ik zeggen.’ –

– ‘Van Beveren!’ herhaalde mijn vader, die met aandacht naar de woorden zijner zuster geluisterd had: ‘waar hoort de man te huis?’ –

– ‘Te Deventer,’ antwoordde Tante: ‘doch hij schijnt hier wel bekend; althands hij heeft mij over vele lieden gesproken en wist bijna aller betrekkingen.’ –

– ‘Te Deventer! zoo!’ herhaalde mijn vader, nadenkend: ‘en heeft u die Heer van Beveren geen geld ter leen gevraagd?’ –

– ‘Neen Broeder! En hij zag er ook niet uit als iemand, die geld behoefde. Hij was goed gekleed en had het geheele voorkomen van een man, die in de groote waereld leeft.’ –

– ‘Ik behoef u niet te vertellen, Zuster!’ zeide mijn vader, ‘dat de duivel zich somtijds in een engel des lichts verkleedt om zijn oogmerken te bereiken. Ik zoude u aanraden, wat voorzichtig met die lieden te zijn.’ –

– ‘Hoe dan! weet gij eenig kwaad van hen, Broeder?’ vroeg Tante, met eenige bezorgdheid.

– ‘Niet het minste; maar ik wil dat toch eens onderzoeken… er is toch iets, dat mij vreemd voorkomt.’ –

– ‘Gij zult toch niet denken, Willem!’ zeide mijn moeder, ‘dat Heynsz verdachte lieden zal herbergen.’ –

– ‘’t Is zeker, dat zulks nog al grappig zoude wezen,’ hernam mijn vader: ‘maar gij hebt gelijk en uw aanmerking is juist. – En, Zuster! sprak de dochter van dien Heer zoo belangstellend over Ferdinand?’ –

– ‘Och Vader!’ zeide ik, alle vermoedens wenschende aftewenden: ‘Tante zal de zaak waarschijnlijk een weinig vergrooten. Zij en ik zijn misschien de eenigen, die Amelia behalve haar huisgenooten kent.’ –

– ‘Ei! heet zij Amelia?’ vroeg mijn vader: ‘gij schijnt reeds vrij familiaar met haar te zijn, om haar zoo bij haar doopnaam te noemen.’ –

Ik zag, dat Susanna bleek werd en ik merkte dat ik zelf een kleur over mijn onvoorzichtige uitdrukking kreeg. Mijn zuster, waarschijnlijk om mij uit de verlegenheid te redden, zeide met een gemaakten lach:

– ‘’t Zal een princes zijn, die incognito reist; en princessen worden nooit anders als bij haar voornamen genoemd.’ –

– ‘Dat is zeker,’ zeide ik, moed vattende, ‘dat ik haar doopnaam beter weet, dan haar familienaam; maar overigens is onze kennis al zeer gering en ik verlang die niet nader aan te knoopen, hoe lief zij ook wezen moge.’ –

– ‘Niet?’ zeide Tante: ‘en gij zelf, Neef! hebt haar zoo zeer tot voorspraak gestrekt, toen ik haar wilde verstooten.’ –

– ‘Wel Tante! Wat zal ik u zeggen? Uw goed hart spoorde u aan, haar, die u bekend was, bij u te ontfangen: en mijn hart zeide mij, dat de leer die zij beleed, haar aanspraak op uwe bescherming niet verminderde. Dat is alles.’ –

Mijn vader zag mij aan, schudde bedenkelijk het hoofd, nam een snuifje en verwijderde zich om in zijn vertrek te gaan arbeiden: zoodat, zeer tot mijn genoegen, het gesprek over Amelia en haren vader hierbij rusten bleef.

DigitalDroom Reader

Hoofdstuk XXVI

XXVI / XXXIX

Het was gelukkig voor mij, bij de stemming, waarin ik mij bevond, dat het op handen zijnde vertrek van Kapitein Pulver mij vrij wat bezigheid aan ’t kantoor verschafte en daardoor buiten de mogelijkheid stelde om mij te laten gaan aan mijn leedwezen over de ondervonden teleurstelling. Al had de arbeid geene andere nuttigheid als deze, dat hij den geest bezig houdt en belet het verdriet te gevoelen, dan nog zoude hij als een weldaad voor het menschdom moeten beschouwd worden. En boven alle anderen zijn, in gevallen wanneer de ziel ontroerd en geschokt is, de zoogenaamde dorre eentoonige werkzaamheden, welke ons beroep verschaft, verkieslijk boven die, welke een meer aanlokkende zijde hebben en waarbij de verbeelding mede in ’t spel gebracht wordt. Wijsbegeerte en fraaie letteren mogen op den duur kalmte en vertroosting aan den geest bieden: haar bëoefening zoude ik vergelijken bij die van de gezondheidskuur, waarvan de invloed, hoe heilzaam ook, eerst later gevoeld wordt; – beroepsbezigheden zijn als de pijnstillende opium of de blaartrekkende pleister, welke de kwaal niet wegnemen, maar ons beletten, die te gevoelen.

Maar toen ik, na afloop van het kantoor, weder te huis kwam, en de avond te schoon was, om dien op mijn kamer door te brengen, terwijl de dames uit waren, keerde mijn zwaarmoedigheid. ‘Kom!’ dacht ik, na een wijl gepeinsd te hebben: ‘ik heb op dit oogenblik geen grooter vijand dan mijzelf en mijn gedachten: ik moet of werk hebben of bezigheid zoeken. Waarom zoude ik niet naar den Haarlem-merweg gaan en zien hoe de weddingschap is afgeloopen?’ –

Dit besluit gevormd hebbende, begaf ik mij dadelijk op weg, wandelde de cingels om naar de Haarlemmerpoort en kwam ongeveer tegen half zeven ure aan de Tweehonderd Roe; waar ik weldra vernam, dat de beide wedders te vijf ure precies waren afgereden, en dus, bijaldien er geen ongeluk had plaats gehad, welhaast moesten terug wezen. Een vrij talrijk gezelschap zat in den tuin en voor de deur der herberg bijeen, met de wijnflesch of bierkan voor zich, naarmate de staat hunner geldbeurs meerdere of mindere uitgaven gedoogde: anderen wandelden langzaam den weg op en neder, blijkbaar den uitslag des wedrens verbeidende; terwijl enkelen, te paard of in hun chaisen gezeten, met hetzelfde oogmerk stapvoets op en neder reden. Daar waren, onder dien toevloed van menschen, lieden van elken rang of stand, vermogende renteniers, deftige kooplieden, beunhazen, pikeurs, stalhouders en voerlieden; doch allen, op weinige uitzonderingen na, ridders van den zweep: en de onderscheidene gesprekken, welke hier of daar gevoerd werden, hadden overal slechts één onderwerp, de edele rijkunst. De verdiensten der paarden van Lodewijk Blaek, die bij allen bekend waren, werden overwogen: de groote feiten, door hen verricht, in al hun kleuren opgevijzeld: hun betrekkelijke waarde vergeleken: de prijs, dien zij gegolden hadden, genoemd, enz. enz. Wat het paard van Reynhove betrof, daarover dorst men een minder beslissend oordeel vellen; vermits het slechts aan weinigen bekend was; doch men was van gedachten, dat het, ofschoon uiterlijk van weinig apparentie, echter droog en fraai was, en tot die soort van paarden behoorde, welke niet bij uitstek snel loopen, maar een gestadigen gang hebben en het lang uithouden zonder zich te vermoeien.

Ik keek ondertusschen rond, of ik niet hier en daar onder de menigte een gezicht van kennis zoude aantreffen; maar ofschoon ik met dezen en genen, die mij van de beurs of van elders bekend was, een groet, of een kort: ‘hoe vaart mijn Heer?’ wisselde, zag ik niemand, met wien ik het de moeite waardig achtte, een bepaald gesprek aan te knoopen. Daar ik eerst aan de Academie, en toen lang buiten ’s lands geweest was, had ik weinig bekenden, althands onder dat slach van lieden, hetwelk zich hier bevond. – Eindelijk, mij langs een hoopje begevende, dat nog luidruchtiger en drokker was dan de rest, hoorde ik mij eensklaps bij mijn naam noemen: en, mij omwendende, herkende ik Weinstübe, die met een grooten roemer in de eene, en een zweep in de andere hand, den redetwist, waarin hij gewikkeld was, afbrak om mij aan te spreken.

– ‘Huyck!’ riep hij: ‘foor wien wed jij?’ –

‘Voor geen van beide,’ antwoordde ik, mijn hoed even aflichtende, als wilde ik mijn wandeling vervolgen.

– ‘Nein! Pots tit und tat! Je komt er zoo nicht af! Je solt seggen voor wien je pint. Wed jij tegen mich. Ik heb een sakkie sesthalven kewed op de plessen van Plaek: en er is niemand, die meer dan een sakkie toeppeltjens teugen houdt. Toe jij me nou de frundschap und neem de rest.’ –

– ‘Ik zoude u gaarne dat genoegen doen,’ zeide ik: ‘maar ik wed niet zoo maar in den wilde: de blessen van Blaek ken ik ter naauwernood en het paard van Reynhove in ’t geheel niet: zoodat ik over hunne vergelijkende waarde niet kan oordeelen.’ –

Ik dacht er hiermede af te zijn; maar weldra had ik berouw, van maar niet ronduit verklaard te hebben, dat ik in ’t geheel niet wedde; want nu kreeg ik terstond het loon voor mijn valsche schaamte.

– ‘Laat je dat niet afschrikken, mijn Heer!’ zeide een dikke vent, wien ik naderhand vernam, dat een kastelein van den Overtoom, en een beroemd paardekenner was: ‘die beestjens van Blaek loopen drommels goed: dat’s waar: ’t bennen poppetjens, daar niks aan mankeert: zoo rond as appeltjens en as een zij zoo zacht in den bek, daarom niet; maar kijk! daar hebje dien anderen: heb ik jou daar? het biest mag zoo mager wezen as het wil: des te minder zit hem zijn vet in den weg: – en as je ’t zoo ziet afrijen, je zoudt zeggen: het slaat zijn bienen deur mekaêr of het mal was; – maar laat hem gerust zijn gang gaan: hij zel het uithouen op den langen weg en ze allen achter hem laten. Kijk! – het zakkie dubbeltjens durf ik op hem risikeeren; en het past mijn en mijns gelijken niet om meer te doen; – maar hou jij gerust de rest: ’t zel je geen schaê doen; zoo-waar ik Krijn Jaspersz hiet.’ –

– ‘Ik wil het best geloven,’ zeide ik: ‘maar in zoodanige gevallen ga ik niet op goed geloof af, en dat zult gij mij niet kwalijk nemen. Gij zoudt ook niet gaarne een paard koopen of er op wedden, zonder het alvorens gezien te hebben.’ –

– ‘Nou dat’s waar ook,’ zeide hij: ‘maar anders!.. Ik heb de eer niet, van Meneer parteklier te kennen, en ik weet niet, of Meneer verstand van paarden heit; want anders benje nog niet sekuur al hebje ze gezien: dat heit die Makelaar ondervonden, die laatst bij ons was, daar Blaek die ouwe knol van hem an verkocht heit.’ –

– ‘Ja!’ zeide Weinstübe, grinnekende: ‘dien heeft hij oud peet kehad.’ –

– ‘Zoo! hebje ook al gehoord van den moord van Parijs? – Nou! die goeje man had het paard ook gezien en geprobeerd: en hij docht, dat hij wonder wat kocht; maar jawel! – hij liet zich roijaal weg een ouwe blinde knol in de handen stoppen en mag den hemel danken, zoo hij er den volgenden dag den nek niet mee gebroken heeft.’ –

– ‘Maar dat is niet veel beter dan steelen,’ zeide ik: ‘op deze wijze van eens anders onnoozelheid partij te trekken.’ –

– ‘Hei ho! daar komen zij! daar komen zij!’ riepen eenige stemmen. Alles stoof op en keek den weg op; hoewel er nog niets te zien was, dan een stofwolk, die aan deze zijde van het tolhek opsteeg.

Ongeduld, verwachting, hoop en vrees, waren op de aangezichten te lezen, en men staroogde, als of men den blik door het stof heen had willen laten dringen, om te ontdekken, wie de overhand had. Het duurde echter niet lang, of beide rijtuigen waren naast elkanderen zichtbaar, zonder dat men nog door den afstand kon onderscheiden, welk het eerste was.

– ‘Zij zijn er waarachtig alle bei!’ riep de een. – ‘Zij hebben mekaêr goed bijgehouen!’ riep een ander. – ‘Nou! wat braatje nou van uithouen?’ vroeg Weinstübe aan Krijn Jaspersz: ‘je ziet immers, dat de peesten an mekaêr kewaagd zijn. Hep je ook peraauw? Sol je ’t afmaken willen foor de helft.’ –

– ‘Patientie!’ zei de kastelein: ‘de laatste loodjens wegen het zwaarst.’ –

– ‘De ruin is voor!’ riep op eens een stem.

– ‘Neen! neen!’ zeide een ander: ‘de blessen winnen het.’ –

– ‘De blessen winnen het!’ riepen verscheidene stemmen. En in de daad ik zag nu ook, dat de twee paarden een eind dichter bij waren dan het eene; ofschoon het rijtuig, dat door de eerstgemelden getrokken werd, wild over den weg heen en weder slingerde, terwijl de chais van Reynhove met een gelijken gang vorderde.

– ‘Hoera!’ riep Weinstübe, met den hoed zwaaiende: ‘hadtje nu mijn foorschtel maar aannemen willen. Het sakkie toebbeltjens is mein.’ –

– ‘Hoezee!’ riep de menigte, en opende zich voor het rijtuig van Blaek, die, met purper aangezicht, schreeuwende en juichende kwam aangereden. Maar naauwelijks had hij den plek bereikt, als de uiterste grens van den wedren bepaald, of een zijner paarden stortte en hijzelf tuimelde uit de chais. Hij was echter dadelijk weder op de been en werd nu door de toestroomende liefhebbers met luid gegalm als over-winnaar begroet. Reynhove was intusschen insgelijks aangekomen, mede vrij verhit en ontdaan; doch zijn paard toonde slechts weinige blijken van vermoeidheid en wettigde daardoor de lofspraak, daar aan door Krijn Jaspersz gegeven. Alleen het schuim waarmede het bedekt was, een korte hoest en een trillende beweging van het lichaam, toen het stil stond, gaven bewijs, dat het hard geloopen had. Een lakei van Reynhove schoot dadelijk toe, dekte het met een warm kleed en bracht het op stal met behulp van den kastelein der Tweehonderd Roe. Ofschoon nu onze Hagenaar het onderspit gedolven had, bleek mij echter dat de oordeelvelling van den Overtoomschen kastelein juist geweest was; want de paarden van Blaek hadden zich overloopen: het eene lag, zoo als ik gezegd heb, op den grond en scheen meer dood dan levend; het andere stond nog, doch hijgende als een juffershondje en zoo onvast op de beenen, als ware het op het punt van neer te storten. Met veel moeite deed men het gevallene opstaan, en bracht toen beiden op stal.

– ‘Jongen! dat is jammer! – Ik hoop, dat het de beestjens geen kwaad zal doen! – Zij hadden zich zoo mooi gekweten! – Je bent den anderen toch vooruit gebleven! – ’t Mag wezen hoe ’t wil: ’t is beter, dat ze crepeeren, dan dat die magere knol je voorbij ware gereden, enz. enz.’ – Zoo klonken de troostredenen, die nu in ruimen mate aan Lodewijk werden toegevoegd; maar waar hij geen oor naar had, zoo grootsch was hij op zijn overwinning; ofschoon hem die waarschijnlijk een paar goede paarden kosten zoude.

– ‘Ik ben toch de baas gebleven!’ riep hij Reynhove toe, met een zegevierenden blik.

– ‘Dat geloof ik wel,’ zeide deze, met spijtige bedaardheid: ‘gij waart schier aan ’t hollen geslagen: en ware uw paard niet gestort, dan zoudt gij ze niet gearrêteerd hebben. Op zoo’n wijze zoude ik niet willen triomferen.’ –

– ‘Heb ik het niet gezeid?’ zeide Krijn Jaspersz: ‘’t is een bloot toeval en meer niet, zoo de blessen eerst an zijn; maar ik vraag maar an iedereen, of die prijs mooi gewonnen is? Ik heb gezeid, en ik blijf er bij, dat de ruin op den langen weg beter loopt: en as Meneer hem niet had willen sparen, was hij nog den baas gebleven.’-

– ‘As! as!’ herhaalde Weinstübe: ‘asch is verbrante toerf: en je pint toch je toeppeltjens kwijt, man.’ –

– ‘Dat ben ik,’ zeide Krijn: ‘heb daarover geen zorg; maar dat belet niet, dat ik op zoôn manier geen weddingschap zou willen winnen.’ –

Onder dit praten waren Reynhove en Lodewijk, door de omstanders heen de herberg binnen gedrongen: en geen trek hebbende, om mij in dien wilden boel te mengen, noch om langer naar de klaagliederen van Krijn Jaspersz te luisteren, begaf ik mij naar den tuin, zette mij neder, en bestelde een roemer wijn, met oogmerk om na het gebruik daarvan huiswaarts te keeren. Ik had naauwlijks eenige minuten gezeten en was, bij de algemeen heerschende drokte, nog niet geholpen geworden, toen de waard in persoon naar mij toekwam en mij uit naam van Reynhove vroeg, of ik hem en aan de overige Heeren de eer aan wilde doen, mij bij hen te vervoegen.

– ‘Ik bedank mijn Heer wel voor zijn beleefdheid,’ antwoordde ik: ‘het is mij daar binnen te vol en ik ga zoo aanstonds heen.’ –

– ‘Vol! mijn Heer!’ herhaalde de waard: ‘wel neen! zij zitten maar metter zessen daar gunter in de koepel: ’t is zeker anders wel de gewoonte, datter meer van de partij zijn; maar die Heer uit den Haag valt nog al grootsch en wil niet graag met anderen als met zijns gelijken converseeren. – Nou! ’t is mij wel wat schaê; maar wat zal ik zeggen?’ –

Ik keek in de richting, welke hij mij aanwees, en zag indedaad, dat Reynhove, Blaek, Weinstübe, en een drietal Officieren, zich in een der bij de herberg behoorende koepeltjens bevonden, dat voor hen was vrijgehouden: en het gaf mij juist geen kwaden dunk van Reynhove, dat hij niet verlangde met Jan en alleman te zitten.

– ‘Nou! wat mot ik zeggen?’ vervolgde de waard.

Ik had voorzeker wijzer gedaan, en mij vrij wat verdriet bespaard, indien ik bij mijn voornemen gebleven ware en de Heeren alleen had gelaten; maar eensdeels deed een misschien kwalijk gepaste schaamte mij vreezen, dat Reynhove het euvel zoude opnemen, indien ik het voorstel afsloeg; te meer, daar ik mij den vorigen dag verschoond had en nu toch was komen kijken: en daarbij dreef een dwaze ijdelheid mij aan, om mij geroepen te wanen, ten einde aan die liefhebbers een nuttige les te geven. Kortom, ik stond op en volgde den waard naar het koepeltje, waar onze Heeren onder de flesch bijeenzaten.

– ‘Wel! ik moet zeggen,’ zeide Reynhove, toen hij mij zag: ‘het kost niet weinig moeite de eer van mijn Heers gezelschap te bekomen. Gisteren avond verzoek ik u, en gij refuseert: vandaag verandert gij van idée, en dan laat gij u nog bij de ooren trekken, om ons uw societeit te schenken.’ –

– ‘Ik houd niet van mij intedringen,’ zeide ik: ‘en blijf slechts een oogenblikje.’ –

– ‘Wel ik hoop van beter,’ hernam hij: ‘maar neem plaats: ik weet niet of gij deze Cavaliers kent: de Heeren Contour, Reekalf, van Ranst, officieren te Naarden in garnizoen.’ –

Ik boog mij en nam plaats.

– ‘Wat is dat voor bocht van wijn?’ riep Lodewijk, die mij slechts even met een hoofdknik had begroet: ‘Jan! haal anderen wijn: denkje, dat wij zulke vergiftige kost willen zuipen? Haal van den Klooster Baserac: immers zoo de baas er nog van dezelfde heeft als laatst.’ –

– ‘Het heeft weinig gescheeld,’ zeide ik tegen Reynhove, ‘of gij hadt den prijs behaald.’ –

– ‘’t Heeft genoeg gescheeld,’ zeide Lodewijk: ‘ja! laten zij maar komen, die het tegen de blessen uithouden.’-

– ‘Nu ja,’ zeide Reynhove, niet zonder wrevel over het bluffen van Lodewijk: ‘indien ik mijn paard had willen abimeeren, zoo als gij uwe beesten gedaan hebt, had ik u op Halfweg al vooruit kunnen zijn.’ –

– ‘Nu vraag ik aan elk verstandig mensch,’ zeide Lodewijk, met een luiden lach, ‘of zulk een verschoning wel iets anders als een uitvlucht is? – Wat duivel! die zijn paarden sparen wil, moet niet wedden. – Wat zegt gij er van, Weinstübe?’.. –

– ‘Das ist recht,’ antwoordde deze: ‘onze freund Reynhofe sol het auch gaar nicht meinen wollen. Maar met dat al, zijn rein is ein gnap peestje und loopt blaisierig: ich sol hum er nog een sakkie koeltens voor pieten wollen.’ –

– ‘Wacht eerst, tot het te koop is,’ zeide Reynhove: ‘intusschen ben ik gereed, zoo vriend Blaek wil, morgen weer tegen hem te rijden, tot aan Guldenhof toe: en voor het dubbelde geld.’ –

– ‘Of ik mal ware,’ zeide Lodewijk: ‘kom over veertien dagen eens weer, dan zullen wij er nader over spreken.’ –

– ‘Over veertien dagen,’ zeide Reynhove: ‘zullen de blessen wel denzelfden weg zijn opgegaan als de witvoet.’ –

– ‘Dat ware altijd een laatste uitkomst,’ zeide Lodewijk, lagchende: ‘ja! van dat ouwe dier ben ik zeker wel afgekomen.’ –

– ‘Van den witvoet?’ herhaalde Reynhove, met verbazing.

– ‘Wat was dat? – Eilieve vertel eens!’ vroegen de officiers: ‘hebje nog geld aan dat oude beest verdiend?’ –

– ‘Ja kottorie!’ zeide Weinstübe: ‘laat Plaek dat eens vertellen; je houdt waaraftig je pijk fast fan ’t lagchen, as je ’t hoort.’ –

– ‘Wel luistert dan,’ zeide Lodewijk, zijn glas inschenkende, waarna hij zich met de handen in de vestzakken achterover in zijn stoel wierp, en de houding aannam van een oude gediende, die een treffelijke krijgsdaad gaat verhalen: ‘Gijlieden kent Jan Velters van de Leliegracht, die in de wandeling Jan Rijstenbrij wordt genoemd?’ –

– ‘Een best goed kalf van een jongen,’ zeide Contour: ‘’t is nog zoo wat een brok van een neef van mij: Wij plachten hem altijd te foppen, toen hij klein was; maar er was geen eer met hem te behalen: de sul liet zich alles doen.’ –

– Ik heb hem een paar reizen ontmoet,’ zeide ik: ‘hij kwam mij voor een beleefd, werkzaam mensch te zijn, wien niets ontbreekt als een betere gezondheid en wat ruimer middelen.’ –

– ‘Ja!’ zeide Weinstübe: ‘recht zoo! ’t is een khale rot; maar hij werkt koet: hij petient ons wel als Makelaar: en ik moet zeggen, hij is altijd bront und oblizant.’ –

– ‘Juist zoo!’ zeide Lodewijk: ‘welnu! – Gij hebt allen dien witvoet van mij gekend: een goed en deugdzaam paard in zijn tijd; maar die nu mooi oud, gebroken en hardademig was: en zoo blind, dat ik al last had gegeven om hem dood te schieten. – Maar of ik blij ben, dat ik het niet gedaan heb. – Verleden week, moet gij weten, zit ik bij den ouwen in zijn kamer; daar komt mij die Jan Rijstenbrij met zijn bleeke tronie aangewandeld, met een pak papieren onder den arm, van een graf, dat den ouwe in de Wester Kerk voor hem had laten koopen.’ –

– ‘Jongen!’ viel de Luitenant Reekalf in: ‘heeft den ouwe plan om op te stappen? Dat zou je goed komen, vrindje?’ –

– ‘Dat zou het net,’ zeide Lodewijk, terwijl Reynhove een blik van verontwaardiging op den officier wierp: ‘nu: – de knaap zag er zoo ontdaan uit van de kleine wandeling, die hij gemaakt had, dat den ouwe hem verzocht te gaan zitten en hem vroeg, hoe hij het al zoo maakte: ‘niet te best,’ was het antwoord: ‘ik ben verleden week naar Leyden geweest om Professor Boerhaave te raadplegen: en die heeft mij het paardrijden aanbevolen,’ – ‘Zoo!’ zeide mijn vader: ‘en hebje zijn raad al gevolgd?’ – ‘Ja mijn Heer!’ was het antwoord van Velters: ‘ik heb al een tochtje of wat gedaan met paarden uit de rijschool; ik wenschte wel, dat ik een goed mak beestje in eigendom kon krijgen; doch ik weet niet hoe er aan te komen. Veel geld er voor uit te geven schikt mij niet: en ik ben bang, dat zij mij in den nek zullen zien; want ik heb er geen verstand van.’ – Toen kwam mij de witvoet voor den geest: ik trok af, liet onzen maat zijn zaakjens met den ouwen afhandelen en wachtte hem aan de voordeur af: ‘Zeg eens, Sinjeur Velters!’ zeide ik, toen hij aftrok: ‘jij woudt gaarne een mak beestje hebben, niet waar?’ – ‘Ja wel! mijn Heer Blaek!’ zeide hij. ‘Nu man! zoo weet ik er een voor je,’ zei ik. ‘Er staat er nog een bij Jaspersz op stal: dat is net je gading. Zij zullen er misschien wat veel voor vragen; maar met loven en bieden komt men ver: en ik zal je de vriendschap doen, en gaan met je, om te zorgen, dat je niet meê genomen wordt.’ – Daar was onze man over de huizen, gelijk gij denken kunt. Wel tien malen zeide hij, hij wist niet, waar hij zooveel beleefdheid aan verdiend had: enfin! ’t was aandoenlijk om zijn dankbaarheid te zien. – Ik sprak met hem af, hij zou den volgenden morgen tegen zeven ure bij Jaspersz op stal komen om het beestje te zien: en dan zou ik er ook wezen. Nu! gij kunt denken, wat er gebeurde: ik dadelijk naar stal, stuur den witvoet bij Jaspersz; ga zelf den man spreken en zeg hem zijn les voor. Den volgenden morgen kom ik met opzet wat later: daar stond onze maat al sedert een quartier bij het beest, met Jaspersz, die hem er al de fraaie hoedanigheden van aanprees, als of er nooit een beter een zadel op den rug had gedragen. Jongens! ons Veltersje was zoo blij, dat ik kwam; want hij wist niet meer wat te zeggen. – ‘Zoo!’ zeide ik: ‘vriend Velters! hebje de knol al eens geprobeerd?’ – ‘Neen mijn Heer!’ antwoordde hij: ‘en ik weet niet, of hij mij wel lijken zou; want, naar Jaspersz zegt, moet het beest al mooi wild en vurig wezen; en dat lijkt mij niet; maar mijn Heer!’ vervolgde hij, terwijl hij mij zachtjens ter zijde trok: ‘heeft het paard niet een ingezonken rug? dat is immers een gebrek?’ – ‘Hm!’ zeide ik: ‘dat hindert niet, wanneer het gezadeld is: anders, mooi staat het niet, daar hebt gij gelijk in; – maar wij zullen eens zien. Haal het beestje maar eens uit, Jaspersz! – Jongens!’ fluisterde ik Velters in, terwijl Jaspersz het beest liet opzadelen: ‘zieje wel hoe zuur of Jaspersz kijkt, dat ik meêgekomen ben? hij weet wel, dat hij je nu niet kan foppen, al wou hij.’ – Dat alles slikte vriend Rijstenbrij op als zoeten koek. Toen het paard nu buiten stond, ik er op en reed er wat mede de laan op en neder, nu stappende, en dan weer op een handgalopje; – want ik was bang dat hij er in ’t geheel niet mede voort zoude komen, zoo ik het hem eerst berijden liet. Toen het beest wat los en lenig was geworden, verzocht ik hem mijn plaats te nemen. ‘Wel! wat zegje er van?’ vroeg ik, toen hij een keer of wat heen en weer was geweest. ‘Mij dunkt, het loopt vrij aartig,’ zeide hij: ‘maar zou het niet wat te gaauw moê zijn? Het zweet staat hem een duim dik op het lijf.’ – ‘Ja!’ zeide ik, ‘dat dunkt mij ook, Jaspersz!’ – ‘Och mijn Heer!’ zeide deze, terwijl hij een grooten pruim tabak in den mond stak, om niet te lagchen: ‘dat is van de heetigheid; het beest is in geen zes dagen van stal geweest.’ – ‘Maar!’ zei Velters wederom, die toch minder onnoozel was dan ik dacht: ‘struikelt het niet nu en dan wel eens?’ – ‘Dan hebje hem niet goed op den toom gehouden,’ zeide ik: ‘toen ik hem reed heeft hij niet gestruikeld.’ – ‘En hoe oud is het beest wel?’ vroeg hij alweer. ‘Ja,’ zeide Jaspersz: ‘piepjong is hij niet meer; maar Monsieur Velters verkiest ook geen heel jong beestje; meer dan een jaar of acht zal hij toch wel niet halen.’ – ‘En,’ vroeg ik, ‘wat moet dat juweel nu gelden?’ – ‘Honderd dukaten,’ antwoordde Jaspersz: ‘en daar valt niets van af te dingen. Ik heb er nog gisteren vijfhonderd guldens voor geweigerd aan mijn Heer Zadelhoff, dien mijn Heer kent.’ – ‘Honderd dukaten!’ herhaalde ik op een toon van verontwaardiging, terwijl ik bij mijzelven lagchen moest om het scheef gezicht, dat Velters zette: ‘wel dat zou de duivel! – Neen man! mij dunkt ƒ 400 is een mooi bod – of althands – Monsieur Velters moet het weten; maar ik voor mij zoude niet gaarne meer geven.’ – ‘Neen zeker!’ zeide Velters, die bleek van angst was: ‘en zelfs ƒ 400 is wel een honderd gulden boven mijn prik: ik ben geen man van de Nieuwe Heeregracht, zoo als mijn Heer Blaek.’ Toen trok ik hem op zij: ‘hoor,’ zeide ik, ‘’t is wel wat duur; maar in uwe plaats betaalde ik liever wat meer voor een goed paard, dan dat je een knol koopt, die u in de steek laat.’ ‘Hij zat er deerlijk in; maar dorst niet terug gaan: – en om het maar in korte woorden te vertellen, na veel over en weer praten, werd de koop voor ƒ 450 gesloten: en onze vriend trok af, na herhaalde dankbetuigingen voor al de moeite, die ik mij gegeven had; terwijl Jaspersz hem achterna riep, dat hij nu een beest had, waar hij de waereld meè uit zou rijden. ’t Kan wel waar zijn ook; want van daag of morgen rijdt de blinde knol den Amstel met hem in.’ –

– ‘Nu! die was heerlijk!’ riepen de Officieren: ‘vierhonderd vijftig gulden voor een knol, die het doodschieten naauwelijks waard is. – Nu! dat verdient zoôn beunhaas. Wat behoeft hij ook te rijden? Je hebt je dan recht dapper gehouden.’ –

Ik zag met genoegen, dat Reynhove niet instemde met den lof, welken de overigen Lodewijk toezwaaiden; maar, even als ik, stilzweeg en het hoofd schudde. Wat mij betrof, ik was verontwaardigd over een zoo schandelijk bedrog, te minder verschoonbaar, omdat het gepleegd was jegens iemand, die er zich bij geen mogelijkheid tegen hoeden kon: en, wat mij nog meer ergerde, was de onbeschaamde wijze, waar op men zich nog dorst verhovaardigen en lofspraken vergen op een daad, die mijns oordeels een geeseling waardig geweest ware. Ik kon mij eindelijk ook niet meer bedwingen; maar, niet gezind mijne gedachten ongevergd te uiten, bij lieden, die mij niet verstaan zouden, vergenoegde ik mij met de vraag, wat de arme Velters toch wel gezegd had, toen hij naderhand ontdekte, hoe deerlijk hij bedrogen was geworden.

– ‘Bedrogen!’ herhaalde Lodewijk, mij schuins aanziende: ‘vergun mij u te zeggen, mijn Heer Huyck! dat dit een uitdrukking is, welke ten dezen niet te pas komt. Gij meent ongetwijfeld: toen hij bemerkte, dat ik hem bij de neus had gehad.’ –

– ‘Indien gij oordeelt, dat deze laatste uitdrukking zachter is,’ zeide ik, koeltjens, ‘dan heb ik er vrede meê: de beteekenis blijft toch dezelfde.’ –

– ‘Toen hij het bemerkte, vervolgde Lodewijk, zonder schijnbaar aan mijn woorden te hechten, ‘toen zag hij, dat hij zijn geld kwijt was, en daar bleef het bij. Denkje, dat hij zoo gek is, zich te beroemen, dat men hem beet heeft gehad? – Of dat hij zoude durven klagen over mij? en gevaar loopen mijns vaders gunst en de mijne te verbeuren?’ –

– ‘Des te erger,’ zeide Reynhove, met warmte: ‘ik zou het u pardonneren, indien gij dezen of genen maquignon had gedupeerd; of wel een cavalier, gelijk gij zijt, die u satisfactie kon vragen; maar dat gij abuseert van de goede trouw eens mans, die van de affaire geheel ignorant is en bovendien van u dependeert, dit is geen nobele manier van ageeren.’ –

Ik knikte goedkeurend bij deze redenering, die mij zeer behaagde, al was zij in onzuivere taal gesproken. Wat Lodewijk betrof, hij toonde zich ten hoogsten gebelgd over hetgeen hij een belediging noemde: en er zoude twist ontstaan zijn, indien de overigen er zich niet tusschen gevoegd hadden en verzocht, het onderwerp daar te laten.

– ‘Hei ho!’ riep nu op eens Lodewijk: ‘wie komt daar aan? – Lucas Helding, zoo waar ik leef! blazend en zweetend als een narrepaard. Hier!’ schreeuwde hij, tegen de ruiten tikkende: ‘hier vriend Helding! hier moet gij wezen! Toe vrienden! ziedaar een heerlijk voorwerp om ons mede te vermaken. Wij moeten hem binnenroepen en besissen.’ –

Ik keek uit: en indedaad, daar kwam Helding voorbij, met den hoed in de hand, en het gezicht zoo rood als een kalkoenschen haan, terwijl hem het zweet tappelings langs de wangen droop. Zoodra hij hoorde dat er getikt werd, draaide hij het hoofd om, en zijn gelaat helderde op, bij den aanblik van een volgeschonken roemer, dien Lodewijk hem voorhield. Ik had den goeden man wel willen waarschuwen tegen het gevaar, dat hem bedreigde; maar het was te laat: hij was den tuin ingewandeld en stond reeds op den drempel van de koepel te buigen.

– ‘Wel pöeet, kom binnen!’ riep Lodewijk: ‘waar komt dat zoo van daan? Maar drink, eer gij antwoordt. Gij schijnt warm en hebt wat verfrissching noodig.’ –

– ‘Veels te veel goedheid,’ zeide Helding, nadertredende en het hem aangeboden glas met nieuwe buigingen aannemende: ‘uwe gezondheid, Heeren! – Ik was de slatuintjens eens rond gekuierd: ik dacht niet, dat ik op weg naar huis nog kennissen zoude vinden.’ –

– ‘ Allons! ga zitten,’ zeide Lodewijk, hem bij de schouders vattende en op een stoel plakkende: ‘en drink nog reis. Zeker benje weer aan ’t vaerzen maken geweest onder weg. Toe! laat hooren; wat hebje bij je!’ –

– ‘Is mijn Heer een dichter?’ vroeg Contour, een blij gezicht zettende.

– ‘Een dichter!’ herhaalde Lodewijk: ‘ puf nou pöeetjens! ’t is de baas van ’t gandsche land! Is dat een vraag, of Lucas Helding een dichter is?’ –

– ‘Is UEd. waarlijk die vermaarde Lucas Helding, wiens vaerzen mij zoovele aangename uren hebben doen doorbrengen?’ vroeg Contour, met een gemaakte verbazing: ‘wel ik had nimmer durven droomen, dat ik het geluk ooit zoude hebben mogen smaken, van uwe kennis te maken. Gun mij, uwe gezondheid te drinken.’. –

– ‘Te veel goedheid,’ zeide Helding, zijn glas op nieuw ledigende: ‘maar hoe kan mijn Heer zoo bekend zijn met mijne gedichten, als ik vragen mag? want ik heb nog nooit iets laten drukken, als eenige….’ –

– ‘O mijn Heer!’ zeide Reekalf, zijn kameraad in verlegenheid ziende: ‘als of wij geen kopijen van uw werken hadden; – maar mijn vriend is mij vooruit geweest: gun mij thands ook de eer…’ En er werd op nieuw geklonken.

– ‘Ik ben niet minder gecharmeerd van uwe kennis te maken,’ zeide Reynhove: ‘Ich wil auch een klaasje wein mit UE. trinken,’ zeide Weinstübe. ‘Ik mag mij mede dat genoegen niet ontzeggen,’ riep van Ranst: – en Helding, hoezeer zich tegen die al te groote eer verzettende, zag zich genoodzaakt, met elk afzonderlijk een glas te ledigen. Zeker deed hem de wijn naar meer smaken; want toen hij de ronde gedaan had, verzocht hij mij uit zich zelven, de eer te mogen hebben, van ook met mij te klinken.

– ‘Ik kan u zeggen, mijn waarde Monsieur Helding!’ zeide Contour, ‘dat er geen dichter is, wiens vaerzen meer bij ons regement bewonderd worden, dan de uwe.’-

– ‘Het gaat zoo verre,’ zeide Reekalf, ‘dat twee Luitenants, een Vendrig en drie Kornetten in arrest zijn gezonden, omdat het lezen uwer gedichten hun het parade-uur had doen verzuimen.’ –

– ‘Wat praat gij van arrest,’ zeide van Ranst: ‘ik ken er verscheidenen, die zich moedwillig naar de provoost laten brengen, om op hun gemak uw voortreffelijke dichtwerken te kunnen bestudeeren.’ –

– ‘’t Gaat zoo verre,’ hernam Contour, ‘dat onze Colonel laatst, in stede van het commando te geven, een regel uit een uwer werken opzeide.’ –

– ‘Wij hadden bij ons een Kadet,’ zeide Reekalf, ‘wiens dood gij op uwe rekening hebt.’ –

– ‘Zijn dood!’ riep Helding in verbazing uit: ‘UEd. spot er mede.’ –

– ‘Volstrekt niet: hij wilde uw schrijftrant navolgen en heeft zich, uit wanhoop over het mislukken zijner pogingen, een kogel door ’t hoofd gejaagd.’ –

– ‘Wel is het mogelijk?’ hernam Helding, de handen van verbazing in elkaêr slaande: ‘ik ben er waarachtig van ontsteld.’ –

– ‘Toe geschwind! trink tan eens tegen den schrik,’ zeide Weinstübe, hem inschenkende.

– ‘Voor den drommel!’ zeide van Ranst: ‘ik, die hier zit, heb al zes officieren van de Guarde in tweegevecht overhoop gestoken, omdat zij ontkenden, dat Helding de eerste dichter van het gemeenebest ware.’ –

– ‘Hemel beware ons!’ riep de goede Helding uit, verschrikt op zijde schuivende; want van Ranst, die een groote zwaarlijvige kaerel was met dikke knevels en bakkebaarden, zag er indedaad vervaarlijk uit.

– ‘UEd. is immers,’ hervatte Contour, ‘de maker van dat lieve dichtstukje op… hoe heet het ook?… Eilieve Reekalf! help mij eens op den weg.’ –

– ‘Wel ja! van dat geestige gedichtje, dat wij te samen lazen,’ zeide deze.

– ‘Welk bedoelt UEd.?’ vroeg Helding, zijn oogen beurtelings van den eenen naar den anderen wendende: ‘ik kan niet nagaan….’ –

– ‘Wel! dat verliefde stukje,’ zeide van Ranst: ‘ik heb het den vijfden van mijn weerpartijders nog in de ooren geschreeuwd, toen ik hem den kop gekloofd had; maar nu ben ik het waarachtig vergeten.’ –

– ‘Dat waar eine frolijke manier om hum naar de eeuwigkeit te promenieren laten,’ zeide Weinstübe.

– ‘Misschien,’ zeide Helding, meent UEd. dat gedichtje op het kuiltje in het kinnetje van Phyllis!’ –

– ‘Juist!’ antwoordde Contour: ‘’t geen aldus begint.. och! hoe begint het ook weer?’ –

– ‘ Lief kuiltje! …’ hief Helding aan.

– ‘Juist: lief kuiltje … Stilte, mijne Heeren! – Ga voort, mijn waarde Heer Helding!’ –

– ‘Ja! maak dat wij uit dat kuiltje komen,’ zeide Lodewijk. – En Helding, die alles voor goede munt opnam, hief op deze wijze aan:

‘Lief Kuiltje! waar de God der liefde in ligt verscholen,

Als in een zacht satijnen bed!…’

– ‘Een satijnen bed. – Juist! recht pöetisch!’ – viel Reekalf in.

‘Van waar hij pijltjens schiet, die in het wilde dolen,

Maar treffen steeds, en gloeiend zijn als kolen,

Wier vier elk hart in vlammen zet.’ –

– ‘Precies!’ zeide Contour: ‘er kwam van kolen in.’ –

– ‘Die kolen maken een lumineux effect,’ zeide Reynhove.

– ‘Wier vier het hart in vlammen zet,’

herhaalde Reekalf: ‘wat is dat aartig uitgedacht en geestig volgehouden: gloeiende kolen en een vlammend hart! Laten wij eens drinken, om dien geweldigen brand te blusschen. Uwe gezondheid, Monsieur Helding!’ –

– ‘Om u te bedanken, mijne Heeren!’ vervolgde hij: ‘maar het zal mijn tijd worden, om huiswaart te keeren.’ –

– ‘Ja!’ zeide ik: ‘ik begin ook te vinden, dat het laat genoeg wordt. Wij zullen een eind wegs samen gaan, vriend Helding!’ –

– ‘Wel ja! Waarom niet den geheelen weg,’ zeide Lodewijk, mij spottend aanziende: ‘dan kunt gij nog in ’t voorbijgaan een bezoek afleggen bij uw Dulcinea, die beneden hem woont. – Neen neen! Wij gaan allen samen heen.’ –

– ‘Ik heb geen Dulcinea, die beneden Helding woont,’ zeide ik, op een ernstigen toon: ‘en gij, mijn Heer Blaek! weet dat zoo goed als iemand.’ –

– ‘Nu! wij blijven ook niet lang meer,’ zeide Reynhove: ‘en wij gaan samen heen; – maar wij moeten toch het vervolg van het gedicht hooren.’ –

– ‘Kottorie neen!’ zeide Weinstübe: ‘wou je nu al opkrassen? het mooie moet nog ankomen.’ –

– ‘Wel! het zij zoo!’ hernam ik: ‘maar dan gaan wij ook.’ –

– ‘Als de Heeren het dan zoo verkiezen,’ zeide Helding: en hij vervolgde aldus met zijn gedicht:

‘Lief Kuiltje! zeg mij toch, indien gij ’t kunt verhalen,

En prent het mij ter degen in,

Hoe zijt gij toch ontstaan? en wat toch deedt u pralen,

Zoo schoon, als geen Apel het beter konde malen,

In ’t midden van die ronde kin?’ –

– ‘Bravo! bravo! – Maar drink eens, Helding! dat opzeggen moet u vermoeien na een zoo lange wandeling.’ –

– ‘In ’t minste niet: – nu antwoordt het Kuiltje, mijne Heeren!’

– ‘Een sprekend Kuiltje! hoe geestig!’ –

– ‘Toen Venus zelf ’t gelaat, waarin men mij ziet prijken,

Door hare gunst te voorschijn bracht,

Deed zij haar eigen merk in alle trekken blijken.

Zij schiep die schoone verf, waarvoor de roos moet wijken,

Die oogen, vol van tooverkracht.’ –

– ‘’t Is onnavolgbaar!’ galmde Reekalf uit.

– ‘Dat geestig kopje, rijk vercierd met blonde lokken,

Dien fijnen neus, zoo wel besneen,

Dien wenkbraauwboog, om ’t oog zoo zuiver heengetrokken,

Dat mondje, slechts bestemd tot kussen en tot jokken.’ –

– ‘Foei! Jokte Phyllis?’ merkte Reynhove binnensmonds aan.

– ’t Komt zoo in ’t rijm te pas,’ fluisterde ik hem toe.’ –

– ‘Jokken beteekent hier zoo veel als schertsen,’ zeide Helding, aan wiens naauwluisterend oor de aanmerking niet ontsnapt was. Hij vervolgde:

– ‘Die tandjens, wit als elpenbeen.’ –

‘Toen zei zij: ‘aan mijn werk mag heden niets ontbreken,

En, als de moeder van de min,

Wil ik, hetgeen ik schiep, doen prijken met een teeken,

Dat elk herkenn’. ‘Zoo sprak ze, en drukte, al onder ’t spreken,

Haar duimpjen in de kin.’ –

Hier werd dit kreupele rijm vervangen door een algemeen concert van toejuichingen, en zoovele gezondheden den maker gebracht, dat ik begon berouw te gevoelen, van hem niet voor het einde van het gedicht te hebben medegevoerd; daar ik wel voorzag, dat hij den hem gespreiden strik niet ontgaan zoude. Vreezende bovendien, dat ook de overigen, terwijl zij hem de laag gaven, zelve mede hunne bekomst zouden krijgen, rees ik op en wenschte nu de eerste gelegenheid te baat te nemen om te vertrekken, en, zoo mogelijk, Helding mede te krijgen, toen het gesprek op eens een wending begon te nemen, welke mij blijven deed.

– ‘Wat ik bovenal admireer,’ zeide Reynhove, terwijl hij den dichter bij zijn knoopsgat hield, ‘is de varieteit, respireerende in de differente pöesies, die gij aan Mejuffrouw Blaek hebt gededieerd. Zeker heeft u het sujet geinspireerd.’ –

– ‘Ongetwijfeld, mijn Heer!’ zeide Helding: ‘wie zoude niet in heilig vuur ontstoken raken, wanneer hij zulk een engel moet bezingen? Zouden wig hare gezondheid niet eens drinken, mijne Heeren?’ –

Ik gevoelde een hoogst onaangename gewaarwording, en het was mij, of de naam van Henriëtte ontheiligd werd, dat men dien bij een gelegenheid als deze dorst uitspreken. Dan ik had spoedig meer gegronde reden tot ontevredenheid.

De gezondheid van Mejuffrouw Blaek werd gedronken, en die elendige Weinstübe voegde er bij: ‘dat is eene gonditie, die onze frund Plaek zich vooral wel zal aantrekken wollen. Immers! hoe staat es? Pinje al këenkacheerd met haar? En wanneer sollen wir op je prijloft tansen?’ –

– ‘Niet zoo mal,’ antwoordde Lodewijk: ‘zij is geen onaartig bekje, en zij zou wel willen, geloof ik; maar wij zullen er niet aan doen.’ –

Ik gevoelde een innigen trek, om den pochhans op zijn gezicht te trommelen – en bedwong slechts met moeite mijn toorn.

– ‘Maar toch, Plaek!’ zeide Weinstübe: ‘man sagt, der Herr papa wil mit alle kraft und keweld, dat je haar trauwen solt.’ –

– ‘Ja! dat heeft den ouwe zich in ’t hoofd gezet, Joost weet waarom! althands hij gunt haar aan geen anderen.’ – Hier zag hij mij aan met een schampere uitdrukking, die mij het bloed in ’t aangezicht deed stijgen: ‘doch,’ vervolgde hij: ‘als ik ooit zoo gek worde om mijn vrijheid te verkoopen, zal ik ten minste een half millioentje in ruil moeten hebben, en geen kale rot, die op haar best,’ enz . Hier bezigde hij eenige uitdrukkingen, te gemeen om herhaald te worden, maar die door Weinstübe en de officiers met een luid gelagch werden aangehoord.

Er had een hevige strijd in mijn binnenste plaats. Ik had te veel eerbied voor Henriëtte, om haar op zulk een tijd en plaats en in een diergelijk gezelschap tot onderwerp van een twist te doen strekken, en haar partij te trekken tegen haar eigen bloedverwant; maar aan een anderen kant was het in mijn oogen een elendige laagheid, te dulden, dat zij in mijn bijzijn het onderwerp moest strekken van zulk nietswaardig gesnap. Terwijl ik mijn denkbeelden zocht in orde te schikken, ten einde aan Blaek mijn ongenoegen op een betamende wijze te kennen te geven, kwam Reynhove mij voor en gaf mij daardoor de gezochte aanleiding ‘om mij, zonder stof tot opspraak te geven, in het onderhoud te mengen.

– ‘Vriend Blaek!’ zeide Reynhove: ‘gij doet verkeerd, aldus over uw cousine te spreken: zij is een charmant meisje, en zoude ook zonder geld in staat zijn, iemand gelukkig te maken, die haar wist te apprecieren: en daar zijt gij de man niet naar.’ –

– ‘Dunkt u dat?’ vroeg Lodewijk: ‘welnu! trouw haar dan zelf: en geluk er mede.’ –

– ‘Het verwondert mij,’ sprak ik nu op mijne beurt, ‘dat de Heer Blaek op een zoo losse wijze spreekt van een naastbestaande, die wellicht door geene onzer jonge dames overtroffen wordt, en wier zedigheid althands boven alle lofspraak verheven is,’ –

– ‘Wat weet gij daarvan?’ vroeg Lodewijk: ‘omdat gij een paar keeren alleen met de meid geweest zijt, en zij tegen u misschien de preutsche gespeeld heeft, denkt gij, dat zij tegen een iegelijk zoo zijn moet. Loop heen! wij weten, wat wij weten.’ –

– ‘Ik weet,’ zeide ik, ‘dat ik in twijfel sta, of ik uwe taal met den naam van laster of met dien van kinderpraat moet bestempelen.’ –

– ‘Wat!’ riep Lodewijk uit, terwijl hij opstoof van zijn stoel: ‘weet gij wel wat gij zegt?’ –

– ‘Niet alleen, dat ik het weet; maar ik ben bereid, het te herhalen, en geen woord meer te verdragen ten nadeele van Mejuffrouw uw nicht.’ –

– ‘En wie duivel heeft u opgedragen, haar ridder te zijn?’ vroeg Lodewijk: ‘maar dat is hetzelfde: wij zullen elkander nader spreken, mijn Heer Huyck!’ –

– ‘Ik ben uw seconde, Blaek!’ zeide van Ranst, zich oprichtende, en de breede borst omhoog zettende.

– ‘Ja kottorie! dat kunje niet onder je laten, Plaek!’ zeide Weinstübe.

– ‘Wees toch zoo dwaas niet, Blaek!’ zeide Reynhove, tusschen beiden tredende: ‘onze vriend Huyck heeft perfect gelijk. Gij hebt op een impardonnable wijze van uw nicht gesproken: en gij zoudt de zaak niet amelioreeren, door er verdere suites aan te geven. Laat alles liever en état blijven, haar naam niet meer geprononceerd, en de quaestie afgedronken worden.’ –

– ‘Ja!’ mompelde Helding: ‘dat is naar mijn hart gesproken: laat de quaestie afgedronken worden.’ –

– ‘De Heer Reynhove heeft volmaakt gelijk,’ zeide Contour tegen Lodewijk: ‘gij kunt niet vechten tegen iemand, die het opneemt voor uw eigen nicht.’ –

– ‘Ja! das ist auch waar,’ zeide Weinstübe: ‘laten wij er maar nicht meer over spreken und een klaasje van friendschap trinken.’ –

– ‘Met genoegen!’ zeide Lodewijk: ‘indien Huyck mij naar behooren excuus wil vragen voor de onbehoorlijke taal, die hij zich jegens mij heeft veroorloofd.’ –

– ‘Ik geloof,’ zeide ik, ‘dat mijne uitdrukkingen gematigd genoeg zijn geweest, en kan geene verschoning vragen voor hetgeen ik op goede gronden gezegd heb. Dit alleen wil ik verklaren, dat ik geen oogmerk had, u te beledigen, maar alleen de eer van Mejuffrouw uw nicht tegen allen blaam te handhaven.’ –

– ‘Die reparatie moet u genoeg wezen, Blaek!’ zeide Reynhove: ‘kom! wees geen kind en begin geen dispuut, waardoor gij uzelf een ridicule zoudt geven. – De eer van een jong meisje is een teeder punt en behoort niet zoo lichtvaardig onder een glas wijn gecompromitteerd te worden.’ –

– ‘Ach ja!’ zeide Helding, terwijl Lodewijk, hoezeer onwillig, het glas aannam, dat Contour hem opdrong: ‘de eer van een meisje is een teeder punt. Och! mijn Klaartje! mijn Klaartje! wanneer men zoo los over u sprak, niemand zoude het voor u willen opnemen!’ – Hier liepen de tranen den man, wien de wijn in een aandoenlijke stemming gebracht had, langs de wangen.

– ‘Was ist das!’ vroeg Weinstübe: ‘wat hebje te hijlen und te lamenteeren? Trink liever een schlok, dan dat je zoo staat te balken.’ –

– ‘Och! mijn waarde Heer!’ zeide Helding, terwijl hij den aangeboden roemer al snikkend ledigde: ‘ik kan nooit over een lief meisje hooren spreken, of ik denk om mijn arme dochter, die ook eens zoo braaf en goed was, en thands,… och! och! – mijn Heer Lodewijk zal zich wel herinneren, welk een braaf, beminnelijk schepseltje het was, alvorens een schelm haar… och! och!’ –

– ‘Ik!’ zeide Lodewijk, terwijl hij bleek werd, het zij door de uitwerking van den wijn, of uit eenige andere oorzaak: ‘wat weet ik van uwe dochter af?.. Doch ja!.. ik herinner mij.. zij is het pad opgegaan, niet waar?’ –

– ‘Ja mijn Heer!’ antwoordde Helding, blijkbaar door de woorden van Lodewijk beledigd, en hem aanziende met een vrijmoedigen blik; want de kracht des wijns had de afstanden tusschen hen gelijk gemaakt: ‘zij is het pad opgegaan: en ik kan het zonder blozen zeggen; want ik heb haar altijd het goede voorgehouden en lief gehad: – en haar schande komt alleen op den schelm neer, die haar bedorven heeft. Zie mijne Heeren! ik ben maar een oude, afgeleefde vent; maar indien ik den verleider wist, die mijn geluk verstoord heeft; ik zoude hem opzoeken en in ’t aangezicht slaan. Neemt het mij niet kwalijk, mijne Heeren! Gij allen zijt nog jong en neemt het misschien zoo naauw niet; maar indien gij nadacht, hoe uwe onbezonnenheden iemands geluk voor eeuwig kunnen verstoren, gij zoudt over zulke onderwerpen niet schertsen. Och! Ik zou al die vaerzen, welke UEd. geprezen hebt, met vermaak op het vuur gooien, indien ik daardoor slechts mijn arme dochter terug had.’ –

Helding had op dit oogenblik iets ernstigs, iets waardigs in zijn houding: het gevoel van eigenwaarde, dat anders bij hem sluimerde en hem elken hoon lafhartig deed slikken, was opgewekt geworden nu het zijn dochter gold: de wijn had hem vrijmoedigheid geschonken om zich te uiten, en de beschroomde, laffe, kruipende tafelschuimer had in mijn oog iets eerbiedwekkends verkregen. – Het was echter niet meer dan een flikkervlam, bestemd om even spoedig te zijn uitgedoofd als zij ontstaan was.

Het scheen, dat zijn zedepreek Lodewijk en zijn vrienden weinig aanstond; althands de eerste deed weldra het voorstel, om de paarden te gaan bezoeken: en ik nam deze gelegenheid waar, om den dichter te beduiden dat wij nu lang genoeg gebleven waren en het tijd werd om naar huis te gaan. Na een korte tegenstribbeling liet hij zich gezeggen, en, afscheid van het gezelschap genomen hebbende, verlieten wij de herberg.

DigitalDroom Reader

Hoofdstuk XXVII

XXVII / XXXIX

Ik had nog naauwlijks twintig stappen stadwaarts gedaan, toen diezelfde Helding, die even te voren zoo verstandig gesproken had, mij plotslings bij den arm nam: ‘het is toch zonde en jammer,’ zeide hij, ‘te moeten aftrekken, zoolang er nog zulke goede wijn in de flesch is.’ –

Ik zag hem aan: de oogen puilden hem uit het hoofd; en een misstap, dien hij op dat oogenblik deed, en waardoor hij bijkans tegen mij aantuimelde, deden mij overtuigend zien, dat hij dronken was, althands, door den plotslingen overgang uit de warme koepel in de lucht, bevangen geraakt.

– ‘Hou u maar bedaard! vriend Helding!’ zeide ik: ‘en laat ons voortstappen, zonder de menschen te dwingen van naar ons te kijken.’ –

Wij wandelden verder op, en ik deed mijn best, den sukkel voorttekrijgen, die bij elken stap tegen mij aankwakte en met de beenen al de bewegingen maakte van een schaatserijder. Het begon gelukkig al te schemeren, en er waren weinig menschen meer voor de herbergen; maar ik schaamde mij toch om met een dronken man de poort in te komen. Reeds had ik een paar keeren stil gestaan en rond gezien naar iemand om een rijtuig te bestellen, toen tot mijn blijdschap Reynhove met twee der Officiers ons achter op kwam geloopen. Ik wenkte hun toe en zij hadden niet veel moeite om te zien hoe de zaak geschapen stond. De Hagenaar bood mij terstond zijn hulp aan; doch de beide anderen, die waarschijnlijk haast hadden, wenschten ons in ’t voorbijgaan pleizierige wandeling en stapten voort zonder zich wijders over ons te bekommeren. Reynhove nam nu Helding bij den anderen arm en op die wijze gelukte het ons, hem tot in de poort te krijgen. Op het Haarlemmerplein gekomen, bestelden wij een slede en pakten onzen maat, die zoo gedwee als een schaap was en nergens meer bezef van had, daarin, terwijl wij gëarmd naast het voertuig voort bleven wandelen. Ik vroeg aan Reynhove, hoe het met zijn paard gesteld was.

– ‘O!’ zeide Reynhove: ‘het is zoo gezond als een visch. Ik laat het uit precautie op stal staan; moest hij morgen weer aan de gang, hij zou aan de blessen van Blaek des noods een zeshonderd roê vooruit geven; want, wat die betreft, ik geloof niet, dat hij er ooit weer mede zal kunnen rijden.’ –

– ‘Dit is dan,’ zeide ik, ‘een weddingschap geweest, waar niemand bij gewonnen heeft; gij zijt het geld kwijt, en Blaek een paar brave paarden.’ –

– ‘Hij verliest er meer bij dan ik,’ zeide Reynhove, lagchende.

– ‘Ik zie niet, dat zulks u eenige troost kan geven, dat twee edele schepselen buiten gebruik raken en het wellicht met den dood bekoopen; terwijl zij, buiten deze dwaasheden, den eigenaar tot nut en genoegen hadden kunnen strekken.’ –

– ‘ Ma foi! het is hun lot! waar zijn de harddravers voor anders als om te loopen? Gij zult toch een echt nationale gewoonte als de harddraverijen niet willen condemneeren?’ –

– ‘Volstrekt niet,’ hernam ik: ‘maar de paarden, welke men daartoe bezigt, worden er uitdrukkelijk toe bestemd, en door een gestadige oefening bekwaam gemaakt om het lang uittehouden en sterke beweging te doen zonder nadeel voor hun gezondheid: en bovendien bereden door lieden, die de noodige zorg dragen, dat zij zich niet boven hun krachten inspannen. Wat ik veroordeel, zijn die bijzondere weddingschappen, waarbij welopgevoede lieden zich met rostuischers gelijk stellen, hun paarden slaan, mishandelen en bederven, en per slot slechts een schralen roem inoogsten. Ik geloof, dat ik mij des te vrijer jegens u aldus mag uitlaten, omdat ik bespeurd heb, dat gij, uit liefde voor uw beest en om het niet te bederven, de kans der overwinning verspeeld hebt. Doch juist dit toont aan, dat gij althands voor dergelijke grappen de man niet zijt. Om die mede te doen, moet men beginnen met alle gevoel van deernis uitteschudden.’ –

– ‘Ik geloof, dat gij gelijkt hebt,’ zeide Reynhove: ‘ mais que voulez-vous? ’ –

– ‘Gij althands,’ vervolgde ik, ‘zoudt niet handelen, gelijk Blaek gedaan heeft ten opzichte van Velters. Gij ziet, waar die paardekoopers-zedekunde toe brengt.’ –

– ‘Ik verzeker u,’ zeide Reynhove, ‘dat, toen ik kennis maakte met Lodewijk, ik hem voor een bon compagnon aanzag, die wellicht zijn gebreken had, maar rond en voor de vuist was; – maar hij is mij erg tegengevallen: – en dan, de manier, waarop hij over zijn cousine spreekt! – foei! – Apropos! is het een indiscretie, u te vragen, of gij vues op haar hebt?’ –

– ‘’t Is nu de tijd niet; daarover te spreken,’ antwoordde ik, ongenegen hem tot mijn vertrouweling te maken.

– ‘Integendeel!’ hernam hij: ‘en gij behoeft voor mij niet te vreezen: – er zal tusschen ons geen rivaliteit bestaan. – Maar wat kan de reden zijn, dat haar oom zoo geweldig op een huwelijk tusschen haar en Lodewijk gesteld is, en zich daar zoo zonderling en dringend over uitlaat?’ –

– ‘Heeft hij dat in uw bijzijn gedaan?’ vroeg ik, verrast.

– ‘Aha! – die vraag is een antwoord op hetgeen ik zoo even vroeg: – In mijn bijzijn? mieux que ça . Tegen mij zelven, vriendlief!’ –

– ‘Hoe dat?’ –

– ‘Luister eens. In de gepasseerde nacht lag ik gerust op mijn bed, toen op eens de deur van mijn slaapkamer wordt opengedaan: ‘wie is daar?’ vraag ik. – Geen antwoord. – Ik ga overeind in mijn bed zitten, en zie: daar nadert mij een lange gestalte, blootsvoets en ’t lijf in een nachtjapon gewikkeld, met een slaapmuts op en een kaars in de hand, die naar mij toetreedt. Het was de oude Heer Blaek.’ –

– ‘Indedaad! En wat kwam die u vertellen?’ –

– ‘Daarnaar was ik niet minder nieuwsgierig dan gij. “Mijn God! mijn Heer Blaek! Wat is er gebeurd?” vroeg ik. – Maar hij, zonder mij te antwoorden, zette de kaars op de tafel, en, een stoel nemende, plaatste hij zich aan het hoofdeneind van mijn bed. Toen bemerkte ik eerst, dat hij een slaapwandelaar was.’ –

– ‘En hij sprak met u?’ –

– ‘Hij nam mijne hand tusschen de zijne, en toen, mij met een gelaat vol angst aanziende: “om Gods wil, Lodewijk!” zeide hij: “maak uw ouden vader niet ongelukkig. Heb medelijden met mij. Geef mij de rust mijner ziel weer en neem Henriëtte tot vrouw. Ik heb heden weer een aanzoek voor haar afgeslagen.”’ –

– ‘Hij zeide dit!’ –

– ‘Ik herhaal u zijn eigen woorden: “O! wist gij,” vervolgde hij, “wat het zegt, jaren lang de folteringen des gewetens te gevoelen en slechts één middel tot herstel van het misdrijf te kennen? Het is in uwe macht, mijn Lodewijk, mij de rust terug te geven. Ik heb u altijd uwen wil laten doen: – ik heb u wellicht te veel lief gehad: ja! God weet het: veel te veel: – doe gij dan het eenige wat gij voor mij doen kunt.”’ –

– ‘Onbegrijpelijk! En welk geheim kan het zijn, dat hem zoo zwaar op het hart ligt?’ –

– ‘Ik weet het niet; en ik was liever de kamer uitgeloopen, dan op een zoodanige wijze de confident te worden van iemand, aan wiens huis ik hospitaliteit geniet. – De slapende vervolgde: “gij weet het niet, waarom ik zoo sterk op dat huwelijk insteer. En gij zult het ook nooit weten dan in de ure mijns doods. En die zal niet verre meer verwijderd zijn, indien gij aldus voortgaat, mijn beden te weerstreven.”’ –

– ‘Schrikkelijk! En wat toch kan het zijn, dat hier achter schuilt?’ –

– ‘Het tooneel begon mij te verveelen. Ik trok mijn hand los, en kroop zoo dicht tegen den wand, dat ik buiten zijn bereik lag. Hij tastte nog eenige oogenblikken naar mij, zuchtte toen diep, rees op, nam den kandelaar en trok af gelijk hij gekomen was.’ –

– ‘Ik zoude dit geval maar niet rond vertellen,’ zeide ik: ‘hetgeen u gezegd is, was niet voor uwe ooren bestemd, en openhartig gezegd, steekt er niet een soort van misbruik van vertrouwen in, het aan derdens medetedeelen?’ –

– ‘Dat zegt gij nu gij ’t weet,’ zeide Reynhove, lagchende: ‘maar gij hebt gelijk, en ik zoude het u ook niet verhaald hebben, dacht ik niet, dat het u interesseeren kon en u den sleutel geven van het refus, dat gij geleden hebt. Aan Lodewijk echter heb ik gemeend het te moeten zeggen, die er hartelijk om heeft gelagchen, en gezegd, dat hem dergelijke bezoeken zoo dikwijls gebeurden, tot hij eindelijk de resolutie had genomen, van zijn deur te sluiten, wanneer hij naar bed ging. – Ik geloof, dat ik zijn voorbeeld volgen zal voor de weinige dagen, die ik nog denk te blijven; want ik ben niet op de herhaling dier visites gesteld en zoude wellicht meer hooren, dan mij aangenaam ware.’ –

– ‘Denkt gij spoedig weer naar den Haag te gaan?’ –

– ‘Ik geloof van ja: ik verlang met die Blaeken niet intiem te worden: en bovendien, uw vader heeft mij een goeden raad gegeven: en het zal den mijnen aangenaam zijn, indien ik mij in deze of gene carrière begeef. – Voor mijn vertrek echter, kom ik stellig nog eens ten uwent aan.’ –

Wij spraken nu over onverschillige zaken, tot dat wij ons aan de deur der woning van Heynsz bevonden. Mijn oogmerk was om, ten einde de gelegenheid te vermijden van Amelia op nieuw te ontmoeten, onzen patiënt aan Heynsz overteleveren, en dezen de verdere bezorging op te dragen. Doch de huisheer was uit: en, daar de meid natuurlijk geen kans zag, om Helding, die gevoelloos als een blok in de slede lag, naar de derde verdieping te sjouwen, zagen wij ons genoodzaakt, deze taak zelve te aanvaarden. Juist op het oogenblik, dat wij den pöeet uit de slede tilden, kwam Lodewijk aangeloopen, gevolgd van zijn bediende. ‘Zoo! zeide hij: ‘zijt gij daar eindelijk? Ik heb mij in ’t zweet geloopen, om u in te halen. Gij vergeet, dat ik ook bij de grap hoor.’ –

Dit zeggende, pakte hij mede een been van Helding aan; doch ik bemerkte dadelijk, dat zijne hulp ons weinig baten zoude; want hij waggelde zelf, en had allen schijn van onder den invloed van den wijn te handelen. Ook liet hij, zoodra wij den beschonkene de beneden trappen opgesjouwd hadden, dezen los, en ging op het poortaal zitten. Intusschen sleepten wij Helding hooger op; maar ik had in ’t voorbijgaan gemerkt, dat de deur van Ameliaas kamer even was gëopend geworden, en dat haar vader, waarschijnlijk ongerust over het buitengewoon gedruis, om ’t hoekje gekeken had. Lodewijk, die misschien ook niet zonder doel was achtergebleven, had hem ook bespeurd, was weder opgestaan en de kamer van Amelia binnengetreden. Ik zag dit met een zwenk:

– ‘O wee!’ zeide ik tegen Reynhove: ‘laten wij ons haasten: anders komt er gekheid daar beneden.’ –

Wij leiden dan ook, zonder verderen omslag te maken, den snorkenden Helding op zijn bed, en stoven de trappen weer af. De deur van Ameliaas kamer stond open: zij zelve zat aan haar werktafel, bleek van schrik, en met de handen krampachtig saamgevouwen. Haar vader stond midden in het vertrek, met de armen over elkander geslagen, en staarde Lodewijk aan, die naauwlijks op de beenen staan kon en al vloekende uitriep:

– ‘Nu zie ik het eindelijk, Juffertje! – Al wilje mij niet tot galant, gij ontfangt toch visites van Heeren. – Voor Huyck blijft de deur niet gesloten, en wie is deze snaak? Zeker de betaalmeester en chef! He?’ –

– ‘Blaek!’ riepen Reynhove en ik, hem van weerszijden bij de hand nemende: ‘Stel u toch zoo niet aan. – Ga met ons!’ –

– ‘Met uw verlof!’ zeide Bos: ‘is deze de Heer Blaek, die de onbeschaamdheid heeft gehad, aan mijne dochter schandelijke voorstellen te doen?’ –

– ‘Uwe dochter!’ herhaalde Lodewijk, een oogenblik verrast: ‘nu ja! wat doet het er toe?’ vervolgde hij, met zijn gewone onbeschaamdheid: ‘ik heb haar rijk willen maken: en zoo gij een verstandig man zijt, zulje er niets tegen hebben. Er steekt immers geen kwaad in, op een mooi meisje te verlieven? – En zij neemt ook wel presenten aan, al houdt zij zich fijn.’ –

– ‘Wacht!’ zeide Bos: en meteen, een lade openhalende, kreeg hij het doosje met juweelen voor den dag, en stak het Lodewijk tusschen vest en hemd; waarna hij, zonder er een woord bij te voegen, hem met de andere hand een heftigen slag in ’t aangezicht gaf.

– ‘Mijn Heer!’ zeide Reynhove, onthutst: ‘wij zullen wel zorgen, dat hij u niet incommodeert; maar zoo gij hem slaat, laten wij hem los.’ –

– ‘Mijne Heeren!’ zeide Bos, op een bedaarden toon: ‘hij bekomt niet als het honderdste gedeelte van hetgeen hij verdient: en het is hoog noodig, dat hij eens leere, hoe hij hier in ’t vervolg ontfangen zal worden.’ –

– ‘Gij zult het mij betalen,’ brulde Lodewijk, pogingen aanwendende om zich los te rukken: ‘houdt mij niet vast, lamme, valsche vrienden die gij zijt! Pieter! mijn zweep! Ik wil dien schoft mores leeren.’ –

En Pieter, die geen hair beter was dan zijn Heer, stormde binnen en kwam met opgeheven zweep op Bos aan. Ik sprong tusschen beide; maar zag mij hierdoor genoodzaakt, Lodewijk los te laten, die, zich nu ook van Reynhove bevrijdende, als een razende Roeland op Bos toeschoot. Maar deze, hem zonder schroom afwachtende, greep hem met de eene hand in den das en met de andere in den gordel, droeg hem, ondanks zijn tegenspartelen, de deur uit en smeet hem toen van al de trappen af.

– ‘O God! wat zal het gevolg van dit alles zijn?’ riep Amelia: ‘mijn Heer Huyck! in ’s Hemels naam! – Help hem toch aan ’t bedaren.’ –

– ‘Ga uw Heer oprapen,’ zeide Bos, terugkeerende, tegen Pieter: ‘of ik zal u denzelfden weg wijzen.’ –

Pieter, hoewel anders een onbeschofte, ruwe kaerel, en voor geen kleintje vervaard, scheen echter ongenegen een nieuw bewijs uittelokken van de kracht des forschgespierden mans, die voor hem stond, en begaf zich, zonder een tweede bevel aftewachten, naar beneden. Reynhove trad nader: ‘is dit niet wat hard geprocedeerd, mijn Heer?’ vroeg hij: ‘onze vriend is een weinig beschonken, en…’

– ‘En ik behandel hem als zoodanig,’ zeide Bos: gij zult mij genoegen doen, hem te volgen: ik verlang vrij op mijne kamer te zijn, en van bezoeken verschoond te blijven. – Mijn Heer Huyck! een woord met u, eer gij gaat.’ –

– ‘Ik verlaat u, mijn Heer!’ zeide Reynhove: ‘want ik erken, dat gij hier meester zijt; maar permitteer mij om u te zeggen, dat ik hier toevallig ben ingekomen, en wel, om een dispuut, dat ik vreesde, te prevenieeren: en dat ik uwe forsche manier van ageeren jegens iemand, die zich niet wel defendeeren kan, nimmer zal approbeeren.’ –

– ‘Al genoeg!’ hernam Bos, met een beweging van ongeduld: en terwijl hij hem de deur wees. Reynhove haalde de schouders op, boog zich voor Amelia, gaf Bos zijn trotschen blik terug en vertrok.

– ‘Wat is de aanleiding van dit tooneel?’ vroeg Bos, zoodra hij weg was: ‘ik had niet verwacht, dat dergelijke onaangenaamheden herhaald zouden worden.’ –

Ik gaf hem een kort verslag van de oorzaak onzer komst en betuigde, hoezeer het mijzelf speet, zonder opzet op nieuw in een geschil als dit gewikkeld te zijn geweest.

– ‘’t Is wel!’ zeide hij: ‘ik geloof u: en ik ben overtuigd, dat ik niets van den Heer Huyck te wachten had, als wat betamelijk en voegzaam is.

– ‘De Hemel geve,’ zeide Amelia, ‘dat deze ontmoeting geen onaangename gevolgen voor u hebbe.’ –

– ‘Dat ware van weinig aanbelang,’ zeide ik: ‘maar zij kan de aandacht der Justitie trekken: en zoo Blaek, om zich te wreken, een beklag inlevert, vrees ik, dat UEd. wellicht niet langer hier veilig zult zijn.’ –

– ‘Het is zeker, dat ons alles te duchten staat,’ zeide Bos: ‘maar het baat mij niet, of ik angstig de toekomst inzie: ik heb mij in erger gevaren bevonden, en mijn gestarnte heeft mij immer daaruit gered. Tot nog toe schijnt men geen achterdocht jegens mij te voeden: en wellicht heb ik slechts twee dagen meer noodig, om mijn zaken hier af te doen en dit land voor altijd te verlaten.’ –

– ‘Vlei u niet te veel,’ zeide ik, het hoofd schuddende: ‘UEd. begaat onvoorzichtigheden. – Of is het geene onvoorzichtigheid, aan de zuster van den Hoofdschout een bezoek te geven?’ –

– ‘Integendeel!’ zeide hij: ‘niets is meer geschikt, om de vermoedens af te wenden; – maar ik wil u niet langer ophouden. Vaarwel! En dat de Hemel met u zij.’ –

Ik vertrok. Op straat gekomen, zag ik de slede vertrekken, met den bediende van Lodewijk er naast, terwijl Reynhove mij nog stond af te wachten.

– ‘Ik heb Blaek aangeraden, om van dit équipage gebruik te maken,’ zeide hij: ‘maar verhaal mij, bid ik u, wie is toch die Sinjeur daarboven, die een paar vuisten heeft als een smidsgezel, en een houding als een Burgemeester? Gij schijnt hem te kennen.’ –

Ik was op deze vraag voorbereid, en antwoordde zonder aarzelen: ‘dien Heer heb ik laatst op een dichterskrans bij Helding ontmoet: zijn rechten naam weet ik u niet te zeggen.’ –

– ‘ Ma foi! hij heeft een schoone dochter, en ik begrijp licht, dat Lodewijk er een kansje op wagen wilde; – maar in allen gevalle heeft de oude Heer het toch wat erg gemaakt en ik zal het Lodewijk niet kwalijk nemen, indien hij hem satisfactie vraagt wegens de geleden injurie; – zoo namelijk die Heer een man is, aan wien men, zonder zich te compromitteeren, een uitdaging zenden kan.’ –

– ‘Lodewijk zal, hoop ik, verstandiger zijn,’ zeide ik, beschroomd over de gevolgen, welke een zoodanige handelwijze ook voor mij zoude kunnen met zich brengen: ‘hij is de oorspronkelijke belediger geweest: en niemand zoude het toch kunnen goedkeuren, dat hij den vader voor den degen eischte, omdat deze het voor zijn verongelijkte dochter had opgenomen.’ –

– ‘Dat is waar ook,’ zeide Reynhove: en gij moet niet denken, dat ik het gedrag van Lodewijk approuveer; – maar die andere, met zijn rooden rok, heeft het toch ook wat erg gemaakt…. Enfin! het is zoo als het is: – en nu zult gij mij niet kwalijk nemen, dat ik u verlaat en naar mijn logies ga: Lodewijk zoude anders met rede klagen, dat ik hem geheel aan zijn lot abandonneer: en ik zal toch al werks genoeg hebben, om hem te apaiseeren. – Vaarwel!’ –

Wij namen afscheid: Reynhove volgde den weg, dien de slede gegaan was, en ik trok naar huis. Waarschijnlijk droeg mijn gelaat eenige blijken van de gemoedsaandoeningen, door het gebeurde bij mij verwekt; althands mijn vader zag mij ernstig en mijn moeder eenigzins bezorgd aan, terwijl Susanna, toen ik, zonder van de laatste ontmoeting te reppen, in korte woorden verhaalde, dat ik in gezelschap met Blaek, Reynhove, enz. geweest was, mij verklaarde, dat zij mij op mijn verjaardag een zweepjen en een bokaaltjen zoude present doen, aangezien ik bij mijn overige beminnelijke hoedanigheden die van een rostuischer en een drinker scheen te willen voegen. Mijn moeder zuchtte, en mijn vader zeide bij het scheiden: ‘Ferdinand! te leur gestelde liefde kan somtijds tot dwaze stappen vervoeren. Neem u in acht.’ –

DigitalDroom Reader

Hoofdstuk XXVIII

XXVIII / XXXIX

Den volgenden dag op de beurs zijnde, werd ik aangesproken door den Makelaar Velters, die, na met mij eenige woorden gewisseld te hebben over de commissies, welke hij voor ons kantoor te verrichten had, mij vergunning verzocht, mij een eind weegs huiswaart te vergezellen. Ik verbeeldde mij, dat er deze of gene verkooping op handen ware, waarbij hij in aanmerking wenschte te komen en deswegens mijn voorspraak verlangde: en ik was niet weinig verwonderd, toen hij, zoodra wij de beurs verlaten hadden, mij vroeg, of het mij hetzelfde ware, de Pijpenmarkt om te loopen, dewijl wij daar minder gedrang zouden vinden en meer ongestoord kunnen spreken, dan op het Rok-in of in de Kalverstraat.

– ‘Is het zoo belangrijk?’ vroeg ik, verwonderd over deze geheimzinnige handelwijze: ‘waarom komt UEd. dan niet liever bij mij aan huis?’ –

– ‘Verschoon mij,’ was zijn antwoord: ‘maar het is beter, dat ik met UEd. spreek, voor dat UEd. te huis zijt.’ –

– ‘Er is toch geen samenzwering op handen,’ vroeg ik, lagchende, terwijl ik aan zijn verzoek voldeed en met hem den stillen weg ging, dien hij verkozen had. Naauwlijks waren wij op de Pijpenmarkt, of hij ving het gesprek aan door mij met warmte te danken, voor hetgeen ik ten zijnen behoeve gedaan had.

– ‘Gij meent, mijn voorspraak bij den Heer van Baalen,’ zeide ik: ‘maar lieve vriend! daarvoor hebt gij mij gisteren immers reeds aan de beurs uw dank betuigd.’ –

– ‘Daarvoor kan ik nooit dankbaar genoeg zijn,’ zeide hij: ‘maar ik bedoel een dienst van een anderen aart,… in die zaak over dat paard van den Heer Blaek: – niemand als UEd. kan mij die hebben bewezen.’ –

– ‘Gij zijt misleid,’ zeide ik, ‘of ik begrijp u niet. Ik verklaar u, dat ik eerst gisteren avond kennis ontfangen heb van die geheele geschiedenis.’ –

– ‘Nu! dat is om ’t even,’ zeide hij: ‘dat bewijst mij alleen, dat UEd. niet rust, zoodra UEd. het onrecht verneemt, om het ook te herstellen.’ –

– ‘Gij spreekt raadsels,’ hernam ik, ‘en wekt mijn nieuwsgierigheid op. Wat is er dan gebeurd? En welk onrecht is er hersteld? – In allen gevalle is het buiten mijn toedoen geschied.’ –

– ‘Wel!’ zeide Velters: ‘UEd. weet dan, op welke lage wijze de Heer Lodewijk Blaek mij misleid heeft. Hij dacht voorzeker, dat, omdat ik in zekere opzichten van zijn vader afhankelijk ben, hij met mij zoude kunnen handelen gelijk de leeuw in de fabel met zijn jachtgezellen; maar, toen ik de ware toedracht der zaak vernam, zegevierde mijn verontwaardiging boven alle andere bedenkingen en liep ik naar een Advocaat om raad te vragen. Deze stelde mij voor oogen, hoe dwaas het zijn zoude, tegen een vermogend man te procedeeren, ik, de aarden pot tegen de ijzeren. Zijn taal overreedde mij: ik besloot, hoe ongaarne ook, mijn wraakzucht op te geven, en dacht aan de zaak niet meer; dan, heden morgen vroeg ontfing ik een uitnoodiging om mij aan het kantoor van den Heer Hoofdschout te vervoegen. Ik kwam daar op den bepaalden tijd, meldde mij aan en werd terstond bij uw Heer vader binnengelaten, waar ik ook den schelmschen Jaspersz vond, die nu, door de scherpe ondervraging van den Heer Hoofdschout gedrongen, alles moest opbiechten. Uw Heer vader vroeg mij toen, of ik mijn geld terug begeerde, dan of ik vreesde, dat zulks mij nadeel in mijn betrekking zoude doen. Ik aarzelde een oogenblik; doch de zucht om te toonen, dat geene vrees voor geldelijke schade mij verhinderde mijn recht te zoeken, en de hoop, dat alle eerlijke lieden mijne partij nemen, en mij daarom hunne klandisie niet ontzeggen zouden, deden mij besluiten, aan Z.E. Gestr. te antwoorden, dat ik mijn geld gaarne terug zoude bekomen. Toen Z.E. Gestr. dit hoorde, gelastte hij, dat de Heer Lodewijk, die mede ontboden was, en in een ander vertrek toefde, zoude worden binnengeroepen. Hij kwam en stond eenigzins beteuterd, geloof ik, van mij en Jaspersz daar te zien. Uw Heer vader stelde hem op een treffende wijze het schandelijke van zijn gedrag voor oogen en besloot, met hem te zeggen, dat hij de som terug moest geven of de gevolgen van een proces wegens oplichterij afwachten. De jonge Heer bromde en pruttelde wel wat; doch beloofde eindelijk zulks te doen. Hij liet zich bij die gelegenheid ontvallen, dat UEd. het zeker waart, die den Heer Hoofdschout tegen hem had opgezet door de zaak te verdraaien. – Daaruit nam ik aanleiding om UEd. te houden voor dengene, die mijne voorspraak bij Z. Ed. Gestr. waart.’ –

– ‘Gij hadt het beide mis,’ zeide ik: ‘de Hoofdschout behoeft niet door zijn zoon onderricht te worden, om te weten wat er omgaat: en er is geene voorspraak bij hem noodig, om hem rechtvaardig te doen handelen.’ –

– ‘Maar dit is niet alles,’ vervolgde Velters: ‘in ’t heengaan herhaalde de Heer Lodewijk, dat hij zeer wel wist, aan wien hij dit alles te danken had, en dat niets dergelijks hem verwonderde van iemand, die hem in een vreemd huis lokte, om hem te mishandelen.’ –

– ‘Hoe! meende hij mij?’ riep ik uit, ontsteld en verontwaardigd tevens.

– ‘De Heer Hoofdschout vroeg hem terstond, wat die woorden te beduiden hadden, en zeide, dat zoo hij een klacht had in te brengen, al ware die tegen zijn eigen zoon gericht, hij daarmede dan terstond voor den dag moest komen. De Heer Blaek scheen zich nu een wijl te bedenken: en zeide vervolgens, dat hij de zaak liever blaauw blaauw zoude laten.’ –

– ‘Dat geloof ik wel,’ hernam ik: ‘hij kan door laster mij meer nadeel doen dan door een loijale aanklacht.’ –

– ‘Vervolgens,’ zeide Velters: ‘vroeg hem Z. Ed. Gestr., wie hem gisteren avond, ten huize van den Portretteur Heynsz van de trappen gesmeten had, en of UEd. dat gedaan hadt.’ –

– ‘Hoe! mijn vader wist dit reeds?.. maar waarover verwonder ik mij?’ –

– ‘“Mijn Heer!” zeide Blaek toen: “ik beschuldig voor als nog niemand; maar uw zoon heeft zich niet zoo gedragen, gelijk ik van een fatsoenlijk man verwachtende was. Zoo UEd. mijn knecht verkiest te hooren, zal deze u zeggen, dat uw zoon hem verhinderde mij ter hulpe te komen, terwijl een ander mij in de borst greep en mishandelde.”’ –

– ‘Die elendeling!’ riep ik: ‘voorzeker, als de zaak op die wijze wordt voorgedragen, moet mijne handelwijze vreemd en berispelijk schijnen.’ –

– ‘Z. Ed. Gestr. antwoordde niets; maar, na zich een korten tijd bedacht te hebben: “mijn Heer Blaek!” zeide hij: “wij zullen deze zaak nader onderzoeken: en hoe dat onderzoek ook afloope, wees verzekerd, dat wij UEd. recht zullen doen wedervaren.” – Daarmede kreeg de jonge Heer zijn afscheid. – Maar toen kwam er nog wat, en ik vrees daarbij verkeerd gehandeld te hebben. Uw Heer vader vroeg mij, zoodra wij alleen waren, of ik UEd. kende. Ik antwoordde toestemmend. “Ja!” zeide Z. Ed. Gestr.: “ik weet, gij hebt te samen een avond bij Monsieur Helding doorgebracht. Vergun mij, u eene vraag te doen. Is UEd. het niet, dien hij naar huis heeft gebracht?” – “Neen Ed. Gestrenge!” antwoordde ik, eenigzins verwonderd: “die eer heb ik niet gehad: uw zoon is vroeger vertrokken.” –

– ‘Ach!’ zeide ik: ‘daar begint de straf van mijn logen.’ –

– ‘Het ernstig gelaat van uw Heer vader,’ vervolgde Velters, ‘liet geen de minste verandering bespeuren: en toch was het mij, toen hij mij zeide, dat ik afgedaan had, als of zijn stem mij te kennen gaf, dat hij te onvrede was: en ik gevoelde, dat ik UEd. een kwade dienst gedaan had, door de waarheid te spreken. Dat smertte mij; – maar ik mocht toch niet liegen: – en nu, meende ik, ware het best, UEd. vooraf te waarschuwen van het voorgevallene, ten einde UEd. in staat te stellen, van naar bevind van zaken te handelen.’ –

– ‘Het is waar,’ zeide ik, na eenig stilzwijgen; ‘gij hebt mij een slechte dienst gedaan; maar God beware mij van te wenschen, dat gij om mijnentwille aan de waarheid zoudt hebben te kort gedaan. Ik heb, ofschoon om best wil, mij met een logen moeten behelpen, en dien er thands de gevolgen van te dragen. – Maar wij naderen ons huis: laten wij hier afscheid nemen: het zoude ook u in onaangenaamheden kunnen wikkelen, zoo men ons thands bij een zag. Geloof, dat ik u dankbaar blijf voor de dienst, mij door u bewezen: – al is die dienst genoegzaam geweest, om mij mijn eetlust voor dezen middag te benemen.’ –

Velters verliet mij en ik kwam in een vrij onaangename stemming te huis. Naauwlijks dorst ik de oogen opslaan toen ik binnen trad: mijn vader was ernstig en sprak weinig: mijn moeder zuchtte, zag mij nu en dan met een weemoedigen blik aan, en ik kon duidelijk aan haar gezwollen oogen bemerken, dat zij geweend had. Mijn zuster Susanna deed in den beginne eenige pogingen om het gesprek gaande te houden; doch zij bemerkte alras, dat zij zich vruchtelooze moeite gaf, en, onze afgetrokkenheid, althands die van mijn moeder en de mijne, waarschijnlijk toeschrijvende aan verdriet over het mislukken mijner vrijaadje, hield zij af en zweeg; zoodat ons middagmaal, zonder de kinderen, die nu en dan hun stem verhieven, veel op een Trappisten – vergadering zoude geleken hebben. – Zoodra het nagebed was gedaan, rees mijn vader op en zeide tot mij, dat het hem aangenaam zoude zijn, mij een oogenblik te spreken, indien namelijk mijn kantoorzaken – ‘of andere bezigheden,’ voegde hij er op een schamperen toon bij, ‘mij den tijd tot een kort onderhoud vergunden.’ –

Ik betuigde, dat ik tot zijn dienst was en volgde hem met een kloppend hart naar zijn studeervertrek. Aldaar gekomen, nam hij plaats en verzocht mij te gaan zitten, met een plechtigheid, die mij tot een slecht voorteeken strekte van hetgeen volgen zoude. Zijn gelaat stond strak als gewoonlijk; maar, behalve dien trek van ernst, was er in de bijna onmerkbare beweging van het oog en in de opgetrokken hoeken van den mond een uitdrukking van droefheid te lezen, die getuigde dat zijn ziel meer leed, dan hij verlangde dat zoude opgemerkt worden.’ –

– ‘Mijn Heer!’ zeide hij, na mij gedurende eenige oogenblikken te hebben aangezien, als had hij in het diepste mijns gemoeds willen lezen: ‘ik begin zeer goed te begrijpen, dat de Heer Blaek uw verdere kennismaking met zijn pupil niet heeft willen toelaten: en het doet mij leed, dat ik mij door de gebeden uwer goede moeder tot den dwazen stap, dien ik deed, heb laten bepraten.’ –

– ‘Hoe dat, Vader?’ vroeg ik, bevende: ‘een dwaze stap!.. Ik begrijp u niet.’ –

– ‘Ik prijs den voorzichtigen man,’ vervolgde mijn vader, ‘die het hem toevertrouwde pand niet wil overgeven aan iemand, wiens gedrag niet dan ongunstige waarborgen oplevert voor het toekomstig geluk zijner gade.’ –

– ‘Mijn gedrag!’ herhaalde ik, verblijd over de gedachte, dat ik mij ten minsten van die zijde onschuldig gevoelde: ‘wat kan de Heer Blaek mij te verwijten hebben?’ –

– ‘Hoe mijn Heer! – Iemand, die zich niet schaamt, op den dag zijner terugkomst bij zijn ouderen, den dag, waarop zijn hart alleen vervuld behoorde te zijn met reine en betamende gedachten aan het geluk dat hem te beurt viel, van zijns vaders huis en zijn betrekkingen in gezondheid terug te zien, die zeg ik, op zulk een dag zich niet schaamt, een maitres met zich te brengen en te kameren! die gedoogt, dat zijn vrome en niet erg denkende Tante in kennis kome met een slecht voorwerp: die, om zijn bezoeken bij haar te bewimpelen, mij wijs maakt, dat hij nachtwandelingen met Velters doet: die, van een dronkemanspartij terugkeerende, een medevrijer van de trappen laat smijten!..

quem frangere postes

Non pudet, et rixas inseruisse iuvat .

Gij ziet dat ik van alles onderricht ben… en die, onder de bedrijven, zich nog inbeeldt, dat hij aanspraak op de hand van een fatsoenlijk meisje kan maken! – Ferdinand! Ferdinand! hoe diep zijt gij gezonken.

Tantane te, fallax! cepere oblivia nostri? ’ –

– ‘Vader!’ zeide ik, met zooveel bedaardheid als ik machtig kon blijven: ‘van al wat UEd. daar opnoemt is er slechts eene aantijging waarop ik schuld bekennen moet: – namelijk, dat ik u voorgelogen heb betreffende mijn wandeling met Velters. – Wat mijn kennis betreft aan de Juffer, die bij Heynsz logeert, – deze schaam ik mij niet. UEd. hadt mij beloofd, daarnaar niet meer te vragen.’ –

– ‘Dit had ik gedaan, omdat ik een vast vertrouwen stelde in uw oprechtheid en in uw godsdienstig gevoel. – Maar nu gij eenmaal, gij bekent het zelf, mij bedrogen hebt in één punt, hoe wilt gij dan dat ik, in het overige, staat make op de woorden van iemand, quem non periuria terrent? Is het nu mijn plicht niet, als vader, die zijn zoon moet terughouden, wanneer hij hem met rassche schreden den weg ten verderve ziet inslaan, en als Hoofdschout, die voor de goede orde in de stad moet waken, een perk te stellen aan dergelijke ongeregeldheden?’ –

– ‘Ik ben wel te beklagen,’ zeide ik: ‘te meer, omdat mijn verdediging zoo gemakkelijk zoude zijn, indien mij niet een heilige, maar noodlottige plicht het spreken verbood.’ –

– ‘Het is genoeg, mijn Heer!’ zeide mijn vader, oprijzende: ‘Ik weet dergelijken kinderpraat op zijn waarde te schatten. Voortaan zullen uwe gangen worden nagegaan, daar kunt gij op rekenen. Als vader zal ik zorg dragen, dat gij mijn eerlijken naam geen verdere schande aandoet: als Hoofdschout zal ik waken, dat gij de goede orde in deze stad niet weder verstoort. – Gij hebt afgedaan: ik wil u niet langer ophouden.’ –

– ‘Neen mijn vader!’ riep ik uit, oprijzende en hem de hand drukkende, die hij niet gaf noch terug trok, maar bewegingloos in de mijne liet: ‘zoo kunnen wij niet scheiden: ik moet ten minsten de hoop medenemen, dat UEd. eenmaal mijn gedrag beter beoordeelen zult.’ –

Hier werd aan de geheime deur getikt: het was het sein van Heynsz.

– ‘Wacht een oogenblik!’ riep mijn vader, snel het hoofd omwendende: ‘maar neen!’ vervolgde hij, zich bezinnende: ‘het is beter zoo! – Binnen!’ –

Hij ging weder zitten. Heynsz trad de kamer in en zag mij eenigzins verwonderd aan.

– ‘Ga gerust uw gang,’ zeide mijn vader: ‘gij kent mijn zoon. Welk nieuws is er?’ –

Heynsz nam zijn boekje en begon te lezen:

– ‘N o . 1. De zielverkoopers op den Zeedijk hebben opgelicht twee knapen, die bezopen kwamen uit een nachthuis. Het zijn twee lichtmissen, daar niets aan is bedorven en die geteekend zijn met een zwarte kool.’ –

– ‘Om ’t even!’ zeide mijn vader: ‘er moet huiszoeking gedaan worden bij dat volkje, en de beide knapen zoowel als de zielverkoopers morgen voor mij gebracht worden. – Verder!’ –

– ‘N o . 2. De zoon van de Weduwe Lette is geprest door de zielverkoopers van de O.I. Compagnie. ’t Is wel jammer! Zulk een oppassende jongen: – de eenige kostwinner zijner moeder!’ –

– ‘’t Is jammer!’ herhaalde mijn vader, het hoofd schuddende: ‘maar hier valt niets aan te doen. Zorg, mij de woonplaats der Weduwe en haar bestaansmiddelen te doen weten. Het is niet meer dan billijk, dat de O.I. Compagnie haar onderhoude, nu zij haar haren zoon ontneemt.’ –

Ondanks de kwellingen, die mij bezig hielden, kon ik niet nalaten, een onaangename gewaarwording te gevoelen bij de gedachte, dat gewone zielverkoopers streng gestraft werden; terwijl de menschenroof, voor rekening der Compagnie gepleegd, onverhinderd zijn gang mocht gaan: en ik had een zucht over voor de arme Weduwe, aan welke men het verlies van een zoon met een geldelijke schadeloosstelling zoude denken te vergoeden. – En dan nog was ik verzekerd, dat het niet de Compagnie, maar mijn vader zoude zijn, van wien zij die aalmoes zoude bekomen.

Heynsz vervolgde zijn lijst:

– ‘N o . 3. Men is voornemens te bestelen heden avond het Pakhuis van de Wed. Pietersz en Comp. Een der dieven heeft zich laten opsluiten daarin, en zal de klokke 12 ure zijn makkers daar binnen laten.’

– ‘Wij zullen zorgen,’ zeide mijn vader, ‘dat zij er niet alleen hun maat, maar ook nog een behoorlijk aantal dienaars in vinden.’ –

– ‘N o . 4. Het gouden horologie van den slachter Fleischhauer is terug bekomen bij Mozes Nathans. Hij had het van Fleischhauers eigen zoon gekocht, die van zijn vader zeker te weinig ontfangt om te verslempen.’ –

– ‘De Jood en de jongeling beide zullen een plaats in ’t Spinhuis bekomen. Geen genade voor een zoon, die zijn vader bedriegt. – Is er niets meer? – Niets van den Vliesridder?’ –

– ‘Niets: ofschoon hij zich naar alle gedachten nog hier, of in de buurt moet ophouden; want er is weer geld voor hem uit de Bank gelicht, gelijk onze spion bij de Bank mij verteld heeft. Het is onbegrijpelijk, dat wij hem niet op het spoor komen.’ –

– ‘Vrij onhandig zeker: en zoo ik u niet beter kende, Heynsz! zoude ik waarachtig geloven, dat die Vliesridder u omgekocht heeft. – Is er niets meer?’ –

– ‘Niets, Ed. Gestrenge! buiten eenige zakkerolderijen op den Haarlemmer weg gisteren avond gepleegd, bij gelegenheid eener harddraverij.’ –

– ‘Niets anders?’ –

– ‘Waarlijk niets,’ antwoordde Heynsz, zijn zakboekje naziende.

– ‘Niets. – Ei! ei! dan is het mijne beurt,’ zeide mijn vader, hem scherp aanziende: ‘N o . 1. Er heeft gisteren avond ten huize van Zacharias Heynsz een twist plaats gehad, ten gevolge waarvan de Heer Lodewijk Blaek van al de trappen is gesmeten. – Monsieur Heynsz, die zoo goed bekend is met al wat in de stad omgaat, schijnt dus niet te weten, wat er in zijn eigen huis gebeurt.’ –

– ‘Edel Gestrenge!’ stamelde Heynsz, terwijl hij mij verlegen aanzag: ‘met uw permissie. Die zaak heeft gehad geen gevolgen. Ik achtte het niet waardig de moeite, daarvan te spreken.’ –

– ‘Dat staat u niet te bëoordeelen. – Wie heeft aanleiding tot dat rumoer gegeven? Nu! kijk mijn zoon maar niet aan. – Antwoord zonder omwegen.’ –

– ‘Ed. Gestrenge! Ik weet waarachtig weinig of niets van de zaak af. Ik was niet te huis, en dacht, toen ik vernam wat er had plaats gehad, het ware best, dergelijke gevalletjens, waar jongelieden van de eerste familiën in betrokken zijn, maar niet te fijn uittepluizen.’ –

– ‘Zoo! – dus denkt uwe wijsheid, dat er een andere schaal bestaat, waarin de eerste, als waarin de mindere klasse behoort gewogen te worden? – Maar ik ben nog niet ten einde. – N o . 2. De gezegde Zacharias Heynsz geeft huisvesting aan verdachte personen, en schaamt zich niet oogluikend te dulden, dat zekere Juffer, die een kamer tot zijnent betrokken heeft, bezoeken ontfangt van jonge losbollen.’ – Hier zag mijn vader mij veelbeteekenend aan.

– ‘Met uw verlof, Ed. Gestrenge! Kan ik kwaad denken van een Juffer, die is vereerd geworden door UEd. Gestrenge zoon met zijne bezoeken, en bekend is bij Mejuffer uw zuster? En bovendien, wat heb ik er mede te maken, sedert haar eigen vader gekomen is en mede bij mij inwoont? Laat elk zorgen voor de zijnen. Ik kan den man geven geen ongelijk, zoo hij gooit den Heer Blaek van de trappen, om dat die dringt in zijne kamer. Elk moet wezen vrij in zijn huis.’ –

– ‘Voorzeker!’ zeide mijn vader. ‘Hoe heet uw logeergast ook?’ –

– ‘De Heer van Beveren uit Deventer.’ –

– ‘N o . 3. Zacharias Heynsz huisvest iemand, die zich van Beveren uit Deventer noemt, zonder te onderzoeken, of er een zoodanige persoon bestaat. Intusschen kan ik hem verzekeren, dat, volgens mijne berichten, zoodanige naam en zoodanige persoon te Deventer onbekend zijn.’ –

– ‘Onbekend!’ herhaalde Heynsz, met verbazing: ‘en de Notaris Bouvelt heeft mij nog wel aanbevolen die lieden.’ –

– ‘Pas maar op,’ zeide mijn vader: ‘ is, qui fugitivum celavit, fur est . Maar misschien zal mijn zoon u den waren naam van die personen wel kunnen aan de hand doen.’ –

– ‘Ik ben geen verklikker,’ zeide ik, wrevelig: ‘en al wist ik de geheimen van dien vreemdeling, het zoude een laagheid zijn, die te openbaren. Dit kunt gij niet eischen, mijn vader!’ –

Mijn vader zag mij lang en scherp in ’t gezicht; – maar omtrent dit punt althands was mijn geweten zuiver en wist ik, dat ik naar behooren handelde en de oogen niet behoefde neder te slaan. Na een langdurig stilzwijgen hervatte hij:

– ‘Er schuilt hier iets achter, dat ik niet begrijp. – Intusschen, Ferdinand! ofschoon ik voor als nog wil geloven, dat gij minder schuldig zijt, dan ik waande, mag ik niet nalaten, zoodanige maatregelen te nemen als de omstandigheden vorderen. Heynsz! gij zorgt, dat ik in alles van de gangen uwer huisgenooten onderricht worde, en tevens houdt gij ook mijn zoon in ’t oog. Zoodra gij iets bespeurt, dat u verdacht voorkomt, zult gij er mij van onderrichten. Bemerk ik, dat gij voor mij de minste kleinigheid verzwijgt, dan heb ik voor ’t vervolg uwe diensten niet meer noodig.’

– ‘Hoe mijn vader!’ riep ik uit: ‘het is op een blooten schijn, dat UEd. mij gelijk stelt met misdadigers, waarvan het ergste te wachten is. Ik bid u, laat Heynsz nog een oogenblik blijven. Hij kan getuigen, of ik meer dan driemalen ten zijnen huize ben geweest, en of niet telken reize Helding de oorzaak mijner komst was, terwijl slechts toevallige omstandigheden mij met dien vreemdeling of zijn dochter in betrekking gebracht hebben.’ –

– ‘Ik heb u reeds te kennen gegeven, dat ik mijn oordeel wederom opschort,’ zeide mijn vader: ‘zoo gij onschuldig zijt, hebt gij niets van een onderzoek uwer daden te vreezen: en zoo gij verkeerd gehandeld hebt, welnu! gij zijt gewaarschuwd voor het vervolg. – Maar ik houd u niet langer op: men zal u reeds wachten aan het kantoor.’ –

Hier viel niets op te antwoorden: ik groette, verwijderde mij met een beklemd hart en ging naar het kantoor.

– ‘Aha!’ zeide de Heer van Baalen, zoodra hij mij gewaar werd: ‘ik wachtte u reeds met ongeduld. Gij moet mij en uzelf een dienst bewijzen, en even naar den Notaris Bouvelt wandelen. Hij is beter, en ik weet, dat hij reeds menschen gesproken heeft. Gij moet u niet laten afschrikken door een afwijzende boodschap en u vooral niet te vrede stellen, zoo men u zegt, dat de eerste Klerk u wel helpen zal.’ –

– ‘Naar den Notaris Bouvelt!’ herhaalde ik: ‘en wat moet ik hem vertellen?’ –

– ‘Zie hier de zaak: hij heeft altijd onze volmachten opgemaakt op onze vrienden van over zee. Heden heb ik die wederom als naar gewoonte ontfangen; maar zoo het mij voorkomt zijn er abuizen in, en is men althands, ik weet niet om welke reden, van het gewone formulier afgeweken. Zie hier de stukken. Gij, die gestudeerd hebt, zult mij wel kunnen zeggen, of ik gelijk heb.’ –

– ‘Dat is nog niet zeker,’ antwoordde ik: ‘want tusschen theoretische en practische kennis bestaat een groot verschil. Een rechtsgeleerde, al is hij een Bijnckershoeck, zal somtijds in dergelijke stukken een flater over ’t hoofd zien, die een kantoorklerk ontdekken zal. – Maar laten wij de volmachten eens doorloopen.’ –

Ik zette mij naast van Baalen neder, terwijl deze mij, onder ’t lezen, de verkeerdheden aanwees, welke hij in de opgemaakte stukken meende te vinden. Ik kon niet nalaten, mij, in de meeste opzichten, met zijn gevoelen te vereenigen.

– ‘Ik begrijp zeer goed, waaraan die abuizen moeten worden toegeschreven,’ zeide van Baalen: ‘gedurende de ziekte van den Notaris heeft zijn eerste Klerk die stukken gesteld, en Bouvelt, te zwak van hoofd om dat alles over te lezen, heeft maar op goed geloof geteekend. Intusschen moet dit geredresseerd, en wel spoedig; want Pulver wacht er op en kan zonder dat niet vertrekken, Eilieve! wees dus zoo goed, en ga zelf naar den Notaris. Het is beter dat UEd. er heen gaat, dan ik of een ander; want uw tijtel als Meester in de Rechten zal nog eenigen invloed bij hem hebben, in geval hij eens koppig ware en geen ongelijk wilde erkennen.’ –

– ‘Ik ga,’ zeide ik, ‘ofschoon ik geloof, dat hij nog meer deferentie zoude hebben voor uwe opinie dan voor de mijne. – Maar UEd. zal mij een parapluie moeten leenen; want ik zie, dat het frisch is begonnen te regenen, sedert ik hier ben.’ –

– ‘Van harten gaarne. – Wil ik anders de koets ook laten inspannen.’ –

– ‘Ik dank u wel,’ zeide ik: ‘dat houdt maar op. – Tot straks; want ik zal u bescheid komen brengen.’ –

Ik ging dan op weg, bij mij zelven de zonderlinge grillen van mijn lot overdenkende, waardoor alles wat ik hoorde of verrichten moest, zich op deze of gene wijze in verband stelde met den Heer Bos of zijn dochter. Ik was niet ongelijk aan iemand, die zich in een sterrebosch bevindt, en, welke laan hij ook insla, altijd den grooten boom of het standbeeld voor oogen heeft, waar al de lanen op uitloopen. Met dat al gevoelde ik een zekere nieuwsgierigheid, om dien Notaris te zien, wiens naam ik in de laatste dagen zoo dikwerf had hooren noemen, en aan wien ik niet denken kon, zonder mij een machtigen toovenaar voor te stellen, die den sleutel bezat der ingewikkelde geheimenissen, welke mij zooveel kwelling veroorzaakten, en door zijn wil in staat zoude zijn, de ontknooping te bewerken dier voor mij zoo lastige raadsels. Want dat dit bezoek, hoezeer ten gevolge van zeer prozäische en alledaagsche beroepsbezigheden afgelegd, wederom aanleiding zoude geven tot nieuwe verwarring in het drama, ’t welk ik onwillig medespeelde, daar aan twijfelde ik geen oogenblik: en de uitkomst deed zien, dat mijn voorgevoel mij niet bedroog.

DigitalDroom Reader

Hoofdstuk XXIX

XXIX / XXXIX

De kantoorbediende van den Notaris, die mij de deur opendeed, liet mij, nadat ik mijn naam en betrekking genoemd, en hem verklaard had, dat ik zijn Patroon persoonlijk spreken moest, een zijvertrek binnen, hetwelk tot spreekkamertje diende, en waar hij mij verzocht mijne beurt af te wachten. Ik vond aldaar slechts een persoon aanwezig, wien ik aan zijn duffelsch gewaad, aan zijn vierkanten lichaamsbouw, aan de stevige wijze waarop hij met de knieën wijd van elkander en de handen op de knieën gezeten was, en vooral aan het in een bont geruiten doek geknoopt pakje, dat tusschen zijn beenen lag, voor een Zaankanter, althands voor iemand van de overzijde van het Y herkende. Hij bëantwoordde mijn groet als een Chineesche Mandarijn, namelijk met een hoofdknik: en vermoedende, dat er geen heil uit een onderhoud met dit lomp stuk vleesch te halen ware, ging ik voor het raam staan, en keek, zooveel de tegen de ruiten kletterende regen zulks gedoogde, naar de voorbijgangers. Naauwelijks had ik eenige minuten aldaar doorgebracht, of een rijtuig hield voor de deur stil, waarvan ik de kleur en livrei spoedig genoeg herkende. Ik zag, nadat er gebeld en opengedaan was, den Heer Jacobus Blaek uit het portier stijgen en een oogenblik later het vertrek binnentreden.

Er zijn weinige ontmoetingen lastiger, dan die tusschen twee personen, waarvan de een kort te voren den anderen een gewichtig verzoek heeft afgeslagen. Beide maken bij die gelegenheid een gek figuur, vooral wanneer zij overigens van denzelfden stand in de maatschappij zijn en elkander vroeger op een gemeenzamen voet gezien hebben, zoodat er althands eenige woorden van beleefdheid gewisseld moeten worden. De een is dan bang, dat er op het verzoek teruggekomen, en dat hem verklaring of uitlegging zijner handelwijze zal afgevergd worden: hij vreest, zoo hij te beleefd is, bij den anderen hoop te verwekken op iets, dat toch niet verwezenlijkt kan worden: en hij wil toch niet, door lomp te zijn, nieuwe en onnoodige redenen tot misnoegdheid verwekken: – de ander is evenmin op zijn gemak; want bij den wrevel, dien men in hem over de geleden weigering veronderstellen moet, wil hij niet te beleefd zijn, uit angst, dat men hem van laagheid verdenken zal, en toch wil hij ook niet, door gebrek aan beleefdheid, de goede kansen, die hij misschien nog hebben mocht, ten eenemale verspelen. In mijn geval kwam hier nog de onaangename omstandigheid bij, dat ik niet wist, of den Heer Blaek het geval met zijn zoon ten huize van Heynsz bewust was, en zoo ja, op welke wijze hem zulks voorgesteld was en of ik mij deswege al of niet moest verontschuldigen.

Hoe dit ware, het bleek mij duidelijk, dat mijne tegenwoordigheid hem alles behalve aangenaam was. Hij bëantwoordde mijn groet met een stijve buiging, nam geen notitie van den Zaankanter, zette zich, haalde een zakboekje voor den dag en doorliep eenige papieren, welke hij daaruit nam. Dit gold zooveel als een wenk, dat hij in geen onderhoud verlangde te treden: en ik hervatte dus mijn vorige houding, zonder acht op hein te slaan.

Op deze wijze verliep er een vrij onaangenaam kwartier uurs, en ik voorzag, dat mijn toestand nog lastiger zoude worden, wanneer de derde man, die zich in het vertrek bevond, en wiens tegenwoordigheid ons wederzijdsch stilzwijgen nog eenigzins wettigde, zoude binnengeroepen worden, en ik mij alzoo met den Heer Blaek alleen zoude bevinden. Weldra scheen dat oogenblik te zullen komen: ik hoorde de schel van den Notaris klingelen, den Klerk de trappen ophollen en kort daarop weder beneden komen, om dengene, wiens audientie was afgeloopen, uitgeleide te doen, en een nieuwen bezoeker op te roepen. Werkelijk werd de deur van het vertrek gëopend en de stem van den Klerk noodigde Kneel Foppes uit, hem te volgen.

De Zaankanter rees op, mompelde een goeden avond tegen ons en volgde den Klerk naar boven. Terzelfder tijd hoorde ik den man, die van boven gekomen was, zeggen: ‘met uw verlof! ik heb mijn parapluie in de zijkamer laten staan.’ – De spreker trad binnen: en tot mijn spijt herkende ik in hem niemand anders als Ameliaas vader, met zijn scharlaken rok en zijn bril.

Hij herkende mij insgelijks, gelijk ik uit een schier onmerkbaar gefronsel zijner wenkbraauwen opmaakte. Om zijn parapluie te krijgen, die in een hoek van het vertrek stond, moest hij den Heer Blaek voorbij, die nog altijd in dezelfde houding was blijven zitten en geen acht op hem scheen te slaan. Voor hem gekomen, bleef de Heer Bos even staan, hield het oog op hem gevestigd, deed een stap achteruit en zeide toen met een duidelijke, doch zachte stem:

– ‘Jacobus Blaek!’ –

– ‘Frederik van Lintz!’ riep deze, verbleekende, terwijl hij opsprong en zijn bekende van vroegere jaren met een blik van verbazing en schrik aanstaarde.

– ‘Ik zelf!’ zeide van Lintz: ‘ik zie, dat gij, in spijt mijner vermomming, mijn stem nog herkent.’ –

– ‘Maar hoe durft gij…? Lieve God!.. bedenk toch…’ en de Heer Blaek scheen hem door een zijdelingschen blik te willen doen opmerken, dat zij zich niet alleen bevonden.

– ‘O! dat is niets!’ zeide van Lintz, met een glimlach: ‘de Heer Huyck zal mij niet verklappen: – en bovendien, ik heb geene keuze en moet de gelegenheid, nu zij zich voordoet, bij de hairen vatten. Er kon voor mij geene gelukkiger ontmoeting zijn dan deze; want ik had al op de middelen gepeinsd om een onderhoud met u te hebben.’ –

– ‘Met mij! en wat kunt gij mij toch te zeggen hebben? … Maar spreek toch zacht om ’s Hemels wil! Bedenk, dat uw veiligheid…’

– ‘Die hangt van u af. Gij alleen kunt mij helpen: gij zult dit doen om onzer oude vriendschaps wille: om den wille van onzen braven broeder, die in den Hemel is.’ –

– ‘Ik zag, dat de Heer Black op nieuw van kleur verschoot; ‘zwijg toch, bid ik u,’ fluisterde hij: ‘ik wil u immers gaarne helpen; maar laten wij ergens anders gaan dan hier!’ En hij haalde zijn zakdoek voor den dag om de zweetdroppelen af te veegen, die langs zijn voorhoofd dropen.

Ik trad nader. ‘Vergeef mij, mijne Heeren!’ zeide ik: ‘ik wil niet onbescheiden zijn. Ik zal wel even in het voorhuis gaan en u gelegenheid geven, te samen te praten. Men zal mij wel zoo aanstonds roepen.’ –

– ‘Ach! wat helpt dat?’ vroeg de Heer Blaek, terwijl hij zijn angstige blikken beurtelings van mij op van Lintz liet wandelen: ‘mijn Heer Huyck heeft toch reeds te veel gehoord! – Hoe kan men zoo onvoorzichtig zijn!’ –

– ‘En wat is er toch,’ vroeg van Lintz, terwijl hij met gekruiste armen tegen den wand stond, ‘waarover gij u bekommert? Wie toch in de waereld kan het u kwalijk nemen, dat gij eenige woorden wisselt met een oude kennis, met den zwager van uw broeder? De Heer Huyck weet, zoo goed als gij, dat ik vogelvrij verklaard ben: en het had slechts van hem afgehangen, het had hem slechts één woord gekost, om mij mijn vrijheid, en bij gevolg mijn leven te doen verliezen; maar hij heeft dat woord niet gesproken, en zal het ook niet spreken. – Van zijnentwege heb ik dus niets te vreezen: en ik vertrouw, dat hij het u ook niet kwalijk zal nemen, indien gij mij hoe eerder hoe beter hier van daan helpt.’ –

– ‘Integendeel!’ zeide ik, met overhaasting: ‘het verblijf van den Heer van Lintz, of zoo als mijn Heer heeten mag, en dat vervloekte geheim, hebben mij reeds last en onaangenaamheden genoeg veroorzaakt, en ik zal den Heer Blaek uiterst dankbaar zijn, indien zijne bemoeijingen daar een einde aan maken.’ –

– ‘Alzoo,’ zeide van Lintz, glimlagchende: ‘zoudt gij u van het bewaren van ons geheim ontslagen rekenen, wanneer ik eens van hier ware.’ –

– ‘Ongetwijfeld!’ antwoordde ik: ‘dat was immers de afspraak?’ –

– ‘Voorzeker!’ zeide van Lintz: ‘maar het zoude den Heer Blaek wellicht onaangenaam zijn, indien men wist, dat hij eenig aandeel in mijn ontkoming had.’ –

– ‘Waarom zoude ik dit uitbrengen?’ vroeg ik: ‘ik hoop, dat de Heer Blaek te goede gedachten van mij heeft, dan dat hij mij voor een verklikker zoude aanzien.’ –

– ‘Voorzeker!’ zeide Blaek, in blijkbare verwarring: ‘ik heb uitmuntende, ik heb de beste gedachten ter waereld van den Heer Huyck;’ ‘maar,’ vervolgde hij tegen van Lintz: ‘is het hier een plaats, om over uwe zaken te spreken? Kom met mij, naar mijn huis, of…’

– ‘Naar uw huis?’ herhaalde van Lintz: ‘neen dat niet! Het zoude wellicht uw zoon niet zeer aangenaam zijn, mij te ontmoeten, na de les, die ik hem gisteren avond gegeven heb.’ –

– ‘Hoe! wat! – Zijt gij die Heer van Beveren, met wien hij die affaire gehad heeft? … doch gij hebt gelijk: mijn huis is ongeschikt; … maar ga toch met mij: ik zal een veilige schuilplaats voor u uitdenken. Wij zullen dat in het rijtuig overleggen. Mijn Heer Huyck zal wel zoo goed willen zijn, mij bij den Notaris te verontschuldigen.. hem te zeggen, dat ik geen tijd had… of wat hij verkiest.’ –

– ‘Wel! het zij zoo!’ hernam van Lintz: ‘mijn Heer Huyck! Ik zeg u nog geen vaarwel; want het schijnt, dat ons noodlot ons, ’t zij wij willen of niet, telkens weder in aanraking wil brengen: en wij zullen elkander waarschijnlijk nog wel eens ontmoeten.’ –

– ‘Nog slechts eenen raad heb ik u te geven,’ zeide ik: ‘haast u! want een uur verwijl kan u noodlottig zijn: en daarvan althands kan ik u de verzekering geven, dat het huis van Heynsz voor u tegenwoordig een onveilige schuilplaats is.’

– ‘En UEd. belooft mij, van deze ontmoeting niet te zullen spreken,’ zeide Blaek, zich naar mij toewendende en mij de hand krampachtig drukkende, terwijl van Lintz mij met een hoofdknik voor mijn raad bedankte.

– ‘Ik heb u reeds gezegd, dat ik geen verklikker ben,’ antwoordde ik met eenigen trots: ‘en ik herhaal u, wat ik eenmaal aan den Heer van Lintz zeide, dat ik slechts dan zal spreken, wanneer mijn plicht het gebiedt.’ –

Ik weet niet, of de Heer Blaek zich met deze belofte volkomen te vrede stelde; doch hij diende er wel genoegen mede te nemen: de beide Heeren vertrokken en ik zag hen een oogenblik daarna gezamenlijk wegrijden: waarheen, was mij onbewust. –

Weinige oogenblikken daarna kwam de Zaankanter de trappen weder af en werd ik bij den Notaris binnengelaten.

Ik zal mijn geschrijf niet nutteloos vermeerderen met een verslag te geven van hetgeen ik met den Heer Bouvelt verhandelde; want hoe dikwijls zijn naam ook in den loop mijns verhaals genoemd zij, en welken invloed hij onwetend en middellijk uitoefende op de gebeurtenissen, welke ik te boek stel, zijn deel daaraan was echter van een ondergeschikten of liever van een verwijderden aart en hij was in zekere opzichten te vergelijken met den Kaarsemaker van den Schouwburg, die de verlichting bezorgt en zonder wien het spel niet vertoond, althands niet gezien zoude worden; maar die zelf nimmer ten tooneele treedt. – Voor hen echter, wier nieuwsgierigheid eenigzins door het voorafgaande geprikkeld en thands te leur gesteld is, wil ik er wel bijvoegen, dat de Notaris Bouvelt een klein, schraal, ineengedrongen ventje was van ongeveer zestig jaren, met een ziekelijke, saffraangeele tronie, een baard van zes dagen en een knijpbril op den neus, een slaapmuts op het hoofd en een servet daarover heen; een gebloemde japon met een roode sjerp aan ’t lijf, dat lijf gedoken in een met chits bekleeden leunstoel en de in pantoffels gestoken voeten rustende op een koperen stoof: dat hij gezeten was achter een breede tafel, vol schrifturen, acten, drankfleschjens, contracten, cachoutdoosjens, schepekennissen, en likkepotjens: en dat hij na een vrij langdurig gesprek, hetwelk hij door herhaalde hoestbuien meer dan eens gedwongen was af te breken, erkende, dat zijn oudste Klerk gedwaald had, en de acten naar mijn zin of liever naar dien van den Heer van Baalen veranderde.

DigitalDroom Reader

Hoofdstuk XXX

XXX / XXXIX

Hetgeen langer dan het voorgaande, en niet meer of minder belangrijk wezen zal .

Ik was met een eenigzins luchtiger gemoed van den Notaris teruggekeerd dan ik bij het heengaan bezat; want de aanwezigheid van van Lintz daar ter plaatse had mij doen vermoeden, dat hij de papieren, in welke hij zooveel belang scheen te stellen, en waarom hij eerst zijn dochter naar Amsterdam gezonden had en vervolgens zelf gekomen was, eindelijk had ontfangen en dus geene reden meer bezat om langer in een stad te vertoeven, waar zijn verblijf hem aan gevaar blootstelde; terwijl aan een anderen kant de weinige woorden, tusschen hem en den Heer Blaek gewisseld, mij alle hoop gaven, dat deze zich het lot zijns voormaligen bekenden zoude aantrekken en de noodige middelen in het werk stellen, om hem over de grenzen te helpen: – en, het zij dit gelukte, het zij van Lintz betrapt werd, ik voorzag, dat in beide gevallen het oogenblik niet verre meer af was, waarop het mij vergund zoude zijn te spreken. Hierbij nog kwam, dat, even gelijk een minnaar in de kleinste zwarigheid reden vindt tot bittere ongerustheid en angst, zoo ook de geringste straal van hoop door hem als de morgenstond eener blijde toekomst verwelkomd wordt: en de omstandigheid alleen, dat de Heer Blaek mij om geheimhouding verzocht had van hetgeen er tusschen hem en van Lintz was voorgevallen, een omstandigheid, welke hem alzoo in zekere opzichten aan mij verplichtte, was genoegzaam om mij met de hoop te streelen, dat hij goede gedachten van mij opvatten zoude, en zich, ingevalle Lodewijk en Henriëtte afkeerig bleven van het door hem gewenschte huwelijk, niet langer ongenegen zoude toonen, mijn zielswensch te vervullen. De ondervinding had mij toen nog niet geleerd, dat verplichtingen van dien aart bij hem, die ze aangaat, geene genegenheid, maar enkel vrees en zelfs een zekere afkeerigheid ten opzichte van den verplichter doen ontstaan.

Den achtermiddag van den volgenden dag zat ik op mijn kamer te werken, toen Helding bij mij werd aangediend. Wrevelig, dat op nieuw iemand uit dat noodlottige huis van Heynsz zich bij mij vervoegde en door zijn komst versche aanleiding tot vermoedens wekken kon, beknorde ik de meid, die hem gezegd had, dat ik t’huis was, en stond een oogenblik in beraad, haar met de boodschap weg te sturen, dat ik bezigheden had en niemand kon afwachten. Bij eenig verder nadenken echter, en gedreven door de hoop, dat Helding wellicht een welkome tijding zoude brengen, veranderde ik van besluit en gaf last, hem bij mij te laten.

Hij verscheen dan ook weldra, nam, na eenige buigingen, plaats, en verhaalde mij, dat hij, vernomen hebbende op welke wijze ik hem t’huis had gebracht, mij daarvoor zijn dank kwam betuigen.

– ‘Wat zal ik u zeggen, mijn Heer Huyck!’ zeide hij, eenigzins verlegen en zijn hoed tusschen de handen draaiende: ‘ik had wat diep in ’t glaasje gekeken; maar insanivimus omnes, gelijk wij op de Latijnsche school zeiden. Intusschen, ik kan het mij haast niet verklaren, hoe ik zoo weinig compos mentis was. ’t Is waar, ik had wat hard geloopen: en dan wil men wel zeggen, dat men daardoor vatbaarder is voor den invloed van Bacchus. – En dus: van den wijn alleen kan het niet gekomen zijn.’ –

Ik kon niet nalaten, te glimlagchen, want ik kende de waardij van dergelijke verschoningen. Aan welke reden men ook de dronkenschap, waarin men verkeerd heeft, toeschrijve, de wijn heeft er nooit schuld aan.

– ‘Troost u, Monsieur Helding!’ zeide ik: ‘wij waren allen min of meer onder den invloed van Bacchus.’ –

– ‘Ja!’ hernam hij: ‘dat is wel mogelijk: ’t was anders goede wijn: misschien wel wat sterker dan ik gewoon ben. Het spijt mij intusschen recht; want ik heb daardoor wellicht aanleiding gegeven, dat het gezelschap spoediger opgebroken is, dan anders het geval zoude geweest zijn. Het was jammer! wij zaten zoo genoeglijk bij elkaer, en die Officiers waren aartige Heeren en schenen vrij wat kennis en smaak te hebben in de poëzij. – Zij wisten wat iemand toekwam.’ –

– ‘Dat hebben zij ten uwen opzichte getoond,’ zeide ik. –

Hij zag dit als een compliment aan en lagchte witjens. – O verblinding der vleierij!’ dacht ik bij mij zelven.

– ‘Maar,’ vervolgde hij: ‘ik heb tot mijn leedwezen gehoord, dat de Heer Lodewijk bij ons aan huis zoo leelijk is te pas gekomen!’ –

– ‘Dat is hij,’ antwoordde ik: ‘maar het zal beter zijn, dat onderwerp maar niet aan te roeren.’ –

– ‘UEd. heeft gelijk,’ zeide hij: ‘ja, het is wat onbegrijpelijk: er gebeuren buitendien meer rare dingen bij ons aan huis. Wie had het ooit kunnen denken. Die Heer van Beveren…’

– ‘Welnu?’ vroeg ik, nieuwsgierig om te vernemen, wat er nu weer gebeurd ware.

– ‘Wel,’ vervolgde hij: ‘om met vader Vondel te spreken:

Hij trock al heimlijck af en zonder eenigh teecken

Van wapen of trompet.’ –

– ‘Hij trok weg!’ riep ik, ‘Goddank!’ –

– ‘Met de noorderzon verhuisd,’ hernam hij, eenigzins verwonderd over mijn uitroep van blijdschap.

– ‘En zijn dochter?’ –

– ‘Neen die is er nog,’ antwoordde hij: ‘maar zij zal niet lang meer blijven: althands Heynsz wil haar niet in huis houden.’ –

– ‘Niet? En wat is er dan voorgevallen?’ vroeg ik, eenigzins minder in mijn schik met dit tweede bericht.

– ‘Dat zal ik UEd. verhalen. Ik was gister avond bij mijn buurjuffer op een kommetje koffij genoodigd; want UEd. moet weten, zij verzoekt mij nog wel eens ’s avonds… en ik heb er altijd vrij entrée … een eer, die aan alle Heeren niet gegund wordt. He! he! he!’ –

– ‘Ja!’ zeide ik: ‘ik begrijp, dat zij zwak voor u heeft.’ –

– ‘Nu! dat is tot daaraan toe,’ hernam hij: ‘maar het is in allen gevalle niet in haar te misprijzen, dat zij niet te ijdel is om met een oud man, als ik ben, wat te keuvelen: en zij vindt er smaak in, als ik haar nu en dan eens een vaersje voorlees.’ –

Ik was eenigzins verwonderd over dezen smaak van Amelia; maar bij verder nadenken begreep ik, dat zij, in de afwezigheid haars vaders, na het voorgevallene liever niet alleen was, en dat het gezelschap van Helding, al was het niet onder de belangrijkste te stellen, haar toch altijd eenige gerustheid moest inboezemen. –

– ‘En was haar vader niet te huis?’ vroeg ik.

– ‘Dat is het mooie,’ antwoordde hij, glimlagchende: ‘ik zat moerziel alleen met haar, in viezevie, zoo als de Franschen zeggen, en ik had een pijp opgestoken: – ik zoude haar juist mijn gedichtje op het Kuiltje gaan voorlezen, dat aan die Messieurs zoo beviel, weet UEd.?’ –

– ‘Ik weet al! – En toen?’ –

– ‘Daar kwam net haar Papa t’huis. “Wel Papa!” vroeg zij zoo: “is UEd. geslaagd in uw bezoek?” – “Ja!” zeide hij: en toen haalde hij een dik pak pampieren uit zijn rokzak en lei het op tafel. “Ik begon al ongerust te worden over uw lang wegblijven,” zeide zij. “Ja!” zeide hij, “ik heb nog een ontmoeting gehad.” – En toen keek hij mij zoo schuinsch aan van onder zijn bril, als of hij wilde zeggen: “pak je biezen.” – “Ik was juist voornemens,” zeide ik, “aan de Juffer een gedichtje te gaan voorlezen.” “Ga uw gang,” zeide hij, “Monsieur Helding! en laat ik u niet stooren?” Ik dacht, de man wil het toch eens hooren; maar daar kwam niet van: hij haalde een cassette voor den dag, opende het pak, dat hij medegebracht had, nam eenige pampieren daaruit, die hij weder bij zich stak, en verborg de rest in de cassette, zonder bij dat alles de minste acht te geven op hetgeen ik voorlas.’ –

– ‘Dat was niet beleefd,’ zeide ik: ‘maar in de daad, het scheen mij dien avond op uw kransje reeds toe, dat die Heer van Beveren geen rechten smaak vond in de poëzij.’ –

– ‘Alles behalve! – En toen ik gedaan had, in de plaats van toen het een of ander te zeggen over mijn werk, of mij ten minsten voor de genomene moeite te bedanken, daar draait hij zich op eenmaal naar mij toe, en zegt: ‘Monsieur Helding! als UEd. nog van een kommetje koffij gediend blieft, zoo is het u gegund; maar drink het dan spoedig op; want ik heb het een en ander met mijn dochter te onderhandelen.’ – ‘Och!’ zeide ik: ‘ik ben niet gaarne iemand tot overlast; dan ga ik liever direct heen. – Want ik was knorrig. Zie, ik ben dood goed; maar ik heb niet graag, dat iemand mij affronteert.’ –

– ‘En ging UEd. toen heen?’ –

– ‘Nog niet; als UEd. hooren zal. Het mooiste moet nog komen. Terwijl ik mij gereed maakte om te vertrekken en nog een kommetje aannam, dat Mejuffrouw Amelia, die het, geloof ik, weer goed wou maken, mij toereikte, daar komt Heynsz binnen en begint een praatje. “Zoo, Sinjeur Heynsz!” zeide de Heer van Beveren: “UEd. komt juist van pas: ik moet heden avond nog de stad uit,” (“ei! ei!” dacht ik) “en wilde u betalen hetgeen ik u tot heden schuldig ben, en u meteen verzoeken, zorg te dragen, dat mijn dochter geene bezoeken meer tegen haar zin ontfangt.” – “Wel! wel!” zeide Heynsz: gaat UEd. heden nog op reis? Zeker naar Deventer?’ voegde hij er bij, met een spotachtig gezicht. ‘De Heer van Beveren keek hem aan, als wilde hij zeggen: dat zijn uwe zaken niet.’ – ‘Wees maar zoo goed,’ zeide hij, ‘mij uw briefje van verschotten te geven: dan zal ik u betalen en de maand uit meteen.’ – ‘Hm! hm!’ zeide Heynsz: ‘mag ik vragen of er nog meer Heeren van uw naam te Deventer zijn?’ – ‘Gij zijt nieuwsgierig van avond, Sinjeur Heynsz!’ zeide de Heer van Beveren, met een gezicht als of hij hem van de trappen wilde gooien. ‘’t Is maar,’ vervolgde Heynsz: ‘omdat er lieden zijn, die beweeren, dat er nooit iemand van dien naam binnen Deventer bestaan heeft.’ – ‘Dat zoude al toevallig zijn,’ zeide de andere: ‘men vindt die anders overal. Maar, Sinjeur Heynsz! wacht, tot gij ten minsten Onderschout geworden zijt, alvorens mij met dergelijke onbescheidene vragen lastig te vallen.’ – Daar had UEd. het gezicht van Mejuffer Amelia moeten zien: het arme schaap werd zoo bleek als een doek. En Heynsz keek ook zuur: dat beloof ik u: ‘mijn Heer!’ zeide hij: ‘gij moogt dan van Beveren heeten of niet, maar al ben ik geen Onderschout, zoo zou er toch een Onderschout kunnen komen en u vragen doen, die u niet aangenaam waren.’ – ‘Sinjeur!’ zei de ander: ‘als er een Onderschout komt, zal ik hem antwoorden. Aan u ben ik geene rekenschap verschuldigd. Indien gij werkelijk een zoo knap verklikker waart als gij voorgeeft te zijn, zoudt gij mij terug bezorgd hebben hetgeen Zwarte Piet mij ontstolen heeft, of mij althands aanwijzing daarvan gedaan hebben.’ – Ik sloeg de handen in elkander. ‘Heynsz een verklikker!’ dacht ik. ‘Had UEd. daar ooit gedachten op gehad, mijn Heer Huyck?’ –

– ‘Zoo eenigzins,’ antwoordde ik, glimlagchende: ‘en hoe liep dat af?’ –

– ‘Wel! Heynsz werd zoo rood als een kalkoensche haan en antwoordde vrij vinnig, en ik voorzag nog het oogenblik, dat van Beveren, of zoo als de man dan heeten mag, hem bij de kladden zou krijgen. Maar hij scheen op eens te bedaren, ging zitten, haalde een schuiertje uit den zak en begon zich de poeier van den rok te borstelen of er niets gebeurd ware, zonder verder eenig antwoord te geven. Toen zag Heynsz in, dat hij met zijn drift niets won en begon een toontje lager: “hoor, mijn Heer!” zeide hij: “ik moet u waarschuwen, dat gij een verdacht persoon zijt: en daarom, zeg mij oprecht, wat gij hier verrichten komt. Als eigenaar van dit huis, heb ik toch wel eenig recht dit te vragen.” – “Hoor, Monsieur Heynsz!” zeide de andere: “ik betaal u als een eerlijk man de huur uwer kamers, en ik weet niet, dat er iets tot mijn last is: en aangezien wij in een vrij land leven, zoo zie ik niet, dat gij recht hebt, mij te beletten te gaan, waar ik wil. Bovendien, mijn dochter blijft hier, althands zoo lang zij niet beter vinden kan. Ik ga dus heden avond heen, en gij kunt gerust uw spionnen uitzetten en mijn gangen laten nagaan; maar thands verzoek ik, van uw verder bijzijn ontslagen te worden. Gij zult dan wel met mijn dochter afrekenen.” – Heynsz scheen nu te begrijpen, dat hij niet verder komen zoude, mompelde wat binnensmonds en ging heen, zoowel als ik: – en, zooveel als ik heden morgen vernomen heb, is die van Beveren met de nachtschuit naar Utrecht vertrokken.’ –

– ‘Ik wensch hem goede reis,’ zeide ik, eenigzins verbaasd over de stoutheid en onvoorzichtigheid van van Lintz, dat hij aldus vertrokken was, met een gelegenheid, waarbij hij niet kon missen bespied en achtervolgd te worden.

Het overige van ons gesprek was onbeduidend; althands het verdient hier niet opgeteekend te worden. Voor Helding vertrok, bad hij mij, mijn vader nog eens te willen herinneren aan de hem beloofde nasporingen omtrent het lot zijner ongelukkige dochter.

– ‘Dat wil ik gaarne doen,’ zeide ik: ‘maar het behoeft niet. Wat mijn vader eens voorneemt en belooft, dat vergeet hij niet: heb dus maar geduld, vriend Helding! gij zult de verlangde narichten bekomen. God geve, dat zij tot een gelukkig einde mogen strekken.’ –

Naauwlijks had Helding mij verlaten, en nog zat ik te peinzen over het medegedeelde nieuws, toen de deur mijner kamer zachtjens open ging en ik in den tegen over mij geplaatsten spiegel mijn moeder herkende, die, bleek en bezorgd van uitzien, met langzame schreden naar mij toekwam.

– ‘Was het Monsieur Helding niet, die daar uit ging?’ vroeg zij, terwijl zij met de eene hand, waarin zij een openen brief hield, op den rug mijner stoel leunde, en met de andere zich een traan uit het oog wischte.

– ‘Dezelfde, Moederlief!’ zeide ik, rood wordende.

– ‘Wat had die nu weer te vertellen?’ vroeg zij, met een ontevredenen blik.

– ‘Hij kwam mij bedanken, omdat ik hem laatst te huis gebracht heb, toen hij te veel gedronken had.’ –

– ‘En was deze de eenige reden zijner komst?’ vroeg zij, het hoofd langzaam schuddende: ‘Ferdinand! Ferdinand! wat hebben uw ouders u gedaan, om hen zoo te misleiden? wat beteekenen die gestadige gangen en boodschappen naar en van dat huis van Heynsz? o! zoo gij wist, hoe veel tranen gij mij kost, en hoe ik om uwent wille reeds twee nachten slapeloos heb doorgebracht! zoo gij wist, hoe uw brave vader zijn leed verkropt, en, wanneer ik vraag, wat hem deert, het hoofd schudt, en alleen met een zucht antwoordt. Hoe zijt gij veranderd, Ferdinand! gij, wien wij eens oprecht en vroom gekend hebben! Ach! het was niet zonder reden, dat ik opzag tegen die verre reize, die gij nog zoo jong en zonder opzicht ondernomen hebt. Wij steunden op de vastheid van karakter en de brave grondbeginselen, die wij, in onzen ouderlijken hoogmoed, ons verbeeldden dat gij bezat. Maar bitter zijn wij voor onzen eigenwaan gestraft. Helaas! gij waart nog te jong en te onervaren! en gij zijt tegen de verleiding niet bestand geweest. Het gebed, dat ik dagelijks tot God voor u opzond, is niet verhoord geworden. Zeg mij, Ferdinand! zeg mij toch, heb ik mijn zoon verloren? – Ach! ik was zoo innig verblijd over uwe terugkomst: ik had mij zooveel genoegen van u voorgesteld: – en thands zie ik, dat mijn blijdschap droefheid had moeten zijn.’ – Onder het uiten dezer laatste woorden boog zij haar hoofd op mijn schouder neder en weende bitterlijk.

Haar innige smart verscheurde mij de ziel, en ik was zelf zoo onthutst en ontroerd, dat ik in de eerste oogenblikken vruchteloos naar woorden zocht, en niets anders doen kon, dan haar koude hand in de mijne te klemmen, den arm om haar hals te slaan, haar bleek gelaat te kussen en tranen van weemoed aan haar boezem te schreien. ‘Moeder!’ zeide ik eindelijk: ‘lieve Moeder! matig uw verdriet. God weet, hoe gaarne ik elke traan, die gij om mijnent wille stort, met mijn bloed zoude willen betalen; maar ik ben waarachtig onschuldig! geloof mij toch, ik ben uwe liefde, uwe achting niet onwaard.’ –

– ‘Ik zie ten minsten,’ zeide zij, terwijl zij zich langzaam uit mijn omhelzing losmaakte en zich naast mij nederzette: ‘ik zie, dat gij nog niet geheel verdorven zijt, dat er nog hoop is op uw behoud; want uw hart is nog vatbaar om getroffen te worden. O! beloof mij, dat gij den verkeerden weg zult verlaten, dien gij zijt ingeslagen, dat gij alle banden, die u aan dat slechte voorwerp verbinden, zult losscheuren: en alles, alles zal vergeven en vergeten zijn: ik zal juichen en zeggen met den vader uit de gelijkenis: ‘ziet! mijn zoon was verloren en hij is wedergevonden.’ –

– ‘Maar,’ zeide ik: ‘ik betuig u, dat er geene banden te verbreken vallen: dat ik door u, door mijn vader verkeerd word bëoordeeld: dat…’

– ‘En waarom dan uw gedrag niet opgehelderd? wie heeft recht op uw vertrouwen, op uw openhartigheid, zoo uw vader dit niet heeft? Hoe kunt gij vergen, dat hij of ik geloof zouden slaan aan de ongerijmde en nietige uitvluchten, waarmede gij uw verkeerdheden poogt te bemantelen. Ferdinand! wees niet verstokt in het kwade. Een gulle bekentenis, een oprecht berouw zouden uws vaders rechtmatigen toorn ontwapenen; maar een hardnekkigheid als de uwe moet hem verbitteren.’ –

– ‘Maar Vader,’ zeide ik, ‘had mij beloofd, zijn oordeel te zullen opschorten, tot zich het oogenblik zoude opdoen, waarin ik hem een volkomene, geheel voldoende opheldering zoude kunnen geven. Dat oogenblik nadert met rassche schreden. En dan, geloof mij, dan zal mijn gedrag u in een ander licht voorkomen, dan het thands doet. Waarom dan ook niet een weinig op mij vertrouwd, wanneer ik u mijn onschuld betuig en u verzeker, dat gij zonder billijke oorzaak tranen stort?’ –

– ‘Is dat geheim dan zoo diep, zoo vreesselijk,’ vroeg mijn moeder, ‘dat gij het ook aan mijnen boezem niet kunt uitstorten? Ach! het zoude u goed doen, en mij ook, Ferdinand! want, hoe fraai uw woorden ook zijn, ik ben nog niet gerust. Misschien misleidt gij uzelf: er moet stellig eenig kwaad, iets verkeerds zijn bij een geheimenis, die men aan een moeder niet kan openbaren.’ –

– ‘Lieve Moeder!’ zeide ik, de hand drukkende, die zij mij vleiende toestak: ‘geloof mij, mijn vurigste wensch op dit oogenblik zoude wezen, om mij aan uw hart te storten en u alles te ontdekken. – Ja, ik gevoel, dat zoo gij langer bleeft aandringen, ik de kracht niet zoude hebben, u weerstand te bieden: dat ik, tot welken prijs dan ook, de bron uwer tranen zoude willen droogen. Maar zoo ik nu sprak, zoude ik een woordbreker, en bij gevolg een schurk zijn: – en dat toch wilt gij van uw zoon niet maken?’ –

– ‘Het kan dan niet anders,’ zuchtte mijn moeder: ‘neen, een woordbreker moet gij niet worden; – alleen maar begrijp ik niet, waartoe dergelijke dwaze geheimen dienen. Ik zie niet, dat iets, dat goed en ordentelijk is, behoeft verborgen te blijven. Misschien dwaal ik, en heb ik geen ondervinding genoeg; maar ik kan het mij maar niet voorstellen.’ –

Zij sprak wel waarheid, die goede moeder; want nimmer had haar geest of haar verbeelding eene gedachte gekoesterd, welke zij niet zoude hebben durven openbaren: en haar reine ziel was een spiegel, waarin zij ieder vergunde te lezen.

– ‘In allen gevalle,’ vervolgde zij, ‘hoop ik, dat die oplossing spoedig moge plaats hebben; want ik zoude ziek worden van die onzekerheid; en dan,’ terwijl zij mij den brief toereikte, ‘hier is een uitnoodiging van uw Tante van Bempden tegen Zaturdag over acht dagen, om mijn jaardag op Heizicht te komen vieren: ik had mij veel genoegen van die partij voorgesteld; – maar nu weet ik waarachtig niet, of ik het wel aanneem: ik kan met geen opgeruimd hart aan tafel zitten en de gelukwenschingen der gasten ontfangen, zoolang dit geval niet is opgehelderd.’ –

– ‘Gij zijt onbillijk, lieve Moeder!’ zeide ik: ‘waarlijk, gij zijt onbillijk jegens mij. Ik kan beseffen, dat deze zaak u hindert; maar dewijl ik u mijn woord heb gegeven, dat uw bezorgdheid ijdel is, mocht ik toch hopen, dat gij nog vertrouwen genoeg in mij zoudt bezeten hebben, om met eenige kalmte den loop der gebeurtenissen af te wachten. – Voorheen, lieve moeder! was het genoeg, dat ik u eenmaal iets verzekerde, om er u de vaste overtuiging van te geven. Heugt het u nog, toen eens de girandolle in de zaal aan gruis was gevallen, en ieder een beweerde, ik moest het gedaan hebben; want ik had den gandschen morgen in de kamer gezeten en niemand buiten mij was er geweest, dat gij toen zeidet: “neen! Ferdinand heeft het niet gedaan; hij zegt het zelf.” – En zoude ik sedert dien tijd zoo veranderd zijn, dat er op mijn woord geheel niet meer te bouwen ware?’ –

– ‘Ja Ferdinand!’ zeide zij, mij met aandoening omhelzende: ‘ik geloof u, want het zoude al te afschuwelijk zijn, indien ook deze betuigingen valsch waren: en echter,’ vervolgde zij, mij met een weemoedigen blik aanziende: ‘gij hebt onlangs een weinig.. gedraaid.’ Het goede mensch wilde niet zeggen: gelogen . – ‘Maar spreken wij daar niet meer over,’ voegde zij er bij, ziende, dat ik rood werd en haar smekend aanzag: ‘dat was voor het eerst en voor het laatst, niet waar? O! zeg mij, dat het voor ’t eerst en voor ’t laatst was: ik heb er behoefte aan, dit te geloven. – Ach! zonder die noodlottige misleiding had ik u nimmer verdacht.’ –

– ‘Moeder!’ zeide ik: ‘gij beschaamt mij te recht: ja! dat was voor ’t eerst, en, God is mijn getuige, het zal ook voor ’t laatst zijn. Daar! deze kus moge u tot bevestiging strekken dat ik deze belofte heilig houden zal.’ –

– ‘Dat wensch ik,’ zeide zij: ‘nu: wij zullen dan het geval laten zoo als het is, en ik zal trachten, mijne bekommernissen te overwinnen. Zoo ik u verkeerd beoordeeld heb, gij zult het mij niet kwalijk nemen, niet waar? Ach! gij weet niet, hoe teeder een moeder aan haar kind gehecht is en hoe vele angsten haar hart benaauwen, wanneer zij slechts veronderstelt, dat het van den rechten weg zoude kunnen afwijken.’ –

Hier droogde de beste vrouw haar tranen af, en verliet mij, meer gerust ten mijnen opzichte, dan toen zij gekomen was.

Dien zelfden avond ontfingen wij een afscheidsbezoek van Reynhove, die aan mijn vader meer omstandig kwam mededeelen hetgeen hij mij reeds met een paar woorden gezegd had, dat hij naar ’s Hage ging en moeite zoude doen om geëmploijeerd te worden. Er was, had hij gehoord, een bediening open gekomen, waaraan geen onbelangrijke werkzaamheden verbonden waren, en hij hield zich overtuigd, dat zijn vader, zijn besluit vernemende, zich daarover verheugen zoude en alle pogingen in het werk stellen om hem zijn doel te doen bereiken. ‘Ik heb,’ zoo eindigde Reynhoves verhaal, ‘lang genoeg als een oiseux meubel rondgeslenterd en UEd. heeft mij doen zien dat het tijd voor mij wordt, iets degelijks bij de hand te nemen.’ –

Het behoeft niet vermeld te worden, dat het voornemen van Reynhove door mijn vader hoogelijk goedgekeurd werd: mijn moeder wenschte hem insgelijks allen voorspoed op zijne voornemens: Susanna zeide, lagchende:

– ‘Ik weet niet, mijn Heer Reynhove! maar mij dunkt, het zal u vreemd voorkomen, den dag op een bureau door te brengen met over allerlei vervelende schrifturen te gapen, en

Omschanst te zitten met papieren,

Die door de slaafsche zinnen zwieren.

Mij dunkt ik zie u daar zitten, met een groote pen achter ’t oor, een morslap vol inktvlakken op de rechter mouw, en een aschgraauwen overrok aan, waar de kantoorlucht niet meer uittekloppen is?

– ‘Ik zie wel, dat gij nooit naar den Haag geweest zijt, Santje!’ zeide ik: ‘gij stelt u de kantoren aldaar voor, gelijk dat van een Amsterdamschen koopman, waar het licht door de lantaren van de binnenplaats invalt en men te drie ure al bij de kaars moet zitten. Neen! ginds gaat het vrolijker toe: men zit in ruime, luchtige kamers, en de groote bezigheid bestaat er, in de courant te lezen, te praten over de nieuwtjens van den dag en om het uur eens een pen te versnijden.’ –

– ‘Wel! hoor mij dat jong mensch eens aan,’ zeide Susanna: ‘dat praat over kantoren en maakt vergelijkingen, en denkt, dat hij het recht heeft om aartigheden te zeggen, omdat hij een blaauw maandag in den handel is. Denkje dan, Ferdinand! dat men in den Haag niets uitvoert, omdat men er juist niet den geheelen dag lettertjens zit te kladden, en sommetjens te maken, trots den besten schooljongen?’ –

– ‘Mejuffrouw neemt het zoo goed voor den Haag op,’ zeide Reynhove, ‘dat ik er niets weet bij te voegen. Maar is het mogelijk, dat UEd. daar nimmer geweest is? – Mij dunkt, de familie moest daar eens eenige dagen komen passeeren: het zoude mij een innige volupteit zijn, u rond te leiden en het interessantste te laten zien.’ –

– ‘Ja, indien UEd. dat van Papa gedaan kost krijgen,’ zeide Susanna, ‘dan zoude ik u voor den welsprekendsten man uit de Zeven Provinciën houden; maar daar is geen kijk naar.’ –

– ‘Wacht maar,’ zeide mijn vader: ‘als ik eens oud word, en op mijn muiltjens ga leven, dan zullen wij eens zien wat wij doen.’ –

– ‘Ja!’ hernam Susanna: ‘als ik zoo lang moet wachten, dan zal ik zelve al wel te hokvast geworden zijn, om nog uit te vliegen. Wat zijn de mans toch gelukkig! daar hebje Ferdinand, die is half Europa al rond geweest, en ik, die even zoo goed recht had iets anders te zien, ik zal misschien mijn leven ten einde zien loopen, zonder ooit in den Haag te zijn geweest.’ –

– ‘Den Haag zoude er het meeste bij verliezen,’ zeide Reynhove, ‘maar, als ik vragen mag: waarom zoude uw Broeder u daar niet heen brengen? dan hadt UEd. een Mentor van ondervinding bij u.’ –

– ‘Een mooie Mentor!’ riep Susanna uit: ‘ik bedank u hartelijk. Wel ja! met een Broeder te reizen is ook wel een laatste toevlucht! Weet UEd. dan niet, mijn Heer Reynhove! dat van al de meisjens op den aardbodem er geene is, waarover men zich minder bekommert, dan over een zuster?’ –

– ‘Daar laat gij u onvoorzichtig uit, Santje!’ zeide ik: ‘ik wilde u juist voorstellen, u in het volgende voorjaar eens derwaart te brengen; maar, nu ik dat hoor, zal ik er wel deugdelijk op passen.’ –

– ‘O! Mejuffrouw meent het niet,’ zeide Reynhove: ‘ik recommandeer u ernstig aan, bij die goede intentie te volharden. Het zal u wel bevallen, en wij zullen alles in het werk stellen om u een goed accueil te procureren.’ –

– ‘Gij ziet, mijn Heer wil ons volstrekt in den Haag hebben,’ zeide ik.

– ‘Dat wil ik,’ zeide Reynhove: ‘of liever, want het zoude inconvenant zijn, van mijn wil te praten, ik wensch het vurig.’ –

– ‘Ja,’ zeide Susanna: ‘om als een beereleider met ons rond te loopen en ons aan de menschen te toonen als iets nieuws, al roepende: “kijkt! menschen! kijkt! Hier hebje den nieuwbakken Amsterdamschen koopman van het mannelijke geslacht, met zijn zusje, een onnoozel ding, dat nog van geen toeten of blazen weet.” – Ja! denkje, dat ik niet weet, hoe men ginds met onze kleeding en manieren den spot drijft?’ –

– ‘UEd. is het toch niet, die voor spotternij beducht kan zijn?’ vroeg Reynhove.

– ‘Die kanje in uw zak steken, Santje!’ zeide ik.

– ‘Volstrekt niet,’ zeide Reynhove, eenigzins verlegen over de uitlegging, die ik aan zijne woorden gaf: ‘ik bedoelde alleen te zeggen, dat Mejuffrouw boven alle bespotting verheven is.’ –

– ‘Wat zeggen de Heeren Blaek toch wel over uw spoedig vertrek?’ vroeg mijn moeder, een andere wending aan het gesprek willende geven.

– ‘O!’ antwoordde Reynhove: ‘den ouden Heer heb ik weinig gezien, en die zal over mijne absentie niet treuren: – en wat Lodewijk betreft….’ hier zweeg hij op eens, en zag mij zijdelings aan.

– ‘Wel!’ zeide mijn vader: ‘ik hoop toch niet, dat gij kwade vrienden scheidt? – ofschoon ik erken, dat gij beter gezelschap kunt kiezen.’ –

– ‘Neen,’ antwoordde Reynhove: ‘’t is maar: ik dacht, dat ik hem goed kende, en ik zie alweder, dat ik mij in hem bedrogen heb… ofschoon deze reis strekt het niet tot zijn schande; – maar ik wil daar liever hier over zwijgen. – Heeft UEd. al gehoord, dat zijn boeier weder in ’t water is gewerkt: ik zoude het voor een mirakel gehouden hebben; er zijn toch knappe werklieden hier ter stede: – er is bijna niets aan het vaartuig beschadigd en het zal met een kleine reparatie weder zoo goed wezen, als ware er niets gebeurd.’ –

– ‘Er zijn lieden, wien alles medeloopt, tot zij eindelijk het lid op den neus krijgen,’ zeide mijn vader.

Na nog een wijl gezeten te hebben, vertrok Reynhove. ‘Ik weet niet,’ zeide hij, toen ik hem uitliet, ‘wat ik van Lodewijk denken moet. Hij was dezen middag louter attentie en beleefdheid jegens zijn cousine, die heden voor een paar dagen in de stad is, en zeide haar meer douceurs, dan zij anders in een jaar van hem hoort. Zij scheen er zelve verbaasd over: wat dit voorspelt, weet ik niet; maar het zoude mij niet verwonderen, indien hij eens begon te beseffen, dat het tijd werd, wijs te worden. – Men bemerkt de waarde van een schat ook nooit beter, dan wanneer men gevaar heeft geloopen, dien te verliezen.’ –

– ‘In waarheid!’ zeide ik: ‘wat gij mij daar vertelt bevreemt mij. Ik kan toch niet denken, dat hij in de daad oogmerken op haar heeft.’ –

– ‘Noch ik,’ hernam Reynhove: ‘maar de zaak is waar en gij kunt er uw profijt mede doen. Adieu.’ –

Den volgenden dag had ik toevallig, door het afspringen eener comparitie, welke ik had moeten bijwonen, een uurtje voor den eten vrij, en Susanna, die zich reeds menigmalen beklaagd had, dat zij niets aan mij had, nam die gelegenheid waar om mij met haar naar Tante Letje te troonen.

– ‘Wel!’ zeide deze, toen zij mij zag: ‘het is goed, dat gij komt, Neef! Ik had u anders al een boodschap willen sturen. Ik wenschte u eens onder vier oogen te spreken, wanneer het u gelegen komt.’ –

– ‘Ei! ei!’ zeide Susanna: ‘mag ik er niet bij wezen? Nu! dan zal ik zoo aanstonds maar optrekken: ’t is toch hard, dat ik mijn cavalier zoo spoedig weder verliezen moet: men heeft al moeite genoeg om hem te krijgen.’ –

– ‘Neen! dat is juist de bedoeling niet,’ zeide Tante: ‘maar van avond of morgen, als ’t u belieft.’ – En zij zette daarbij zulk een statig gezicht tegen mij, dat ik alweder ook van dien kant een donderbui voorzag. – Ik was echter gedwongen mijn nieuwsgierigheid op te schorten, en wij zaten, na eenig onderhoud over verschillende zaken, te luisteren naar het verslag dat Tante ons gaf van een dierbare predikatie, welke zij in de weekbeurt een paar dagen te voren gehoord had, toen wij een koets hoorden stil houden. Er werd aan de huisdeur gescheld: er kwam iemand de trappen op: de deur ging open: – en Henriëtte Blaek stond voor onze oogen. Zij was bevallig gelijk altijd; maar zag toch eenigzins betrokken van uitzicht, en bleef, toen zij ons bemerkte, onthutst en verlegen aan de deur staan.

– ‘Kom binnen, Jetje lief!’ zeide Tante Letje: ‘daar doet gij wel aan, kind! van mij eens te komen opzoeken.’ –

– ‘Uw dienaresse, Juffrouw Huyck!’ zeide Henriëtte, terwijl zij nader trad met het voorkomen van iemand, die een kloekhartig besluit neemt: ‘verschoon mijn vrijpostigheid: de meid zeide, ik zou maar boven gaan: – ik wist niet, dat UEd. bezoek had. Ik kwam u het boek terug brengen, dat UEd. mij geleend heeft. Goeden morgen, lieve Santje! hoe gaat het u?’ En zij drukte met minzaamheid de hand van Susanna. Wat mij betrof, ik bekwam geen enkel woord: een neiging, zoo stijf en afgepast als of zij een onbekende gold, was alles, waarmede zij te kennen gaf, mijne tegenwoordigheid te hebben opgemerkt: en hoewel een lichte blos haar wangen kleurde, haar oogen teekenden koele onverschilligheid en geen trek in haar gelaat veranderde. Susanna en ik keken elkander aan: wij wisten niet, waaraan die stijfheid toe te schrijven.

Ik ging een stoel voor haar krijgen; maar zij hield zich, of zij zulks niet opmerkte en nam plaats op een anderen, die nevens haar stond.

– ‘En hebt gij er smaak in gevonden?’ vroeg Tante, het boek aannemende: ‘heeft u de lezing nog al gesticht? – Het waren Predikatiën, ik weet niet meer van wien.’

– ‘O ja! mijn waarde Juffrouw!’ antwoordde zij: ‘het is een uitnemend schoon werk: en mijn oom heeft de goedheid gehad er een exemplaar van voor mij te koopen.’ –

– ‘Zoo! dat is goed. En hoe maakt het uw Heer oom? – Wél? – Dat verblijdt mij hartelijk. En hoe maakt gij het zelve, lieve Jetje? mij dunkt, niet zoo wel, als toen ik u de laatste reize zag.’ –

– ‘Integendeel, Mejuffrouw!’ antwoordde zij: ‘ik ben wel, volkomen wel:’ en zij beet zich op de lippen.

– ‘Neen waarlijk!’ vervolgde Tante: UEd. ziet er niet te best uit. Ik kan het nog al begrijpen: de schrik van dat ongeval op zee bij dien storm zal u nog door de leden zitten. – Nu! dat is al een gezegende bewaring geweest! En wel mocht gij zeggen: ‘laet mij de watervloet ende laet de diepte mij niet verslinden.’’ –

– ‘Gij hebt er toch geen nadeelige gevolgen van gehad, Mejuffrouw!’ vroeg ik.

– ‘Neen mijn Heer!’ antwoordde zij, op een koelen toon: ‘en ik doe mijn best, om die gebeurtenis met al haar gevolgen uit mijn geheugen te wisschen.’ –

Ik was geheel uit de lijken geslagen door deze verklaring, waarvan ik den zin maar al te wel begreep; en Susanna keek haar vriendin aan, als wilde zij zeggen: ‘hoe heb ik het met u?’ – doch Tante, die de bedoeling van Henriëttes woorden niet opmerkte, nam weder het woord:

– ‘Dat is niet goed, Jetjelief! Een zoo verschrikkelijke gebeurtenis en welke zoo duidelijk aantoont, dat de Heere hen niet verlaat, die in nood tot Hem roepen, moet gij niet moedwillig vergeten; maar zij moet u tot een spoorslag strekken om uw leven toe te wijden aan Hem, die u behouden heeft.’ –

– ‘UEd. heeft volkomen gelijk, Mejuffrouw!’ zeide Henriëtte: ‘ik heb mij slechts verkeerd uitgedrukt: ik gevoel zeer wel, welk een plicht van dankbaarheid op mij rust en hoop dit nimmer te vergeten.’ –

– ‘Ja!’ vervolgde Tante: ‘dat zware weer heeft al wat schade gedaan: daar is, hoor ik, bij Colhorn een gat in den dijk geslagen en ik weet niet, hoevele duizenden dat aan herstellen kosten zal. Wel is dit wederom een bezoeking des Heeren, en een straf der ontrouwe gemeente, dat zij zulke ongelovige en bedriegelijke leeraars en herders beroept, gelijk nog onlangs hier heeft plaats gehad in de verkiezing van den Sociniaanschen Boterbloem, die mede een van dezulken is, “die ijdelheijt spreecken ende leugen sien, ende seggen: de Heere heeft gesproken; daer de Heere haer niet gesonden en heeft: en daarom zeijt de Heere: ick sal hen door eenen grooten stormwint in mijne grimmigheijt splijten ende daer sal een overstelpende plasregen zijn in mijnen toorn, ende groote hagelsteenen in mijne grimmigheijt, om dien te verdoen.”’ –

– ‘Heden Tante!’ zeide Susanna, met een onnoozel gezicht: ‘is het de schuld van D s . Boterbloem, dat de dijk doorgebroken is? Vader zeide, het was de schuld van het Dijkcollegie, dat met de Vijf Steden overhoop lag.’ –

– ‘En wat is dit anders,’ vroeg Tante, het gezegde mijner zuster ernstiger opnemende dan het verdiende: ‘dan een bevestiging van hetgeen ik zeide? Zijn deze niet de mannen, “die ongerechtigheijt bedencken, en die quaden raet raden in de stadt?” – En zijn zij geen blinde leidslieden der blinden, die de gemeente in haar afval voorgaan?’ –

– ‘Ik geloof wel, dat UEd. gelijk hebt,’ zeide Susanna: ‘want daar is de Dijkgraaf M r . Coenraad van Vingerhoed, die draagt een bril: de Secretaris, Jonker van Bitterenvleugel, is zoo bijziende, dat hij mij laatst op een salet voor Tante van Bempden aanzag: van de Heemraden heeft er een de grauwe staar, de tweede is eenoogig, de derde ziet scheel, en nummer vier is alle namiddagen zoo dronken, dat hij den weg naar zijn huis niet alleen kan vinden. – UEd. zegt dus wel te recht, dat het een blind collegie is.’ –

– ‘Nichtje!’ zeide Tante, eenigzins geraakt: ‘hoe lange sult gij de slechtigheijt beminnen, ende de spotterije begeren.’ Wat gij zegt, is bij wijlen zeer aartig; maar wanneer men ernstig spreekt, is het gekscheren ongepast en onwelvoegelijk. Gij weet zeer wel, dat ik geestelijke blindheid bedoel en met geene lichaamsgebreken spot, zoo als gij doet.’ –

Susanna keek eenige oogenblikken vrij zuur: ik was zelf een weinig verwonderd geweest over haar uitdrukkingen; want, hoe geneigd ook om met alles te schertsen, was zij nimmer gewoon den spot te drijven met ernstige zaken, of door hare gezegden iemand te ergeren en te ontstichten. Ik schreef dan ook haar woorden aan de ware oorzaak toe: namelijk aan wrevel over de koele handelwijze van Henriëtte jegens mij, dien zij achter een voorgewende luchthartigheid wilde verbergen: en waardoor zij, gelijk doorgaands in diergelijke gevallen plaats heeft, scherp in stede van geestig werd. Zij voelde echter haar ongelijk: ‘Tante!’ zeide zij, na een oogenblik zwijgens opstaande en haar een kus gevende: ‘vergeef mij: ik sprak zonder nadenken, gelijk mij wel meer gebeurt. Ik ben.. ik heb iets dat mij hindert.’ – Hier begon zij te schreien en zag Henriëtte aan met een verwijtenden blik.

– ‘Neen!’ zeide Tante, haar omhelzing bëantwoordende: ‘ik weet het ook wel, gij behoort niet tot de “spotters onreijne,” waarvan in den eersten Psalm gesproken wordt, noch ook tot de zoodanigen, die de bestraffinge niet hooren.’ –

– ‘Zullen wij den Heer Blaek ook op het feest bij Tante van Bempden zien?’ vroeg ik aan Henriëtte: ik dorst haar niet vragen, of zij zelve komen zoude.

– ‘Ik weet het niet, mijn Heer!’ antwoordde zij, op de klok ziende, als iemand, die vertrekken wil, maar het bezoek toch niet korter wil maken dan de betamelijkheid vordert.

– ‘UEd. komt toch, Tante?’ vroeg Susanna.

– ‘Ik heb de noodiging aangenomen,’ antwoordde Tante: ‘ofschoon ik wel gewenscht had, dat zuster van Bempden een anderen dan den dag van Zaturdag tot deze feestviering had uitgekozen. Het wordt somtijds laat: en dan is men minder gestemd, den dag des Heeren behoorlijk te vieren.

– ‘Ja! lieve Tante!’ zeide ik: ‘dat is waar; maar UEd. zult met mij instemmen, dat Mama niet wel haar verjaardag verzetten kon, en dat Tante bovendien gebruik maakt van de gelegenheid, dat Papa eens uit kan gaan, daar hij altijd in het midden van de week zoo bezet is.’ –

– ‘Ja dat weet ik,’ hernam Tante: ‘maar, naar mijn begrip ware het voegzamer geweest, dat de plechtigheid ten huize uwer ouders had plaats gehad: er zouden dan wel zoo veel gasten niet hebben kunnen zijn; maar mij dunkt op een verjaarfeest behoort ook niemand buiten de naaste bloedverwanten: en die had uw moeder wel kunnen bergen.’ –

– ‘Zeg dat maar niet, dat Mama het hoort,’ zeide Susanna: ‘het goede mensch treurt er al genoeg over, dat er om harentwille zoo veel omslag gemaakt wordt; maar Tante was er zoo op gesteld: en men begreep, dat de groote en kleine kinderen zich buiten meer dan in de stad zouden vermaken, enz.’ –

Hier stond Henriëtte op. ‘Mejuffrouw Huyck!’ zeide zij, na een wijl te hebben gëaarzeld, ‘UEd. zal mij verschonen; maar ik mag niet langer blijven: het is later dan ik dacht, en…’

– ‘Wel heden! wilt gij nu reeds vertrekken?’ vroeg Tante: ‘gij zit pas.’ –

– ‘Mijn oom wacht mij: wij eten vroeg, om na den middag weder naar buiten te rijden: ik durf niet langer vertoeven.’ –

– ‘Rijdt gij naar huis, Jetje?’ vroeg mijn zuster, opstaande, met de houding van iemand, die een besluit neemt.

– ‘Ja lieve!’ antwoordde Henriëtte: ‘het is wat laat en uit den weg: anders zoude ik u voorstellen om u te huis te brengen; maar ik durf aan de paarden van oom zulk een omweg niet te laten doen.’ –

– ‘Neen! dat behoeft ook niet,’ hernam Susanna: ‘maar ik wil toch gaarne een eind met u rijden: ik moet bij Carlin wezen om lint te koopen: dat is toch in uw weg en gij kunt mij daar afzetten.’ –

– ‘O! zeer gaarne!’ zeide Henriëtte, op een toon, die aanduidde, dat zij het gezelschap van haar boezemvriendin voor deze reis wel zoude kunnen gemist hebben.

– ‘Gij blijft toch nog wat, Neef!’ zeide Tante: ‘dan kan ik u dadelijk zeggen wat mij op het hart ligt.’ –

– ‘Ik ben tot uw dienst,’ zeide ik: terwijl Henriëtte afscheid nam en Susanna mij in ’t heengaan een blik toewierp, die zoo veel zeggen wilde, als dat zij voor mijn belangen zoude waken. Met een zucht zag ik beide vertrekken.

– ‘Wel Neef! dat trof ongelukkig,’ zeide Tante, toen wij alleen waren: ‘maar verbeeld u, daar dacht ik in het eerst geheel niet aan uw mislukt aanzoek bij den Heer Blaek. Ik verwonderde mij reeds, dat gij alle drie zoo stil en zoo zonderling waart. Maar om u de waarheid te zeggen, ik zoude haast denken, dat zij nog al instemt met de meening van haar oom; want ik kan niet vinden, dat zij u bijzonder voorkomend behandelde.’ –

– ‘Dat heeft mij ook getroffen,’ zeide ik: ‘en ik was er verre af, mij op zulk een koelheid te verwachten. Ik weet niet, waarmede ik haar welwillendheid zoo op eenmaal verbeurd heb: en dat kwelt mij.’ –

– ‘Ik wil het wel geloven,’ hernam zij: ‘maar gij moet u in deze beproeving troosten met de gedachte, dat alles naar Gods wijzen wil geschiedt en dat elke kleine teleurstelling tot bevordering van uw eeuwig heil moet strekken. – Maar om te komen tot hetgeen ik u zeggen wilde: uw vader is gisteren bij mij geweest en heeft mij gewaarschuwd tegen die lieden, die bij Heynsz wonen. Hij zegt, dat de man onder een valschen naam bij mij gekomen is: en de dochter is, naar hij gelooft, ook van dezulken, tegen wie ik op mijn hoede moet wezen. Het rechte wilde hij niet zeggen; maar hij verwees mij tot u om nadere uitlegging van zijn woorden. Wat is daarvan? Is dat Juffertje wezentlijk zoo slecht? dan heb ik mij in haar bedrogen; want ik zag haar aan voor zulk eene “die rein van harte was ende ijverich in alle goede wercken.”’ –

– ‘Ik weet van haar niets kwaads,’ antwoordde ik, verheugd van te ontwaren, dat mijn vader zijn vermoedens omtrent mij ten minsten niet aan Tante had medegedeeld: ‘en wat haar vader betreft,’ vervolgde ik, ‘Helding heeft mij verhaald, dat hij vertrokken is.’ –

– ‘Ja,’ hernam zij: ‘dat heeft mij uw vader ook verteld; doch dat is ook al wonderlijk in zijn werk gegaan; want hij is, volgens het zeggen van uw vader, eergister avond met de nachtschuit heengegaan en te Nieuwersluijs er uitgestapt en er niet weder ingekomen; maar verdwenen, niemand weet waarheen. – Dus wil ik maar zeggen, ofschoon ik mijn naasten niet veroordeelen mag, dat daar toch iets achter schuilt. ’t Is wonder, zoo als uw moeder laatst aanmerkte, dat Heynsz zulke lieden bij zich heeft ontfangen.’ –

– ‘Indedaad!’ zeide ik: ‘maar, zoo als ik zeide: ik weet van beiden geen kwaad; ofschoon ik beken, dat het mij aangenaam zijn zal, niets meer van hen te hooren; want sedert mijn terugkomst alhier kan ik mij niet bewegen of ik ben gedwongen, over hen te hooren spreken; het is of zij mijn boze geesten zijn, die mij in wezenlijkheid of in verbeelding altijd en overal vervolgen.’ –

Ik had deze woorden naauwlijks gëuit, of zij werden bevestigd. De deur ging open: en Amelia trad binnen. – Men moet weten, zoo men het niet reeds heeft opgemerkt, dat mijn goede Tante altijd voor ieder een te huis was: en dat haar meiden dus nimmer iemand aandienden; maar elk, wiens gezicht zij eenmaal gezien hadden, dadelijk naar boven stuurden.

Wij waren alle drie onthutst. Amelia was echter de eerste, die de verrassing te boven kwam: en zelfs geloof ik, dat mijne tegenwoordigheid haar bemoedigde.

– ‘Mejuffrouw!’ zeide zij, zich tot Tante wendende, eer deze nog het vermogen had van haar toe te spreken: ‘ik kom als smeekeling tot u. Ik heb, in deze groote, volkrijke stad, niemand, op wiens goedwilligheid ik staat kan maken, buiten u – en uw Heer Neef,’ voegde zij er bloezende bij: ‘ik weet, dat mijn komst en mijn verzoek onbescheiden zijn: – en ik zal het u niet euvel duiden, zoo UEd. mij ongetroost terug zendt; maar u niettemin dankbaar blijven voor het goede, mij bewezen.’ –

– ‘Ga zitten, Juffertje!’ zeide Tante, die aan de buitengewone ontroering, welke op Ameliaas wezenstrekken zichtbaar was, wel bespeurde, dat zij door geene onbeduidende oorzaak tot haar gedreven werd: ‘ik help gaarne, wie ik kan; want dat is ons voorgeschreven; maar wilt gij ook iets drinken? Gij ziet er zoo ontdaan uit. Is u een ongeluk overkomen?’ –

– ‘Wil ik mij niet liever verwijderen?’ vroeg ik, weinig trek gevoelende van op nieuw in Ameliaas belangen gemoeid te worden: ‘Mejuffrouw heeft u wellicht iets in ’t geheim te zeggen.’ –

– ‘Neen, blijf nog wat hier, Neef!’ zeide Tante, die, geloof ik, bevreesd werd zich met Amelia alleen te bevinden: ‘en krijg dat fleschje met die droppeltjens eens uit het hoekkastje, en de watercaraf. – Toe! drink eens, arme ziel? gij zijt waarlijk geheel van uw stuk.’ –

– ‘Ik dacht niet, dat ik nog vatbaar was voor een diergelijke ontroering,’ zeide Amelia, ‘ik heb grootere tegenspoeden en bekommernissen, dan die ik heden ondervind, moedig doorgestaan; maar nooit ook, neen, nooit te voren had ik een vernedering ondergaan als deze. Ik heb de wederwaardigheden der waereld met gelatenheid gedragen; – maar ik was niet geboren om mij door een elendigen spion te zien beledigen, als ware ik een schandvlek mijner kunne.’ –

– ‘Wat is er gebeurd? – Wie heeft u beledigd?’ vroegen Tante en ik, bijna gelijktijdig.

– ‘Wat hij gezegd heeft,’ zeide Amelia, ‘doet er niet toe: zijn uitdrukkingen zijn misschien te verschonen: hij is niet gewend met beschaafde lieden om te gaan: hij kon mij zijn huis uitzetten: hij is er meester in en heeft daar het recht toe; maar het is laag en onverschoonlijk van hem, mij te beledigen, op een oogenblik, dat ik alleen en van elk verlaten ben. – Ik kan, ik mag niet langer onder zijn dak blijven; – maar waarheen zal ik mij wenden? – Gij alleen, Mejuffrouw, gij kunt mij helpen. O! ik bid u, wijs mij een wijkplaats aan bij eerlijke lieden, waar ik mijn intrek nemen kan. Ik zal er niet lang vertoeven, ik beloof het u. – Geld ontbreekt mij niet: ik verlang niets als een verblijf, hoe klein ook, waar ik rust kan vinden en voor alle bezoeken veilig mag zijn.’ –

– ‘Ja!’ zeide Tante: ‘dat is nu goed en wel; maar er worden zooveel rare dingen van uw vader en u verteld, dat ik eerst nog wel wat naders van u dien te vernemen, eer ik u bij anderen recommandeer.’ –

– ‘Daar zult gij gelijk aan hebben, Zuster!’ zeide een stem achter ons. Wij wendden alle drie het hoofd om: – en mijn vader trad de gëopende deur binnen. Hij was, gelijk ik naderhand vernam, naar de woning van Heynsz gegaan om met Amelia te spreken; doch, daar zij juist vertrokken was, haar op den voet gevolgd, en kort na haar de opene voordeur bij Tante ingetreden.

Geheel verschillend was de indruk, welken zijn plotslingsche verschijning op ons maakte. Tantes gelaat helderde op: en het was te zien, dat de komst van haar broeder haar uit een machtige verlegenheid redde: Amelia zag hem aan zonder schrik, maar met verwondering en ongerustheid, en als vermoedde zij, dat het van dien man afhing, hoe haar lot zoude beslist worden. Wat mijzelf betreft, ik was geheel uit het veld geslagen; want ik voorzag niet slechts nieuwe onaangenaamheden voor mij, en verkeerde uitleggingen van mijne tegenwoordigheid daar ter plaatse; maar ook beefde ik voor Amelia; en alleen de kennis, die ik van mijns vaders strikte rechtvaardigheid bezat, boezemde mij eenige hoop in.

Mijn vader zag eerst Amelia, en vervolgens mij met een navorschenden blik aan. Zij sloeg de oogen niet neder; maar rees op, en haar gelaat nam die uitdrukking van hoogmoed aan, welke haren vader zoo eigen was, en die ik ook vroeger in haar had opgemerkt. Zij was blijkbaar geraakt over hetgeen zij als een onbeleefdheid beschouwde. Tante was de eerste, die het stilzwijgen brak: ‘Gij komt juist bij tijds, Broeder!’ zeide zij: ‘deze is de Juffer, waarover ik u gesproken heb.’ –

– ‘Ik zie het,’ zeide mijn vader: ‘Jonge dochter!’ vervolgde hij, zich tot Amelia wendende: ‘het smart mij, in iemand van uwe jaren en voorkomen zooveel verstoktheid te vinden. Hoe hebt gij u kunnen verstouten, u in te dringen bij een eerbiedwaardige Juffer, terwijl gij bij u zelve bewust moest zijn, dat uw ware plaats in het Spinhuis is.’ –

– ‘Mijn Heer!’ riep Amelia, op een toon van hevige verontwaardiging, terwijl zij het hoofd ophield met een waardigheid, die een Koningin eer zoude hebben aangedaan: en toen, zich naar mij toekeerende: ‘wie is die man?’ vroeg zij.

– ‘Het is mijn vader?’ fluisterde ik: ‘om Gods wil…’

– ‘Welnu!’ ging zij voort: ‘zeg dan aan uwen vader, dat ik van zijnentwege een andere behandeling had verwacht. Zoo iemand zonder opvoeding, gelijk Heynsz, mij beledigde, ik dacht niet, dat de Heer Huyck een dergelijke handelwijze zoude navolgen.’ –

– ‘Ik zoude u aanraden, een toon lager te zingen,’ hernam mijn vader: ‘ik ben heusch jegens een met lompen bedekte vrouw, wanneer haar gedrag betamelijk is; maar ik zoude ook aan een Vorstin mijn verachting toonen, wanneer zij handelde zoo als gij.’ –

– ‘Vaarwel Mejuffrouw!’ zeide Amelia, even met het hoofd buigende en zich willende verwijderen.

– ‘Blijf!’ zeide mijn vader, op dien toon van gezach, dien elk wie hem hoorde gedwongen was te eerbiedigen: ‘en wees liever dankbaar jegens mij, dat ik u niet door mijn dienaars voor mij op het Stadhuis heb laten brengen; maar hier ben gekomen om u te ondervragen: en bedenk, dat een rondborstige bekentenis u meer nut zal doen, dan het aannemen eener ongepaste fierheid.’ –

Amelia bleef middel in het vertrek staan, de armen over elkander geslagen, de oogen vlammende van spijt en de lippen stijf gesloten; terwijl haar geheele houding aanduidde, dat zij alleen toegaf aan dwang, maar besloten had, geen antwoord op de tot haar gerichte vragen te geven.

– ‘Ik weet zelfs niet,’ vervolgde mijn vader, eenigzins verwonderd over een dergelijke minachting van zijn gezach, waaraan hij weinig gewend was; of ik nog wel zooveel inschikkelijkheid jegens u betoond zoude hebben, indien het niet ware geweest om den wille van dien onwaardigen daar!’ (hier wees hij op mij:) ‘ik moet bekennen, hij heeft zijn affecties wel geplaatst!’ –

– ‘Hoe!’ riep Amelia uit, terwijl de uitdrukking van haar wezen op eens veranderde en zij mij met een blik van verwondering aanzag.

– ‘Ik versta u niet,’ vervolgde zij, mijn vader met angstvalligheid aanziende.

– ‘Gij verstaat mij niet?’ vroeg mijn vader, zelf verwonderd over de plotselingsche verandering in haar gelaat.

Ik achtte het oogenblik geschikt om er tusschen in te komen: ‘Mejuffrouw kan u niet verstaan,’ zeide ik: ‘want er is hier geen quaestie hoegenaamd van affecties.’ –

– ‘Wacht, tot men u het woord geeft, eer gij u in het gesprek mengt,’ zeide mijn vader, met een gestrengen blik: ‘is uw samenkomst hier ook toevallig, even als al het vroegere? Gij hebt voor altijd mijn vertrouwen verbeurd.’ –

– ‘Vader!’ zeide ik: ‘ik verzeker u…’ –

– ‘Vertrek!’ zeide hij: ‘ik wil niets meer hooren.’ –

Ik zuchtte en maakte mij gereed om aan dit bevel te gehoorzamen; toen Amelia, die, gedurende deze woordenwisseling, ten prooi was geweest aan een hevige gemoedsbeweging en beurtelings rood en bleek geworden was, zich tusschen mij en de deur in plaatste: ‘Toef een oogenblik!’ zeide zij: ‘ik weet niet,’ vervolgde zij, tot mijn vader sprekende: ‘waar ik van beschuldigd worde; maar slechts dit moet ik voor den alwetenden God betuigen, dat uw zoon zich de geringe kennis, die hij aan mij heeft, noch de diensten, welke hij mij bewees, niet behoeft te schamen: dat zijne handelwijze edel, menschlievend en onberispelijk was, en dat alleen vuige laster een valsche uitlegging aan zijn gedrag kan geven.’ –

Er lag zulk een toon van waarheid in de woorden die zij gesproken had: het geluid van haar stem, thands ontdaan van die bitterheid, welke er te voren in lag, had iets zoo treffends en overtuigends: een zoodanige edelaartigheid was over haar wezen verspreid, dat mijn vader er van getroffen werd. Gewoon, om in de geheime plooien door te dringen, waarachter het bedrog zich verbergt, en het ware van het valsche te onderscheiden, twijfelde hij niet, of Amelia, al ware zij dan in zekere opzichten schuldig, was echter niet de vrouw, welke men hem had afgeschilderd. Hij dacht een oogenblik na, wenkte mij toe, dat ik blijven kon, en vroeg toen snel aan Amelia:

– ‘Hoe is uw naam?’ –

– ‘Amelia,’ antwoordde zij, haar vorige houding van behoedzamen argwaan hernemende.

– ‘Uw familienaam?’ –

– ‘Voor het oogenblik draag ik geen anderen naam dan Amelia.’ –

– ‘En uw vader dan? – Hij heeft zich van Beveren doen noemen; maar dat is zijn ware naam niet: hoe heet hij?’ –

– ‘Hijzelf zal best in staat zijn u daarop te antwoorden.’ –

– ‘Goed! Maar hij is hier niet. Waar bevindt hij zich thands?’ –

– ‘Ik heb mij altijd gewacht zijne gangen na te gaan,’ antwoordde Amelia: ‘ik laat zulks aan anderen over,’ voegde zij er bij op een scherpen toon.

– ‘Gij schijnt dit onderwerp niet te willen behandelen,’ zeide mijn vader: ‘en ik kan het in u niet misprijzen, dat gij uw vader niet verraden wilt. Maar gij zult niet aarzelen, hoop ik, mij te antwoorden betreffende hetgene u zelve aangaat. Waar hebt gij mijn zoon leeren kennen?’ –

Amelia zag mij even zijdelings aan, en antwoordde toen op een bedaarden toon: ‘hij zal het u waarschijnlijk zelf verhaald hebben.’ –

Ik dacht één oogenblik, maar ook slechts één oogenblik, dat mijn vader het gewone hulpmiddel zoude bezigen om aan beschuldigden een confessie af te dwingen; namelijk: door hun te doen geloven, dat hun medeplichtige reeds bekend heeft. Maar, het zij, dat hij te oprecht van harte was, om tot dergelijke listen zijn toevlucht te nemen, ’t zij dat hij begreep er geen baat bij te zullen vinden, na de gevatheid waarvan Amelia reeds blijken gegeven had, hij schudde het hoofd en zeide:

– ‘Jonge dochter! Ik moet u vaderlijk en met nadruk tevens herhalen, dat gij uw zaak slechts verergert door uw hardnekkigheid. Gij komt met mijn zoon, niemand weet van waar, in de Naarderschuit: gij verlaat hem te Amsterdam; doch ontfangt later herhaaldelijk bezoeken van hem: uw vader komt en verdwijnt weder van hier gelijk een schim, en draagt een naam, die blijkbaar valsch is. Er hebben ten uwent onbetamelijke tooneelen plaats: – moet dit niet geschikt zijn, om vermoedens tegen u op te wekken?’ –

Van deze gandsche toespraak had Amelia blijkbaar slechts één punt met opmerkzaamheid aangehoord, namelijk: dat ik haars vaders geheim had bewaard.

– ‘O!’ zeide zij: ‘mijn Heer! uw Zoon heeft edel, heeft braaf gehandeld! Hoe! hij heeft zich aan verdenking bloot gesteld! hij heeft zich het misnoegen der zijnen op den hals gehaald! hij heeft zich den laster prijs gesteld om onzent wille! – Ach!’ vervolgde zij, zich tot mij wendende: ‘beschuldig mij niet van onedelmoedigheid, van ondankbaarheid, zoo ik in mijn zwijgen volharde en u niet zuivere van den blaam, dien men op u… en ook op mij geworpen heeft. Maar God weet het – ik mag niet spreken. –

– ‘Gij zult des Heeren naam niet ijdelijck misbruijcken!’ mompelde Tante Letje, het hoofd schuddende.

– ‘En nu, mijn Heer!’ zeide Amelia tot mijn vader: ‘laat mij naar de gevangenis, naar het Spinhuis brengen: gij hebt er de macht toe en ik ben buiten staat u te weerstaan. Maar ik verklaar het u, ik heb geen kwaad bedreven; en het zal u eenmaal, als gij later van mijne onschuld overtuigd zult zijn, in de ziel grieven, dat gij mij hard en onrechtvaardig behandeld hebt. Ziedaar dan die Nederlanden, die gewesten, geheel de waereld door als de zetel der Burgervrijheid beroemd. Men vervolgt, men bespiedt, men vonnist zonder rede een onschuldig meisje, wier eenige misdaad is, dat zij haar ongelukkigen vader lief heeft en niet aan zijn vijanden verraden wil.’ –

– ‘Neen, Mejuffer!’ zeide mijn vader op een zachter toon: ‘zoo gij onschuldig zijt, hebt gij ook voor geen straf te schroomen. Ik zal u geen vragen meer doen. Verre zij het van mij, een dochter te willen gebruiken tot werktuig om haar vader in de handen der Justitie te leveren. Maar zulke vreemde en geheimzinnige omstandigheden hechten zich aan uw verblijf alhier, dat ik u niet kan vergunnen, deze stad te verlaten, alvorens die zijn opgehelderd. Gij kunt zelve uw verblijf kiezen en zult daar tegen alle u onaangename bezoeken beveiligd worden. Het zal dus van uw vader zelf afhangen, den duur van dat verblijf te verlengen of te verkorten.’ –

Op dit oogenblik trad de dienstmaagd binnen en gaf mijnen vader een briefje, hetwelk een onbekende gebracht had, met last om het onmiddelijk aan Z. Ed. Gestr. te overhandigen. Hij las het: zijn gelaat teekende verwondering: hij zag Amelia oplettend aan en zeide toen op een half luiden toon:

– ‘Hoe is het mogelijk, dat ik niet vroeger op dat denkbeeld gekomen ben? Zij is haars vaders evenbeeld. Lees dit briefje, Ferdinand! Misschien zult gij, na de inzage daarvan, u onbezwaard vinden van te spreken.’ –

Ik las het briefje, dat van den volgenden inhoud was:

– ‘Wel Edel Gestrenge Heer! zoo even geeft kleine Simon mij de stellige verzekering, dat de Heer van Beveren niemand anders is, als de Graaf van Talavera, dien wij zochten. Te denken, dat die persoon zoolang bij mij aan huis gewoond heeft! zonder dat ik vermoeden op hem had! Hij moet echter in ’t net loopen; want er zijn overal wakers uitgezet. – Ik verblijve met diepen eerbied

Uw Ed. Gestr. Nederige Dienaar

heynsz .’ –

– ‘Ik vermoedde dit,’ zeide ik, hem het geschrift teruggevende: ‘maar ook deze mededeeling verleent mij nog geene vrijheid, om u de aanleiding onzer kennismaking te verhalen. Eerst als hij of gevangen, of in veiligheid is, zal ik mogen spreken.’ –

– ‘Zoo!’ zeide mijn vader op een koelen toon: en toen, zich omwendende, nam hij Amelia op een hoffelijke wijze bij de hand.

– ‘Zuster!’ zeide hij tegen Tante Letje: ‘ik stel u de Freule van Lintz voor, de dochter van Keetje Reefzeil, die gij u herinneren zult.’ –

– ‘Mijn Heer!’ riep Amelia uit, verbleekende, en mijn vader met angst aanziende.

– ‘Verschoon mij,’ vervolgde mijn vader: ‘ik had wellicht moeten zeggen: Donna Amelia de Talavera. – Het smart mij, dat ik gedwongen ben, uw vader, aan wiens groote verdiensten ik in vele opzichten hulde doe, te moeten vervolgen. Maar de plicht, dien ik jegens hem te vervullen heb, zal mij niet beletten, jegens u die menschlievendheid in acht te nemen, waarop uw ongeluk aanspraak heeft. Waarin kan ik u van dienst zijn? Gij hebt hier nog bloedverwanten van moeders zijde? Begeert gij dat ik u bij hen breng en u aan hunne bescherming vertrouwe?’ –

– ‘Helaas!’ zeide Amelia: ‘wie hunner zoude zich willen ontfermen over de rampzalige dochter des zwervers? – neen! het is niet bij hen, die wellicht mijn vader haten of verachten, dat ik een toevlucht zoeken zal. Wijs mij een afgelegene, een veilige woonplaats aan, het zal slechts voor weinig tijd zijn.. aan geld ontbreekt het mij niet: – en ik zal u danken, mijn Heer! – maar niet bij bloedverwanten, die mij een genade zouden meenen te doen.’ –

– ‘Hoor!’ zeide Tante Letje, terwijl zij Amelia bij de hand nam: ‘gij zult niet bij vreemden gaan, en ook niet bij Heynsz terug keeren. Ik heb nog plaats in huis: blijf bij mij inwonen: “gij sult bevinden, dat mijne tente in vrede is:” gij kunt hier zoo stil leven als gij wilt en op uw eigen kamer blijven, waar gij zon noch maan behoeft te zien, als gij niet verkiest. Ik zal het aan de meiden zeggen, dat zij niemand bij u laten, zonder hem aan te dienen.’ –

– ‘Bij u, mijn goede Juffrouw!’ zeide Amelia, zich schreiende over Tante heen buigende en haar omhelzende: ‘ach! waaraan heb ik zooveel goedheid verdiend?’ –

– ‘Wel!’ zeide Tante: ‘staat er niet geschreven: “ik was vreemdeling en gij hebt mij geherbergd?” Gij neemt dus aan, niet waar?’ –

– ‘Bij wie zoude ik liever komen dan bij u, Mejuffrouw!’ hernam Amelia: ‘zijt gij de eenige niet, die u mijner hebt aangetrokken?’ –

– ‘Dat is te zeggen,’ zeide Tante: ‘daar komt Neef de meeste eer van toe: heugt het u nog, Neef?’ –

– ‘Maar neen!’ zeide Amelia, zich op eens bezinnende: ‘neen! dat kan toch niet. In een onbedachte opwelling van erkentenis vergat ik, dat uwe familie reeds onaangenaamheden genoeg om mijnent wille heeft gehad. Neen! – dat kan waarlijk niet.’ –

– ‘En waarom dat niet?’ – vroeg Tante: ‘van de familie zult gij geen last hebben, noch de familie van u: ik heb u immer gezegd, dat gij stil op uw kamer kunt blijven.’ –

– ‘Ik eerbiedig de naauwgezetheid van de Freule,’ zeide mijn vader: ‘en toch geloof ik, dat zij niet beter kan doen, dan uw voorstel aan te nemen. – De waereld zal daaruit kunnen opmaken, dat de nadeelige geruchten, die omtrent haar geloopen hebben en waaraan ik zelf geloof hechtte, logenachtig zijn. – Overigens zult gij, Freule! hier geheel vrij leven en niemand zal u kwellen met vragen of bezoeken.’ –

– ‘Neen!’ zeide Amelia: ‘ook om uwentwille, mijn Heer Huyck! moet ik niet bij uwe zuster blijven. – Zouden de menschen, die altijd liefst genegen zijn het ergste te denken, u niet beschuldigen van te heulen met iemand, dien gij vervolgen moet, door aan zijne dochter huisvesting bij uwe naastbestaande te verleenen?’ –

– ‘Uw bedenking is vol juistheid,’ antwoordde mijn vader: ‘en zij doet mijn achting voor u rijzen; want na de wijze, waarop ik u behandeld heb, is het meer dan grootmoedig in u, bezorgdheid voor mijnen goeden naam te toonen. Maar in dit geval zal ik de lieden laten spreken en mij niet stooren aan wat zij verhalen. Uw goede naam is van niet minder gewicht dan de mijne: en ik zie geen beter middel om dien te herstellen en alle zotte praatjens te doen zwijgen, dan door het aannemen van het voorstel mijner zuster.’ –

Ofschoon met moeite, gaf Amelia eindelijk toe, en Tante gaf terstond last, dat haar goed zoude gehaald worden, terwijl mijn vader een briefje aan Heynsz schreef, met machtiging om het te laten volgen. Daarna namen wij ons afscheid en lieten de beide Dames alleen.

– ‘Zij bezit denzelfden onafhankelijken geest, die haar vader altijd gekenmerkt heeft,’ zeide mijn vader, nadat wij een wijl zwijgend over straat hadden geloopen: ‘ik beklaag haar; want, de Graaf moge zich nog een wijl aan onze nasporingen onttrekken: hij moet toch eindelijk in den val loopen: en wat zal dan haar lot zijn?’ –

– ‘Gij zijt niet meer ontevrede op mij, Vader!’ zeide ik, hem bij de hand vattende.

– ‘Ik begin te begrijpen, dat gij in een moeilijk praedicament hebt gezeten; maar nog vat ik niet recht, waarom gij in uw zwijgen volharden blijft, nu alles toch ontdekt is.

– ‘Verschoon mij, zeide ik: ‘maar, zoo ik u zeide, hoe en waar ik met den Graaf heb kennis gemaakt, zoude UEd. dan ook niet weten, hoe en waar hem te vinden?’ –

– ‘Daar is wat aan,’ antwoordde mijn vader, lagchende: ‘welnu! ik zie uw nadere ophelderingen te gemoet. Het doet mij in allen gevalle genoegen, dat gij niet op dit meisje verliefd zijt.’ –

DigitalDroom Reader

Hoofdstuk XXXI

XXXI / XXXIX

Na het middagmaal riep ik Susanna ter zijde: ‘wel!’ vroeg ik: ‘zijt gij iets te weten gekomen?’ –

– ‘Ja voorzeker!’ antwoordde zij: ‘ik heb schoone dingen van u gehoord, Sinjeur! waarlijk, mijn vriendschap voor u heeft mij een zotten rol laten spelen.’ –

– ‘Namelijk!’ –

– ‘’t Lijkt zeker wel goed om twee koorden aan zijn boog te hebben; maar in sommige gevallen is het noch voorzichtig, noch verstandig: en, zoo als Cats zegt:

Twee op eenen tyt te vryen

Siet men selden wel gedyen.’ –

– ‘Wat wilt gij zeggen? Kom toch ter hoofdzaak!’ –

– ‘En vertel mij eens, Ferdinand! die mamzel, die gij van uw reizen hebt medegebracht, is zij een Hoogduitsche of een Italiaansche? Zij zingt zeker heel fraai? En wat kost haar toilet u wel in de maand?’ –

– ‘Oho!’ zeide ik: ‘ik zie al, waar de knoop ligt. De laster is aan ’t werk geweest en heeft waar en valsch zoo fijn door een geklutst, dat zelfs de Engelen aan het twijfelen zouden raken.’ –

– ‘Nu, antwoord dan!’ zeide Susanna: ‘ik, die een onnoozele Amsterdamsche burgerdochter ben, heb geen verstand van die nieuwerwetsche Fransche beschaafdheid. Zeg mij toch, hoe zoudt gij, indien de oude Heer Blaek uw aanzoek had aangenomen, het hebben aangelegd, om zonder fortuin twee huishoudens te verzorgen?’ –

– ‘En hebt gij ook al aan die dwaasheden geloofd?’ vroeg ik.

– ‘Welke gronden zou ik moeten aanwenden, om het tegen te spreken. – Wat deedt gij in dat huis?..

Prince, quelques raisons que vous me puissiez dire

Votre devoir làbas n’a point dú vous conduire.

Maar het ergst van alles is, dat gij de onbeschaamdheid hebt gehad, dat schepsel met een vroom onschuldig mensch als Tante Letje in kennis te brengen: zoo die eens hoort, welk een lief persoontje zij aangehaald heeft, dan geef ik geen duit voor uw aandeel in de erfenis.’ –

– ‘Dat zal zulk een vaart niet loopen,’ zeide ik, glimlagchende: ‘Tante weet alles wat haar betreft, en is best met haar te vrede.’ –

– ‘Dan heeft zij plan om haar te bekeeren,’ zeide Susanna: ‘anders vat ik het niet. – Foei! dat gij zoo slecht zijt geworden! Het spijt mij, dat ik mij om uwentwille heb boos gemaakt op Henriëtte, die toch wel degelijk gelijk had, dat zij u schuinsch aanzag.’ –

– ‘Maar wat heeft zij u dan gezegd?’ –

– ‘Ik weet haast niet, waarom ik mij de moeite geve van het u over te vertellen; want zij heeft mij niets gezegd dan hetgeen gij zeker zoo goed weet als iemand. Ja! ik heb moeite genoeg gehad, om haar de woorden uit de keel te halen: en toen zij eens sprak, had ik haar wel willen doen zwijgen. Wel! zij heeft mij verteld, hoe gij bezoeken aflegt bij een jonge Juffer, die bij Heynsz woont, en die gij van uw reis hebt medegebracht. – (Zij zou het zelve niet geloofd hebben, indien zij u niet te Muiden gëarmd met die Juffer had zien loopen:) – en hoe gij haar daaromtrent met mooie praatjens gepaaid hadt: – en hoe Lodewijk van de trappen gesmeten was en gij zijn knecht belet hadt hem bij te staan – en nog heel veel, te lang om te vertellen: – zoo dat ik met een mond vol tanden ben blijven zitten en de koets heb verlaten, zonder een woord ter uwer verdediging te hebben kunnen uitbrengen.’ –

– ‘Het is gelijk ik dacht,’ zeide ik: ‘nu! de tijd zal mij wel rechtvaardigen, al ben ik daar thands niet toe in staat.’ –

– ‘Ja! maar intusschen gaat Lodewijk met haar strijken en dan helpt u uwe rechtvaardiging wat.’ –

– ‘Dat is ook waar!’ zeide ik, nadenkend: ‘en het is gek genoeg! – Want wat baat het, of ik haar slechts een gedeeltelijke opheldering geef, en of ik haar al vertelle, dat die Juffer, waarover zij zich bekommert, haar eigen nicht is, en zoo weinig een ergerlijk gedrag leidt, dat mijn godvreezende Tante zelve haar, met voorkennis mijns vaders, huisvesting verleent?’ –

– ‘Wat vertelje daar?’ vroeg Susanna, ten toppunt van verbazing.

– ‘De loutere waarheid.’ –

– ‘Nu! dat gaat mijn begrip te boven: hebje nu niet alleen Tante, maar ook Papa zelf een rad voor de oogen weten te draaien?’ –

– ‘Waarlijk niet,’ antwoordde ik: en ik gaf haar een kort verslag van de zaak, zoo als die zich had toegedragen, alleen voor haar, gelijk voor mijn vader de aanleiding mijner kennismaking met den Heer van Lintz verbergende, daar ik die niet kon openbaren zonder te spreken van zijn verblijf in de boerderij, die ik van gedachte was, dat hem wellicht nogmaals tot toevlucht verstrekken kon. –

– ‘’t Is een rare avontuur,’ hervatte zij: ‘’t lijkt wel een roman. Maar met dat al weet ik niet, of Henriëtte er wel volkomen door te vrede gesteld zoude worden. Al is die Juffer haar nicht en de dochter van een Graaf, daarom kon zij wel uw liefste zijn: ’t is misschien een reden te meer om haar jaloezij op te wekken. Ferdinand – man! ik kan u maar slechte troost geven. – Ik wilde gaarne den zesdubbelen paerelsnoer, dien ik van Grootje gëerfd heb, tegen een streng breikatoen verruilen, dat gij u niet in die malle historie gemoeid hadt, die ons niets dan verdriet veroorzaakt heeft. Papa heeft er al een week lang zoo zwart van gekeken als de Reus in ’t Doolhof: Mama is er ziek van: mijn geheel humeur is er door bedorven; want wie heeft het hart om te schertsen met zielsbedroefde lieden: gij zelf hebt een gezicht van een el lang en Henriëtte zal misschien uit despe ratie met haar neef trouwen en haar leven lang ongelukkig zijn. – Ik wenschte dat die Heer van Lintz of van Talavera, zoo als hij heeten mag, op den heeten rooster zat.’ –

– ‘Dat juist niet,’ zeide ik: ‘ik ware dubbel te vrede, zoo hij maar Staatsminister in Spanje gebleven ware, zoo dat ik nooit van den man gehoord had, als uit de Couranten. Gij hebt gelijk intusschen; maar het is niet genoeg te weten, hoe mal het er voor mij uitziet, wij dienen ook op een middel te peinzen, om de kwade gedachten weg te nemen, die men van mij heeft. Met Vader en Moeder zal dit wel schikken: gij hebt kunnen zien, dat zij mij over tafel weder vriendelijk behandelden als van ouds; – maar hoe of ik Henriëtte van mijn onschuld overtuig, weet ik waarachtig niet. Ik ben bij haar belasterd: en de laster is als de houtskool: verbrandt hij niet, hij maakt toch zwart. – Alleen spreken kan ik haar niet en zoo ik haar schrijf, ben ik niet zeker dat mijn brief in hare handen komt: – en al kon ik haar spreken of schrijven, hoe zal ik mijn gedrag kunnen rechtvaardigen, zoo lang ik haar de drijfveeren mijner handelingen niet geheel kan bloot leggen? – ’t Is voorwaar om… tureluursch te worden: ik weet niet waarom ik, die alles behalve singulier of excentriek verlang te schijnen, en nooit eenigen smaak in romans heb gehad, tot mijn beproeving in zulk een maalstroom van avonturen moet geslingerd worden, die zoo romanesk zijn en zoo verward door elkander woelen, dat ik er mij op het laatst niet meer uit weet te helpen, en somtijds denk, dat alles maar een benaauwde droom is, waaruit ik t’avond of morgen ontwaken zal.’ –

– ‘Ja! dat is alles heel onaangenaam,’ zeide Susanna: ‘maar het baat niets of gij daar al over redeneert en gij verspilt alzoo den kostelijken tijd althands tegen mij, die toch niet kan bëoordeelen of het al dan niet uw schuld is, dat gij er zoo in zit. – Wat nu Henriëtte betreft, ik zoude haar wel kunnen schrijven; – maar gij dient mij voor te zeggen, wat. – Of nog beter, schrijf gij haar: – dan zal ik het adres op den brief zetten; anders loopt gij nog gevaar, dat hij u ongëopend terug wordt gezonden.’ –

– ‘Ja!’ zeide ik: ‘gij hebt gelijk: schrijven moet ik: en waarom zoude ik er tegen opzien? Ik heb mij niets te verwijten en behoef slechts tijd te vragen om mij te verantwoorden. Men weigert dit aan den misdadiger voor de rechtbank niet: en waarom zoude mij dit verzoek worden afgeslagen? – ik weet wat ik te schrijven heb.’ –

– ‘Zoudt gij niet eerst een kladje maken,’ vroeg Susanna, eer gij Mamaas beste papier gebruikt?’ (zij zag, dat ik een voor mij staande portefeuille opnam) ‘en wil ik ook heengaan?’ –

– ‘Neen Santje! blijf maar; – wanneer men een minnebrief te schrijven heeft, dan zal men dralen en peinzen en kladjens maken en vreezen nog, dat stijl en uitdrukking ongenoegzaam zullen zijn om de liefde te schetsen, die men gevoelt, en het hart der beminde te vermurwen; maar wanneer het er op aankomt, zijn naam als eerlijk man te handhaven, dan behoeft men slechts ronde, onbewimpelde waarheid: dan heeft men geen fraaie keus van woorden, geen cieraden noodig. Geef mij dat papier: ik zal u laten lezen, wat ik geschreven heb.’ –

Ik plaatste mij aan de tafel en schreef den navolgenden brief, waar ik geen woord aan veranderde.

– ‘Mejuffrouw! uwe meening was gegrond, en uw oom heeft mijn aanzoek om uw hand afgeslagen. Het voegt mij niet, de redenen zijner handelwijs te onderzoeken; maar zoo deze mij getroffen heeft, nog sterker trof mij heden morgen uw koele houding te mijwaart, welke ik, vergeef mij mijn openhartigheid, verre was van te verwachten, omdat ik weet, die niet te verdienen. Toen ik op Heizicht afscheid van u nam, streelde ik mij met de gedachte, dat UEd. mijn oprechte liefde niet hadt versmaad: deze gedachte maakte mijn hoogst geluk uit en deed mij ook het antwoord van den Heer Blaek met meer gelatenheid dragen; daar ik mij troostte met het denkbeeld, dat de tijd en mijn standvastige trouw eenmaal over zijne weigering zouden zegevieren, wanneer UEd. bij dezelfde gevoelens bleeft, welke UEd. omtrent mij koesterdet. Thands echter vind ik u geheel ten mijnen opzichte veranderd: en wel, gelijk ik van mijn zuster verneem, ten gevolge van omtrent mij loopende geruchten, welke UEd. voor waarheid aanneemt. Uw oom zoude het mij ten kwade duiden, indien ik tegen zijn wil u over mijn liefde onderhield; doch hij kan nimmer wraken, dat ik de pen opneme ter verdediging van mijn goeden naam. Ik mag voor alsnog, daar het mij niet vrijstaat, geheimen van derden te openbaren, u de aanleiding niet ontvouwen mijner kennismaking met zekere Juffer, met welke UEd. mij eens te Muiden gezien hebt: ik kan u alleen herhalen, dat mijne betrekking met haar geheel onschuldig is, en dat ik voor haar geen ander gevoel heb, dan achting voor haar zielshoedanigheden en medelijden met haar ongeluk. Overigens is zij thands, met voorkennis mijns vaders, bij mijn tante Huyck gehuisvest, die stellig geene lieden bij zich zoude ontfangen, wier gedrag berispelijk ware. – Wat overigens den laster betreft, dien men omtrent mij heeft gëuit, ik weet, aan wien ik dien moet toeschrijven, en tevens, dat alleen de eer van uw naastbestaande te zijn, den lasteraar beveiligt voor de welverdiende straf, welke ik hem anders had toegedacht.

‘Nog eene vraag, Mejuffrouw! Zoo UEd. nog argwaan jegens mij mocht voeden, schort, bid ik u, slechts veertien dagen lang uw oordeel op: als die verstreken zijn, houd ik mij overtuigd, dat het mij licht zal vallen, mij van allen blaam te zuiveren, en u te overtuigen, dat ik niet onwaardig ben mij te noemen enz.’

– ‘En denkje, dat dit stuk veel zal uitwerken?’ vroeg Susanna, toen ik haar den brief had laten lezen: ‘mij dunkt, in hare plaats zoude ik niet bijzonder gesticht wezen met die achting en dat medelijden, die gij voor uwe protégée gevoelt. Dat is wel geen liefde; maar het grenst er toch machtig na aan.’ –

– ‘Aan u zoude ik misschien anders schrijven,’ zeide ik, lagchende: ‘maar Henriëtte zal, naar ik vertrouw, het op zijn waren prijs weten te stellen, dat ik de reputatie van een onschuldig meisje zoo wel als de mijne verdedig. – Heeft zij mij lief, dan zal zij mij geloven en nadere ophelderingen afwachten: doet zij dit niet, dan is het ook een teeken, dat zij mij niet bemint: – en dan zal ik haar miskenning met meerdere gelatenheid dragen.’ –

Susanna nam nu de verzending van den brief op zich: en ik begaf mij naar het kantoor.

In de dagen, welke er tusschen dit gesprek en den jaardag mijner moeder verliepen, viel niet veel voor, dat des lezers belangstelling waardig is. Van drie omstandigheden echter moet ik melding maken: de eerste was, dat Kapitein Pulver uitzeilde en mij door zijn vertrek wat meer ruimen tijd liet: de tweede, dat Heynsz, wiens betrekking tot de Justitie nu door het babbelen van Helding spoedig algemeen bekend was geworden, en die alzoo niet langer in ’t geheim van dienst kon zijn, een openbare bediening verkreeg. Een der Onderschouten was kort te voren gepensioneerd geweest en Heynsz werd benoemd om dien post voorloopig te vervullen, met toezegging, dat hem een dadelijke aanstelling geworden zoude, zoodra het hem gelukt zoude zijn den zich nog altijd schuilhoudenden Graaf van Talavera aan de Justitie overteleveren. Eindelijk, ten derde, Susanna ontfing een briefje van haar vriendin, waarin deze, in zeer korte bewoordingen, te kennen gaf, dat zij mijn brief ontfangen had, en wel geloven wilde, dat men mijn gedrag in een ongunstiger licht stelde dan het verdiende; doch dat, wetende hoezeer haar oom, wien zij alles verschuldigd was, tegen onze nadere kennismaking was, plichtmatig begreep te moeten handelen door mij te doen verzoeken, alle verdere moeite ten haren opzichte te staken en mij mijn woord terug gaf. Deze harde taal sloeg mij geheel ter neder; maar ik begreep, dat er voor ’t oogenblik niets tegen te doen was: en dat ik moest afwachten of wellicht de tijd in de gezindheid van den Heer Blaek om mij zijn nicht te ontzeggen, of in hare gezindheid om zijn wil op te volgen, eenige verandering te weeg mocht brengen.

Een dag vroeger dan dien waarop het verjaarfeest te Heizicht zoude gevierd worden, vertrok ik derwaart, ten einde mijn tante van Bempden, op haar verzoek, in het maken van eenige voorloopige schikkingen behulpzaam te zijn. – Ik vond Tante in blakenden welstand, en, als naar gewoonte, het zeer volhandig hebbende. Naauwlijks gunde zij zich den tijd mij welkom te heeten, maar liep het huis op en neder en in en uit, en riep, nu de keukenmeid, om nog eenige veranderingen in de ordonnantie van het maal te maken: dan weder de linnenmeid, om met haar de benoodigde tafellakens en servetten te krijgen en aftetellen: dan de kamenier, om haar de bloemen te helpen schikken, die hijgende tuinknechts rusteloos in potten en manden aanbrachten: dan weder de werkmeid, om de stoeptrappen nog eens over te doen, die de tuinknechts met hun beslikte schoenen hadden vuil gemaakt. En dan liep zij weer naar den moestuin om den tuinman te zoeken, en hem nog eenige bevelen te geven of te vernieuwen: er moest nog hulst wezen voor guirlanden, en nog spergietakken voor de vazen, en nog ijs uit den ijskelder: en er moesten paden geschoffeld, waar het gezelschap door wandelen zoude: en het plein moest opgeharkt worden: en de haag van de groote allée gesnoeid, en het water van den achthoekigen vijver schoon gemaakt: – en dan ging zij naar stal en onderzocht of de leidsels wel wit en de paarden wel gerost en het koper en zilver der tuigen wel glanzend waren: en of er niets aan de rijtuigen haperde, en of de zadelmaker de kussens der zittingen nieuw opgevuld en de nieuwe zweepen had gezonden: en of het galon om de hoeden der koetsiers en der palferniers was vernieuwd: – en dan werd zij weder binnen geroepen om een twist te beslechten tusschen haar tegenwoordigen knecht en haren vroegeren, die getrouwd, maar voor dit feest overgekomen was om zijn hulp te verleenen: en waarvan de eene beweerde, dat het oude olie- en- azijnstel met de drakenkoppen, en de andere, dat het nieuwe met de laurierbladen moest gebruikt worden: en dan was het weer wat anders, dat haar tegenwoordigheid vereischte.

– ‘Wel Neef!’ zeide zij, toen zij eindelijk een weinig door de drokte heen was: of liever, toen het koffij – uur der booien en de schofttijd der werklieden een parenthesis in de beslommeringen van den dag daarstelden: ‘het verheugt mij, dat gij komt. Mijn hoofd loopt om: en ik weet niet hoe ik met alles nog klaar komen zal. Wat hebben wij een weer gehad in de verloopen nacht. Ik heb geen oog toegedaan en dacht, dat het heele huis omwoei. Het is dan vrij buijig en onstuimig van ’t jaar: gelukkig, dat het nu wat bedaard is, anders zoude de partij geheel mislukken; want uw ouders komen zoo zelden buiten, dat, als zij mij eens de eer aandoen van op Heizicht te verschijnen, het ook niet is om den geheelen dag in huis te zitten.’ –

– ‘Ja lieve Tante!’ zeide ik: ‘het heeft boos gewaaid: het ziet er erg genoeg uit voor Pulver, die pas is uitgezeild: en hij kon wel een geduchte avarij krijgen.’ –

– ‘Spreek daar niet van,’ hernam Tante: ‘gij zoudt mij al het genoegen, dat mij dit feest belooft, gandsch en gaar bederven: – niet, dat ik over de schade zoo zeer treuren zoude; maar te denken, dat wij hier warm en wel zitten en ons vermaken, terwijl die arme zeelieden, die hun leven wagen om ons schatten te bezorgen, met stormen en golven kampen! Sedert dien akeligen tocht met Blaek heb ik een dubbel medelijden met die arme zielen. – Maar met dat al moeten wij onzen tijd niet verwaarloozen. Gij kunt, als gij eerst koffij met mij gedronken hebt, mij een groot genoegen doen; zoo het namelijk niet te veel van u gevergd is.’ –

– ‘Ik kom hier om u behulpzaam te zijn,’ zeide ik: en het spreekt dus van zelfs dat UEd. vrijelijk over mij kunt beschikken.’ –

– ‘Best!’ zeide zij: ‘wel nu: mijn plan was, het gezelschap hier te ontfangen en dan terstond met ons allen naar de hoeve bij de oude Martha te rijden, aldaar een collation te gebruiken en voorts hier terug te komen om te eten.’ –

– ‘Ziedaar een zeer goed plan,’ zeide ik: en dat gehos heen en weder over de heide zal best geschikt zijn om aan het gezelschap een goede digestie van het ontbijt en een vernieuwden appetijt voor het middagmaal te geven.’ –

– ‘Juist! nu wenschte ik wel, dat gij eens naar de hoeve reedt en een oog liet gaan over de daar gemaakte toebereidselen; want de timmerman, die het bezorgen zoude, is een wijsneus, die alles zeker naar zijn kop en niet naar mijne verkiezing zal willen doen.’ –

– ‘Naar de hoeve!’ herhaalde ik, met een gevoel van onaangename teleurstelling.

– ‘Ja Neef!’ hervatte zij, zonder zulks te bemerken: ‘gij kunt het bruine chaispaard nemen: dat is à deux mains; ik zoude u wel laten brengen; maar ik kan niemand missen. Gig zijt toch niet bang voor struikroovers? Het is tegenwoordig hier volkomen veilig, heeft de Schout mij verzekerd: en bovendien,’ voegde zij er schertsende bij: ‘de Kapitein van de bende is immers een intieme van u? – Het verwondert mij nog, dat die vent niets uit de zijkamer heeft medegenomen, toen hij u dat bezoek kwam geven, dat gij mij nooit geheel hebt opgehelderd.’ –

– ‘En wat moet ik aan de hoeve verrichten?’ vroeg ik, om Tante maar spoedig van het onderwerp, dat zij aanroerde, af te brengen.

– ‘O! heel wat. Ik heb het alles opgeschreven, vooreerst opdat ik, en ten tweede opdat gij het niet vergeten zoudt. Zie hier de lijst. Ik hoop dat er niets aan ontbreken zal. – Maar zeg mij toch even, wat is dat voor een geschiedenis met dat Juffertje, dat Tante Letje bij zich aan huis heeft genomen? Is dat werkelijk een Freule van Lintz?’ –

– ‘O Tantelief!’ antwoordde ik: ‘dat is een geschiedenis, veel te lang om u thands te verhalen: vraag mij daar eens over, als wij geheel op ons gemak zijn.’ –

– ‘Ook al goed! dan zal ik geduld hebben. – Maar Ferdinand lief! wat hebt gij u gehaast met die vrijerij met Jetje Blaek. Ik had u immers ook gezegd, dat daar nooit iets van zoude komen. – Hadt gij mijn raad maar gevolgd en haar in tijds uit uw zinnen gezet, dan hadt gij u die onaangename teleurstelling bespaard. Het spijt mij wel van achteren, dat ik u te samen in kennis gebracht heb.’ –

– ‘Ik herinner mij niets van uwe waarschuwingen, Tantelief!’ –

– ‘Niet! weet gij ons gesprek niet meer op het strand, eer wij Lodewijk Blaek ontmoetten? Toen zeide ik immers reeds: “zet dat uit uw gedachten.” Maar goeden raad vergeet men gaauw.’ –

Nu herinnerde ik mij dit gesprek zeer wel; ofschoon ik die enkele woorden, bij die gelegenheid aan Tante ontvallen, niet zwaar geteld had; dewijl zij geene redenen ter waereld had aangevoerd, om aan haar advies eenigen klem bij te zetten. Ik vond echter beter, ook dit punt te laten rusten, en, na een haastig ontbijt gebruikt te hebben, spoedde ik mij naar stal, zadelde den bruin en draafde de heide over en den weg op naar de mij te wel bekende boerderij.

Ik vond ook daar geene geringe drokte. Overeenkomstig de bevelen van Tante was men er bezig met latten te slaan, die van boom tot boom liepen en waarover zeildoek gespannen moest worden om een tent te vormen, in welke het gezelschap den volgenden dag zoude onthaald worden en tegen de ongestadige luimen van het najaarsweer beveiligd zijn. Na aan den opzichter over dit werk den wil van Tante, gelijk ik dien op de medegebrachte lijst vond uitgedrukt, nogmaals herhaald, en mij overtuigd te hebben, dat de man haar bedoelingen volkomen begrepen had en geheel niet van plan was om, gelijk zij vreesde, alleen zijn eigen hoofd te volgen, zag ik het tweede artikel na, dat ik te volbrengen had. Het luidde, dat ik aan de oude Martha moest vragen, of de stal genoeg opgeruimd was om al de paarden in te bergen, die er den volgenden dag zouden komen. Ik riep de oude vrouw dus, die al dadelijk met een bedremmeld gezicht naar mij toe kwam geloopen, en mij blijkbaar onthutst vroeg, wat er van mijn dienst was.

– ‘O!’ zeide zij, zoo ras zij verstaan had, wat ik van haar verlangde: ‘daar kan Mevrouw gerust op wezen: de stal is kant en klaar: en ik heb scheelen Tijs en Peer Govertz al besproken om een handje te kommen helpen; want nou men zeun weg is en weg blijft, zit ik, och arm! allienig voor het werk. – Heit Meneer nog wat te belasten?’ –

– ‘Wacht!’ zeide ik, mijn lijst bij de hand nemende: ‘ nummer drie: zien of de tafels en de banken gekomen zijn . – Ja! die staan ginter reeds: – nummer vier: vragen aan Martha, wie haar helpen zal, koeken te bakken? – Ja wie zal dat doen?’ –

– ‘O! heere men tijd! maakt Mevrouw zich daar ook al verlegen om. Wel! dat zou ik allienig wel of kennen, al kwam jelui met je vijftigen. Maar daar is rooie Els van Crailo en ‘er zuster, die hebben men al beloofd, als dat ze kommen zellen. O! an hulp zel het niet ontbreken, er zel volks ‘enoeg wezen. As er zoo wat rijkdom bij mekaer is hoeft men nooit om menschen verlegen te zijn. – En kostelijke koeken zel ik bakken, dat beloof ik je.’ –

– ‘Dat behoeft gij mij niet te verzekeren,’ zeide ik, lagchende: ‘ik heb die immers al eens bij u geproefd en weet hoe ze smaken.’ –

– ’t Is waar ook,’ zeide zij, met een bezorgd gelaat: ‘Meneer heit men toch niet verklapt, hoop ik?’ –

– ‘Wees niet bang,’ – zeide ik: ‘mits het maar niet weder gebeure. – Nummer vijf: nazien, hoeveel stoelen er op de boerderij zijn, en of die nog bruikbaar zijn . – Dat zullen wij eens gaauw gaan kijken,’ zeide ik, naar de woning snellende, terwijl ik in mijzelven lagchte om de tot in alle kleinigheden afdalende voorzorgen van Tante. Naauwlijks was ik echter in de keuken, of Martha kwam mij, met zooveel snelheid als haar oude beenen het haar vergunden, achterop geloopen:

– ‘Wat wil Meneer?’ vroeg zij: en zij sloeg onwillekeurig een angstigen blik naar het trapje, dat naar het opkamertje leidde.

– ‘Juist!’ zeide ik, haar blik volgende: ‘daar boven moet ik wezen. Ik meen, dat daar stoelen staan.’ –

– ‘Om Gods wille: Meneer! maak mij niet ongelukkig!’ zeide zij, met een gesmoorde stem en de handen wringende: ‘ hij is weer hier.’ –

– ‘Wat!’ mompelde ik: ‘is hij dan dwaas?’ – En, schier onwillekeurig, maar toch met behoedzaamheid, besteeg ik het trapje en zag door het sleutelgat naar binnen, waar ik niet slechts van Lintz, maar nevens hem den ouden Heer Blaek herkende.

– ‘Ik weet er waarachtig geen ander middel op, om u hier ongemerkt van daan te krijgen,’ zeide de laatstgenoemde.

– ‘Wij zullen er dan toe moeten besluiten,’ zeide van Lintz: ‘in de hoop, dat men mij voor dien tijd niet gevangen neemt.’ –

– ‘En gij belooft mij,’ hernam de Heer Blaek, dat ook al mocht dit gebeuren, gij… die… de zaak… niet zult uitbrengen.’ –

– ‘En waarom zoude ik dat? Gij zegt immers, dat uw zoon en uw nicht elkaêr beminnen.’ –

Ik had mijn hoofd reeds terug willen trekken; want ik schaamde mij, de luistervink te spelen; maar deze laatste vraag prikkelde mijn nieuwsgierigheid te zeer, dan dat ik den trek kon weerstaan om het antwoord af te wachten.

– ‘Zij beminnen elkaêr… zij zullen een paar worden,’ zeide de Heer Blaek: ‘gij zijt aan niets verbonden, zoo ik u bedrieg. Ik verzeker het u. Vernietig toch dat… dat noodlottige stuk. – Het kon in vreemde handen komen.. geef het mij liever.. Ik zal..’ –

– Neen! dat niet, Jacobus Blaek!’ zeide van Lintz, met een spotachtigen lach: ‘als ik in veiligheid ben – en niet eer – zult gij het bekomen – en het zelf kunnen verbranden. Ik weet, waaraan ik de hulp, die gij mij bewijzen zult, dank moet weten – en ken mijn voordeel te goed om er afstand van te doen, nu het mij dienen kan.’ –

– ‘Ach!’ hernam Blaek: ‘gij zult er geen misbruik van maken: gij zult mij niet met schande ten grave doen dalen. Ik help u immers zoo veel in mijn vermogen is… ik heb zelfs meer gedaan dan ik u beloofd had: ik heb naar ‘sHage geschreven… al mijn invloed zal ik aanwenden om de vervolgingen te doen staken… om onzer oude vriendschaps wille, maak mij niet ongelukkig.’ –

– ‘Gij hebt mijn woord,’ zeide van Lintz: ‘en dat moet u genoeg wezen: morgen zal ik u verwachten. Tracht nu ongemerkt van hier te komen en de plaats te bereiken, waar uw rijtuig u wacht. Ik zal Martha bellen om te hooren of de uittocht veilig is.’ –

Na het uiten dezer woorden verhief hij zijn stem om Martha te roepen: ik aarzelde een oogenblik; doch bedenkende, dat van Lintz toch van haar zoude vernemen, dat ik er geweest was, besloot ik, zelf binnen te gaan, wenkte der oude vrouw, die bevende achter mij stond, toe, dat zij wel terug kon blijven, en opende de deur.

– ‘De Heer Huyck!’ riepen beide, de een op een toon van verwondering, de andere met een uitdrukking van schrik.

– ‘Vergeeft mij, mijne Heeren!’ zeide ik, glimlagchende: ‘zoo ik uw bijeenkomst stoor. Maar ik ben hier door Mevrouw van Bempden gezonden om eenige toebereidselen te maken voor het feest van morgen, en ik had ook in dit vertrekje iets te doen: – weinig dacht ik, dat het bewoond was.’ –

– ‘Ik beken,’ zeide van Lintz, ‘dat ik mijn tijd slecht gekozen heb.’ –

– ‘Zoo de Heer Blaek,’ vervolgde ik, dezen aanziende, die vast beefde, ‘zich wenscht te verwijderen zonder dat het opzien bare, zal ik hem gaarne een eind weegs vergezellen.’ –

– ‘UEd. is al te goed, mijn Heer Huyck,’ zeide Blaek, stotterende: ‘ik neem uw vriendelijk aanbod dankbaar aan.’ –

– ‘Ik hoop u nog te zien als gij terug komt,’ zeide van Lintz, mij met zijn doordringende oogen aanstarende.

Ik boog en verliet het vertrek. De Heer Blaek volgde mij, en beide traden wij de achterdeur uit, den tuin door, waar zich niemand bevond, en het boschpad op. Ik bemerkte, dat mijn tochtgenoot moeite had om voort te wandelen, zoo zeer was hij van zijn stuk, en bood hem diensvolgens mijn arm aan, in mijzelven lagchende om het zonderlinge spel des noodlots, dat mij tot den geleider maakte van iemand, die aan mijn vurigste wenschen den bodem had willen inslaan.

Gaarne had ik hem nadere uitlegging gevraagd van de woorden, die mij het toeval had doen hooren; maar de zaak was van een te teederen aart, dan dat ik die snaar dorst roeren, zonder daartoe een voegzame aanleiding te hebben. Ik bemerkte, dat hij van zijn kant iets op het hart had, maar niet wist, hoe het gesprek aan te vangen. Ettelijke reizen opende hij den mond als om mij een vraag te doen; maar bleven de woorden hem in de keel steken. Eindelijk scheen hij moed te vatten: en na een zware zucht, bracht hij met een flaauwe stem en nedergeslagen oogen het navolgende uit:

– ‘Ik kan niet van mijn verwondering terug komen, dat ik den Heer Huyck, den zoon van den Heer Hoofdofficier.. in betrekking zie met iemand, die.. die..’ hier scheen hij naar zijn woorden te zoeken.

– ‘Onze verwondering is wederkeerig, mijn Heer!’ zeide ik met een glimlach:

– ‘O!’ zeide hij, mij zijdelings aanziende, als of hij op mijn gelaat wilde uitvorschen of ik geloof hechtte aan zijne woorden: ‘met mij is het een geheel ander geval. Ik heb… hem vroeger gekend… en zaken met hem uitstaande gehad.’ –

– ‘Mijne kennis aan hem is niet van een oude dagteekening,’ zeide ik: ‘hij kan echter gerust zijn wat mij betreft: ik zal hem niet verraden.. en ook niet ongevraagd van uw bezoek spreken, indien UEd. dit eenige gerustheid kan verschaffen.’ –

– ‘Neen! dat is ook beter,’ zeide hij, blijkbaar opgeruimd door mijne betuiging: ‘ik heb deze démarche om bestwil moeten doen. – Ik blijf UEd. intusschen zeer verplicht: – het doet mij recht leed, dat ik mij in de noodzakelijkheid gezien heb… het vereerend aanzoek van mijn Heer… afteslaan… maar… het geluk mijner nicht… UEd. gevoelt…’

– ‘UEd. zal niet vergen,’ onderbrak ik hem, ‘dat ik juist de man zal zijn, die gevoelen moet, dat uw nicht met een ander gelukkiger zal zijn dan met mij.’ –

– ‘Geenszins,’ hervatte hij: ‘ik bedoelde maar.. ziet UEd… ik kan mij voor alsnog moeilijk over dit onderwerp uitlaten. – Over een paar jaren, als zij mondig zijn zal, en dan nog vrij is, zal ik zeer gaarne uw voorspraak bij haar zijn; maar voor als nog…’

– ‘Ik wil u niet verbergen,’ zeide ik, ‘dat ik zoo even, in het opkamertje hoorende spreken, een oogenblik aan de deur heb geluisterd en UEd. bij die gelegenheid heb hooren zinspelen op een huwelijk tusschen uw zoon en uw nicht.’ –

– ‘Gij hebt ons beluisterd!’ zeide hij, sidderende en bleek van toorn zoo wel als van angst: ‘dat was zeer verkeerd van u, mijn Heer! ofschoon,’ voegde hij er bij, waarschijnlijk bedenkende dat ik meer kon gehoord hebben dan hem lief was, en dat hij mij dus te vriend moest houden: ‘ik kan het u niet kwalijk nemen; want UEd. had recht een weinig verwonderd te zijn van ons daar te vinden. Nu ja! ’t Is waar! Ik wilde u zulks zoo even niet zeggen, om u niet te bedroeven. Dat huwelijk is altijd mijn vurigste wensch geweest: en het zal, vleie ik mij, weldra voortgaan.’ –

– ‘Onmogelijk!’ riep ik uit, geheel ter nedergeslagen door deze mededeeling.

– ‘’t Is stellig waar: de jongelieden beminnen elkander: en ik verlang niets zoo zeer als hun beider geluk. Geloof mij, mijn waarde Heer Huyck! stel die neiging uit uw hoofd: Er zijn genoeg schoone meisjens in onze Nederlanden, en die beter door de fortuin bedeeld zijn dan mijn nicht. – Maar ik bid u, doe geene verdere moeite: ik zal nu zelf mijn weg wel vinden.’ –

Wij waren op dit oogenblik het hakhout uit en aan een binnenweg gekomen, waar ik op eenigen afstand het rijtuig van den Heer Blaek zag staan: en, zelf oordeelende dat hij mijn geleide niet verder noodig had, keerde ik, na wederzijdsche groete, langs den weg terug dien ik gekomen was.

– ‘Gij ziet,’ zeide van Lintz, toen ik bij hem in het opkamertje was teruggekeerd, ‘dat ik, bij gebrek aan een betere, mijn oude schuilplaats weder heb moeten opzoeken.’ –

– ‘Ik zie het,’ antwoordde ik, het hoofd schuddende: ‘maar ik vrees, dat zij niet lang meer veilig zijn zal. Gij behoeft het hoofd aan de andere zijde slechts buiten te steken, om u te overtuigen, dat het hier geen eenzame plaats meer is: en morgen komen hier nog meer gasten.’ –

– ‘Ik zal hunne komst niet afwachten,’ zeide van Lintz.

– ‘En hoopt gij waarlijk, ongemerkt te ontkomen?’ vroeg ik: ‘Heynsz heeft ongetwijfeld uw gangen laten nagaan: en zoo hij u niet eerder heeft doen vasthouden, is het, omdat hem nog onbekend was, dat de Heer van Beveren en de Graaf van Talavera een persoon ware; maar thands weet hij dit: en ik twijfel er niet aan, of hij zal zijn onbedachtzaamheid hersteld hebben en geene middelen verwaarloozen om u niet weder te laten ontsnappen.’ –

– ‘Ik weet het,’ hernam hij, somber: ‘ik speel een schaakpartij met tien kansen tegen ééne, dat ik mat gezet worde; en toch, zoo lang mijn Koning nog één vak open vindt, zal ik het spel niet gewonnen geven. Zoo echter mijn vervolgers niet voor morgen hier zijn; loopen zij grooten kans van het nest ledig te vinden: – en dan tart ik hunne nasporingen.’ –

– ‘Gij verlaat dus dit land.’ –

– ‘Voor altijd, zoo ik hoop. Ik heb er waarlijk geen genoegzame verplichtingen aan om het te betreuren.’ –

– ‘En uw dochter?’ –

– ‘Zij zal…. mij volgen, hoop ik,’ antwoordde hij zuchtende.

– ‘Weet gij, waar zij zich tegenwoordig ophoudt?’ –

– ‘Ik weet dit; en, wanneer gij het eenmaal oorbaar vinden zult, dank dan uw waardige tante uit mijnen naam voor hetgeen zij aan een ongelukkige, verlatene wees heeft gedaan. – Wat u betreft, mijn Heer Huyck! ik ben u ook grooten dank verschuldigd; want ik weet het, mijn verblijf, en dat mijner dochter vooral is u de bron geweest van vele onaangenaamheden. Ik wenschte ook eenmaal iets voor u te kunnen doen.’ –

Ik zweeg eenige oogenblikken. Ik had hem wel willen vragen, welk groot belang hij toch stelde in het huwelijk van Henriëtte met haar neef, welke laatste hem toch geene redenen had gegeven van zijne partij te nemen; maar een gevoel van bescheidenheid weerhield mij. Ik begreep, dat er onder dit alles een geheimenis school, waar Henriëtte in gemoeid was; maar tevens, dat ik daarmede niets te maken had. Terwijl ik aldus stond te peinzen, hielp van Lintz zelf mij op den weg:

– ‘Gij hebt ongetwijfeld zoo even het een en ander van ons gesprek gehoord?’ –

– ‘Dat heb ik,’ antwoordde ik: ‘ik beken het tot mijn schande; maar ik was zoo verbaasd van u te zien, dat…’

– ‘Gij behoeft u niet te verschonen: vromer lieden dan gij zijt zouden de verzoeking niet weêrstaan hebben. En wat hebt gij vernomen?’ –

– ‘Niet veel,’ antwoordde ik: ‘het was mij omtrent, of gij Chaldeeuwsch spraakt, zoo geheimzinnig waren uw woorden.’ –

– ‘Niet veel; maar toch wat, niet waar?’ –

Ik was op het punt van hem mijn verwondering te kennen te geven over hetgene Blaek hem verteld had nopens de wederzijdsche liefde van Lodewijk en Henriëtte; maar eene bedenking wederhield mij. Zooveel had ik uit het gesprek opgemaakt, dat daarvan het stilzwijgen scheen te zullen afhangen van van Lintz omtrent iets, hetwelk Blaek bedreven had en dat het licht niet zien moest: en met dat stilzwijgen moest weder de hulp gekocht worden, die Blaek hem bewees. Ik achtte dus mijzelven ongeroepen, mijne meening omtrent die voorgewende inclinatie der jonge luiden te uiten en daardoor de bedoelingen van Blaek bij van Lintz verdacht te maken, en misschien aanleiding te geven tot een twist, die voor beiden noodlottig zijn konde. Dit stilzwijgen van mijne zijde, hoewel het uit een edelmoedige oorzaak voortsproot (want ik behoefde noch Blaek noch zijn zoon te ontzien), was echter in het vervolg de middelijke oorzaak van het verlies van twee menschenlevens.

– ‘Ik herhaal u,’ zèide ik, ‘dat ik niets van uwlieder gesprek heb begrepen. Alleen heeft het mij verwonderd, den anders vrij hooghartigen Heer Blaek zoo bëangst en verlegen te zien.’ –

– ‘Niet waar?’ vroeg van Lintz: ‘Ja voorwaar! het moet al een vreemd schouwspel zijn geweest voor een derde, den rijken Heer van Guldenhof, den trotschen Amsterdamschen Koopman, wiens woord meer gewicht heeft dan de manifesten van een half dozijn Duitsche Mogendheden, te zien bloozen en sidderen voor den blik van een armen zwerver, die reeds in zes of zeven Staten ter dood veroordeeld is, wien de spoorbonden der Justitie nazitten, of hij een huisbreker ware, en die naauwlijks een plek kan vinden, waar hij het hoofd ter ruste kan liggen. Maar hij weet het, de rijke man, dat ik slechts één woord heb te spreken om hem elendiger te maken dan de arme zwerver ooit worden kan. – Genoeg hiervan: het is niet mijne hand, die zonder noodzaak het gordijn zal open trekken, wanneer alles tot nog toe samengeloopen heeft om het dichtgeschoven te houden. Daarom, mijn jonge vriend! vergeet wat gij gezien – en ook wat gij mocht gehoord hebben.’ –

– ‘Ik wilde, dat ik alles kon vergeten, wat mij in de laatste weken gebeurd is,’ zeide ik zuchtende: ‘maar het wordt laat: ik moet vertrekken: mijne tegenwoordigheid alhier zoude tot vermoedens kunnen aanleiding geven:.. vertoon u toch niet buiten – en hou zelfs, zoo ik u een raad schuldig ben, u ver van het raam: er kon zoo licht een oog van uit dien tuin naar binnen dringen. – Wat zeide ik u?’ –

Beide hadden wij gelijktijdig in den tuin gekeken: en beide hadden wij de gluipende oogjens van Simon den marskramer op ons gevestigd gezien van achter de heining, waar hij tegen leunde. Wij traden terug en zagen elkanderen aan. Toen ik nogmaals aan ’t raam kwam was hij verdwenen.

– ‘Gij behoeft er niet meer aan te twijfelen,’ zeide ik: ‘morgen, wellicht dezen avond nog is het huis omringd.’ –

– ‘Ik heb hem herkend,’ zeide van Lintz: ‘het is dezelfde Jood, die mij vroeger te Utrecht achtervolgd heeft en wien ik toen verschalkt heb. Welnu! waarom zoude het mij thands niet weer gelukken? – Dan ik ben wars van nieuwe listen in ’t werk te stellen. Ware het niet om mijn dochter, ik had mij reeds overgeleverd aan hen, die mij zoeken.’ –

– ‘Ik kan u,’ zeide ik, ‘bij ons afscheid, dan niets beters toewenschen, dan dat ik u morgen hier niet meer vinden moge.’ –

– ‘Het zal zijn, gelijk het noodlot over mij beschikt heeft,’ antwoordde hij, de schouders ophalende: en mij hartelijk de hand schuddende, knikte hij mij een vriendelijk vaarwel toe, zonder er een woord meer bij te voegen. Waarschijnlijk begreep of voorzag hij, dat wij ook thands niet voor het laatst zouden afscheid nemen. Ik bëantwoordde zijn handdruk, en, de woning daarop verlatende, zette ik mij weder te paard en draafde met dubbelen spoed naar Heizicht terug.

DigitalDroom Reader

Hoofdstuk XXXII

XXXII / XXXIX

De gasten, die Tante van Bempden verwachtte, waren den volgenden morgen op hun tijd aanwezig: het waren, behalve mijn ouders met al hun kroost, Tante Letje en een half dozijn neven en nichten uit de stad, waarvan het onnoodig zoude zijn hier de afbeeldingen te geven, daar zij op alle mogelijke neven en nichten geleken. De Heer Blaek (wiens nicht mede genoodigd was, maar zich wegens onpasselijkheid had laten verschonen), Lodewijk Blaek, van Baalen, en eenige andere bijzondere vrienden van Tante, zoo uit de stad als uit de nabuurschap, zouden onmiddelijk aan de hoeve komen, zonder alvorens Heizicht aan te doen. Na de gewone plichtplegingen en gelukwenschingen, welke de lezer zich best zal kunnen voorstellen, kwamen de noodige rijtuigen voor. Aan elk werd, volgens de vooraf gemaakte regeling onzer gastvrouw, zijn plaats aangewezen, en zoo begaven wij ons te gader naar de hoeve, waar wij, onder begunstiging van een uitmuntend weer, ongeveer tegen twaalf ure met vrij hongerige magen aankwamen. De Heer Blaek was bereids verschenen en wandelde in een blijkbaar vrij onrustige gemoedsbeweging onder de eikeboomen op en neder. Mijn vader bejegende hem zeer beleefdelijk; waarschijnlijk wilde hij de koelheid goed maken mijner moeder, die hem nog de slechte ontfangst van mijn aanzoek niet wel vergeven kon. Terwijl men aan de plichtplegingen bezig was, kon ik niet nalaten den blik nu en dan op de woning te slaan, als of ik op de muren lezen kon, of het den vervolgden zwerver reeds gelukt ware te ontsnappen. Het was echter niet wel doenlijk daaruit iets op te maken en het gelukte mij evenmin, uit de gelaatstrekken van de oude Martha, die ik met twee medehelpsters door de keuken op en neder zag trekken, iets anders te lezen, als dat zij het zeer drok had met het bakken der beloofde koeken en het aanbrengen van hetgeen overigens noodig was voor het ontbijt.

– ‘Ik heb u het leedwezen mijner nicht te betuigen, dat zij door een lichte ongesteldheid verhinderd wordt, hier te verschijnen,’ zeide de Heer Blaek tegen Tante van Bempden, terwijl mijn ouders zich met eenige nieuw aangekomene gasten onderhielden.

– ‘Ik hoop dat die geene gevolgen zal hebben,’ antwoordde Tante, die zeer wel begreep, hoe het met die voorgewende ongesteldheid gelegen was: ‘maar mijn waarde Heer Blaek! Ik hoor daar van mijn koetsier, dat UEd. uw rijtuig terug gezonden hebt. Het had immers hier zeer goed kunnen blijven. Ik heb met opzet mijn neef gisteren nog hier heen gezonden, om te zorgen dat er plaats gemaakt werd voor al de paarden die er te wachten waren.’ –

– ‘Ik wilde niet onbescheiden zijn,’ zeide Blaek, op halfluiden toon, als vreesde hij, dat deze op zichzelf weinig beteekenende woorden zouden verstaan worden: ‘ik heb het rijtuig naar… Huizen gezonden: het is daar ook zeer goed…’ en tevens wierp hij mij een smekenden blik toe, die mij bevroeden deed, dat er meer achter deze schijnbaar nietige omstandigheid zat en dat hij mijne hulp wenschte om hem uit de verlegenheid te redden.

– ‘Wel Tante!’ zeide ik: ‘hoe staat het er mede? Ik geloof, wanneer ik de aangezichten van uw jongere gasten aanzie, dat zij zeer verlangende zijn, om zich te overtuigen of de smaak uwer Gooische koeken beantwoordt aan den aangenamen reuk, die uit gindsche keuken tot ons overwaait.’ –

– ‘Ja! ik wensch niets liever dan te beginnen,’ zeide Tante: ‘maar al de gasten zijn nog niet aangekomen. Ik mis den jongen Heer Blaek nog en den vriend van Baalen.’ –

– ‘O! wat mijn zoon betreft,’ zeide Blaek: ‘ik bid, dat UEd. om hem geen complimenten maakt. ’t Is zijn eigen schuld, indien hij niet op zijn tijd past: en al komt hij wat later, er zal nog wel altijd iets voor hem overschieten.’ –

– ‘Nu ja! – maar van Baalen!’ zeide Tante: ‘UEd. weet, dat indien wij begonnen eer hij er was, hij zich den ongelukkigsten man van de waereld zoude vinden.’ –

– ‘O!’ zeide Susanna, naderende: ‘dat zal hij in allen gevalle, ’t zij gij op hem wacht of niet.’ –

– ‘Het zoude mij slecht staan hem kwalijk te nemen, zoo hij wat later kwam,’ zeide ik: ‘want er kunnen zoo licht kantoorzaken opgekomen zijn, die hem beletten zoo vroeg te vertrekken als hij had voorgenomen, en ik heb hem van daag alleen voor ’t werk laten zitten.’ –

– ‘In dat geval,’ zeide Tante, ‘ware het misschien best, hem maar te wachten als de koetjens in de wei, etende en drinkende: – te meer daar ik den Heer Lodewijk ook zie aankomen.’ –

Lodewijk reed in de daad op dit oogenblik de werf op en trad ons weldra met zijn gewone onbeschroomdheid nader. Hij bloosde niet, toen hij mijn vader groette, maakte slechts een flaauwe verontschuldiging bij Tante, dat hij zoo laat kwam, sprak ter loops een paar woorden met Susanna, en zeide mij vrij koeltjens goeden dag. Ik beken, dat mijn wedergroet ook alles behalve beleefd was; doch ik kon niet veinzen jegens iemand, die mij zooveel verdriet berokkend had en wiens tegenwoordigheid mij al de genoegens van het feest vergalde.

Daar de tijd van het vertrek bepaald was en men niet om eenen genoodigde al de overigen kon laten wachten, liet Tante nu de koeken en het verdere gedeelte van het ontbijt op tafel brengen. Wij namen onze zitplaatsen onder het zeil en begonnen met graagte de smakelijke voortbrengselen van Gooiland te betwisten aan de vliegen, die, door de strooplucht verlokt, als echte tafelschuimers haar aandeel in ons maal kwamen opeischen. En het waren niet alleen de vliegen; maar weldra kwamen ook de meer gevaarlijke wespen, als de Harpijen van ouds, schrik en angst onder de aanwezigen verspreiden: vooral hadden zij het op eene mijner nichten voorzien, die van, natuur van alle insekten afkeerig, elk oogenblik, wanneer slechts eene dier onwelkome gasten haar bord of wijnglas genaakte, gillende opsprong en zich vergeefs met haar servet van de vervolging dier lastige wezens zocht te ontslaan. Susanna zocht haar te troosten, en beweerde, dat Tante die lieve diertjens alleen besteld had om aan te toonen, dat de buiten – vermakelijkheden ook haar schaduwzijde hadden, en om aan de zoodanigen, die door de omstandigheden genoodzaakt waren in de stad te leven, tevredenheid met hun lot inteboezemen. Op deze kleine onaangenaamheden na, ging het maal vrolijk zijn gang en was het gesprek vrij levendig geworden, toen een der bedienden mijn vader naderde en hem zachtjens iets in ’t oor fluisterde, bij het vernemen waarvan deze eenigzins donker keek, gelijk men doorgaands doet, wanneer men uit een aangenaam gezelschap wordt opgeroepen tot de lastige beslommeringen, die ambtsbetrekkingen met zich brengen.

– ‘Is er eenige zwarigheid?’ vroeg Tante van Bempden, terwijl mijn moeder angstig mijn vader aanzag, die oprees om zich te verwijderen.

– ‘Ik ben dadelijk terug,’ antwoordde hij: ‘ik bid u, laat niemand zich over mij bekommeren.’ – En hij ging naar den kant van de schuur.

Ik oogde hem bekommerd na; want een geheim voorgevoel, of liever de opsomming van het vroeger voorgevallene, zeide mij, dat het opontbod mijns vaders in verband stond met het opsporen van van Lintz. En ik werd niet weinig in mijn vermoeden versterkt, toen dezelfde bediende mij een oogenblik later kwam zeggen, dat mijn vader mij liet roepen.

– ‘Wel zoo! vertrekt gij ook al?’ vroeg tante van Bempden.

– ‘ Le combat finira faute de combattans, ’ voegde Susanna er bij: ‘de Heeren willen ons zeker een verrassing bezorgen.’ –

– ’t Zoude mij niet verwonderen,’ zeide ik, ‘indien er werkelijk een verrassing plaats had.’ En ik wierp in ’t heengaan een blik op den Heer Blaek, die, met een gelaat zoo bleek als een doek, onbewegelijk op zijn plaats zat en de eene teug water voor, de andere na, opdronk.

Ik vond mijn vader in de schuur, en bij hem een ander Heer, die mij naderhand bleek de Schout van Naarden te zijn: tegen hen over stond Heynsz, die aan een hevige gemoedsbeweging ten prooi scheen.

– ‘Mijn Heer!’ zeide mijn vader, zoodra hij mij zag, op een strengen toon: ‘kunt gij mij ook zeggen, waar zich de persoon bevindt, met wien gij gisteren in de boerewoning een geheim onderhoud hebt gehad?’ –

– ‘Neen, Vader!’ antwoordde ik: ‘ik heb den man, dien UEd. waarschijnlijk bedoelt, big toeval hier ontmoet, daar ik een boodschap voor Tante verrichtte, en weet niet waar hij gebleven is.’ –

– ‘Ik zeg Uw Ed. Gestr., dat hij nog moet zijn hier,’ zeide Heynsz: ‘al mijn maats, die hier in den omtrek de wacht hebben gehouden, declareren, dat zij hem niet hebben zien uitgaan: en de dienaars van Gooiland declareren het ook:.. had ik maar kunnen vermoeden, wie die Heer van Beveren was!… maar wie kon ook veronderstellen zoo iets? – Te denken, dat de man, dien wij zochten, heeft gewoond veertien dagen lang ten mijnen huize! ’t Is om te worden ijlhoofdig! – Maar hij moet gevonden worden!’ – En de goede man liep stampvoetende heen en weder, beurtelings gekweld door de gedachte, dat men hem zoo had beet genomen, en bemoedigd door de hoop van den zwerver in zijn macht te krijgen.

– ‘Juist! Indien hij niet van hier is, moet hij zich hier nog bevinden,’ zeide de Naarder Schout, deze allezins logische redeneering met een veelbeteekenend hoofdknikken verzeld doende gaan: ‘wat dunkt er u van, Heer Collega?’ –

– ‘Ik ben het volkomen met u eens,’ antwoordde mijn vader: ‘en wij zullen, geloof ik, best doen, het huis en de aanhoorigheden nog eens te doorzoeken, terwijl de dienaars al de uitgangen blijven bewaken.

Hunc procul obscura latitantem parte videbis .

Wat u betreft,’ zeide hij, mij aanziende: ‘gij, zult ons vergezellen. Wij kunnen beginnen met deze schuur.’ –

De schuur werd van alle kanten doorsnuffeld: er was aldaar weinig gelegenheid om iemand te verbergen. De ronde hield ons dus niet lang bezig. – Vandaar gingen wij de woning binnen. Martha, die voor het vuur tusschen haar medehelpsters zat neergehurkt, liet van ontsteltenis den inhoud van haar koekepan over de plaat druipen, toen zij den Schout met een barsche stem hoorde roepen: ‘waar hebje dien vent verstopt, die hier dezer dagen gehuisd heeft?’ –

– ‘Ik Meneer!’ antwoordde zij, bevende: ‘ach God! ik ben een arme weduwvrouw en leef hier eenzaam en alleenig, sints men zeun mij verlaten heit: zou ik hier iemand in huis ‘ehad hebben?’ –

– ‘Wij zullen dezen trap op moeten,’ zeide, zonder zich aan haar taal te bekreunen, mijn vader, die mij al dien tijd in ’t oog gehouden had en bespeurd, dat ik bij ’t binnenkomen een blik naar dien hoek had geslagen. – Wij liepen allen naar boven; maar het opkamertje was ledig.

– ‘Doorzoekt de bedsteden!’ zeide mijn vader.

Heynsz ontsloot de deuren; maar daar achter was niemand te vinden. Het beddegoed was opgerold en de kussens in ’t midden er boven op gelegd, gelijk gewoonlijk geschiedt, wanneer men van de slaapplaats geen gebruik maakt. Met dit oppervlakkig onderzoek echter niet voldaan, haalde Heynsz den gandschen toestel over de vloer.

– ‘’t Is een mooie boel, dien je maakt,’ zeide Martha, die ons gevolgd was: ‘als je ’t maar allemaal weer in orde brengt. Ik heb van daag warentig al druktens genoeg.’ –

– ‘Deze lakens hebben gediend,’ zeide Heynsz, met een zegevierenden blik, terwijl hij aan de beide hoofdbëambten de kreukels deed opmerken.

– ‘Nou jae,’ zeide Martha: ‘wat zou dat? Die lakens zijn ook ‘ebruikt ‘eweest; niet lang ‘eleden, met kermis, heit men zuster in het iene bed ‘eslaapen en men zusters zeun in het aere. Maer vertel het toch niet an Mevrouw: ze mocht het te met kwalijk nemen.’ –

Ondertusschen had Heynsz, al snuffelende onder de dekens, een gëemailleerde gesp opgeraapt, gelijk die bij een stropdas gebruikt worden.

– ‘En deze gesp,’ vroeg hij: ‘behoort die ook al aan uw zuster?’ –

– ‘Neen, an men zuster niet, maar an der zeun,’ antwoordde Martha, die niet licht van haar stuk te brengen was: ‘die heittie op de Uitertsche kermis ‘ekocht. Wat zel ie blij wezen as ie hem weerom heit.’ – En zij stak de hand uit om die terug te nemen.

– ‘Hei! hei wat! dat gaat zoo niet,’ zeide Heynsz, terwijl hij de gesp nader beschouwde: ‘dat is geen verciercel voor een boereknaap. Wat zegt Uw Ed. Gestr. er van?’ –

– ‘Het is als gij zegt,’ zeide mijn vader: de boereknapen zijn meer op plomper fatsoen gesteld. – Intusschen, hier is de man niet, dien wij zoeken. Zijn hier geen andere vertrekken in huis?’ –

Wij begaven ons verder. Alle kamers, zolders, kelders en hokken, zelfs de hooibergen en houtstapels werden doorzocht; maar alles vruchteloos: en wij bevonden ons weder op het plein, met de overtuiging, dat het voorwerp der nasporing ontsnapt was.

– ‘Ik dacht, dat uw dienaars beter wacht zouden gehouden hebben,’ zeide mijn vader tegen zijn ambtgenoot.’ –

– ‘Sapperloot!’ zeide deze: ‘mijn Heer Huyck! zij hebben het werk gedeeld met uw eigen volk: en wie zijn plicht heeft verzuimd is moeilijk uit te maken. En was die Jood, die hem gisteren hier zag, het mij maar terstond komen zeggen, in de plaats van naar Amsterdam te gaan om het den Heer Heynsz te vertellen, dan had ik hem gisteren avond reeds laten pakken. Maar dat helpt nu niet. – Jij, vrouwtje! hoor eens. Biecht nu eens oprecht, anders zulje kennis met de boeien maken. Waar is de vent gebleven?’ –

– ‘Och mijn goeje Heer! Wat wil ik zeggen? Ik ben een arme weduwvrouw en weet niets van het geval af.’ –

– ‘Je kunt toch niet ontkennen, dat die Heer van Lintz, of zoo als hij heeten mag, bij u gehuisvest heeft.’ –

– ‘Wat zou het mij baten,’ hernam zij, ‘al wou ik het ontkennen? Uw Ed. Gestr. gelooft mij toch niet. Maar, al zei ik nou: ze binnen naar Amsterdam: dan zou Uw Ed. Gestr. ommers toch denken dat ik je foppen wou.’ –

– ‘Zij heeft gelijk, collega!’ zeide mijn vader: ‘maar gij, Ferdinand! zult ge mij nu nog niet verklaren, welk belang gij stelt in den Graaf van Talavera, waarom gij u gestadig met hem in gezelschap bevindt, en of gij niet wellicht ook thands zijn vlucht begunstigd hebt?’ –

Ik oordeelde, dat de tijd tot spreken gekomen was, en dat een rondborstig verhaal van de toedracht der zaak den Graaf niet meer schaden, maar wellicht van dienst kon zijn. ‘Onze ontmoetingen,’ zeide ik, ‘zijn altijd toevallig geweest; maar Vader kon toch niet verlangen, dat ik den man verraden zoude, die mij het leven gered heeft?’ –

– ‘Het leven! En wanneer? –

– ‘Ziedaar, wat ik u thands kan openbaren.’ – En ik was op het punt van een verslag van het gebeurde te geven, toen Tante, gevolgd van de overige gasten, naar ons toekwam, ongerust over ons lang wegblijven en over het zien der gerechtsdienaars, die zich van tijd tot tijd op verschillende punten vertoonden.

– ‘Wat is er toch aan de hand?’ vroeg Susanna: ‘Tante klaagt al:

d’Armes et d’ennemis je suis environnée .’ –

– ‘Wat wil men?’ vroeg Tante: ‘wie van het gezelschap moet er gepakt worden?’ –

– ‘Van het gezelschap niemand,’ antwoordde de Naarder Schout: ‘maar het zal UEd. niet weinig bevreemden, van te vernemen, dat die vrouw daar goed vindt uw hoeve tot een logies voor verdachte lieden te bezigen.’ –

– ‘Het is zoo, Zuster!’ zeide mijn vader: ‘de Baron van Lintz, dien gij u nog wel herinneren zult, heeft hier gisteren, en zoo ik mij niet bedrieg, ook vroeger nog, zijn intrek gehad.’ –

– ‘Nu ja!’ zeide Martha, de zwijgende ondervraging van Tantes blik bëantwoordende: ‘hij is hier ‘eweest, en zijn dochter ook: en nou binnen zij Goddank weg en vrij ook, naar ik hoop. En al moest Mevrouw men er op men ouwen dag voor op straat zetten, ik kon niet aers doen als ik ‘edaan heb. Wie zou nou zoo barbaarsch wezen, om as iemand, dien men met zijn aigen melk het ‘evoed, en die bij je komt en zeit: moeder Martha! ze zitten men overal op het lijf, en ik kan nergens een veilige schuilplaats vinden, om dan te zeggen: scheerje van men deur weg.’ –

– ‘Daar is wat aan,’ zeide Tante: ‘en ik kan toch ook niet vinden, dat mijn erf er door onteerd is, dat er een Grande van Spanje op gelogeerd heeft. – En wat is er van hem geworden? – Die arme van Lintz! hij is zoo dikwijls mijn Cavalier geweest.’ –

– ‘Dat is juist de vraag, wat er van hem geworden is,’ zeide de Naarder Schout: ‘hij heeft, ondanks alle onze voorzorgen, weten te ontsnappen.’ –

– ‘Dat verblijdt mij,’ zeide Tante Letje: ‘want het zal tot een vertroosting strekken voor zijn arme dochter, die heden morgen, toen ik haar verliet, bittere tranen schreide, uit ongerustheid over het lot haars vaders.’ –

– ‘Hoe! Is het dan werkelijk zijn dochter, die ten uwen huize is? Gij zult mij dat alles nader vertellen, Zuster!’ zeide Tante van Bempden.

– ‘Zij behoeft niet voor de misslagen haars vaders te boeten,’ zeide mijn vader: ‘en ik vlei mij, dat zij bij mijn zuster een meer betamend verblijf heeft gevonden, dan bij Heynsz, en er althands aan geen lastige bezoeken zal blootgesteld worden.’ Dit zeggende zag mijn vader Lodewijk aan, die verbaasd een stap achteruit deed.

– ‘Hoe!’ riep hij: ‘was die Juffer..?’ Hij eindigde den volzin niet, met reden begrijpende, dat de wijze, waarop hij haar kennis gemaakt had, hem niet tot eer verstrekte.

– ‘Ed. Gestrenge!’ zeide Heynsz, mijn vader ter zijde trekkende: ‘ik heb nog eens gëinterrogeerd al die lieden: zij hebben niemand zien gaan van hier, als alleen den koetsier van den Heer Blaek met het rijtuig.’ –

– ‘Dat rijtuig zoude te Huizen stallen,’ zeide mijn vader zachtjens: ‘Haast u derwaart en hoor of het er werkelijk geweest is. De Heer Blaek en de Graaf zijn oude bekenden.’ –

Dit gezegd hebbende, begaf mijn vader zich met zijn ambtgenoot ter zijde, ten einde de meest geschikte maatregelen te beramen: waarop deze laatste zich verwijderde, en ook Heynsz met de dienaars in verschillende richtingen aftrokken. Dit voorval had intusschen de genoegens der partij gestremd: tot zelfs de kinderen toe dorsten zich niet aan hunne gewone, vrolijke luidruchtigheid overgeven, bij het zien der opschudding, die plaats vond, en der ontsteltenis, welke op veler gelaat te lezen was. Tante van Bempden bemerkte dit, en oordeelende dat alleen de verandering van tooneel de gemoederen weder tot rust zoude brengen, gaf zij last om in te spannen. Terwijl dit plaats had en de dames zich weder met de gewone toebereidselen ter afreize bezig hielden, deed ik aan mijn vader het verhaal van mijn kennismaking met den Graaf.

– ‘Indien gij verkeerd gehandeld hebt,’ zeide hij, na mij met bedaardheid te hebben aangehoord, ‘zult gij genoeg gestraft zijn door de kwellingen, die gij deze laatste weken hebt ondergaan. Ik zal u geene verwijten doen: uw toestand was moeilijk: en sterkere hoofden dan het uwe zouden er van aan ’t malen zijn geraakt. – Ik zal intusschen blijde zijn indien de Freule gelegenheid vindt om Tante te verlaten. Ik weet niet of het wel goed voor u en voor haar is, dat zij daar langer blijft.’ –

– ‘Ik verzeker u,’ zeide ik, ‘dat ik voor haar alleen deelneming en niets meer gevoel.’ –

– ‘’t Is mogelijk! Maar zij – zij is ongelukkig: en dan hecht men zich lichtelijk aan hen, die ons diensten bewijzen: – en wanneer dan hij die de dienst bewezen heeft een knappe jongen is, en zij, die ze ontfangt, een meisje met een niet ongevoelig hart, dan deugt zulks voor geen van beide, en is de laatste vooral te beklagen. – Dan, nu geen woord meer over dat onderwerp.’ –

Ik kon niet nalaten van bij mijzelven te glimlagchen over de samenstemming van hetgeen Ameliaas vader mij vroeger had te kennen gegeven en hetgeen thands de bekommering van den mijnen wekte. Ik had echter geene zoo groote inbeelding van mijzelf om te geloven, dat ik nu juist de persoon zoude zijn, op wien Amelia verlieven zoude.

Een oogenblik daarna kwam het rijtuig van den Heer Blaek terug: een schijnbaar onbeduidende wenk, door dezen aan den koetsier gegeven, en welken de laatste met een hoofdknik bëantwoordde, bevestigde mij in mijn vermoedens omtrent de wijze waarop de Graaf ontsnapt was.

Wij reden nu allen weer naar Heizicht, alwaar wij met een wandeling door de plaats den tijd poogden te korten en nieuwe eetlust op te doen tot het middagmaal. Naauwlijks had de bel het teeken hiertoe gegeven, of wij zagen het rijtuig van den Heer van Baalen oprijden en hijzelf met een bezorgd gelaat daaruit stappen.

– ‘Wel mijn waarde van Baalen!’ riep Tante hem toe: ‘hebt gij zoovele droktens aan het kantoor gehad? Wij rekenden al niet meer op u.’ –

– ‘Wat helpt het klagen!’ zeide hij, de schouders ophalende: ‘het is mijn lot, en ik tref het altijd zoo ongelukkig, dat, zoo vaak ik uit verzocht word, er iets in den weg moet komen. Vriend Huyck! Ik moet u even spreken, met verlof van het gezelschap.’ –

– ‘Is er zwarigheid?’ vroeg ik, met hem ter zijde gaande.

– ‘Niet gering!’ antwoordde hij: ‘de Fortuin is door den storm op de Ter Schellingsche banken geslagen. De equipaadje is gered, en men is bezig de lading te lossen; maar het schip zal, vrees ik, verloren zijn.’ –

– ‘Dat is voorwaar een Jobstijding!’ zeide ik, ontroerd: ‘en is UEd. zeker, dat niemand er het leven bij ingeschoten heeft?’ –

– ‘Niemand,’ zeide van Baalen: ‘en dat is waarlijk een wonder te noemen. Nu hoop ik maar, dat Pulver wijs genoeg zal zijn om een spoedige gelegenheid te vinden, van de goederen verder te zenden: vooral de thee; want daar is nu nog een kapitaal op te winnen; en wordt dat nu verzuimd, dan is binnen een maand de markt overhoopt. Het is zoo drommels uit den koers; anders ware het nog altijd wel zaak, er iemand heen te zenden, om te zien, hoe de zaken staan en wat er nog van te halen is, eer die strandvonders en kustwaarders met alles gaan strijken.’ –

– ‘Dan is het misschien best, dat ik er zelf maar heen zeile,’ zeide ik.

– ‘Ik dorst het u niet voorstellen,’ zeide van Baalen: ‘maar dat zoude voorzeker een brave daad van u zijn. – Wanneer zoudt gij in staat zijn, te vertrekken?’ –

– ‘Wel! dadelijk, als het noodig is.’ –

– ‘Neen! Heden zoudt gij toch geene gelegenheid meer vinden: en wij dienen vooraf nog dezen en genen te spreken; want ik kon dezen morgen, met den Zaturdag, slechts de helft aantreffen van hen, die ik noodig had. Zoo gij morgen met den Harlinger beurtman vertrekt, en verder een visschers vaartuig naar Ter Schelling neemt, zal het toch altijd het beste middel van overtocht zijn; want de gewone route met de postschuit kan ik u niet erg aanraden.’ –

Dit punt alzoo geregeld hebbende, begaven wij ons weder bij het gezelschap, waar wij natuurlijk geen geheim maakten van het voorval, en de betuigingen van deelneming der aanwezigen erlangden. Een en ander was echter weinig geschikt om de genoegens, die men zich van het feest had voorgesteld, te verhoogen.

– ‘Wel lieve moeder!’ zeide ik, de beste vrouw bij de hand nemende: uw jaardag wordt ook onder geene blijde voorteekenen gevierd.’ –

– ‘O!’ zeide zij, mij een kus op het voorhoofd drukkende: ‘beklaag mij niet: ik gevoel mij gelukkig; want ik heb op dezen dag de zekerheid bekomen, dat wij u onschuldig verdacht hebben gehouden: en zoude ik dan nog over iets anders kunnen bedroefd zijn?’ –

De gebeurtenissen van den dag waren echter nog niet ten einde geloopen: op het nagerecht ontfing mijn vader met de ’s Gravelandsche schuit een paket uit Amsterdam. Behalve eenige berichten voor hem, bevatte het een brief voor Tante Letje, dien hij haar ter hand stelde. Zij opende dien: hij was van Amelia, die haar, onder warme dankbetuiging voor het haar verleende verblijf, kennis gaf, dat zij vertrokken was om haar vader terug te vinden en met dezen de Vereenigde Provinciën voor altijd te verlaten, terwijl zij overigens verschoning verzocht, van zich dus zonder afscheid te verwijderen, hetgeen men toch vooral aan geen gebrek aan hartelijkheid moest toeschrijven; maar alleen aan de gebiedende noodwendigheid, welke haar gedwongen had, op een zoo verhaaste wijze van de zich opdoende gelegenheid gebruik te maken.

– ‘Zij maakte zich op en ginck heenen,’ zeide Tante Letje: ‘maar ik zegge: de Heere heeft haar laten gaen; want zij volgt haar vader, wien zij verplicht is te eeren en te gehoorzamen, ofschoon hij een man Belials zij, vol van twistzoeking en ongerechtigheid!’ –

– ‘Ik sloeg haar ’t heilig kruis, naardien zij optrock, na,’ zeide Susanna.

– ‘Ja! ik ben ook maar blijde, dat zij weg is,’ zeide mijn moeder: ‘want zij moge dan zoo mooi en verstandig zijn als men wil, ik hou niet van die vreemde floddermadammen, die zoo geheel anders zijn, als wij gewend zijn.’ –

Ik kon mij niet weerhouden van te glimlagchen over dezen uitval van mijn anders zoo goede moeder; maar ook zij was niet vrij van het verschoonbare vooroordeel, hetwelk gemeenlijk door al de zoodanigen, die aan een ordelijken, afgepasten, allerdaagschen sleur gewoon zijn, wordt opgevat tegen hen, die daarvan met voordacht of onschuldig afwijken. Ik gevoelde geen trek om als Ameliaas verdediger op te treden, daar ik zelf innerlijk over haar vertrek verheugd was en niet verlangde verder over haar te praten; en ten anderen verhinderde ook de tegenwoordigheid van Lodewijk, voor wien het onderwerp mede niet aangenaam kon zijn, zoowel mij, als de overige Heeren, iets meer betreffende haar in ’t midden te brengen. Al het gebeurde had echter eenige stilte bij de aanwezigen te weeg gebracht, en maakte, dat het feest, wat althands de vrolijkheid betreft, niet volkomen aan Tantes verwachting bëantwoordde: vooral de Heeren Blaek, vader en zoon, waren afgetrokken van gedachten, en het kwam mij voor, dat het beiden een verlossing scheen, toen hun rijtuig werd aangemeld, waar zij dan ook niet vertoefden gebruik van te maken, maar zich dadelijk verwijderden: terwijl ik kort daarna met den Heer van Baalen den terugtocht naar Amsterdam ondernam.

DigitalDroom Reader

Hoofdstuk XXXIII

XXXIII / XXXIX

De volgende morgen werd door mij besteed om van mijn compagnon en een paar andere, bij de zaak belang hebbende lieden, de laatste instructiën te ontfangen, mijn goed te pakken en daarbij uit mijns vaders boekerij eenige werken te voegen, handelende over het strandrecht: welker lezing mij eenigzins in staat zoude kunnen stellen om met meer kennis van zaken de mij opgedragen taak te volvoeren en tevens eenig tijdverdrijf aan boord zoude bezorgen. Na afscheid genomen te hebben van mijn ouders, die, ofschoon het noodzakelijke mijner reis inziende, echter (en vooral mijn moeder) niet konden nalaten eenige bekommering deswege te gevoelen, te meer na de slechte ondervinding die ik kort te voren van een zeetochtje had opgedaan en de rampen welke de Texelsche lijst vermeldde, trok ik tegen zes uren na den beurtman. Het was nog vroeg toen ik aankwam, en er bevonden zich nog maar weinig passagiers aan boord; doch wier getal van lieverlede aangroeide. Eindelijk ging de bel, welke de leuteraars en achterblijvers waarschuwen moest, dat het vertrek op handen was; doch niet weinig stond ik verwonderd, toen ik, den steiger langs kijkende naar de passagiers, die nu hijgende en blazende aan kwamen geloopen, onder hen vriend Lucas Helding herkende, het lijf in een dichten overjas gewikkeld en met een mantelzak onder den arm.

– ‘Wel zoo!’ riep ik, toen hij aan boord stapte: ‘gij hier, vriend Helding? Gij waart wel de laatste man, dien ik tot reisgenoot verwachtte.’ –

– ‘Is het mogelijk!’ riep hij van zijn kant uit: ‘mijn Heer Huyck! wel dat is een aangename verrassing! Ik kon niet hopen zulk een vereerend gezelschap aan boord te vinden. En gaat UEd. ook naar Harlingen, als ik vragen mag?’ –

– ‘Dat zal wel waar zijn,’ antwoordde ik lagchende: ‘want ik geloof niet, dat de schipper ons ergens anders zal aan wal zetten: althands dat zou een slecht teeken zijn; – maar in zooverre is uw vraag zoo onjuist niet, in geval gij het doel mijner reis bëoogt, want die moet zich nog verder uitstrekken dan Harlingen. Maar wat jaagt u naar Frieslands kust?’ –

– ‘Och mijn Heer! een treurige reden; maar die ik zoo niet vertellen kan,’ en hier zag hij om zich heen, als wilde hij mij te kennen geven, dat hij zich in tegenwoordigheid van zoovelen niet vrij kon uitlaten. Later echter, toen wij onder zeil waren en de meeste passagiers zich naar beneden hadden begeven, deelde hij mij in ’t vertrouwen de reden zijner reis mede. Hij had namelijk van Heynsz, wiens op last mijns vaders in ’t werk gestelde nasporingen eindelijk van uitwerking geweest waren, het bericht bekomen, dat zijn dochter Klaartje, na lang her- en derwaart te hebben rondgezworven, eindelijk was te land gekomen te Harlingen en aldaar als meid diende in een kroeg, welke juist niet in den besten reuk stond en gewoonlijk door varensgasten bezocht werd. Bij het ontfangen dier mededeeling had Helding, zonder lang beraad, het besluit genomen van dadelijk op reis te gaan om het verdoolde schaap op te zoeken en zoo mogelijk weer terug te brengen. Het was aandoenlijk op te merken, hoe hij, aan de eene zijde, huiverde tegen de ontmoeting en zich schaamde over haar, die zijn onberispelijken naam onteerd had, en, aan de andere zijde, verlangde haar terug te zien en, kon het zijn, weder tot zich te nemen. ‘Och!’ zeide hij: ‘ik weet het wel, mijn Heer Huyck! zij heeft gezondigd; maar zij is toch mijn dochter, mijn eenig kind, en was eenmaal het sprekende beeld van haar nu zalige moeder – en Goddank! dat deze niet geleefd heeft, om haar schande te zien – ofschoon, indien de brave vrouw was blijven leven, zij wellicht ons kind weerhouden had van een slechten weg op te gaan; want daartegen kan een vader toch zoo niet waken als een moeder doet; – och! het is misschien grootendeels ook mijne schuld, dat ik het kind niet genoeg heb gade geslagen of te mal met haar geweest ben: – ik had haar zoo lief: en als ik haar maar eens weer bij mij heb en zij berouw toont, dan zal zich alles wel weer schikken en wij zullen nog blijde dagen samen beleven.’ –

Deze en dergelijke redenen had Helding overvloedig de gelegenheid mij te herhalen, gedurende onzen overtocht, die ruim vier-en-twintig uren duurde, daar wij den wind vlak tegen hadden en dus genoodzaakt waren gedurig te laveeren: en, ofschoon zijn stof tot onderhoud dus noch gevarieerd noch opbeurend ware, hoorde ik hem echter liever over dit onderwerp spreken, hetwelk ten minsten van zijn goed hart getuigde, dan dat ik gedwongen ware geweest, hem over poëzij te hooren redekavelen of, wat erger was, naar het opzeggen zijner dichterlijke voortbrengselen te moeten luisteren.

Het was ongeveer ’s namiddags zeven ure toen wij Harlingen bereikten. Reeds gedurende den overtocht had ik aan Helding den raad gegeven, om zich dadelijk bij de overheid te vervoegen en van deze assistentie te verzoeken tot het doen zijner nasporing; daar ik met rede beducht was, dat de lieden, bij wie zijn dochter inwoonde, zwarigheid zouden maken in haar vertrek te bewilligen, en misschien voorgeven, dat zij nog schulden had, of andere dergelijke voorwendselen oprapen, of ook haar verborgen houden: en daar ik dien avond toch niets beters te doen had, bood ik aan, hem te vergezellen; een voorstel, ’t welk hij dankbaar aannam, overtuigd, dat mijn naam en tegenwoordigheid meer klem aan zijn verzoek zouden bijzetten. Na alvorens met een visschersman, dien ik had doen ontbieden, een akkoord getroffen te hebben om mij den volgenden morgen met het krieken van den dag naar Ter Schelling over te brengen, verliet ik met Helding de herberg, waarin wij onzen intrek genomen hadden, en vergezelde hem bij den Schout, die zich dadelijk tot medewerking geneigd betoonde en ons een dienaar medegaf, met last om ons behulpzaam te zijn in onze nasporing, en zoo men zwarigheid maakte, partijen voor hem te brengen. Minder gunstig echter viel ons bezoek in het wijnhuis uit, waar wij tot bescheid bekwamen, dat de persoon, die wij zochten, wel sedert drie weken daar aan huis had verkeerd, doch sedert een paar dagen met een varensgezel, die een oude bekende scheen, was afgetrokken. Deze tijding sloeg, gelijk men denken kan, den armen Helding geheel ter neder; want, behalve de teleurstelling in zijn verwachting, was het voor hem, bij den bekrompen staat zijner geldmiddelen, geheel geen aangenaam vooruitzicht, om, ter verdere nasporing zijner dochter, nieuwe uitgaven te moeten maken, die wellicht even vruchteloos zouden besteed zijn als die, waartoe hij reeds was verplicht geweest. Ik gaf echter den moed niet zoo ras verloren, maar ging voort met de lieden in het wijnhuis te ondervragen, en gaf hun zelfs te kennen, dat ik nog eenigzins de echtheid hunner berichten bleef wantrouwen.

– ‘Zoo jou mij niet ‘eloven wilt,’ zeide eindelijk de waard, terwijl hij op een der lieden wees, die in zijn voorhuis onder hun gelag bijeen zaten: ‘daar zit Janke Sikkes, die heeft hen zelf met zijn schuit weg ‘ebracht.’ –

Ik zag om en herkende den visschersman, dien ik voor den overtocht had besproken. Deze, hoorende, wat het geval was, rees op en bevestigde de verklaring van den waard, er bijvoegende, dat hij de jongelui naar Ter Schelling had overgebracht.

– ‘Indien dit zoo is, vriend Helding!’ zeide ik, ‘dan behoeft gij den moed nog niet te laten zakken: en daar het gelukkig toeval wil, dat ik juist denzelfden weg op moet, dien onze vluchtelingen hebben genomen, zoo kunt gij de reis kosteloos met mij maken; en ten zij de vluchtelingen het zeegat uit zijn, kan het niet missen, of wij moeten het verloren schaap terug vinden.’ –

– ‘Och!’ zeide Helding, op een zwaarmoedigen toon: ‘ik vrees, het zal wel weer vruchteloos zijn;… maar desniettemin zal ik met dankbaarheid van UEds vriendelijk aanbod gebruik maken;.. want ik heb juist op een zoo verre reis niet gerekend, en het zou mij licht aan geld ontbreken om verder te gaan. Hoe ver ligt dat land wel, daar zij zeggen dat zij is heengegaan?’ –

– ‘O!’ antwoordde ik, met moeite een glimlach onderdrukkende over de geographische kennis, welke de man ten toon spreidde: ‘wij hebben wel geen voordeeligen wind; maar toch, morgen met den namiddag zullen wij er wel zijn.’ –

Wij verlieten de kroeg en gingen na het nuttigen van een goed avondmaal vroegtijdig ter ruste, ten einde den volgenden morgen op het afgesproken uur bij de hand te zijn. Wij waren dan ook op den bestemden tijd aan boord en hadden weldra aan de haven van Harlingen vaarwel gezegd. Janke Sikkes was met het vaarwater bekend sedert zijn geboorte af; en, aangevuurd door de hoop op een goede beloning, deed hij zijn uiterste best om ons op de spoedigste wijze mogelijk naar ons bestemmingsoord te voeren. Onderweg poogden wij nog eenige berichten bij hem in te winnen omtrent de persoon, die Klaartje op reis vergezeld had; hij wist ons weinig dienaangaande te vertellen; alleen zeide hij, dat de jonkman een knap slach van een kaerel was, die de zeemanskunst goed scheen te verstaan en zelf eens mede een hand aan ’t werk geslagen had; maar dat hij zich over zijn naam of betrekking niet had willen uitlaten, en dat het meiske ook weinig gesproken had, maar den geheelen overtocht zeer bedroefd en mankeliek was geweest.

Het was ongeveer middag, toen wij het eiland in het gezicht kregen. Het was een dier schoone, warme dagen, welke men meermalen in de eerste helft van September geniet; en hoewel de wind nog uit den Noorderhoek woei, was hij echter eenige streken meer naar het Oosten geloopen, en deden alle voorteekenen zich op, dat wij meer bestendig weer zouden krijgen, dan wij tot dusverre hadden gehad. Niet onbevallig deed zich weldra het dorp West-terschelling, met zijn hoogen Brandaris, aan ons voor: en zijn roode, door de zon beschenen daken, tusschen het groen der lindeboomen, staken vrolijk af tegen de witte duinen, die ten Noorden aan het eiland ten bolwerk verstrekken; terwijl een menigte loods- en visschersschuiten, die in de haven lagen, of af- en aangingen, het tooneel verlevendigden. Ten Noordwesten liet zich, op eenigen afstand, tusschen de ver vooruitstekende zandbanken, een half op zijde liggend wrak zien, dat reeds van masten en tuigaadje ontdaan was, en hetwelk ik aan den nieuwgeschilderden, naar ons toegekeerden spiegel, voor de (ditmaal zoo onfortuinige ) Fortuin herkende.

Aan de haven gekomen zijnde, zagen wij, hoe reeds een groot gedeelte der jeugdige bevolking, welke ons van verre had zien aankomen, ons van het strand en van het havenhoofd stond te verbeiden met de nieuwsgierigheid, welke de komst van vreemdelingen vooral op zeedorpen pleegt te verwekken, en nu met de handen in den zak onze ontscheping aangaapte. Ik zag echter onder den hoop ook enkele meer bejaarde inwoners, en het was tot een dezer laatsten, dat ik mij wendde om te vernemen, of zij ook wisten, waar Kapitein Pulver te vinden ware.

– ‘Wijs deuzen Heeren den weg eens naar Geurt Reynszen,’ zeide de man tegen den naastbijstaanden knaap: en deze, na ons nog even te hebben aangekeken, sloeg zonder overhaasting den gullen zandweg in, die naar het dorp bracht. Wij volgden onzen wegwijzer, begeleid door de gandsche jonge bevolking, die zich om ons heen drong, als had zij in last bekomen, ons op te brengen. Enkelen draafden vooruit om bericht van onze komst te brengen, en dit had ten gevolge, dat wij weldra Kapitein Pulver in persoon ons te gemoet zagen komen.

– ‘Wel patroon!’ riep de man uit, toen hij mij gewaar werd: ‘benje daar warempel zelf komen aanwaaien: wel dat is een leelijke interval met ons schip! – Het spijt mij danig van de ouwe Fortuin: en ze heeft ‘er naam slecht gedragen: ’t Is jammer van de kostelijke verf, die er nog aan gespendeerd is; maar, niemand kan ’t helpen, zoo als de man zei, toen hij zijn vrouw van de trappen gegooid had. ’t Is dan ook een boos weertje geweest: een wind, dat geen vier heereknechts een mand met bruidsuiker tegen een sluis zouden opgetrokken hebben: – en raakt men in dat gindsche vaarwater maar eenmaal grond, dan is het: zie er van af, en wij mogen nog onzen Lieven Heer danken, dat er niemand bij omgekomen is, als twee geiten, die verzopen zijn. Ondertusschen, patroon! ’t is mij lief, je wel te zien.’ –

– ‘En hoe staat het met het schip en de lading?’ vroeg ik. ‘Is er veel schade?’ –

– ‘O! wat de lading betreft,’ antwoordde Pulver: ‘die is grootendeels geborgen; maar het schip, – kijk er van af, zeg ik: – dat woelt al gedurig meer in het zand: en ofschoon UEd. het van daag nog hebt kunnen zien, ’t zal morgen wel heelendal naar de kelder zijn.’ –

– ‘Zoo! dan is de lading toch in zekerheid; – dat doet mij genoegen.’ –

– ‘Wel mag het u genoegen doen; maar wat helpt het? zoo als de man zei, toen hij klontjens te huis bracht en de koffij al gedronken was. Ik heb, sedert de boel hier in ’t pakhuis (en ’t is er een pakhuis naar!) is opgeslagen, er al zoo veel over te zeggen, als een koksmaatje over de kluifjens, die de kat benaderd heeft. Ik had anders zulk een schoone gelegenheid om de thee, waar een kapitaal op te winnen is, verder te zenden; maar ’t is: blijf er van af. Ze zullen u een rekening maken van Jan Kalebas: en ’t is maar goed, dat UEd. hier is, om een oog in ’t zeil te houden; want zij zullen wel wat meer respect voor UEd. hebben als voor mijn persoontje. En wie is mijn Heer? als ik vragen mag? want onbekend maakt onbemind.’ Hier wees hij op Helding.

Ik gaf hem zulks in korte woorden te verstaan, terwijl wij vervolgens gezamenlijk de woning binnentraden van den hier boven genoemden Geurt Reynszen, die bij de hoedanigheid van Onderstrandvonder ook, gelijk mij naderhand bleek, die van voorzittend Schepen bekleedde en dus een der gewichtigste personaadjen van het eiland was. Het bovenlijf van een dikken zeegod, met roode bolle wangen en een blaauwen baard, hetwelk vroeger den voorsteven van een schip had vercierd, en volgens de daaronder geplaatste aanwijzing den God Neptuin verbeeldde, prijkte boven de voordeur, en scheen in zijn voorover gebogen houding de voorbijgangers uittenoodigen om binnen te treden en den brandewijn van vriend Reynszen te proeven, terwijl de woorden goed logies op de deurpost nog verder het bedrijf van dezen nuttigen eilander aankondigden.

Het was dus met dezen Reynszen voornamelijk, dat ik over het doel mijner komst zoude moeten spreken: terwijl ik mij tevens vleidde, dat hij beter dan iemand in staat zoude zijn, eenig bericht aangaande de dochter van Helding te verschaffen.

Reynszen, een man van ongeveer zestig jaar, maar nog wakker en sterk, en wiens graauwe kat-oogen sluwheid en overleg verraadden, ontfing ons met een voorkomende vriendelijkheid, die echter eenigzins verflaauwde, toen Pulver hem mijn naam en mijn betrekking als reeder van het gestrande schip deed kennen: en het viel mij niet moeilijk, uit de wijze waarop hij mij opnam, te gissen, dat hij trachtte zijn oordeel op te maken, in hoeverre ik vatbaar was om mij te laten blinddoeken of bepraten. Zijn gelaat klaarde echter weder op, toen ik voor Helding en mijzelven logies bij hem bestelde: waarschijnlijk begreep hij, dat twee Heeren uit Amsterdam in allen gevalle goede verteering bij hem zouden maken, en dat hij als kastelein wel datgene aan mij zoude terug verdienen, wat hij als Strandvonder door mijn komst zoude moeten missen. Hij bood ons pijpen aan en begon een praatje over weer en wind, terwijl zijn dochter stoelen bijschoof en op onzen last eenige boterhammen ging smeeren; want de zeelucht en de reis hadden ons honger gegeven. Pulver begon hierop het verhaal van zijn geleden schipbreuk, hetwelk men mij verschonen zal, zoo ik het niet in zijn geheel geve; daar in dit geschrift reeds tweemalen een diergelijke ramp vrij omstandig beschreven is. Het bleek mij echter reeds toen, en later werd het ook door de getuigenis van de equipaadje der Fortuin bevestigd, dat Schipper en Stuurman hun plicht tot het uiterste hadden volbracht en dat de geleden wederwaardigheid alleen aan het geweld van den storm te wijten was, die het vaartuig op de Robbeplaat had gesmeten, waarvan het niet mogelijk was aftekomen.

Het ontging mij niet, dat Helding, gedurende het vrij lange en door allerlei aanmerkingen en uitweidingen afgebroken verhaal van den Schipper, als op heete kolen zat, en gedurig rond keek, als wilde hij vragen, wanneer de beurt toch eens aan hem komen en over de zaak zoude gesproken worden, welke hem op Ter Schelling riep. Juist wilde ik daarover beginnen, toen een nieuwe personaadje de herberg binnen trad. Deze was een dor schraal kaereltje, wiens onbeduidende lichaamsbouw sterk afstak tegen de kloeke gestalte van Reynszen en van de Ter Schellingsche visschers, die ik aan de haven gezien had. Ook was hij niet in ’t duffel en baai gekleed, gelijk de overige dorpelingen: en zijn rok en hoed, hoewel van ouderwetsch fatsoen, kenmerkten meer de dracht van den vasten wal of een nabootsing daarvan. Zijn door de kinderziekte sterk geschonden gelaat had weinig behagelijks; terwijl de omgekrulde onderlip en vooruitgezette borst geen geringe mate van zelftevredenheid en verachting van anderen schenen aan te kondigen.

– ‘Zoo Drost! benje daar?’ vroeg Reynszen, den nieuwaangekomenen de broederhand toestekende. Deze scheen blijkbaar het niet te durven wagen, zijn mager handje aan de krachtige aangreep des kasteleins bloottestellen, en stak hem slechts een vinger toe.

Ik stond een oogenblik in twijfel, of de naam van Drost, aan den onbekende gegeven, ’s mans eigen naam of een verkorting van den tijtel van Drossaart moest beteekenen. Ik wist, dat deze laatste ambtsbetrekking door een der Burgemeesteren van Enkhuizen werd bekleed: en ik kon te minder geloven, dat ik dezen voor mij zag, daar de toon en houding van Reynszen jegens den nieuwgekomenen die gemeenzaamheid aanduidden, welke tusschen goede bekenden plaats heeft.

– ‘Zelje een pijp rooken?’ vervolgde Reynszen tegen den onbekende, die ons van ter zijde bekeek. ‘dat zijn Amsterdamsche Heeren, die komen hier van wege de Fortuin:’ en toen, zich naar ons keerende: ‘dat is de Drost,’ zeide hij:

A tous seigneurs tous honneurs . Ik rees op, en groette den Dignitaris, die, na mij kortaf goeden dag te hebben gewenscht, zich tot Reynszen wendde, in de navolgende afgebroken bewoordingen:

– ‘Niet rooken… weinig tijd… zieken bezoeken… Raad bij een geweest… hoe is de patiënt?’ –

– ‘Niet te bestig,’ antwoordde Reynszen: ‘ik wou dat zij weg waren gebleven.’ –

– ‘Hebt gij hier een zieke in huis?’ vroeg ik.

– ‘Ja,’ antwoordde Reynszen: ‘een vrouwken van den vasten wal: de Doctor heit er ook al geen zinnigheid in.’ Hier wees hij op den Drost: en nu werd het mij op eens duidelijk, dat deze niet de Drossaart zelf, maar zijn Substituut moest wezen, die, tevens met dit ambt, de hoedanigheid van geneesheer bekleedde. Ik dacht echter over dit punt slechts vluchtig na; want het gezegde van den waard had mijn aandacht getrokken.

– ‘Van den vasten wal?’ herhaalde ik: ‘en wanneer aangekomen?’ –

– ‘Eerst sedert drie dagen: van Harlingen, ‘eloof ik.’ –

Helding was doodsbleek en keek beurtelings mij en den kastelein aan.

– ‘En haar naam?’ –

– ‘De vent, die met haar is – haar man wil ik hopen – noemt haar Klaartje: en dat is al wat ik er van weet.’ –

– ‘O mijn dochter! mijn Klaartje!’ riep Helding, terwijl hem dikke tranen langs de wangen rolden. Waar is zij? Breng mij bij haar.’ –

– ‘Bedaar, mijn goede Helding!’ zeide ik: ‘gij hoort, dat zij ongesteld is: uw onverwachte verschijning zoude nadeelige uitwerkselen kunnen te weeg brengen. Wat zegt er de Doctor van?’ –

– ‘Hm!’ zeide deze: ‘ontstoken herssenen… galächtig bloed… raaskallen… aandoeningen te vermijden… abstinentia et quies .’ –

– ‘UEd. denkt dus,’ hernam ik, ‘dat haar vader, wien zij in lang niet gezien heeft, niet zonder eenige voorbereiding bij haar behoort te worden toegelaten.’ –

– ‘Hm! hm! – nog niet – eerst zien – oordeel opschorten – straks beslissen,’ antwoordde de geneesheer.

Het kostte mij eenige moeite om Helding te overtuigen, dat hij zijn ongeduldig verlangen naar zijn dochter bedwingen moest; doch na eenigen tegenstand gaf hij toe en beloofde zich bedaard te zullen houden, terwijl ik op zijn verzoek aannam, den Doctor bij zijn bezoek te vergezellen en hem naauwkeurige kondschap te brengen aangaande den toestand zijner dochter. Reeds vreesde ik, daar de woning mij toescheen niet zeer groot te zijn, dat de lijderes zich misschien in een nabijgelegen kamer bevond en vandaar iets van ons gesprek gehoord of de stem baars vaders herkend zoude hebben; maar deze vrees bleek mij ongegrond te zijn; want het ziekvertrek, waarheen ik mij thands met den Doctor begaf, bevond zich in een afzonderlijk huisje, mede aan Reynszen toebehoorende, en waartoe men door een achterdeur en binnenplaats of tuintje gemeenschap had.

Wij vonden bij het inkomen de zieke in een vrij zindelijke bedstede gelegen, voor welke iemand gezeten was, met den rug naar ons toegekeerd, die haar hand in de zijne hield, terwijl hij, voorovergebukt, met het hoofd op de andere hand leunde. Hij had zijn buis uitgetrokken en dit, waarschijnlijk om de lijderes te verwarmen, op het voeteneinde neergelegd. Bij onze nadering zag hij op, en ik herkende – hoewel niet geheel onverwacht – Sander Gerritz – of, anders gezegd, Zwarte Piet.

– ‘Plaats maken!’ – zeide de Doctor: ‘wat gerust? – Nog ijlende?’ –

– ‘Zij is bedaarder, maar dood zwak,’ zeide Sander, met een zucht; zij ligt geheel wezenloos en heeft mij nog geen woord toegesproken,’ en toen, mij herkennende: ‘mijn Heer Huyck!’ riep hij verbaasd uit.

– ‘Ongelukkige! gij hier?’ zeide ik, het hoofd schuddende: ‘maar kom even ter zijde, en laat den Doctor bij de patiënt.’ –

De Doctor nam de plaats in, welke Sander ledig liet, en voelde den pols van Klaartje, die nog geen bewijs had gegeven, dat zij onze komst bespeurd had en met het gelaat naar het schot gekeerd lag. Ik nam onderwijl Sander in een hoek van het vertrek en fluisterde hem in ’t oor:

– ‘Haar vader is gekomen.’ –

– ‘God! ook dit nog!’ zeide hij, en bedekte zich het gelaat met beide handen.

– ‘Zoude zij in staat zijn, hem te zien?’ –

– ‘Ach! wat zoude het baten? Zij kent niemand – zelfs mij niet.’ –

– ‘Koorts af!’ zeide de Doctor, opstaande: bedaarder… meliora symptomata .. gerstewater drinken… citroensap… likkepot zenden.. morgen weerkomen..’ –

– ‘Zou het mogelijk zijn!’ riep Sander uit, verheugd toetredende: ‘bevindt zij zich in de daad beter?’ –

– ‘Nog zwak,’ zeide de Doctor: ‘versterking ingeven. – Recept schrijven?’ – Dit gezegd hebbende haalde hij pen en papier uit den zak en ging zijn voorschrift opschrijven.

– ‘Klaartje!’ hernam Sander, zich over het bed heen buigende: ‘herkent gij mij niet?’ –

Klaartje lichtte bij deze toespraak even het hoofd op en keek om, zoo dat ik haar vlak in ’t aangezicht zag. Zij had nog schoone en regelmatige trekken; maar de fletsheid der wangen en de lichtroode strepen en vlekken onder de oogen en langs den neus getuigden dat een ongebonden leefwijze, nog meer dan de ziekte, haar vroeger bekoorlijkheden voor den tijd had doen vervallen.

– ‘Waar ben ik?’ vroeg zij met een flaauwe stem, zich met de vlakke hand over het voorhoofd wrijvende: ‘hoe kom ik hier? Ik ben hard ziek geweest, geloof ik: – maar nu is het beter: ik wilde wel wat drinken.’ –

– ‘Hier hebt gij drinken,’ zeide Sander, haar een kommetje aan den mond brengende: ‘bevindt gij u waarlijk beter, mijn liefste?’ –

– ‘Zoo! zijt gij daar nog, Sander?’ hernam zij: ‘dat is goed; – maar hoe kom ik toch hier? – Ik ben wat in de war geweest en heb veel geleden.. maar ’t is zonderling: ik voel nergens pijn meer.’ –

Niettegenstaande de verklaring van den geneesheer, kon ik niet deelen in de betere hoop, die hij Sander had ingeboezemd. Dat ophouden van alle pijn, gevoegd bij den strakken blik der half gebroken oogen, scheen mij een onrustbarend kenteeken te zijn, en ik begon te duchten, dat Helding zijn dochter slechts zoude terugvinden om haar terstond weder te verliezen.’ –

– ‘Wie is die Heer?’ vroeg zij, op mij wijzende.

Ik beschouwde deze vraag als geschikt om er aanleiding uit te ontleenen, ten einde haar op het bezoek haars vaders voor te bereiden, en voorkwam dus het antwoord, dat Sander geven wilde.

– ‘Ik kom uit Amsterdam,’ zeide ik, ‘en heb een boodschap voor u, van iemand, die u van harte lief heeft.’ –

– ‘Iemand in Amsterdam… die mij lief heeft!’ herhaalde zij met een uitdrukking van twijfel en smart: ‘wie is er, die mij lief heeft in Amsterdam? – O God! er is er wel een geweest, die het mij gezegd heeft… maar hij was een misleider… hij was de oorzaak van mijn verderf en elende.’ –

– ‘Hij, van wien ik spreek,’ vervolgde ik, ‘is iemand, die nooit anders als uw welzijn beoogd heeft. Bedenk eens wel: is er niemand in Amsterdam, wien natuur en plicht beide u voorschrijven lief te hebben en het verdriet te vergoeden, dat gij hem veroorzaakt hebt?’ –

– ‘Wat!’ zeide zij, met verheffing van stem: ‘van mijn vader komt gij! van mijn vader!.. hoort gij Sander?… die Heer komt van mijn ongelukkigen vader! – En denkt hij nog aan zijn slechte, nietswaardige dochter, die hem zooveel verdriets heeft gekost? – En weet hij, dat ik nog leef? – O! het ware immers veel beter, dat ik dood ware, – dan behoefde hij geen leed meer te gevoelen over een schepsel, dat niets als schande over zijn eerlijken naam heeft gebracht.’ –

– ‘Meisjen!’ zeide ik: ‘onze Vader in de Hemelen is lankmoedig jegens hen, die berouw toonen: en moet uw aardsche vader dat voorbeeld niet volgen? Gij zijt nooit uit zijn gedachten geweest en hij verlangt niets vuriger dan u aan zijn hart te drukken en alles te vergeven.’ –

Zij weende: – Sander weende: ik was mede diep ontroerd, de Doctor borg zijn recept in een groot lederen zakboek en zeide, terwijl hij opstond: ‘geen gevaar… ouden Heer roepen… gerust hier komen.’ –

– ‘Wie? welke oude Heer?’ vroeg Klaartje, met levendigheid.

– ‘Zoo uw vader zich hier bevond,’ zeide ik: ‘zoudt gij dan kracht genoeg bezitten om hem terug te zien?’ –

– ‘Mijn vader! – Hier? O God! laat ik hem nog eenmaal vergeving bidden en dan sterven. – Maar neen: dat is niet mogelijk.’ –

– ‘Zie of het mogelijk is,’ zeide ik, terwijl op hetzelfde oogenblik de Arts terug kwam, gevolgd door Pulver, die Helding geleidde, daar deze werk had om zich staande te houden, zoo beefde hij.

– ‘Waar is zij? Waar is mijn kind?’ riep de oude man, terwijl hij met uitgestrekte armen en wankelende knieën het vertrek binnen trad. Zij was half opgerezen in haar bed, en het was slechts met moeite, dat Sander haar kon terug houden, van er uit te springen om zich aan de voeten haars vaders te werpen. Helding viel haar om den hals en snikte luid.

– ‘Vergeving, mijn vader!’ was alles wat zij uit kon brengen, terwijl Sander, van aandoening overstelpt, zijn gelaat in de handen verborg.

– ‘Verduiveld!’ zeide Pulver, zich een traan uit het oog wisschende: ik zit liever een heele nacht bij slecht weer in de bramzaling, dan dat ik zoo iets bijwoon.’ –

– ‘Hou u maar bedaard, kindlief!’ zeide Helding, terwijl zijn eigen stem beefde: ‘God zij geloofd, dat ik u weerom heb: wij zullen over het verledene niet meer spreken en alleen over de toekomst denken: maak maar spoedig weer beter te worden, dan gaat gij met mij weer naar Amsterdam en wij zullen een stil en genoegelijk huishouwentje hebben als van ouds.’ –

– ‘Neen Vader!’ zeide zij, treurig het hoofd schuddende: ‘naar Amsterdam terug keeren, dat zal niet gaan – ik voel hier iets’ (op haar hart wijzende) ‘dat mij zegt, dat het met mij niet lang meer zal duren. O! wie had mij ooit dien onverdienden zegen durven voorspellen, dat ik nog voor mijn dood mijn vader zoude terug zien en dat hij zich mijner ontfermen zoude? Helaas!’ vervolgde zij, hem beschouwende: ‘uw hairen waren niet grijs, toen ik u verliet. – Wee mij! ik heb dat verdriet u veroorzaakt! – Maar Vaderlief! Gij moet ook een vriendelijk woord tot Sander spreken: hij heeft mij te Harlingen terug gevonden en, ondanks al mijn slechtheid, had hij mij nog lief en wilde mij met zich nemen, hoewel ik hem zeide, dat ik zijn liefde door mijn wangedrag verbeurd had: en hij heeft mij in mijn ziekte niet verlaten, maar zoo trouwhartig opgepast, als geen baker beter had kunnen doen.’ –

– ‘Sander Gerritz!’ riep Helding verbaasd uit, toen de jongeling hem met een treurigen blik aanzag.

– ‘Sander Gerritz!’ herhaalde Pulver, niet minder verwonderd: ‘Sandertje! wat drommel!..’ Hier zweeg hij, daar ik hem toewenkte, dat hij zich niet met de zaak bemoeien zoude.

– ‘Sander Gerritz!’ herhaalde ook de Doctor, als scheen hij zich dien naam insgelijks te herinneren: en te gelijk een anderen portefeuille dan dien waarin hij zijn recepten borg voor den dag halende, begon hij in de daarin vervatte papieren te snuffelen.

– ‘Ach! mijn goede Monsieur Helding!’ zeide Sander: ‘UEd. weet, ik heb haar altijd lief gehad. Ik zoude haar ook gaarne tot vrouw genomen hebben, niettegenstaande al wat er gebeurd is; – maar de Heer Huyck weet, dat ik niet hier kan blijven, dat… in ’t kort, dat het beter voor haar is, dat zij met haar vader naar Amsterdam terugkeert.’ –

– ‘Ja mijn hartje!’ zeide Helding: ‘keer met mij naar huis: wij zullen wel wat voor u vinden: ik heb nog veelvermogende beschermers, die ons niet in den brand zullen laten: daar is de waardige Heer Huyck… daar zijn de Heeren Blaek….’

– ‘Blaek!.. Blaek!..’ herhaalde Klaartje, met een uitdrukking van afgrijzen: ‘liever leed ik het ergste, wat een mensch kan overkomen, dan dat ik aan iemand, die Blaek heette, iets te danken had.’ –

– ‘Hoe!’ riep Helding: ‘wat hebben u die Heeren toch gedaan?’ –

– ‘O! spreek er mij niet van,’ hernam Klaartje: ‘is niet Lodewijk Blaek de bewerker van mijn ongeluk? Heeft hij niet, toen de goede Sander het zeegat uit was, mij met een zoet praatje verleid, en mij overreed om mijn braven, besten vader te verlaten? Heeft hij mij niet, arm en naakt, in schande verlaten en gedwongen, daar ik niet te huis durfde keeren, om.. O God!’ –

– ‘En waarom durfdet gij niet tot mij terug keeren?’ vroeg Helding: ‘wist gij dan niet, dat het hart van den ouden man altijd voor u open stond?’ –

– ‘Lodewijk Blaek!’ mompelde Sander: ‘was hij de schurk, die u bedierf? – O! dat ik hem hier had, om hem zijn laagheid betaald te zetten!’ –

– ‘Ach! ik schaamde mij zoo, terug te keeren,’ zeide Klaartje: ‘en daardoor ben ik van kwaad tot erger vervallen… en zoo is het, dat ik sterven moet, zoo jong nog en door mijn eigen schuld! – Maar ik heb vergiffenis ontfangen van die twee, die ik het meest beledigd heb, van mijn vader en van mijn goeden Sander – en dit vertroost mij. – Ween niet, Sander! het is zoo beter: – toen ik, op uw verzoek, Harlingen verliet, was ik nog loszinnig en dacht alleen om het geluk van weer met u te zijn; maar thands heb ik een beter inzicht verkregen.. ik was niet waardig, uw vrouw te zijn – en ik moest geen schande brengen in het huis mijns vaders: – het is voor mij, voor u beiden beter, dat ik sterve.’ –

– ‘Foei! zoo moet gij niet spreken,’ zeide Helding: ‘niet waar Doctor?’ –

– ‘Wel neen!’ antwoordde deze, zijn papieren weder bergende: ‘niet sterven – weder gezond worden – niet zooveel praten! – femina animal loquax – te veel vermoeien. – Hm! Zonderling – Sander Gerritz! – dien naam meer gehoord – hm! – brief van den Drost – zeeroof – inbreken – Jaco – niet vinden – t’huis liggen – hm!’ Deze laatste woorden sprak hij slechts halfluid en mompelend uit, zoodat zij door de meesten, die te veel met Klaartje bezig waren om op hem te letten, niet of slechts half verstaan werden.

– ‘Kom!’ zeide ik tegen de zieke; ‘gij moet u zoo niet laten gaan, noch u het ergste voorstellen: tracht liever wat te slapen; want gij hebt rust noodig. Wat dunkt u, Kaptein! zoo wij die goede lieden eens alleen lieten. Ons bijzijn is hier toch overbodig.’ –

– ‘Ja!’ zeide de Doctor: ‘hier te vol – rust noodig – ik ook weg – veel droktens – likkepot bereiden – archief nazien – zieken bezoeken – twee clijsteeren – aderlating – twee boeren overhoop liggen – brief aan den Drost schrijven – Maaike Jansz linkerarm gebroken – heengaan.’ –

Met deze woorden vertrok hij: ik volgde hem met Pulver, en weldra vervoegde zich ook Sander bij ons, die waarschijnlijk gevoelde, dat de bescheidenheid hem gebood vader en dochter een wijl alleen te laten. Op de opene plaats echter, die de twee woningen van een scheidde, hield Pulver hem staande:

– ‘Nu zelje mij toch niet ontkennen,’ zeide hij: ‘dat je Sander Gerritz bent en dat ik je op het buiten van Mevrouw van Bempden heb gepraaid.’ –

– ‘Stil wat!’ fluisterde ik, bevreesd, dat de Doctor, die juist de herberg intrad, hem hooren zoude.

– ‘Neen voorwaar niet, mijn goede Schipper!’ antwoordde Sander, hem de hand toestekende: ‘maar laat het tusschen ons blijven. Ik heb dien naam sedert lang, en om billijke redenen, laten varen.’ –

– ‘Daar hebje verkeerd aan gedaan,’ hernam Pulver: ‘men moet zich de vlag nooit schamen, daar men jaren onder gevaren heeft. Wel man! dat verhoopte ik niet, toen ik je daar onder die zeeroovers aan twee ankers vast liet, dat ik je ooit weer in ons land aan boord zou komen: nu! bergen en dalen ontmoeten mekaêr niet; maar menschen al. En waar hebje al gezworven, zoo als de ouwe vloo tegen de jonge zei?’ –

– ‘Ja Schipper! dat zal ik u naderhand wel reis vertellen,’ antwoordde Sander: ‘waar ik geweest ben, komt er minder op aan,’ vervolgde hij met een zucht: ‘het zal eerder te bezien staan, waar ik heen moet: hoewel ik verklaar, dat het mij in deze treurige oogenblikken vrij onverschillig is.’ –

– ‘Ja!’ zeide ik, hem ter zijde trekkende: ‘gij moet op uwe hoede zijn. Die Doctor is tevens Substituut van den Drost, en, voor zooveel uit ’s mans woorden te verstaan is, maak ik op, dat hij reeds berichten omtrent u heeft, en dat dit eiland u geen veilige schuilplaats biedt.’ –

– ‘Ik wijk niet van hier, zoolang Klaartje in dezen toestand blijft,’ zeide Sander: ‘en wat dien Meester Doedes aanbelangt, ik ben juist niet erg voor hem beschroomd: ik weet nog wel een huismiddeltjen, om hem de oogen te doen dichtknijpen.’ –

Dit zeggende opende hij de deur der herberg, waar wij binnen traden en den Doctor reeds vertrokken vonden. – Ik verzocht Reynszen, zorg te dragen voor een goede waakster om de zieke op te passen; waarop hij mij verzekerde, dat zijn vrouw en dochter zich reeds bereid hadden verklaard, die taak op zich te nemen, en dat overigens niets ontbreken zou om haar toestand zooveel mogelijk te verzachten.

Niet ongenegen een weinig lucht te scheppen, sloeg ik aan Pulver een wandeling voor, waarop wij onze zaken zouden kunnen bepraten. Wij begaven ons, na van Sander afscheid genomen te hebben, het strand langs, en ik vroeg hem, wat er al zoo gëeischt werd en hoe wij best ons goed terug zouden krijgen en geschillen of processen vermijden.

– ‘Ja!’ antwoordde hij: ‘wat zal ik veel zeggen? Wie in de schuit is moet mêevaren: en het helpt niet, of men tegen dat volkjen hier met grof geschut aan boord komt en hen bedreigt met de Commissarissen tot de Pilotage of met Gecommitteerde Raden; want daar geven zij al zooveel om als een walvischhaalder om een dooie schelvisch. Zij liggen hier buiten schoots, weetje! en stooren er zich niet aan, of zij brieven en bevelen krijgen: hebben is hebben, denken zij: en wilje niet naar hun pijpen danssen, dan leeren zij het je tot je schade: ik heb nog liever met rojale zeeroovers te doen dan met zulk slach van volk. Daar ligt nu de Hyson en de Souchong in het pakhuis: en ik heb niet later dan van morgen een kattebelletje ontfangen van Schipper Holmfeld, die op de ree van ’t Vlie ligt, dat hij die met alle gemak bergen kon en ze meenemen naar Koppenhagen: een gelegenheid, zoo schoon als men wenschen kon; maar nu wil die verbruide Strandvonder de waren niet laten volgen dan tegens een derde van de waarde voor bergloon; terwijl hem volgens alle ordonnantien en costuymen niet meer dan zes twintigsten kunnen toekomen.’ –

– ‘Zoo hij al eens recht heeft op zooveel,’ zeide ik: ‘want er is hier minder quaestie van geredde, dan wel van geborgen goederen; daar gij met de equipaadje bijna alles gedaan hebt. – Intusschen, indien het daarmede gedaan ware.. het is ons veel waard, ons goed terug te bekomen.’ –

– ‘Dan is er,’ vervolgde Pulver: ‘nog een klein bagatelletje bij van anderhalf percent voor den Strandvonder, en nog een rekening van onkosten, voor gebruikte schuiten en wagens en gegeven fooien, daar een mensch de oogen van overloopen.’ –

– ‘Dat is toch wat grof,’ zeide ik: ‘want waar vraagt men het een derde bergloon voor, indien men nog een extra rekening maakt voor onkosten? – Maar kunnen wij, de quaestie over het bedrag daarlatende, de goederen niet los krijgen onder borgstelling?’ –

– ‘Wel ja!’ zeide Pulver: ‘reken daar op, (zoo als de Schoolmeester zei, toen hij den jongen een schellingskoek in plaats van een lei in de hand stopte). Zij zullen geen goed laten volgen, voor en aleer er een volkomen afrekening heeft plaats gehad.’ –

– ‘Dat zullen wij dan zien,’ hernam ik: ‘Wanneer vertrekt die Deensche schipper?’ –

– ‘Zoo ras er goede gelegenheid is: en, gelijk ik het weer aanzie, schiet de wind al meer en meer uit en zal hij niet lang meer op zijn legplaats blijven. Hij heeft mij zelfs bericht, dat, zoo hij eenigzins kon, hij naar Maklijk Oud zou opzeilen en dan onze thee in ’t voorbijgaan innemen.’ –

– ‘Voortreffelijk! Zorg dan, dat gij in allen gevalle morgen ochtend een vaartuig bespreekt, om de lading in te schepen en over te brengen: ik zal ondertusschen met den Strandvonder spreken, en zien, wat ik van den vent gedaan kan krijgen.’ –

Aldus ons plan gemaakt hebbende, zetteden wij onze wandeling nog een eind wegs voort, over onverschillige zaken pratende, tot wij het dienstig vonden terug te keeren. Naauwlijks waren wij het dorp weder binnengetreden of ik zag den gewichtigen man, die de betrekkingen van Substituut Drossaart en geneesheer vereenigde, uit een der huizen voor den dag komen, en, zoodra hij ons gewaar werd, zijn koers tot ons richten.

– ‘Als UEd. dien man te vriend kunt maken, zal alles goed gaan,’ zeide Pulver: ‘hij is hier zooveel als de admiraalswimpel, waar alles naar kijkt, die meester Doedes: en zij moeten wel ontzach voor hem hebben; want zetten zij hem den voet dwars, en knijpt hij ze niet als Drost, dan pepert hij het hun in als Doctor.’ –

– ‘Gevonden!’ zeide Doedes, (gelijk ik nu vernomen had dat ’s mans naam was) zoodra hij ons zag: en meteen klopte hij op zijn zak: ‘goed geheugen – Monsieur Weerglas – Sander Gerritz – struikroover – zeeschuimer – brief van den Drost – knevelen – naar den vasten wal zenden – hm!’ –

– ‘Wat zegt UEd?’ vroeg Pulver, eenigzins verschrikt: ‘Is Sandertje een roover? – Och! dan heeft die verbruide Don Manöel het op zijn rekening; want beter kalf van een jongen heb ik nooit aan boord gehad; maar, zoo gaat het: wie met pek omgaat, wordt er mee besmet.’ –

– ‘En zijn uw orders zoo gestreng?’ vroeg ik, niet zonder eenig leedwezen te gevoelen over het lot, dat Sander boven ’t hoofd hing.’ –

– ‘Orders – hm! hm! – Ter Schelling een vrijplaats – refugium – Staten niet achten – vervallen privilegium – orders gestreng.’ –

Ik zweeg, en begreep dat het beter voor mij ware, dit punt niet verder aan te roeren. Vooreerst had ik er overvloedig mijn bekomst van, om mij met een andermans zaken te moeien: en, ten tweede, kwam het mij voor, dat Meester Doedes, ondanks zijn beslissenden toon, het nog maar half met zich zelven eens was, of hij het oude recht van vrijplaats, waar Ter Schelling aanspraak op maakte, al dan niet zoude eerbiedigen, en achtte ik het, als Zoon van den Hoofdschout, ongepast, mij in een geschil van zoo teederen aart te mengen, ’t welk mij later waarschijnlijk kwalijk zoude genomen worden. Ik vond het dus verkieslijker, den man over mijn eigen zaken te onderhouden, en deelde hem, in korte woorden, de redenen mijner komst en den onhebbelijken eisch des Strandvonders mede.’ –

– ‘Hm!’ zeide hij, het hoofd schuddende: ‘gaat den Strandvonder aan – mij niet – u voor Schepens beklagen – goed recht uitspreken!’ –

– ‘Ja,’ zeide ik, ‘maar ik zoude liever de zaak zonder vonnis in den minne zien te vinden, en daarom wenschte ik uwe tusschenkomst in dezen in te roepen.’ –

– ‘Hm! – mij niet in moeien – mijne zaken niet – maar – als de zaak in orde is – niet vergeten: – tiende penning mij betalen – ten profijte der gemeente – oud recht van Ter Schelling – hm!’ –

– ‘Hoe!’ riep ik: ‘nog meer exacties! dat recht is immers afgeschaft bij een besluit van HH. Staten.’ –

– ‘Hm! – edict van 12 December 1663 – gekheid – Staten hun macht te buiten gegaan – hm! – volhouden.’ –

– ‘Hoe!’ riep ik; ‘gij, die hier den Drossaart vertegenwoordigt, zoudt u kanten tegen een edict der Staten, waarbij aan een middeleeuwsche vexatie paal en perk gesteld is?’ –

– ‘Hm! – Drost – Enkhuizen – nooit hier komen – geld trekken – niets uitvoeren – Doedes al het werk doen – Staten oude wijven – het eiland niet kennen – makkelijk besluiten nemen in den Haag – Ter Schelling zware lasten – veel rampen – schrale verdiensten – leven wagen bij schipbreuken – qui onera – etiam fructus .’ –

– ‘Ik wil gaarne toegeven,’ hernam ik, ‘dat de brave lieden, die het hunne hebben gedaan om bijstand te bieden aan de manschap van de Fortuin, of die tot het bergen der lading hebben medegewerkt, aanspraak hebben op belooning, en die zal hun ook geworden; maar ik zal nooit toestemmen in de verplichting om zulke hooge bergloonen te betalen als van ons gevorderd worden, noch recognitiegelden, die afgeschaft zijn: en zoo de Strandvonder geen rede verstaat, dunkt mij, dat gij, mijn Heer! mij recht moet verschaffen, en althands niet, bij reeds bestaande, een nieuwe exactie voegen.’ –

– ‘Hm! – Zaak van den Strandvonder – geen belang er bij – negotium a me alienum – voor de Rechtbank – zeven Schepenen – goed recht – naar huis gaan.’ – Met dit bescheid verliet hij ons en begaf zich binnen zijn woning, waar wij op dit oogenblik voor stonden.

– ‘Goed recht! – Ja, dat kan UEd. denken,’ zeide Pulver: ‘wij komen bij den duivel te biecht. Met dat al, ik geloof, dat zoo UEd. den man een kleine fooi voor zijn beleefdheid beloofd had….’ –

– ‘Dat in eeuwigheid niet,’ zeide ik: ‘denkt gij, dat ik de Justitie om wil koopen?’ –

– ‘Nu!’ hernam Pulver: ‘wij zullen zien wat er van wordt, zei de blinde, en hoe UEd. met Reynszen varen zult..; maar, dat Sandertje een roover geworden is, dat spijt mij toch in mijn ziel.’ –

Hier waren wij aan de herberg terug, en ik trad nu met den Strandvonder in onderhandeling; doch ook hier vond ik het onmogelijk om den man aftebrengen van zijn eisch, die, volgens hem, op goed recht en oude herkomsten steunde: zoodat ik, daar ik toch verlangde de thee te verzenden, per slot nog blijde was, hem in mijn voorstel te zien treden, om het gevorderde, gelijk ook de 10 pCt. recognitie, onder protest te betalen, terwijl Pulver, die inmiddels volgens afspraak een schuit was gaan bestellen, terug kwam met de tijding dat de hoeker Kjöbenhavn, Schipper Holmfeld, zich reeds in het Maklijk Oud bevond.

DigitalDroom Reader

Hoofdstuk XXXIV

XXXIV / XXXIX

De toestand der zieke, waarvan Helding mij van tijd tot tijd bericht kwam geven, was intusschen niet verbeterd: zij scheen van uur tot uur zwakker geworden, en de kenteekenen eener spoedige ontbinding begonnen zich te vertoonen. Haar geest bleef echter helder en opgeklaard, en zij had zich, met meer kalmte dan zich verwachten liet, met den Predikant onderhouden, die op haar verlangen haar was komen bezoeken. Sander, die bij den Drost was ontboden geweest, was vandaar teruggekeerd, en week niet van haar sponde; terwijl de vrouw en dochter van Reynszen bij afwisseling bij haar waren en met alle hartelijkheid die diensten bewezen, welke een vrouw meer dan een man in staat is waar te nemen: ja zelfs aangeboden hadden, de nacht bij haar op te zitten.

Hoewel voor Helding een bed in een afzonderlijk vertrek gereed gemaakt was, verkoos hij, gelijk niet te verwonderen was, de nacht in de ziekekamer door te brengen. Wat mij betreft, ik begaf mij met Pulver, nadat wig het avondeten gebruikt hadden, in de ons aangewezen slaapkamer, waar wij ons in twee tegen over elkander geplaatste bedsteden ter ruste schikten. Ik was echter ook thands niet bestemd, die ongestoord te genieten: althands, naauwlijks was ik onder de dekens gekropen, of een luid gepraat, gevloek, gezang en geloop, dat mij zoo duidelijk in de ooren klonk als of het in mijn slaapvertrek plaats had, schonk mij de onaangename overtuiging, dat mijn bedstede allernaast den zoogenaamden gemeenen haard gelegen en daarvan slechts door een dun beschot was afgescheiden. Voorts bleek het mij, dat de herberg bezocht was door een aantal varensgezellen en visschers, die zich vrij luidruchtig aanstelden en wier gemeene taal verward dooreen klonk. Onder die stemmen was er eene, welke het mij voorkwam meer te hebben gehoord; doch ik kon mij niet te binnen brengen, waar en wanneer zulks had plaats gehad. Dit alles hield mij uit den slaap, en ik kon niet nalaten, het lot van Pulver te benijden, die, meer verwijderd van het gedruisch, of beter daaraan gewoon, was ingeslapen zoodra hij de veeren geroken had, en met een luide basstem lag te snorken. Ik troostte mij echter met de gedachte, dat die drokke gasten niet de geheele nacht in mijn nabijheid blijven, maar ook weldra hun quartier zouden zoeken, en besloot inmiddels geduld te nemen.

En in de daad, langzamerhand dropen de gezellen een voor een af, en hoorde ik Reynszen elk op zijn beurt een goeden avond wenschen: zij waren allen op één na weg, toen de laatstovergeblevene, dezelfde wiens stem mij bekend voorkwam, tot den waard begon te spreken:

– ‘Wel! hoe is ’t? Is die vent met zijn duffelsch buis hier niet meer, die met die bleeke meid is komen andwalen?’ –

– ‘Ja wel!’ antwoordde Reynszen: ‘maar ik weet niet, of hij jou nu wel te woord zal staan; want zen liefsten is dan maar erg ziek. ’t Zal krap an zijn, as ze den morgen haalt.’ –

– ‘Dat d… niet. Zeg hem, dat hij hier komt, dat Andries er is, en hem spreken moet.’ –

– ‘Andries!’ herhaalde ik bij mij zelven, terwijl het koude zweet mij over het lijf liep. En ik verwonderde mij niet langer, dat mij de stem bekend was voorgekomen. Ik ging recht overeind zitten en spande mij nu zoo zeer in om te luisteren en geen woord te verliezen, als ik vroeger mijn best gedaan had om niet naar het gepraat te hooren.

– ‘Nu! ik wil hem wel roepen,’ zeide de waard: ‘maar toch ik twijfel, of hij hier zal komen.’ Met deze woorden verliet Reynszen het voorvertrek. Andries bleef met de vingers op tafel trommelen en een liedje neuriën; terwijl ik, geheel ontroerd over het zonderlinge toeval, dat mij op nieuw in de nabuurschap bracht van een zoo gevaarlijken fielt, bij mijzelven overdacht, of het ook raadzaam zoude wezen, hem aan te geven. Spoedig echter hoorde ik de deur, welke naar het achterhuis leidde, weder opengaan.

– ‘Wel!’ klonk de stem van Andries den binnenkomende te gemoet: ‘lag je vertuid, dat je zoolang noodig hadt het anker te winden?’ –

– ‘Wat wilt gij?’ vroeg Sander, met een sombere stem.

– ‘Wat ik wil? – Welnu nog fraaier! Hebben wij geen afspraak gemaakt, om mekâer hier te praaien? En waarvoor benje anders hier angeland?’ –

– ‘’t Is waar!’ antwoordde Sander met een diepen zucht: ‘maar het was al verklikt, dat ik hier zoude komen. Ik ben bij den Drost ontboden geweest…’ –

– ‘Welnu! En hij heeft u weer laten afzeilen; anders zouje nu niet hier met mij spreken: – wat wou hij?’ –

– ‘Hij heeft mij te kennen gegeven, dat hij in last ontfangen had, mij in verzekering te nemen; maar tevens dat dit eiland van ouds een vrijplaats was voor zoodanigen, die hier stil verkozen te leven en borg stellen voor hun goed gedrag.’ –

– ‘Bij ( ),’ zeide Andries: ‘wij zouden borg voor elkaêr kunnen wezen.’ –

– ‘Ik heb hem een goede borg op tafel gelegd,’ hernam Sander: ‘en die heeft hij ter griffie gedeponeerd: zoo dat wij als beste vrienden gescheiden zijn.’ –

– ‘Bij mijn zolen,’ zeide Andries: ‘ik zoude hem ook zulk een borg wel willen geven; maar dan is het eerst noodig, dat ik die zelf ga koopen: – en daarover moeten wij nu samen scheepsraad beleggen.’ –

– ‘Ik dank u,’ zeide Sander: ‘ik heb reeds genoeg op mijn rekening, en begeer mijn zondenregister niet te vergrooten.’ –

– ‘Hoe wat! riep Andries uit: ‘is de man een kind geworden? Zet ( ) die grillen uit den kop: neem een glas brandewijn en verzuip daar alle viezevazen in. Ga zitten vent! Denkje, dat ik hier ben ten anker ‘ekomen om bot te vangen?’ –

Er was een oogenblik stilte: ik hoorde stoelen verschuiven, en bemerkte, dat beide zich aan de andere zijde van het beschot dat ons scheidde hadden geplaatst.

– ‘Jongen!’ zeide Andries: ‘er is zulk een schoone zaak voor ons te doen. Dat pakhuis… ik ben er heen gelaveerd… met eenen trap ligt de deur in… kostelijke thee, man, en geen avarij: – en Joosje ligt met zijn aak in de haven. In een ommezien is het voort, zonder dat iemand lont ruikt of vermoeden op ons heeft.’ –

– ‘Dat zal nooit gebeuren!’ zeide Sander: ‘die Huyck is een braaf slach van een kaerel, en ik zal niet dulden, dat iemand de hand slaat aan ’t geen hem toekomt.’ –

– ‘Huyck zeg je? Welke Huyck?’ vroeg Andries, blijkbaar verwonderd.

– ‘De zoon van den Hoofdofficier,’ antwoordde Sander: ‘hij is gisteren gekomen en logeert hier in de herberg.’ –

– ‘Te droes doet hij? – Wel dan zou ik een dubbelen trek in de zaak hebben; want ik heb met dien verbrusten zandhaas nog een ouwe afrekening te houen – en zoo ik hem op de eene of andere wijze avary bezorgen kan, ik zal het, de d… haal mij, niet laten.’ –

– ‘Gij zult wel,’ zeide Sander: ‘of wij worden kwade vrienden.’ –

– ‘Nu! dan wat anders,’ hernam Andries: ‘ik bedank om mij hier te vertuien: en dien meester Doedes vertrouw ik zooveel als een verrotte plank en heb ook geen plan hem anders als met het voormarszeil te betalen. Hij zal, als hij onze borgtochten beet heeft, er net zooveel conscientiewerk van maken om ons uitteleveren, als ik om dit glas brandewijn te drinken. Hoor! ik weet iets, dat ons er uit helpt. De plijt is hier toch van het schip en wij moeten zien hoe wij verder komen. Nou is er van avond een hoeker op Maklijk Oud voor anker gekomen, die wel niet voor overmorgen het zeegat uitgaat. Wat dunktje, zoo wij die eens een bezoek brachten? en de reis op eigen gelegenheid deden?’ –

– ‘Hoor Andries!’ zeide Sander: ‘ik ben hier gekomen, ’t is waar, om met u en de overige makkers te overleggen wat ons te doen stond; maar ik ben van gedachten veranderd: wat gij voorhebt is mij om ’t even: ik zal u geen stroobreed in den weg leggen; maar reken niet op mij om u te helpen.’ –

– ‘Wel die en dat hoe heb ik het met je? Benje bekeerd of hebje een schat opgevischt? – En zou je ons nou verraaien, nou we jen hulp het meest noodig hebben?’ –

– ‘Ik herhaal, dat ik u niet verraden zal, maar stil uw gang laten gaan: dit moet u genoeg zijn. De reden, waarom ik mij niet, als van ouds, aan uw hoofd stel, is u, dunkt mij, tamelijk onverschillig. Ik wil niet, en daarmede uit.’ –

– ‘Brui naar de pomp,’ zeide Andries, wrevelig: ‘heeft die sloerie je omgepraat: ’t is er ook een lievertje naar! – En hoe wilje, dat ik zulk een boodschap an de maats overbreng? Zij zullen het immers nooit ‘eloven. En wat voor koers zelje dan verder houen. Of benje een stille verklikker ‘eworden?’ –

– ‘Wat ik doen wil, of doen zal, is mijne zaak,’ zeide Sander: ‘ik heb gehoord, wat gij te zeggen hadt, en wensch u goede nacht: – ik kan mij thands niet langer met u ophouden: vaarwel.’ – Dit zeggende stond hij op.

– ‘Maar wat deksel! Is het Zwarte Piet, dien ik spreken hoor? of is hij ’t niet?’ vroeg Andries, oprijzende en hem volgende: ‘bedenk toch: een spiksplinter nieuw vaartuig, – en een rijke vracht – je bent nou zeker wat dingsig onder je baaitje om de ziekte van die seldrementsche meid; – maar denk er reis over na, en zooje er nog toe besluit, geef er mij dan morgen met den dag maar sein van. Wij ankeren zoolang bij..’ hier veranderde zijn stem in een zacht gefluister, hetwelk ik niet verstaan kon. Sander scheen echter geen voldoend antwoord te geven; want ik hoorde ten slotte Andries met een zwaren vloek van hem gaan onder den uitroep van: ‘je verdijt het? wel ga dan en laat je opknoopen!’ – Een oogenblik later hoorde ik hem de voordeur uitgaan, die hij met geweld achter zich toetrok, terwijl ook Sander zich van zijnen kant verwijderde.

Ik bleef de zaak overpeinzen. Naar het weinige, dat ik begrepen had, te oordeelen, kwam het mij niet onwaarschijnlijk voor, dat Andries en zijn makkers het oogmerk hadden, om het Deensche vaartuig te verrassen en prijs te maken; doch het denkbeeld boezemde mij eenige gerustheid in, dat zij die onderneming te gewaagd aanzagen om die zonder de leiding of medehulp van Sander te doen. Ik achtte het intusschen van mijn plicht, zoowel den Kapitein van het schip als de overheden op Ter Schelling te waarschuwen van het gesmeede ontwerp, en het deed mij leed, dat ik het adres van de plaats, waar de booswichten bijeenkwamen, niet had kunnen verstaan. Ook was ik niet geheel zonder bezorgdheid over de koopwaren, die in het pakhuis lagen; doch ik vleide mij, dat daar vooreerst geen aanslag op gedaan zoude worden en dat ik in allen gevalle aan Sander een steun zoude hebben om die goederen, al werden zij gestolen, weder terug te bekomen. Lang nog hielden de ontroering over het gebeurde en de overpeinzingen, die daarvan het gevolg waren, mij uit den slaap, tot dat eindelijk de vermoeidheid zegevierde en ik het geluk had in te sluimeren. Toen ook was mijn slaap zoo vast, dat de zon reeds hoog aan den hemel stond eer ik ontwaakte. Ik bemerkte dat Pulver reeds was opgestaan, en, waarschijnlijk uit bescheidenheid, het vertrek verlaten had zonder mij te wekken. Ik kleedde mij spoedig aan en haastte mij naar het voorhuis, ten einde hem op te zoeken. Ik vond echter noch hem, noch Reynszen; maar op mijn geroep kwam de vrouw van laatstgemelden aangeloopen.

– ‘Zoekt mijn Heer mijn man en den schipper?’ antwoordde zij op mijn vragen: ‘o heden! die zijn al sedert drie uren aan het pakhuis. Zij wilden mijn Heer niet wakker maken: mijn Heer sliep zoo gerust.’ –

– ‘Een fraaie reden!’ zeide ik, eenigzins ontevrede: ‘denken zij, dat ik hier op Ter Schelling gekomen ben om te slapen? – En hoe staat het met de zieke?’ –

– ‘Slapjens!’ antwoordde vrouw Reynszen: ‘het arme schaap zal het niet lang meer maken: och! ’t is stichtelijk om te hooren, zoo onderworpen en gelaten als zij is: en de ouwe man is dan danig en danig bedroefd, en de andere ook, dat het met geen drooge oogen is bij te weunen. Gisteren gaf de Meester nog al hoop, dat het schikken zou; maar heden morgen had hij er ook al geen zinnigheid in.’ –

– ‘Hoe! – is de Doctor ook al reeds hier geweest?’ vroeg ik, hoe langer hoe meer ontevrede op mijzelf, dat ik mij verslapen, en op Pulver, dat hij mij niet gewekt had, en de noodzakelijkheid gevoelende, van mij terstond naar het pakhuis te begeven: ik legde echter vooraf een kort bezoek af bij de zieke, verzocht aan Helding alles te bestellen, wat hij tot haar gemak of lafenis mocht noodig oordeelen: en, Sander ter zijde nemende, gaf ik dezen te kennen, dat ik hem een oogenblikje afzonderlijk wenschte te spreken.

– ‘Ik heb gister nacht uw gesprek met Andries gehoord,’ zeide ik, zoodra wij ons alleen bevonden.

– ‘Hij bloosde en zag een wijl voor zich neder: ‘welnu!’ zeide hij toen, het hoofd met eenige fierheid opheffende, ‘dan zal UEd. ook gehoord hebben, dat ik genoten weldaden weet te erkennen.’ –

– ‘Dat heb ik,’ zeide ik: ‘en ik dank u voor de ridderlijke wijze, waarop gij voor mijn thee in de bres zijt gesprongen. Ik beklaag u, arme man! want gij wilt den goeden weg op en gij weet slechts niet, hoe zulks aan te vangen: is het zoo niet?’ –

– ‘Ach mijn Heer! moet ik het u bekennen?’ zeide Sander, terwijl hij weder voor zich zag en het hoofd met weemoed schudde: ‘UEd. hebt betere gedachten van mij dan ik verdien. Toen ik op dit eiland aanlandde, was het niet met het voornemen om mij te beteren. Het is waar, dat het leven, hetwelk ik in Gooiland leidde, mij tegen de borst stuitte; want ik was niet in de wieg gelegd om een gemeene straatroover te zijn. Neen! het leven en bedrijf in de West-Indiën, dat was meer voor mij geschikt: en echter: zelfs daartoe ware ik nooit gekomen, had mij het voorbeeld van Don Manöel niet aangevuurd. Maar hij had aan mijn tot dien tijd toe sluimerende verbeeldingskracht een nieuwen weg aangewezen? hij had mij geleerd, datgene als iets groots en verhevens te beschouwen, hetgeen ik voorheen zondig en schandelijk gerekend had. Hem te volgen, met hem op den Oceaan te strijden, dood en vernieling aan te brengen, was mij een wellust, een verdienste geworden. Zijn vijanden waren ook de mijnen: en, zoo het mij reeds een onvolprezen voorrecht toescheen, als zijn Luitenant zijn manschap aan te voeren, hoe moest mijn hoogmoed dan niet stijgen, toen ik, na zijn vertrek, mijzelf tot opperhoofd verheven zag! – Ik weet, dat het handwerk, dat ik dreef, onwettig en ongëoorloofd was: dat de dood mijn loon was, indien ik gevangen werd; – maar aan een anderen kant: ik was machtig, onafhankelijk, zonder iemand, die mij te bevelen had: ik schatte mij hooger dan een Admiraal; – want deze moge de eerste op de vloot zijn, hij mag die vloot toch niet voeren, dan waar Heeren Staten het hem gelasten. Welnu! – het was dat leven, het was die hooge rang, waar ik naar reikhalsde, dien ik weder herwinnen wilde: en ik wilde er Klaartje in doen deelen: want ondanks haar ontrouw, en ondanks al wat er gebeurd is, ik heb haar altijd blijven liefhebben, en de gedachte aan haar was de eenige die mij soms kwelde, toen ik in de West-Indiën was. Het was daarom, dat ik Andries en zijn makkers hier had ontboden: mijn voornemen was – en hij weet het te goed, die schoelje – om zoo mogelijk een goed zeebouwend vaartuig weg te kapen: – en eenmaal in het ruime sop gekomen, zoude ik den weg naar het Meir van Maracaibo en mijn oude makkers wel weder hebben terug gevonden.’ –

– ‘En,’ zeide ik, ‘om aan uw dwazen, doemwaardigen wensch te voldoen, zoudt gij in koelen bloede de manschap vermoord hebben van het schip dat gij behoefdet?’ –

– ‘Dat alles is voorbij,’ vervolgde Sander, zonder mijn vraag te bëantwoorden. Ik heb Klaartje terug gezien: ik ben getuige van haar lijden, van haar berouw geweest: ik heb gevoeld, dat ik nog te weekhartig was om.. vergeef mij.. een rol vol te houden, die een hart van staal vereischt. Ik heb van mijn voornemen afgezien: – en ik ken mijn makkers genoeg: zij zullen het zonder mij niet durven ondernemen, veel min ten uitvoer brengen: – zij zullen zich verstrooien: – en de Hemel geve, dat ik nooit weer van hen hoor.’ –

– ‘En gij?’ vroeg ik: ‘welke zijn uw verdere plannen?’ –

– ‘Kan ik aan de toekomst denken, zoolang Zij ginds ligt te sterven?’ vroeg hij op een eenigzins verwijtenden toon.

– ‘Ja, dat kunt en moet gij,’ antwoordde ik, na een oogenblik geweifeld te hebben: ‘gij moet uw leven beteren en dat moogt gij geen oogenblik uitstellen. Gij moet dit land verlaten, waar gij niet langer als een eerlijk man kunt leven; maar de waereld staat voor u open. Ga naar Rusland: daar worden wakkere gezellen als gij, die het zeemanswerk verstaan, met open armen ontfangen: bied daar uw diensten aan en gij zult door de waereld komen: is het al niet in een hooge betrekking, dan althands in zulk eene, welke gij u nimmer behoeft te schamen.’ –

– ‘Gij meent het wel met mij, mijn Heer Huyck!’ zeide Sander, met aandoening: ‘en ik zal uw woorden overdenken; maar verg mij niet, thands reeds eenig besluit te nemen. Ik moet eerst aan Klaartje de oogen sluiten: dan misschien… God zegene u mijn Heer Huyck!’ –

Met deze woorden wendde hij zich af en keerde naar het ziekvertrek terug. Zijn verhaal had een diepen indruk op mij gemaakt:

– ‘Al weder een slachtoffer van kwalijk geplaatste eerzucht,’ dacht ik bij mijzelven, terwijl ik de herberg verliet: ‘die Sander had een braaf en nuttig mensch kunnen worden, indien zijn ongelukkig gesternte hem niet het al te verleidelijke voorbeeld van Don Manöel had voor oogen gesteld: en deze zal eens, op den dag des oordeels, behalve zijn eigen schuld, ook de wandaden te verantwoorden hebben, waaraan zich deze ongelukkige heeft schuldig gemaakt.’ –

Aldus peinzende, was ik weldra de bergplaats der gestrande goederen genaderd, en zag van verre den braven Schipper, die zweetende en zwoegende zijn matrozen bevelen gaf, terwijl zij onder zijn opzicht de kisten thee op een paar wagens laadden, en Reynszen hen voor de open deur van het pakhuis stond aan te zien. Zoodra Pulver mij in ’t oog kreeg, liep hij naar mij toe, roepende:

– ‘’t Is al afgewasschen, patroon! zoo als de kajuitjongen zei, toen hij de hemden van den Kapitein over boord had laten vallen: ik heb den deurwaarder van morgen al uit zijn bed getrommeld: en hij heeft een exploict aan Reynszen gedaan, je leven zoo niet.. en het geld betaald ook: en nou gaan wij den boel naar de Kjöbenhavn brengen. Kijk eens Patroon! ’t is een lust om te zien, zoo kurkdroog als de kisten gebleven zijn: er is geen droppel water bij de thee gekomen: – nu in allen gevalle, dat zou aan hem die ze drinken moet, de moeite van ’t zetten bespaard hebben.’ –

– ‘En drink jelui waarachtig dat goed nou te Amsterdam?’ vroeg Reynszen, nader tredende: ‘’t is bylo een rare kost: ik heb ’t eens gezien; maar ik zou ’t niet lusten.’ –

– ‘Kom! kom!’ zeide ik: ‘mettertijd zult gijlieden er ook wel smaak in krijgen, als ’t wat algemeener wordt. Maar wat ik zeggen wilde, Kapitein! gij hebt mij een leelijke poets gebakken, met mij zoo te laten slapen. Ik weet, gij deedt het om best wil; maar anders: ik ben daar niet op gesteld.’ –

– ‘Och patroon! je sliep zoo gerust: ik wou je niet wakker maken, zoo als de dief zei, toen hij het horologie van den huzaren – officier van het beddetafeltje nam, en de officier hem bij de lurven pakte: – en wij konden dat alles immers best afdoen, Reynszen en ik?’ –

– ‘Met verlof!’ zeide ik tegen dezen: ‘kendet gij de lieden, die gister avond laat ten uwent waren?’ –

– ‘Neen!’ antwoordde Reynszen: ‘het is eerst sedert een paar dagen, dat zij bij mij aankomen: de eene, zoo als hij zegt, wil veulens koopen: de andere heeft weer een negotietje van snuisterijen: en een derde is een matroos, die verlof heeft: en een vierde is voor plezier mêe; maar wat verscheelt het mij? zoo lang zij betalen, vraag ik niet, wie zij zijn, of hoe zij heeten: – en bovendien, Ter Schelling is een vrijplaats van ouds: al hadden zij wat uitgericht, dan mag niemand hen hier molesteeren.’ –

– ‘Ik weet niet,’ zeide ik: ‘of de Heeren Staten veel om uw vrijplaats zouden geven; maar zoude het u aangestaan hebben, indien zij, gelijk hun eerste voornemen was, dit pakhuis leeg gestolen hadden?’ –

– ‘De duiker haal me!’ zeide Reynszen, verbaasd: ‘voerden die lieve jongens zulke dingen in hun schild?’ –

– ‘Of wat zoudt gij er van denken,’ vervolgde ik, met genoegen den indruk bespeurende, dien mijne redenen maakten: ‘indien zij eens in de volgende nacht het vaartuig beklommen, dat ginds op de reede ligt, de manschap afmaakten en over boord smeten en met het schip gingen strijken?’ –

– ‘Met onze thee gaan strijken!’ riep Pulver, opstuivende.

– ‘Zoudt gij dan wel in uw schik zijn,’ vervolgde ik, ‘van dat voorgewende recht van vrijplaats te hebben volgehouden, en daardoor aanleiding te hebben gegeven tot den moord van die ongelukkigen, die zich ginter veilig wanen, en het vast vertrouwen koesteren, dat een goede Justitie voor hen waakt.’ –

– ‘O die schelmen!’ riep de waard, met vuur: ‘hebben zij zulke voornemens? Wacht! daar zullen wij toch even met den Drost over dienen te spreken; want voelje, die dient de zaak toch te beslissen. – En hebben zij zoo openhartig en luidruchtig over hun plannen gesproken, dat UEd. het hooren kon? – Maar wanneer hebben zij dat toch gedaan? want, zoo lang ik in de kamer was, is er geen woord over gevallen.’ –

Ik bedacht mij een oogenblik, alvorens te antwoorden; want, ofschoon ik het hoogst noodig oordeelde, dat Andries en zijn makkers gepakt werden, wenschte ik Sander wel te sparen. ‘Hoor eens!’ zeide ik eindelijk: ‘hoe ik er achter gekomen ben is hetzelfde, en dat zal ik op zijn tijd wel aan de Justitie ontdekken. Draag gij intusschen zorg, dat men een wakend oog over die kaerels houde en hun gangen naga: dat moet dunkt mij hier op het eiland niet moeilijk wezen.’ –

– ‘Neen voorwaar!’ zei Pulver lagchende: ‘zij moesten in een konijnshol kruipen: anders weet ik niet, waar zij zich hier zouden verstoppen.’ –

– ‘Een goed verstaander heeft aan een half woord genoeg,’ zeide Reynszen: ‘en mijn Heer wordt voor zijn inlichting bedankt. Ja wel, Ter Schelling is een vrijplaats; maar ’t behoeft daarom geen boevenest te worden. Nu! ik kuier op en zie of ik den Drost kan vinden. Tot straks dan.’ – Dit gezegd hebbende verwijderde hij zich, mij met Pulver bij de vrachtwagens latende.

– ‘Wat dunkje Patroon?’ vroeg Pulver, toen hij weg was: ‘zoude UEd. ook lust hebben om met de schuit mêe te gaan naar de Kjöbenhavn, voor een veranderingetje? Er is hier toch niet veel raars te zien: Kaptein Holmfeld is een hupsche vent, die ons goed onthalen zal, wees daar zeker van: en dan kan UEd. hem de kisten zelf aanbevelen: Dat heeft altijd meer klem, dan dat ik het doe.’ –

Ik omhelsde dit voorstel met genoegen; daar het verblijf op Ter Schelling toch niet zoo vermakelijk was, of het kon wel eenige variatie gedoogen: ik liet mijn mantel door een der matrozen halen, en weinige minuten waren er verloopen, toen ik, met Pulver en een gedeelte der manschap van de Fortuin, mij in het vaartuig bevond, hetwelk de theekisten naar het Deensche schip moest overvoeren. In een klein half uur tijds waren wij de haven uit en op de reede gekomen, en zag ik Kapitein Holmfeld aan den trap staan, onze komst verbeidende. Niet verre van hem stonden twee, in mantels gewikkelde personen, die insgelijks naar ons uitkeken.

– ‘Het schijnt, dat er passagiers aan boord zijn,’ zeide ik tegen Pulver.

– ‘Dat dunkt mij ook,’ zeide Pulver: ‘ja, dat is geen wonder: er trekken tegenwoordig heel wat lieden dien koers uit. Nu! wij zullen zien.’ –

Weldra lagen wij naast de kof: ‘alles wel! alles wel!’ klonk het nu over en weer. ‘Hier breng ik je een heele winterprovisie,’ riep Pulver zijn confrater toe: ‘zoo geurig, dat je schip er wel een jaar naar rieken zal.’ –

– ‘’t Is mij welkom,’ gaf Kapitein Holmfeld, een stevige vierkante Deen, hem in goed Hollandsch ten antwoord. ‘Maar gij komt immers ook aan boord, met dien Heer, dien gij bij u hebt?’ –

– ‘Wel wis!’ zeide Pulver; terwijl hij den ladder besteeg: ‘dat is een van mijn Patroons, die ik meebreng: hij zal u, hoop ik, ook geen belet doen.’ –

– ‘In ’t minste niet,’ antwoordde Holmfeld; terwijl twee matrozen van zijn manschap aan die van ons vaartuig een paar handspaken toestaken, die mij bij het opstijgen tot een leuning verstrekken moesten.

– ‘Nu blijft gijlieden toch eten?’ vervolgde de Kapitein: ‘ik ga toch niet voor morgen het zeegat uit. Stuurt uw schuit maar weg, en laat die u t’avond terug komen halen; of anders, ik zal u wel met de sloep aan wal laten brengen; want de wind gaat toch liggen: wij krijgen stilte.’ –

– ‘Wat mij betreft,’ zeide ik, na Pulver even te hebben aangezien: ‘ik neem gaarne uw aanbod aan: te liever, daar ik betere gedachten van uw keuken heb, dan van de Ter Schellingsche pot.’ –

– ‘Nu! dat is mij lief,’ hernam Holmfeld: ‘wel! wel! ’t is een macht van kisten, die gij mij aanbrengt: als ik ze allen maar plaatsen kan: – en staat gij er voor in, Schipper! dat er geen avary aan is.’ –

– ‘Gij kunt ze zelf bezien,’ zeide Pulver: er is geen drop water bij gekomen.’ –

De kisten, die intusschen aan boord waren overgebracht, werden met de vereischte naauwkeurigheid bezichtigd, en voorloopig op het dek bijeen gezet en met een zeil bedekt, terwijl men bezig was er tusschendeks een geschikte bergplaats voor gereed te maken.

– ‘Ik behoef u de zorg voor de waren die ik meebreng niet aantebevelen,’ zeide ik tegen Holmfeld: ‘maar wat ik u in de eerste plaats op het hart moet drukken, is de zorg voor uw eigen schip; want het kon wel gebeuren dat gij in de volgende nacht een bezoek ontfingt, dat u alles behalve welkom ware.’ – En ik verhaalde hem in korte woorden het plan, waar ik onderricht van bekomen had: er bijvoegende, dat het bestuur van Ter Schelling, naar mijne gedachten, wel de noodige maatregelen zoude nemen om den aanslag te voorkomen.

– ‘Dat wensch ik,’ zeide Holmfeld: ‘maar in allen gevalle dank ik mijn Heer voor de waarschuwing: en zoo zij het in den kop kregen, zoo iets te beproeven, zouden zij ook ondervinden, dat Kaptein Holmfeld handen aan ’t lijf en fiksche gasten aan boord heeft. Maar zij zullen het niet zooverre laten komen. – Wees zoo goed en zeg er maar niets van, dat de passagiers het hooren. Die menschen mochten zich maar noodeloos ongerust maken: ofschoon, wat den ouden Heer betreft, ik niet bang zoude wezen, dat hij mij in de steek liet zitten. ’t Is een kaerel als een boom, en die mee in zijn leven de planken vloer heeft beloopen; dat zag ik direkt wel toen hij aan boord kwam: geen landrot zou zoo op zijn gemak over het dek gekuierd hebben.’ –

– ‘Dat is waar ook,’ zeide ik: ‘gij hadt, dunkt mij, passagiers aan boord, waar zijn die gebleven? Ik hoop niet dat zij bang voor mij zijn.’ –

– ‘Wel neen?’ zeide Pulver, zich in het gesprek mengende: ‘wij zullen ze niet opeten, zoo als de matrozen zeiden, toen zij de vaatjens rum van den bottelier hadden gekaapt.’ –

– ‘Zij zijn naar beneden gegaan,’ zeide Holmfeld: ‘’t schijnen hupsche menschen; maar wat schuw van vreemde aangezichten. Wij zullen hen echter laten vragen, of zij niet mede een kopje koffij komen drinken. Toe Melis! loop eens gaauw naar beneden, en vraag, of mijn Heer en de Juffer ons met hun gezelschap willen vereeren. Zeg, dat er niemand vreemds is als de Kaptein van de Fortuin en mijn Heer Huyck.’ –

Wij begaven ons hierop in de kajuit, waar koffij, brood en boter werd aangebracht: en naauwlijks had Pulver zijn koperen tabaksdoos uitgehaald, en een pijp met een geweldige pruik gestopt, of de deur ging open en ik herkende in de binnentredende passagiers – Amelia en haar vader. Ik stond eenigzins verzet; echter was mijn verwondering over hun onverwachte verschijning minder groot dan bij vorige gelegenheden: ik geloof, dat ik reeds aan dergelijke verrassingen gewoon was geworden. Niet wetende, in hoe verre hun ware naam en betrekking aan den Kapitein bekend waren, vergenoegde ik mij, hen beleefdelijk te groeten, terwijl alleen een glimlach, dien ik niet weerhouden kon, aan een derde zoude hebben kunnen doen geloven, dat ik hen vroeger gekend had: en ik besloot mijn handelwijze naar de hunne te regelen; daar zij toch door den kajuitjongen bericht hadden ontfangen, wien zij boven zouden vinden, en zich dus konden voorbereiden, hoe zich jegens mij te gedragen. Maar zoo ik al zweeg en mij goed hield, er was iemand in ons gezelschap, op wien de komst van de nieuw aangekomenen een indruk maakte, die zich niet zoo licht bedwingen liet. De goede Pulver namelijk had hen naauwlijks in ’t aangezicht gekeken, of hij sprong van de bank waar hij op gezeten was, zoo dat de versch gestopte pijp in stukken vloog en, met een goed deel tabak, asch en vuur daarnevens, op den grond rolde, staarde vader en dochter beide met open mond beurtelings aan en sloeg toen de handen in een, dat het klapte:

– ‘Wat drommel!’ riep hij eindelijk uit: ‘heb ik het mis, of heb ik het wis?’ –

– ‘Hoe zoo?’ vroeg Holmfeld: ‘kennen de vrienden mekaer?’ –

– ‘Dezen Heer ken ik,’ zeide van Lintz, met een onveranderd gelaat: en, na mij toetredende, drukte hij mij de hand.

– ‘Neen maar…’ hernam Pulver: ‘bij mijn zaligheid zou ik er op durven zweren: – en toch is het niet wel mogelijk. – Maar zoo ik niet wist dat het geen droom is, en dat wij hier werkelijk in ’t Maklijk Oud bij Ter Schelling lagen, op den hoeker de stad Kjöbenhavn, Kaptein Holmfeld, dan zoude ik denken, dat wij ons in de zee van de Antilles bevonden.’ –

– ‘Dat is wat ver van hier,’ zeide van Lintz, met het onnoozelste gezicht van de waereld, terwijl hij eenige vonken uittrapte, die de pijp van Pulver over de vloermat gestrooid had.

– ‘Wel! wel!’ vervolgde Pulver: ‘hadden wij nu Sandertje maar hier: – die kon getuigen, of er ooit zoo’n gelijkenis bestaan heeft. – En de Juffer ook – net dat zelfde vriendelijke bakkisje, schoon wat grooter en wat bleeker dan toen: – neen! nu kan ik er toch niet meer aan twijfelen.’ –

– ‘Er bestaat geen onmogelijkheid, dat wij elkander vroeger gezien hebben,’ zeide van Lintz, op een koelen toon: ‘maar uw gezicht staat mij niet voor.’ –

– ‘Wel mogelijk!’ zeide mijn medgezel: ‘Kapitein Pulver, tot uw dienst – vroeger Schipper van de Compagnie op de Prins te Paard, thands van het huis van Bempden van Baalen en Comp. op de Fortuin, die God beter ’t, ginds in ’t zand ligt bedolven. – En heeft UEd. alzoo het… handwerk vaarwel gezeid? – Nu! dat is prijsselijk: – er was toch weinig eer mede te verdienen.’ –

Amelia zag bëangst en bevende, eerst haar vader, vervolgens mij aan met een smekenden blik. Eerstgemelde bleef echter op denzelfden koelen toon tegen Pulver voortgaan:

– ‘Ik weet niet,’ zeide hij: ‘wat gij bedoelt. Mijn naam is Bos; en ik ben op de Antilles nooit geweest.’ –

– ‘Uw herinneringsvermogen bedriegt u, vriend Pulver!’ zeide ik: ‘ik ken dien Heer zeer wel: en de gelijkenis, die gij vindt, kan niet streelend noch aangenaam voor hem zijn.’ –

– ‘Nu! ik ontgeef het mij dan,’ zeide Pulver: ‘ik vraag verschoning, zoo ik de verkeerde voor had, gelijk de soldaat zei, die zijn Kornel overhoop schoot: er is meer gelijk als eigen; maar die ontmoeting, op twaalf graden Noorderbreedte, ligt mij altijd door het hoofd te malen. Ik moet u die toch eens vertellen,’ zeide hij, terwijl hij een versche pijp stopte.

– ‘Straks!’ zeide ik, het gesprek willende afleiden: ‘wij zitten pas en wij hebben den tijd nog. – Gij hebt het goed getroffen, Kaptein Holmfeld! Waart gij een paar dagen vroeger van Amsterdam gezeild, dan hadt gij den storm ook niet misgeloopen.’ –

– ‘Ik had niet verwacht, u hier aan te treffen, mijn Heer Huyck!’ zeide van Lintz, die inmiddels met zijn dochter plaats had genomen; ‘het is waarschijnlijk de ramp, aan uw schip overkomen, die u herwaart gevoerd heeft. – Wanneer is UEd. van huis gegaan?’ –

Ik voldeed aan zijn vraag en gaf hem een vrij omstandige beschrijving van mijn reis, minder uit hoofde van de belangrijkheid mijner ontmoetingen, als om voor te komen, dat het gesprek niet tot het vroegere onderwerp terug keerde. Toen ik gedaan had, vroeg Amelia:

– ‘Gij hebt dus Mejuffrouw uw tante nog voor uw vertrek gesproken?’ –

– ‘Ja!’ antwoordde ik, beseffende, waar deze vraag op doelde: ‘zij was zeer wel en had bericht van u ontfangen.’ –

– ‘Ik verzoek u, haar minzaamst van mij te groeten,’ hernam zij: ‘eenmaal ter plaatse mijner bestemming gekomen, zal ik niet verzuimen, haar te schrijven en nogmaals voor al haar goedheid te danken.’ –

– ‘Gij verhaaldet zoo even,’ zeide van Lintz, ‘van de moeite die gij gehad hebt, om uw eigendom, en dan nog wel tegen betaling van schandelijke bergloonen, uit de handen van den Strandvonder terug te bekomen; maar nog moogt gij van geluk spreken, dat uw vaartuig niet gestrand is op een plaats, waar heerlijke rechten op de zeedriften en strandvonden worden uitgëoefend; want dan hadt gij wel geheel onverrichter zaken kunnen terugkeeren.’ –

– ‘Of op een plaats, waar zeeroovers wonen,’ zeide Pulver er bij: ‘want dan ware niet alleen schip en lading, maar ook leven of vrijheid er mede gemoeid geweest.’ –

– ‘Ik heb,’ vervolgde van Lintz, zonder zich aan de aanmerking van Pulver te stooren, ‘van nabij voorbeelden gezien, tot welk een uiterste die afknibbelingen en gewelddadigheden gedreven worden, welke men zich jegens hulpelooze schipbreukelingen veroorlooft, en hoe in een land, hetwelk roem draagt op vrijheid en verlichting, de winzucht ook te dezen opzichte alle menschlijkheid uitdooft. Ik was in mijn jeugd zeer bekend en zelfs naauw verwant met een Heer, wiens waren naam ik verzwijgen zal, daar een zijner zonen nog heden een aanzienlijk staatsambt bekleedt, en dien ik dus gemakshalve Murél zal noemen. Deze Heer van Murél woonde op zijn voorvaderlijk slot aan de noordkust van ons land gelegen; doch van het gezach, hetwelk zijn voorgeslacht had uitgëoefend, was hem slechts weinig bijgebleven, en het ontbrak hem bovendien aan middelen om zijn stand behoorlijk op te houden. Wel had hij grond genoeg in eigendom, en de afnemende zee vergrootte jaarlijks zijn grondgebied; maar om dit te bebouwen had hij de kosten eener indijking moeten dragen: en daartoe was hij niet in staat: te meer, daar hij geen slach, of geen lust had om van zijn inkomsten iets ter zijde te leggen; maar die verteerde naarmate hij die ontfing, ja eer hij die ontfangen had. Wat hem nog het meest opbracht, was het strandrecht: wat op zijn wadden aan kwam spoelen of aan den grond raakte, was goede prijs: en daar kraaide nooit een haan naar: en wee den armen schipbreukelingen, die hulp of herbergzaamheid bij hem kwamen zoeken; want zij mochten zich gelukkig achten, indien zij vrij kwamen met opoffering van al hun geredde plunje, en indien hij hen niet de zee weer instuurde, waar zij pas uit gered waren. – Maar het was niet altijd stormweer: en niet altijd raakten er vaartuigen in het gezicht van het slot te Murél aan den grond: doch mijn bloedverwant zaliger had een vrij zonderlinge en geheel eigene manier om te zorgen, dat dit gebeurde, en de kans zoo voordeelig mogelijk voor hem te maken. Hij was niet ongelijk aan sommige spelers, die, wanneer de fortuin hun niet gunstig is, raad weten om haar een weinig in de hand te werken en een zetje vooruit te geven. Zoo had hij b.v. altijd een loodsboot in zee, die bereid was haar diensten den voorbijgevarenden schippers aan te bieden; doch wee dengenen, die ze aanvaardde; want hij kon zeker zijn, dat zijn vaartuig op het drooge raakte en dat de lading in de bergplaats van den Heer van Murél overging. Langen tijd was dit middel met een goed gevolg bekroond geworden; doch ten laatsten kregen de schippers het in den neus en bedankten den Heer van Murél voor zijn loodsen: – en nu moest er op een andere wijze raadgeschaft. Een zestal kloeke en welgewapende kaerels werd den loods toegevoegd en wanneer dan een voorbijzeilend vaartuig aan boord werd geklampt, was het wel genoodzaakt zich aan hun bedriegelijke leiding over te geven, en den gevorderden tol te betalen.’ –

– ‘Onbegrijpelijk!’ riep ik uit: ‘en werd dit geduld?’ –

– ‘Ik zoude het niet geloven, veelmin verhalen,’ ging van Lintz voort, ‘indien ik het niet had gezien; maar ik heb zelf, ik durf het thands wel bekennen, meer dan een dier tochten bijgewoond: ik was toen nog zeer jong, had geen recht besef van het mijn en dijn, en het kwam niet in mij op, dat mijn oom iets onbetamelijks of onwettigs zoude gelasten: te meer, daar hij mij dikwijls onderhield over zijn voorvaderen, die, naar hij beweerde, tot de Noordsche zeekoningen hadden behoord, wier leus was, op den Oceaan geen vrienden te kennen.’ –

– ‘Dan heeft UEd. toch zoo een beetje aan de zeerooverij gedaan,’ zeide Pulver: ‘en ik was straks zoo geheel niet buiten koers, dat ik u voor dien anderen aanklampte, die een effective zeeroover was.’ –

– ‘En liet het Lands bestuur zulke gruwelijke dingen ongestoord heur gang gaan?’ vroeg Holmfeld met een verbazing, welke ik deelde.

– ‘Wat zal ik u zeggen,’ hernam van Lintz: ‘de Heer van Murél was geen gemakkelijke patroon, en zeker geen kat om zonder handschoenen aan te vatten. Zijn schuldeischers betaalde hij niet en lachte er wat mede, of zij hem voor de Rechtbanken citeerden. Eens kwam er een gerechtsbode uit Groningen, met voornemen van beslag op zijn goederen te leggen, zoo roerend als onroerend; maar naauwlijks was hij het slot genaderd, of de Heer van Murél liet de brug ophalen en weigerde hem den toegang: toen de gerechtsbode hierop aandrong, binnen gelaten te worden en met luider stem zijn mandaat begon te ontvouwen, liet de Heer van Murél hem aanzeggen, dat hij zich spoedig van zijn grondgebied had te verwijderen, en dat hij hem in het tegenovergestelde geval zonder eenigen vorm van proces zoude doen ophangen. De ambtsdienaar liet zich deze waarschuwing niet herhalen, en dankte den Hemel toen hij zich weder buiten de grenzen der Heerlijkheid bevond. – En die zelfde Heer van Murél zat in de vergadering van H.E. Mogenden en was een van ’s Lands bestuurders. Prijze wie lust heeft, na dit voorbeeld, de vrijheid, welke men in dit gemeenebest geniet,’ voegde de Heer van Lintz er met een schamperen glimlach bij.’ –

– ‘Met verlof,’ zeide ik: ‘juist de omstandigheid, dat UEd. dit bijzonder geval aanhaalt en als iets schier ongeloofelijks vertelt, bewijst, dat het eenig in zijn soort is en daaruit alzoo geene gevolgtrekking ten nadeele onzer staatsinrichting in ’t algemeen kan getrokken worden.’ –

Pulver, als een goed patriot, rangschikte zich bij mijn gevoelen; terwijl Holmfeld daarentegen beweerde, dat zijn passagier gelijk had en dat in de Vereenigde Provinciën eigenlijk niemand van die zoo hooggeroemde vrijheid genot had, buiten eenige bevoorrechte familiën. Hieruit ontstond een vrij langdurige woordenwisseling; waaraan van Lintz een einde maakte, door mij voor te stellen, zijn verblijf beneden eens te bezichtigen: ik nam dit gereedelijk aan, te meer, daar ik bemerkte, dat Amelia naar de vrije lucht zeer begon te verlangen: en, in de daad, de damp, welke de beide schippers uitbliezen, had het vertrek zoodanig vervuld, dat men er den rook kon snijden.

DigitalDroom Reader

Hoofdstuk XXXV

XXXV / XXXIX

Ik begreep, dat het bezoeken van zijn verblijf aan boord slechts een glimp was, door den Heer van Lintz aangewend, om gelegenheid te vinden, mij alleen te spreken. Wij liepen dan ook de naauwe slaapplaatsen slechts even door, en, langs een anderen trap weder op het dek komende, begaven wij ons naar de voorplecht.

– ‘Het verheugt mij,’ zeide ik, ‘dat ik u beiden hier in veiligheid en van alle vervolging ontslagen zie.’ –

– ‘Ja mijn Heer!’ zeide van Lintz, terwijl hij met den vinger den blanken streep aanwees, die, van Vlieland naar Ter Schelling loopende, de grenzen tusschen het ruime sop en de binnenzee scheen af te teekenen: ‘daar ginds is het open vaarwater en de weg ter vrijheid.’ –

– ‘Droevig genoeg,’ zeide ik, wanneer men dien buiten zijn vaderland moet zoeken.’ –

– ‘Mijn vaderland!’ herhaalde hij, met een bitteren lach: ‘wat noemt gij mijn vaderland? Is het dat rampzalig Graafschap waar ik geboren ben, en waar de eenzelvigheid van een onbeduidend plantenleven alleen gevarieerd wordt door kinderachtige buurtof familietwisten? Zijn het die Zeven Provinciën, die, verdeeld in zeden en belang, gestadig met elkander overhoop liggen, en waar eenige laatdunkende kooplieden, die men in andere landen naauwlijks de tafel der lakeien zoude waardig keuren, onbeschaamd het meesterschap voeren en de waereld willen regeeren? Is het dat Spanje, dat mij vogelvrij verklaard heeft? – Ik ben een waereldburger, mijn Heer!’ –

Ik achtte het onnoodig, dezen onbillijken en onbetamelijken uitval te bëantwoorden, welken ik overigens zag, dat door Amelia niet werd goedgekeurd; want zij schudde het hoofd en zag haar vader met weemoed aan.

– ‘Ik versta u, mijn dochter!’ zeide hij, zich tot haar wendende: ‘ik weet, wat gij denkt, schoon gij het schroomt te zeggen; gij beschuldigt mij in uw hart, dat ik menschen en staten onrechtvaardig bëoordeel, en dat ik zelf in vele opzichten de rampen, die u en mij troffen, door mijne handelwijze heb verwekt. Het is mogelijk: ik heb nimmer willen buigen voor onrechtmatig gezach, noch voor wetten, door willekeur ingesteld. – Maar hierover genoeg: de oogenblikken zijn kostbaar en behoeven niet verbeuzeld te worden: ik ben den Heer Huyck schuldig, zijn weetgierigheid te voldoen en hem die omstandigheden uit mijn levensloop mede te deelen en op te helderen, welke hem nog duister mochten voorkomen. Ik had gedacht, dit bij brief te doen: onze wederontmoeting biedt mij een gemakkelijker gelegenheid aan, om mij van die taak te kwijten.’ –

Ik betuigde hem mijn genoegen over zijn toezegging: en, zich op een affuit gezet hebbende, begon hij zijn verhaal:

– ‘Ik ben geboren uit een adelijk geslacht van het Graafschap Zutphen, de jongste en thands eenig overgeblevene van een aantal kinderen. Mijn vader, de Baron van Lintz, bracht zijn dagen op zijn afgelegen landgoed door: daar hij geen eigen middelen bezat om in de groote waereld eenig figuur te maken, en de Roomsche godsdienst, welke hij beleed, hem van het bekleeden eener winstgevende bediening uitsloot. Ik scheen dan ook bestemd om, gelijk mijn broeders, stil en onopgemerkt als een boeren edelman voortteleven; maar het was anders door het lot beslist. Mijn moeder, die tot de heerschende kerk behoorde, had in ’s Hage en elders vele en aanzienlijke bloedverwanten: en dezen, een meer dan gewonen aanleg in mij meenende te bespeuren, beduidden haar, aan mijn opvoeding een meerdere zorg ten koste te doen leggen, dan mijn broeders ten deel viel: terwijl zij met elkanderen de daartoe vereischte uitgaven op zich namen. Ofschoon ik door mijn vorderingen aan hun verwachting vrij wel bëantwoordde, en een kennis van zaken en personen verkreeg, welke mij in mijn volgende loopbaan wel te stade kwam, had ik echter geen trek, om, gelijk zij verlangden, een geleerde te worden. Ik helde meer tot de zeedienst over, waartoe ik – ’t geen zeker vreemd genoeg scheen in iemand die, als ik, in een land – Provincie geboren was – een bijzondere neiging gevoelde, welke nog versterkt was geworden door de tochtjens, die ik jaarlijks, staande mijn verblijf bij mijn oom te Murél, op de Noordzee deed en waarvan ik u zoo even het een en ander verhaalde. Deze, mijn oom van Murél, was de eenige, die mijn neiging billijkte. Tegen den zin mijner overige bloedverwanten, die het belagchelijk vonden, dat ik een loopbaan in zou treden, waar ik het, uithoofde mijner kerkleer, nooit ver in kon brengen, werd ik, door zijne bemoeijingen, als adelborst aangesteld: en na een paar jaren dienst zag ik mij, ’t zij door toedoen mijner beschermers, ’t zij omdat ik het werkelijk wel maakte, tot Luitenant bevorderd. Dit was nu zeer goed en wel; maar nu was ik ook tot dien rang gestegen, waar de slagboom neerviel: en kleingeestige staatsinstellingen moesten mij beletten, hier te lande ooit hooger op te klimmen.

Ik leerde ondertusschen, te Amsterdam zijnde, de dochters van den op pensioen gestelden Kapitein Reefzeil kennen. Ik werd verliefd op de jongste, en zag mij weldra gelukkig door haar wedermin. Het verschil van Godsdienst was echter een hinderpaal, waartegen mijn ouders minder zouden hebben opgezien, (daar, gelijk ik zeide, mijn moeder insgelijks de hervormde leer beleed) doch die voor den ouden streng rechtzinnigen Reefzeil onoverkomelijk was. Bij de teleurstelling, welke ik hierdoor ondervond, voegden zich nog de verdrietelijkheden, welke mij dagelijks kwelden, wanneer ik jongere of min bekwame officieren mij over ’t hoofd zag stijgen, alleen omdat zij der heerschende Kerk waren toegedaan. Ik had dit vroeger, bij ’t aanvaarden mijner loopbaan, minder geteld; doch nu ik het ondervond, werd het mij onverdraaglijk. Ik was, daar mijn geboorte mij overigens den toegang tot de hoogste kringen verschafte, in kennis geraakt met den Spaanschen Gezant, en deze opende mij de gunstigste vooruitzichten, indien ik konde besluiten, in de dienst van Z. Katholijke Majesteit te treden. Dit voorstel kwam mij te aanlokkelijker voor, nademaal ik begreep dat ik op deze wijze mijn twee vurigste wenschen, het bezit mijner dierbare Cornelia en een hooger stand in de maatschappij, zoude kunnen bereiken. Ik haalde haar over, met mij te vlieden, zond mijn ontslag in, trouwde heimelijk in de kapel van den Gezant en vertrok, door hem van goede brieven van aanbeveling voorzien, met mijn echtgenoot naar Spanje. Ik werd aldaar goed ontfangen. Men had juist bekwame Zeeofficiers noodig: en het leed niet lang, of ik zag mij als bevelvoerder aan boord van een oorlogsbrik geplaatst. Alles liep mij in den aanvang mede: ik had het geluk, gewichtige diensten aan mijn nieuw vaderland te bewijzen en genoot een snelle bevordering. Door toevallige omstandigheden geraakte ik ook in diplomatieke betrekkingen: en een voordeelig tractaat, met Portugal gesloten, deed mij in de gunst des Konings klimmen. Ik werd Admiraal, Grande van Spanje, Vliesridder, Graaf van Talavera, in één woord, ik zag weinigen mij gelijk, en alleen den Koning boven mij verheven. Mijn eenige smart was, dat mijn gade de mij beschoren eer niet had kunnen deelen: zij was kort na mijn aankomst in Spanje overleden, na mij een dochter geschonken te hebben.

Mijn voorspoed, (en hoe kon dit anders?) had de nijd van velen opgewekt, en men zocht mij van de hoogte, waartoe ik was opgestegen, te doen nedertuimelen: dagelijks kwamen den Koning geheime inblazingen ter ooren: men klaagde mij aan van geldverspilling, van misbruik van gezach, in ’t kort van tallooze wandaden, welke ik, zoo ze mij openlijk waren verweten geweest, met gemak had kunnen wederleggen; doch waar ik mij, zoo lang ik die niet kende, niet tegen verdedigen kon. Langen tijd weerstond de Koning de kuiperijen mijner haters; maar eindelijk begon hij te wankelen, en zijn vertrouwen op mij verminderde. Ik ontfing een zending naar Mexico. Ik begreep, dat deze verwijdering met een ballingschap gelijk stond; maar er viel niet anders te doen dan te gehoorzamen. Ik oordeelde echter, mij tegen de omstandigheden te moeten dekken en zond daarom verscheidene papieren van waarde, ook eenige bescheiden, welke tot mijn justificatie konden strekken, en bij sommigen waarvan aanzienlijke lieden uit Spanje gecompromitteerd waren, met een zekere gelegenheid naar Holland, met last om die bij een Notaris te deponeeren, onder voorwaarde van die aan niemand, dan op mijn schriftelijke vergunning, ter hand te stellen. Ik vertrok dan naar Mexico en nam mijn dochter mede, die na den dood van haar moeder in een klooster was opgebracht geweest. Mijn afwezigheid gaf ruimbaan aan mijn beschuldigers, en zij verzuimden de gelegenheid niet. Een half jaar had ik in de nieuwe waereld doorgebracht, toen een vaartuig de tijding kwam brengen, dat ik naar Spanje teruggeroepen werd om mijn gedrag te verantwoorden. Ik moest gehoorzamen; maar naauwlijks was ik met mijn dochter aan boord van het transportschip gekomen, of mijn degen werd mij afgëeischt en ik zag mij als gevangene behandeld. Op de terugreis werd ons vaartuig door zeeroovers aangerand en genomen. Alles werd over de kling gejaagd en ik had mijn behoud en dat mijner dochter alleen te danken aan de omstandigheid, dat een der roovers, die vroeger onder mij gediend had, mij herkende. Terwijl men mij naar de schuilplaats der vrijbuiters voerde, kwam mijn oom van Murél en zijn verhalen mij voor den geest. Ik vormde het besluit, mij op het ondankbare Spanje te wreken en voortaan als een Noorsche Zeekoning te leven. Ik liet mijn voornemen aan mijn beschermer bemerken: deze juichte het toe: en toen hij, aan wal gekomen, mijn naam, de smadelijke behandeling, die ik tot loon mijner diensten ondergaan had, en mijn besluit om mij bij hen te voegen, aan de Zeeroovers openbaarde, werd ik met algemeene stemmen tot hun opperhoofd verkoren. Wat in de jaren, die ik in het Meir van Maracaibo doorbracht, door mij verricht is, ga ik liefst voorbij: genoeg zij het, dat ik geduchte wraak op Spanje nam van de belediging, mij aangedaan: en de goede Kapitein, die ginds zijn pijp zit te rooken, kan u verhalen, hoe gevreesd de naam van Don Manöel in den Mexicaanschen zeeboezem en in de zee der Antilles was.’ –

Hier viel ik den verhaler in de rede. – ‘Gij wildet wraak op Spanje nemen,’ zeide ik: ‘maar kwam die wraak over beledigingen, u door de Rijksgrooten aangedaan, niet op het hoofd neder van onschuldige kooplieden en schippers, die wellicht te voren uwen naam met eerbied genoemd en uw bestuur gezegend hadden? – moest op deze wijze niet de onschuld het gelag betalen?’ –

– ‘Ik erken, dat uw aanmerking juist schijnt,’ zeide van Lintz: ‘maar is dit niet bij elken oorlog het geval? Boeten de soldaten, die in den veldslag sneuvelen, de arme landlieden, wier oogst vernield en weggeroofd wordt, de burgers, die hun woningen geplonderd en verwoest zien, niet voor het vergrijp der vorsten, in wier raadsvertrek de krijg besloten is? Ik ook, ik had den oorlog aan Spanje verklaard en aan al wie met Spanjaarts heulde: en ik strafte den ondankbaren vorst in zijn onderdanen. Gij zult mij wellicht tegenwerpen, dat ik – naar het gewone gevoelen, een roover was en geen vorst door Gods genade; – maar ik erken het onderscheid niet, dat door een partijdige beschouwing gemaakt is: ik was Soeverein: ik heerschte met onbepaalde macht over de mijnen, en het eenige verschil tusschen mijn tegenpartij en mij bestond daarin, dat ik slechts over vijfhonderd, hij over vijftig millioen onderdanen geboodt – maar des te grootscher scheen het mij, zijn overmacht te tarten.’ –

– ‘Ik zal hierover in geen woordentwist treden, die ons te verre zoude leiden,’ zeide ik, glimlagchende over de drogredenen, waarmede van Lintz zijn handelingen zocht te vergoelijken: ‘ik acht het met dat al gelukkig, dat niet iedereen zich geroepen voelt, om een dusdanige nieuwe maatschappij te stichten en op roof en doodslag te gronden. Intusschen schijnt die tijdelijke heerschappij, hoe grootsch ook, u verdroten te hebben: UEd. heeft die, meen ik, vrijwillig verlaten.’ –

– ‘Vrijwillig!’ herhaalde Amelia, zich aan haar vader klemmende: ‘ja gewis, mijn Heer Huyck! Vrijwillig, en uit weerzin tegen de leefwijze, die wij leidden. O! Geloof toch niet, dat mijn vader in ernst het gevoelen voorstaat, dat hij zoo even uitte. Neen! de omstandigheden, de dwang der roovers, in wier macht wij ons bevonden, noodzaakten hem, in het eerst, hun opperhoofd, of hun slachtoffer te worden; en een gevoel van wraakzucht kan zich daarmede gemengd hebben; – maar ik heb te vaak gezien, met deelneming bijgewoond, hoe dat lijden van onschuldigen, hoe die buit, op ongelukkigen verworven, hem bittere uren en slapelooze nachten gekost hebben, hoe de omgang met zijn woeste gezellen hem tegen stond, en hoe het besef, dat hun handwerk strafbaar in Gods oogen was, hem ieder oogenblik den boezem benaauwde. Vergeef mij, mijn vader! zoo ik te vrijmoedig spreek; – maar uw hart was beter dan uw daden: en vaak hebt gij ook naderhand het uur gezegend, waarin gij het besluit volbracht, om aan die leefwijze voor eeuwig vaarwel te zeggen.’ –

– ‘Ik zal ten minsten altijd het uur blijven zegenen, dat mij u tot dochter gaf,’ zeide van Lintz, Amelia vriendelijk over de wangen streelende: ‘en ik wil gaarne bekennen, dat ik, zonder u, dat besluit, waar gij van spreekt, niet zoo licht zoude genomen hebben; – want, het zij mijn beroep schuldig ware of niet, ik was er in vele opzichten aan gehecht: en men moet zeeman geweest zijn, mijn Heer Huyck! om zich het alles overwinnende genot voor te stellen, dat men smaakt, wanneer men, met een goed schip onder de voeten en aan ’t hoofd eener stoutmoedige en voor niets vervaarde manschap, de zeëen beheerscht en geen meester erkent: – doch genoeg hierover: welke dan ook mijn beweegredenen mogen geweest zijn, ik verliet mijn nieuwe onderzaten en droeg het bevel over de bende aan een jongeling over, die met dienzelfden Kapitein Pulver, die mij straks herkende, in mijn handen geraakt is. Gij hebt den knaap gezien: hij was het, die aan den weg nabij Naarden, op dien avond …’

– ‘O!’ riep ik uit: ‘ik heb hem sedert genoeg weder gezien: en wat meer is, hij bevindt zich op dit oogenblik hier geen half uur van daan: UEd. zoude hem des noods met een gewonen kijker kunnen zien. – Doch daarover nader: laat ik uw verhaal niet stooren.’

– ‘Het overige,’ hernam van Lintz, ‘heeft weinig te beteekenen. Ik trok weder naar Europa en kwam behouden in Frankrijk aan. Daar bood ik mijn dienst aan verschillende hoven; maar reeds had zich het gerucht, althands het vermoeden verspreid, dat de Graaf van Talavera en de Zeeroover Don Manöel eene persoon waren: en ik ontfing allerwege afwijzende beschikkingen op mijn voorslagen. Eindelijk slaagde ik er in, betrekkingen aan te knoopen met het Russische hof. Het werd echter noodig geoordeeld, op dat de zaak haar beslag krege, dat ik een persoonlijke samenkomst had met den Gezant van den Tsaar in ’s Hage en zijn. Agent te Amsterdam. Ik kwam derhalve naar de Nederlanden; doch werd reeds aan de grenzen gewaarschuwd, dat men mij in Holland als deserteur beschouwde, omdat ik in der tijd zonder verlof was weggereisd, en dat bovendien de Spaansche Gezant mij opeischte. Men raadde mij dus, zoo ik het wagen wilde, onder een bedekten naam overtekomen. Ik had in het Graafschap mijn ouden vader terug gezien; maar helaas! het was alleen om hem de oogen te sluiten: mijn moeder, al mijn broeders, waren reeds lang gestorven. – Niemand van al mijn naaste betrekkingen was meer in leven, dan Martha, mijn oude voedster, welke ik vernam, dat thands de hoeve nabij Naarden bewoonde. Ik vormde toen het plan mij aldaar schuil te houden, tot ik bericht ontfing, of ik mij in Amsterdam mocht wagen, en inmiddels mijn dochter derwaart te zenden, om de gewichtige papieren te lichten, welke onder den Notaris Bouvelt berustende waren. Het overige is u bekend.’ –

– ‘Omtrent,’ antwoordde ik: ‘alleen weet ik niet, hoe gij beiden u thands hier bevindt, noch welke uw uitzichten voor de toekomst zijn.’ –

– ‘Gij weet,’ hernam van Lintz, ‘dat mij de Heer Blaek, om redenen, voor u van geen belang, zijn dienst had toegezegd. Op den morgen, toen het feest aan de hoeve zoude plaats hebben, zorgde hij een half uur voor de andere gasten aanwezig te zijn: en, in zijn koets verscholen, reed ik naar Huizen, waar mij een boot wachtte, die mij naar den boeier bracht van den Heer Blaek, met welken ik naar dit vaartuig werd gesmokkeld, hetwelk gedeeltelijk door hem bevracht is, en waar hij voor mij en mijn dochter plaatsen had besproken. Amelia, in stilte van ons plan verwittigd, was in Amsterdam reeds scheep gegaan; en het gelukte ons alzoo ten einde toe de vervolging en de list van uw Heers vaders agenten te ontduiken. Thands vlei ik mij, op de plaats onzer bestemming gekomen, gelegenheid te vinden om mij naar Rusland te begeven, alwaar de Hemel mij vergunne, mijn dagen na zooveel wisselvalligheden in vrede te slijten en aan mijn arme dochter die rust te bezorgen welke haar geschokt gestel behoeft. – Neem gij intusschen, mijn Heer Huyck! nogmaals mijn dankbetuiging aan. Ik weet, dat het bewaren van ons geheim u een bron van verdriet is geweest.’ –

– ‘Neen mijn vader!’ zeide Amelia: ‘gij weet nog niet alles: – ach! gij weet niet, welk leed wij den Heer Huyck onwillekeurig veroorzaakt hebben. Zijn zoetste hoop, zijn vurigste zielswensch hebben gevaar geloopen, van door onze noodlottige kennismaking voor altijd verstoord te worden. – Ja!’ vervolgde zij met klimmende aandoening, ziende, dat ik zwijgend voor mij staarde, terwijl haar vader ons beurtelings met eenige verwondering beschouwde: ‘een paar woorden, aan Mejuffrouw Letje Huyck ontvallen, hebben een lichtstraal bij mij doen geboren worden, en ik heb niet gerust voor dat mij alles was opgehelderd: – ik heb vernomen, hoe gij, mijn Heer Huyck! Mejuffrouw Blaek bemindet: hoe zij u met wederliefde loonde, hoe haar oom deze verbindtenis tegen was, en hoe lastertongen, die haar onze betrekking als misdadig voorstelden, haar hadden doen besluiten, u alle verdere aanspraak op haar te ontzeggen.’ –

– ‘Hoe!’ riep van Lintz uit, mij met een blik aanziende, waarin zich de uiterste verbazing teekende: ‘bestond er een teedere betrekking tusschen u en Mejuffrouw Blaek?.. de nicht van den ouden Blaek?’ –

– ‘Ik kan het niet ontkennen,’ antwoordde ik: ‘maar thands, daar uw vertrek mijn gelofte heeft opgeheven, vlei ik mij, mijn gedrag ook bij haar te zullen kunnen rechtvaardigen.’ –

– ‘Voor uwe rechtvaardiging zal ik zorgen,’ zeide van Lintz, terwijl hij opstond en onstuimig heen en weder op het dek wandelde: ‘vervloekt zij de belofte, die mij de oude zondaar heeft afgeperst! – Maar ben ik er dan aan gehouden, nu het blijkt, hoe hij mij misleid heeft? – Hij heeft mij verhaald, dat het huwelijk tusschen zijn zoon en zijn nicht een stellig bepaalde zaak ware.’ –

– ‘Ik weet,’ zeide ik, ‘dat zulks zijn verlangen was, en men gelooft gaarne wat men wenscht; maar tot nog toe is het mij niet gebleken, dat de beide jonge lieden genegen waren, de door hem gekoesterde hoop te vervullen. Wat echter de reden betreft, waarom hij zoo sterk op die verbindtenis gesteld is, deze kan ik niet gissen.’ –

– ‘Maar ik des te beter,’ riep van Lintz: ‘hij heeft mij misleid, ik herhaal het; maar hij moet niet denken, dat men mij straffeloos tot speelbal neemt. Ik zal hem schrijven: – hij zal u zijn nicht geven – en een goeden bruidschat bovendien, of ik zal hem het masker afrukken en aan de kaak stellen, den schijnheiligen bedrieger; ik heb er de middelen toe: en hij weet dit.’ –

– ‘Hoe!’ vroeg ik, op mijne beurt verbaasd: ‘UEd. zoude in staat zijn…’

– ‘Ik ben de oorzaak van uw verdriet,’ zeide van Lintz: ‘en het is niet meer dan billijk, dat ik goedmake, wat ik bedorven heb. Wees gerust: het hart van een jong meisjen laat zich niet dwingen; doch, zoo het slechts aan de toestemming van Jacobus Blaek mangelt – hij zal die geven, dat zweer ik u. De zwarigheid zal alleen daarin bestaan, om zijn nicht van de verkeerdheid harer vermoedens te overtuigen.’ –

– ‘O!’ zeide Amelia, terwijl zij mij met een betooverenden glimlach aanzag, en tevens eenige tranen afwischte, van welke ik mij geen rekenschap wist te geven: ‘een vrouw slaat zoo gaarne geloof aan de onschuld van hem, dien zij lief heeft. Laat de Heer Huyck geen moed verliezen: hij zal, vlei ik mij, bij zijn terugkomst geen moeite hebben, om zijn Henriëtte te overtuigen, dat hij nooit iemand buiten haar bemind heeft.’ –

– ‘Hoe!’ zeide ik, aangenaam gestreeld door de hoop, die zij mij gaf, en tevens verrast door het stellige van haar belofte: ‘gij gelooft waarlijk…’

– ‘Ik ben er zeker van,’ zeide zij: ‘maar,’ vervolgde zij, zich half omwendende: ‘nu niet meer over dit onderwerp.’ –

– ‘Neen!’ zeide van Lintz, ziende dat zij hevig ontroerd was: ‘over iets anders gesproken: – Gij zeidet mij zoo even, dat gij mijn voormaligen Luitenant Sander Gerritz, of Zwarte Piet, zoo als hij zich naderhand noemen liet, op Ter Schelling hadt gelaten?’ –

Ik voldeed op dit punt aan de nieuwsgierigheid van van Lintz. Mijn verhaal wekte zijne en zijns dochters deelneming: en beide gaven den wensch te kennen, dat Sander hen op de reis vergezellen mocht en, even als van Lintz zelf, gelegenheid zoeken om in dienst des grooten Tsaars een nieuwe en meer eerlijke loopbaan te beginnen. Aan de toestemming van Sander viel niet te twijfelen; want het was bij mij zeker, dat hij nog de oude gehechtheid voor zijn voormaligen meester koesterde, en ik maakte mij sterk hem te overtuigen, dat, al bleef Klaartje in ’t leven, zij toch voor hem verloren was. Er bleef dus alleen over, aan Kapitein Holmfeld het innemen van een nieuwen passagier te doen goedkeuren: en wij waren juist voornemens hem deswege te gaan spreken, met verzwijging natuurlijk der omstandigheden, waarmede het raadzaam was niet voor den dag te komen, toen de beide Kapiteins naar ons toekwamen.

– ‘Wel zoo! zijn de vrienden een luchtje gaan scheppen?’ vroeg Pulver, en zich toen tot van Lintz wendende, die op wilde staan: ‘blijf zitten, mijn Heer! hou uw gemak, zoo als de havik tot de duif zei, terwijl hij haar plukte: ja, wou jelui zien, waar de Fortuin gebleven is? – naar de kelder, mijn Heer! en de visschen zitten er misschien al in de kajuitkamer een kaartje te spelen.’ –

– ‘Indedaad!’ zeide ik, den blik naar de zandbank wijzende, waar ik den dag te voren het wrak nog herkend had en nu niets meer te zien was: ‘zij is verdwenen! Hoe kan, in zulk een korten tijd?..’

– ‘O!’ zeide Pulver: ‘het zand is hier in eeuwigdurende beweging, en een Loods behoeft geen drie weken ziek te zijn om het vaarwater te verleeren. Wij liggen hier nu nog goed en wel op Maklijk Oud en hebben water in overvloed; maar Joost weet, hoe het over ettelijke jaren zal wezen, als die verwenschte Robbeplaat nog verder kuiert.’ –

De vrees van Pulver werd bewaarheid; want, op het oogenblik dat ik schrijf, is sedert lang die reede voor gewone vaartuigen ontoegankelijk geworden en biedt zij alleen bij hoog water den visscher een tijdelijke schuilplaats aan.’ –

– ‘Bedrieg ik mij?’ vroeg Schipper Holmfeld, die midlerwijl met zijn kijker naar den kant van het Vlie had uitgezien: ‘of is het de boeier, die den Heer Bos aan boord gebracht heeft, die ginds komt opzetten? Gelieft UEd. eens te zien?’ –

– ‘Indedaad!’ zeide van Lintz, na op zijne beurt te hebben uitgekeken: ‘ik heb er niet veel op gelet; maar nu gij ’t zegt, hij heeft er veel van.’ –

– ‘UEd. heeft toch niets vergeten?’ vroeg Pulver.

– ‘Niets van zoo groot belang, dat men het mij zou komen nabrengen: – ja waarlijk.. hoe meer ik hem beschouw: – zie zelf eens, mijn Heer Huyck..’

– ‘Het is de boeier van Lodewijk Blaek!’ riep ik uit, door den kijker ziende, en den groenen voorsteven met verguld beeldwerk herkennende, waar het zilveren schuim tegen opspatte: – en vervolgens, van Lintz ter zijde trekkende: ‘was hij mede in ’t geheim van uw vertrek?’ vroeg ik hem.

– ‘Dat gewis niet;’ antwoordde van Lintz: ‘en al wist hij er van af, hij althands zoude de onbeschaamdheid niet hebben, mij op nieuw onder de oogen te komen.’ –

– ‘Het zoude toch nog al toevallig zijn,’ zeide ik, indien hij juist in den zin gekregen had, ook dezen koers uit te komen. In allen gevalle zullen wij geduld dienen te hebben, en afwachten wat het geeft.’ –

Wij bleven aldus een geruimen tijd uitkijken, zonder dat het vaartuig ons merkbaar naderde, daar het door den tegenwind genoodzaakt was, te laveeren, en ons, nu zijn voorplecht, dan zijn, met cierlijk, in den zonneglans vonkelend loofwerk pronkenden, spiegel vertoonde. Eindelijk kwam men ons van onze beschouwing afroepen met het bericht, dat de maaltijd was opgedischt, en begaven wij ons in de kajuit. Aan tafel gezeten, had Pulver naauwlijks een mondjevol soep binnen, of hij begon weder over de groote gelijkenis tusschen den Heer Bos en zijn oude kennis den Zeeroover; en wij moesten met of tegen dank, het verhaal zijner ontmoeting in de Zee van de Antilles hooren, en tevens, hoe hij op Ter Schelling zijn oude kennis Sander terug gevonden had. – Ik nam hieruit aanleiding om den Heer van Lintz, na hem een geheimen wenk te hebben gegeven, de vraag te doen of hij niet een bediende noodig had, en hem Sander als zoodanig aan te bevelen.

– ‘Wat drommel Patroon!’ riep Pulver uit: ‘wou UEd. nou van Sander een huisknecht gaan maken? Is dat een werk voor een jongen, die het zeegat uit geweest is, en als Stuurman heeft rondgezwalkt?’ –

– ‘Daarom zoude hij mij des te liever zijn,’ antwoordde van Lintz: ‘ik heb iemand noodig, die de zeevaart verstaat; want, tusschen ons gezegd: mijn reis staat met de zeevaart in betrekking .. ik ben ook in mijn leven verder dan op moeders bont boezelaar geweest: – en zoo die Sander Gerritz…’

– ‘UEd. heeft zijn naam goed onthouden,’ zeide Pulver, wiens vermoedens weder boven kwamen, en versterkt werden door de zeemans uitdrukking, welke van Lintz gebezigd had: ‘en ik wil mijn leven op een vermolmde ra doorbrengen, zoo het heden de eerste reis is, dat UEd. dien heeft hooren noemen. Nu! – dat daar gelaten: Harmen Pulver is ook niet mal: en ik weet wat ik denk, zoo als de vent in ’t dolhuis tegen den oppasser zei.’ –

Van Lintz wilde antwoorden, en ik zag het oogenblik komen, waarin een verklaring onvermijdelijk werd, toen wij op eens een groote drokte aan boord vernamen, en een geluid als van een vaartuig, dat het onze langs zeilde; terwijl het over en weer roepen en praten ons gissen deed, dat er iemand aan boord gekomen was.

– ‘Ik hoor vreemd volk, Kaptein Holmfeld!’ zeide ik: ‘pas maar op: men zoude uw boeier prijs maken eer gij er op verdacht waart.’ –

– ‘’t Zal misschien die Don Manöel wezen, daar de Schipper zoo even van vertelde,’ zeide Holmfeld, lagchende, terwijl hij opstond.

– ‘Neen! daar wil ik mijn kop wel op verbeuren van neen,’ zeide Pulver: ‘ofschoon, een kennis van hem, dat ware mogelijk:’ en hij zag van Lintz wantrouwend van ter zijde aan, terwijl Holmfeld de kajuit verliet om te gaan zien, wat het wezen kon.

– ‘Het is, zoo waar ik leve, de boeier van den Heer Blaek, die van ons afgaat,’ zeide van Lintz, uit het raam ziende: ‘wat kan dit beduiden?’ –

Nog had hij niet uitgesproken, toen de deur open ging. Kapitein Holmfeld trad binnen, deed een stap zijwaart en liet iemand door, wiens bijzijn wij er verre af waren te verwachten of te wenschen – Lodewijk Blaek. –

DigitalDroom Reader

Hoofdstuk XXXVI

XXXVI / XXXIX

De aankomst van dezen onwelkomen – gast bracht geen geringe ontsteltenis te weeg bij de personen, die zich in de kajuit bevonden. Amelia werd doodsbleek, haar knieën knikten en zij hield zich aan den rug van haar stoel met beide handen vast om niet te vallen. Haar vader stond verrast en wierp op Lodewijk een blik vol toorn en verontwaardiging: en ik zag met bezorgdheid de toekomst te gemoet, overtuigd, dat de verschijning van dezen laatsten niets goeds voorspelde, en tot ergerlijke tooneelen zoude aanleiding geven; te meer, toen ik den glimlach bespeurde, die op zijn lippen zweefde.

– ‘Ik heb de eer, het gezelschap nederig te groeten,’ zeide hij, een spottenden blik op van Lintz werpende; – maar de uitdrukking van zijn gelaat veranderde en zijn kleur verschoot, toen hij mij herkende.

– ‘Ga zitten, mijn Heer Blaek!’ zeide Holmfeld: ‘waarlijk, wij waren er verre af, van ons op uw bezoek te verwachten: dat is hupsch van u.’ –

– ‘En waarom niet?’ zeide hij, zijn onbeschroomdheid terug vindende, en plaatste zich met een op den hem aangeboden stoel naast Amelia, die den haren verschoof: ‘ik ben immers een liefhebber van op het water rond te zwalken. Maar laat ik niemand stooren. Houdt uw gemak mijne Heeren! Ik hou, zoo als ik zeide, veel van een speelreisje: en bovendien, ik wenschte mijn Heer (zich tot van Lintz wendende) te bedanken voor de eer, die hij mijn boeier heeft aangedaan, door hem tot zijn overtocht te gebruiken. En de Heer Huyck ook hier! maar dat verwondert mij minder: men ziet den rook, waar het vuur is: – en als men zulke trekpleisters heeft…’ hier zag hij, schamper lagchende, naar Amelia.

– ‘Mijn Heer!’ zeide van Lintz, met nadruk: ‘ik ben hier slechts passagier aan boord, en de Kapitein kan toelaten wie hij verkiest; maar ik moet u zeggen, nu het mij blijkt, dat gij bewust waart van onze tegenwoordigheid alhier, dat uw ongewenscht bezoek de maat vervult van al uw onbescheidenheden te mijwaart.’ –

– ‘Kom Heer Graaf! of welken naam UEd. thands verkiest te dragen,’ zeide Lodewijk: ‘UEd. kan het zoo kwaad niet meenen: er is, zoo ik wel onderricht ben, ook een tijd geweest, dat UEd. ongenoodigd aan boord kwaamt bij dezulken, die u voor Sint Felten wenschten. Daar is Kaptein Pulver, die weet er een geschiedenis van te vertellen.’ –

– ‘’t Is bij mijn zolen niet anders als ik dacht,’ zeide Pulver: ‘ja! ja! Pulver laat zich geen brik voor een barkas verkoopen, zoo als ik zei.’ –

– ‘En gij, Kaptein Holmfeld!’ vervolgde Lodewijk tegen den verbaasden Schipper: ‘gij moogt ook wel toezien, of uw gëeerde passagier zoude uw schip wel eens naar de Baai van Venezuela kunnen sturen.’ –

– ‘Elendeling!’ riep van Lintz, bleek van woede en zich met moeite bedwingende: ‘Wat hebt gij voor? Wat beduidt uw komst, en de taal, die gij voert?’ –

– ‘Ik begrijp er niets van,’ zeide Holmfeld: ‘uw eigen vader, mijn Heer Blaek! heeft mij deze lieden aanbevolen en aan boord doen ontfangen.’

– ‘Mijn vader is, met verlof gezegd, een oude suffer,’ zeide Lodewijk: ‘maar hij had wel anders gehandeld, indien hij geweten had, dat gindsche Heer, die zulk een hoogen toon voert, een deserteur is en een zeeroover.’ –

Er volgde een oogenblik van algemeene stilte op deze woorden. De oogen van van Lintz rolden hem vreeslijk in ’t hoofd: het schuim stond hem op de lippen, en hij ware Lodewijk ongetwijfeld aangevlogen, had niet Amelia, een uitbarsting willende voorkomen, zich voor haar vader geplaatst en hem omvat.

– ‘Mijn Heer mag wezen wie hij wil,’ zeide Holmfeld, na zich een wijl bedacht te hebben: ‘hij is mijn passagier: ik heb geld voor den overtocht ontfangen en ik versta niet, dat hij op mijn boord beledigd worde.’ –

– ‘Goed gesproken!’ zeide Pulver: ‘of hij een deserteur is geweest, weet ik niet; maar, zoo hij al een zeeroover was, kan ik getuigen, dat hij mij op een bescheiden wijze behandeld heeft en mij ongemolesteerd heeft laten gaan, toen hij mij zonder genade had kunnen doen opknoopen.’ –

– ‘Met u praat ik niet,’ zeide Lodewijk: ‘en wat Kaptein Holmfeld betreft, hij mag zich tweemaal bedenken over hetgeen hij zegt; want het zoude wel kunnen gebeuren, dat hij anders geen zaken meer te doen kreeg voor ons kantoor.’ –

– ‘Hoor eens,’ zeide Holmfeld, op zijne beurt warm wordende: ‘mijn Heer Bos, of zoo hij heeten mag, is onder bescherming van Deensche vlag en niemand zal hem hier verder affronteeren. En wat u betreft, Sinjeur! die hier twist komt zoeken, ik raad u, maak maar gaauw, dat gij van mijn bodem afkomt, of ik laat u in ’t vooronder smakken en pak u mede naar Denemarken. Wat hagels! ik ben baas op mijn schip.’ –

Lodewijk beet op zijn lippen: ‘ik ga,’ zeide hij, op een sarrende toon: ‘en zal te Amsterdam bericht brengen, dat Kaptein Holmfeld misdadigers laat ontsnappen en dat de zoon van den Hoofdschout het afscheidsglaasje met hen drinkt.’ –

Ik had mij voorzichtigheidshalve niet in den twist gemengd; maar deze persoonlijke belediging begreep ik niet voorbij te kunnen laten gaan: ‘mijn Heer Blaek!’ zeide ik: ‘ik heb tot nog toe gezwegen; maar ik moet u zeggen, dat gij hier een elendigen rol speelt.’ –

– Met u heb ik thands niets te schaffen,’ zeide hij: ‘maar later zult gij mij voldoening voor deze woorden geven.’ –

– ‘Ik had u die reeds lang afgevergd,’ zeide ik: ‘indien de eerbied voor uw vader en nicht mij niet weerhouden hadden.’ –

– ‘Mijn nicht!’ hernam hij, schamper lagchende: ‘het voegt u wel van mijn nicht te spreken, wanneer ik u met uw maitres in gezelschap vinde.’ –

– ‘Dat is te veel!’ riep ik uit: ‘zoodra wij aan wal zijn….’

– ‘Gij hebt gehoord, wat ik gezegd heb,’ zeide Holmfeld, terwijl hij Lodewijk in den kraag vatte: ‘nog een woord en ik smijt u in de kelder.’ –

– ‘Een oogenblik!’ zeide van Lintz, die inmiddels zich geweld had aangedaan om bedaard te blijven: ‘indien hier iemand beledigd is, zoo ben ik het. Ik had wellicht, uit aanmerking der dienst, welke mij des jonkmans vader gedaan heeft, zijn onbezonnen uitvallen kunnen verschonen; maar het is de eer mijner dochter, welke hij aanrandt, en bij den Hemel! hij zal niet naar Amsterdam terug keeren om daar haar goeden naam door zijn schandelijke lastertaal te bezwalken. Welke wapenen kiest gij, mijn Heer Blaek?’ –

Aller oogen waren op Lodewijk gevestigd: hij sloeg even de zijne neder onder den ontzachverwekkenden blik van van Lintz; maar zijn gelaat bleef dezelfde spotachtige uitdrukking behouden, welke het van zijn binnentreden af niet verlaten had.

– ‘O ho!’ zeide hij: ‘begint mijn Heer eindelijk te begrijpen, dat er een fatsoenlijker wijze is om tusschen Cavaliers een twist te beslechten dan met de vuist, gelijk gemeene kruiers? – Wat zal ik u antwoorden? De wapens zijn mij vrij onverschillig; maar liefst vecht ik op den vasten wal; ik heb nooit het ambacht van zeeroover uitgeoefend: en schoon ik redelijk vast sta op de planken van mijn boeier, ben ik nooit gewend geweest – zoo als andere lieden – het rapier of de pistool aan boord te bezigen?’ –

– ‘Het zij zoo!’ zeide van Lintz: ‘wij zijn in ’t gezicht van Ter Schelling, en daar zal zich wel een eenzaam plekje bevinden, waar wij onze zaak kunnen afdoen. Gij zult er zeker niet tegen hebben, dat de Heer Huyck en Kapitein Pulver ons tot getuigen strekken.’ –

– ‘Ik zie niet, dat wij getuigen noodig hebben,’ zeide Lodewijk; ‘maar, wat mij betreft, ik heb er niets tegen. – Hoewel de duinkant eenzaam zij, is het verkieslijk zoo min geruchts mogelijk te maken: en alzoo stel ik u voor, den degen te gebruiken.’ –

Van Lintz boog het hoofd ten teeken van goedkeuring. De Kapiteins en ik zagen elkander met verwonderde blikken aan; want de keus van Lodewijk scheen ons vreemd en gewaagd toe: immers, al had hij ook den naam van een gëoefend schermer te zijn, hij kon, op ’t oog af, niet gerekend worden zijn forsch gespierden weerpartijder in kracht of behendigheid te evenaren: en een gevecht met pistolen had, naar onze meening, een meerdere gelijkheid tusschen partijen daargesteld. Er viel echter niets aan te veranderen; daar Lodewijk het zelf zoo gewild had; doch de achtelooze, onverschillige wijze, waarop hij zijn keuze gedaan had, bleef ons, even als die keuze zelve, onverklaarbaar.

Droevig was echter de uitwerking, welke de afloop van den twist op Amelia deed. Schoon geen traan haar oog ontvloot, teekenden al haar gelaatstrekken hevige ontroering en bezorgdheid. ‘O God!’ riep zij, de handen angstig wringende: ‘moet er dan om mijnent wil een tweegevecht plaats hebben? – Heb ik niet reeds genoeg uitgestaan, mijn Vader! en moet de laatste stap, die gij op uw geboortegrond doet, met bloed geteekend worden? – Kunt gij dat niet beletten, mijn Heer Huyck?’ –

Ik haalde de schouders op: en in waarheid, welk een afkeer ik van nature ook tegen die onmenschelijke en onchristelijke gewoonte koester, om elkander als wilde dieren naar het leven te staan, ik zag niet, hoe er in dit geval aan een vergelijk of verzoening kon gedacht worden: ‘al wat ik kan voorstellen,’ zeide ik, ‘is om zelf de plaats van uw Heer vader te nemen en den Heer Blaek voor zijn lasterlijke taal de straf te geven, die hij verdiend heeft.’ –

– ‘Is het op die wijze, dat gij mijn zorg denkt te minderen? en is deze de eenige troost, dien gij mij geven kunt?’ zeide Amelia met een verwijtenden blik.

– ‘Wees voor als nog niet voor uw lief bekommerd, Mejuffrouw!’ zeide Lodewijk: ‘ik hoop later mij met den Heer Huyck te meten en hem zijn smadelijke woorden te doen opslikken: – eerst moet de zaak met uw vader afgedaan zijn.’ –

– ‘Wees toch bedaard, Amelia!’ zeide van Lintz, eenigzins ontevrede over den twijfel welken zijn dochter over den uitslag van het gevecht scheen te voeden: ‘de Heer Blaek verlangt een les: hij heeft die noodig: en ik ben bereid, hem die te geven: zoude UEd. de goedheid willen hebben, Kaptein Holmfeld! van de sloep vaardig te doen maken. Ik vlei mij, dat wij niet lang zullen weg blijven.’ –

– ‘Te drommel!’ fluisterde Pulver mij in ’t oor: ‘wie had dat kunnen vermoeden? Zoude UEd. dien Heer Lodewijk niet kunnen raden, alsnog zeil te minderen? Hij mag groot en sterk zijn; maar tegen dien driedekker van een Don Manöel is hij niet opgewassen.’ –

– ‘Het heeft zoo moeten zijn,’ zeide ik: ‘en het ligt er nu eenmaal toe; maar ik had wel gewenscht, dat die thee op den bodem van de zee lage en dat wij hier nooit aan boord waren gekomen; want de Hemel weet, hoe men dit geval ten onzen nadeele zal uitleggen.’ –

Wij waren intusschen de kajuit uitgetreden: Holmfeld was zijn bevelen gaan geven tot het klaar maken der sloep: van Lintz was beneden zijn degen en mantel gaan halen, en Lodewijk, tegen het gangboord leunende, stond een deuntje te fluiten en naar wal te zien. Nu naderde mij Amelia en zeide:

– ‘Gij belooft mij toe te zien, mijn Heer Huyck! dat alles naar behooren toega. Ik kan het niet helpen; maar ik mistrouw dien Heer Blaek.’ –

– ‘Ik heb nooit de beste gedachten van hem gehad,’ zeide ik: ‘maar wij zullen zorgen, dat alles volgens de regels geschiede. Ban uw vrees: het zal beter afloopen, dan gij denkt. Uw vader is zich zijner kracht bewust en de jaren voorbij, waarin men onbesuisd te werk gaat en zonder nadenken handelt. Ik bedrieg mij zeer, of zijn voornemen is alleen, dien onbedachtzamen knaap een aandenken aan zijn meerderheid te geven. – Intusschen, ik wenschte met u, dat dit alles geen plaats had gehad.’ –

De sloep was nu gereed gemaakt en Kapitein Holmfeld verzocht ons, den meesten spoed aan onze verrichtingen bij te zetten, daar hij zijn manschappen niet langer dan noodig ware wilde missen. Lodewijk steeg eerst af: vervolgens de Heer van Lintz, na zijn dochter hartelijk vaarwel gekust te hebben. Ik drukte haar zwijgend de hand tot afscheid en volgde met Pulver; maar, nog waren wij niet allen gezeten, toen Amelia boven aan den trap verscheen en, eer iemand het verhinderen kon, zich naar beneden liet glijden.

– ‘Wat wilt gij? En welke dwaasheid is deze?’ vroeg haar vader, op een strengen toon.

– ‘Ik wil met u naar wal gaan,’ zeide Amelia: ‘niet dan door dwang zal ik u verlaten: mijn besluit is onverzettelijk: en gij weet, mijn vader, dat ik, wat vastheid van wil betreft, uw waardige dochter ben – vrees niet dat ik uw opzet stooren of verhinderen zal. Ik zal bij de sloep blijven: gebeurt er eenig ongeval – ’t geen de Heiligen verhoeden – dan ben ik immers bij de hand, en er behoeft niet naar het schip gezonden te worden om mijn hulp te vorderen.’ –

Er viel hier niets tegen in te brengen. Wij staken af en roeiden naar de haven; daar wij allen, en zelfs Pulver, wien het moeilijk viel, het zwijgen bewaarden. De boeier van Lodewijk, die minder diep ging dan het Deensche vaartuig, lag tusschen dit en het dorp in ten anker: alles was er stil aan boord: slechts een enkel persoon stond onbeweeglijk aan de voorplecht. Eerst toen wij naderbij kwamen, bespeurde ik, dat die man een kijker in de hand en op ons gevestigd hield. Op eens verdween hij: en nu zag ik, dat de boot aan bakboordzijde gehaald werd. Ik veronderstelde eerst, dat de knecht van den boeier, Lodewijk in ons midden herkennende, zijn bevelen kwam vragen; maar niet weinig verwonderd was ik, toen, een voor een, een viertal personen op het dek van den boeier verschenen en in de boot afdaalden, welke nu met alle kracht van riemen naar wal werd geroeid. Ik zag Lodewijk aan, en ik bemerkte dat ook zijne oplettenheid op deze manoeuvre gevestigd was, en dat een echt duivelsche lach zich op zijn lippen vertoonde. In andere omstandigheden zoude ik hem gevraagd hebben, wie de personen waren, die hij op zijn boeier had; thands echter schroomde ik het stilzwijgen te breken, dat in onze sloep heerschte, en wellicht een onhebbelijk antwoord uit te lokken. Weldra was de kleine boot tusschen de in de haven liggende visschersschuiten en achter het paalhoofd verdwenen. De Heer van Lintz had haar niet bespeurd of er geen acht op geslagen, en zijn dochter was te zeer in haar droevige gepeinzen verdiept, om te letten op iets wat rondom ons gebeurde. Wat Pulver betreft, hij was juist bezig met vuur te slaan en zijn pijp aantesteken, toen de boot van den boeier afging, en zij had dus ook zijne opmerkzaamheid niet getrokken.

Wij waren eindelijk aan het paalhoofd gekomen, hetwelk wij beklommen, uitgenomen Amelia, die, zich tegen de koele zeelucht in haars vaders mantel wikkelende, in de sloep bleef zitten. Wij drongen door de hier wederom verzamelde menigte heen en bevonden ons weldra op het gulle zand voor het dorp.

– ‘Dunkt u niet best,’ vroeg ik aan van Lintz, ‘dat wij eerst naar de herberg gingen en ons vandaar, quasi om een wandeling te maken, naar het duin begaven? – Dat zoude minder opziens baren en geen argwaan verwekken.’ –

– ‘Die wandeling zal u wel bespaard worden,’ mompelde Lodewijk: en, op hetzelfde oogenblik, trad iemand, die uit den volkshoop te voorschijn kwam, naar van Lintz toe en legde hem de hand op den schouder met de woorden: ‘Gij zijt mijn arrestant.’ –

– ‘Uw arrestant!’ riep van Lintz, verbaasd terugtredende en de hand aan zijn degen slaande.

– ‘Wij bidden u, niet te bieden eenige resistentie,’ zeide Heynsz; – want hij was het zelf: – ‘mijn dienaars zijn gewapend en ik heb slechts te vertoonen mijn mandaat, om te verkrijgen de noodige assistentie.’ –

– ‘Geef in ’s Hemels naam toe,’ zeide ik tegen van Lintz: ‘alle weerstand zoude voor het oogenblik nutteloos zijn.’ –

– ‘Heer Graaf van Talavera!’ zeide Lodewijk Blaek, met een honenden lach, tegen van Lintz: ‘gij zijt een fijne diplomaat; maar de kunstgreep, die ik thands gebezigd heb om u van het Deensche schip te lokken, was toch nieuw.’ –

– ‘Gij zijt de verachtelijkste mensch, dien ik ken,’ zeide ik, over zulk een helsche list verontwaardigd.

– ‘En de onvoorzichtigste,’ zeide van Lintz: ‘want zijn fieltestreek kan hem zijn halve vermogen kosten. – Maar dat daargelaten! Ik moet zwichten. Hier is mijn degen, Monsieur Heynsz! waar is het uw plan mij heen te voeren? Ik wenschte vooraf nog mijn dochter eens te spreken en afscheid van haar te nemen.’ –

– ‘Om Godswille! Wat is er gebeurd?’ riep Amelia, die, door een der matrozen ten halve onderricht, angstig kwam toesnellen.

– ‘Niets, lief kind!’ zeide Lodewijk: ‘als alleen, dat het plan veranderd is, en dat gij met uw vader en mij in vrede naar Amsterdam terugkeert.’ –

– ‘Is dit noodzakelijk?’ vroeg ik aan Heynsz: ‘en moeten die lieden gedwongen worden, het gelaat van dien schoft op de terugreis voor oogen te hebben?’ –

– ‘Ik zal u verzoeken, liever een vaartuig ten mijnen koste te nemen,’ zeide van Lintz.

– ‘Ziedaar een billijk voorstel,’ zeide ik tegen Heynsz: ‘gij zijt bovendien afgezonden, om mijn Heer gevangen te nemen, en niet om hem te pijnigen door den aanblik van iemand, die hem met reden hatelijk is.’ –

– ‘Er is geen zwarigheid in ter waereld,’ antwoordde Heynsz: ‘wij willen den Heer Graaf niet jagen op kosten: wij willen huren een vaartuig en bedanken den Heer Blaek voor zijn verder konvooi. Zoo de Heer Graaf verlangt, wij zullen aan de roeiers, die hem gebracht hebben hier, last geven, van boord te gaan halen zijn bagaadje.’ –

– ‘Die bagaadje zal zeker onderzocht worden?’ vroeg van Lintz, hem met een doordringenden blik aanziende: ‘doch om ’t even: – ik verlang er zelfs naar; want daardoor zal de wraak volkomen worden, die ik van dezen Judas nemen moet.’ –

– ‘Wat.. wat beduidt dat toch?’ vroeg Lodewijk, eenigzins ongerust: ‘wat hebben uw bagaadje en mijn vermogen onderling uitstaande?’ Hij ontfing geen antwoord en bleef eenigzins beteuterd staan. Het was mij duidelijk, dat hij gaarne naar zijn boeier zoude zijn teruggekeerd; doch dat de zoo stellige woorden van van Lintz indruk op hem hadden gemaakt: hij bleef dus, schoon op eenigen afstand, om ons draaien.’ –

– ‘Zouden wij niet inmiddels naar de herberg gaan?’ vroeg ik aan Heynsz: ‘wij hebben hier zoo veel bekijks.’

Deze voorslag werd te gereeder door dezen aangenomen, daar hij de overheid van Ter Schelling toch verwittigen wilde van het op haar grondgebied gedaan arrest: en terwijl een paar dienaars met de sloep naar den hoeker voeren om de bagaadje te halen, begaven wij ons naar de herberg: Heynsz ging vooruit met den goeden Pulver, die onophoudelijk zijn verbazing te kennen gaf over den zonderlingen loop, dien de zaak genomen had: van Lintz volgde, den arm aan zijn dochter gevende, terwijl ik aan zijn andere zijde liep en twee dienaars den trein besloten: de halve bevolking kloste achter en om ons heen, en Lodewijk, blijkbaar met zijn figuur verlegen, liep aan de andere zijde van de straat. Hij volgde ons in de herberg, eischte een glas brandewijn, dat hij dadelijk naar binnen sloeg, en zette zich in een donkeren hoek, terwijl van Lintz en Amelia aan een andere zijde plaats namen.

– ‘Waar woont de Drost?’ vroeg Heynsz aan Reynszen: ‘ik wenschte hem dadelijk te spreken.’ –

– ‘Waar hij woont kan ik u makkelijk beduien,’ antwoordde de waard: ‘maar gij zult hem thands niet aan zijn huis vinden; vermits hij hier is.’ –

– ‘Hier! – Welnu! wees dan zoo goed, hem te roepen.’ –

– ‘Hij zal zoo aanstonds terug zijn,’ hernam Reynszen: ‘hij is hier achter bij een zieke; want hij is tevens Doctor, moetje weten.’ –

– ‘Ja! dat is ook waar,’ zeide Pulver: ‘hoe maakt het die arme meid?’ –

Reynszen schudde het hoofd en gaf ons te kennen, dat zij op het uiterste was. Ik begaf mij aan het raam, bij mijzelven nadenkende over het zonderlinge noodlot, dat in dit oogenblik zooveel verschillende personen, doch die allen in zekere betrekking tot elkanderen stonden, bijeen verzameld had. Nu vervoegde zich Heynsz bij mij en ik vroeg hem in stilte, hoe hij te weten was gekomen, dat de Heer van Lintz zich op het Deensche vaartuig bevond. Het geval had zich, gelijk hij verhaalde, op de navolgende wijze toegedragen: Lodewijk Blaek had van zijn schippersknecht vernomen, tot welk einde zijn vader den boeier buiten zijn weten had doen dienen. Hij had terstond vermoed, dat de ontsnapte persoon niemand anders als Ameliaas vader kon zijn, en zulks dadelijk aan Heynsz te kennen gegeven, die nog altijd in de omstreken van Naarden naar den voortvluchtige zocht. De vermoedens stegen bij verdere nasporing tot zekerheid: en nu had Lodewijk, die zich waarschijnlijk op deze wijze op van Lintz en Amelia wilde wreken, zijn boeier aan Heynsz aangeboden, ten einde daarmede den vluchteling te achterhalen. Dit was hun, gelijk wij gezien hebben, gelukt; maar, daar Heynsz eenige zwarigheid maakte om zonder spetialen last een onder vreemde vlag zeilend vaartuig aan te doen en te doorzoeken, had Lodewijk op zich genomen, bij Holmfeld aan boord te gaan en den Heer van Lintz weder van het vaartuig en op Hollandsch grondgebied te troonen.

– ‘Het doet mij leed,’ zeide ik, ‘dat gij in uw plan zoo wel geslaagd zijt; de Heer van Lintz heeft mij het leven gered en het zoude, geloof ik, ook mijn vader innig verheugd hebben, indien de man ontkome ware.’ –

– ‘Ik mag ook best lijden,’ zeide Heynsz: ‘dat Zijne Excellentie er behouden af kome; – maar toch! onze reputatie, van uw Heer papa en de mijne, zoude geweest zijn naar de maan, indien hij ware ontsnapt: bedenk eens, hoe zij zouden hebben uitgelagchen Monsieur Heynsz, als zij gehoord hadden, daarna, dat de man dien hij zocht, gewoond had in zijn eigen huis en hij hem had laten echapperen!… maar die Doctor blijft lang weg … ha! hier is hij.’ –

En op dit oogenblik trad de Heer Substituut-Drossaart en Geneesheer Doedes door de achterdeur binnen.

DigitalDroom Reader

Hoofdstuk XXXVII

XXXVII / XXXIX

– ‘Hm!’ zeide Doedes, verwonderd rondziende: ‘groot gezelschap – veel vreemde gezichten – dienders met stokken! – hm!’ –

– ‘Hoe is het met de arme lijderes?’ vroeg ik, naar hem toegaande.

– ‘Hm! – zoo even afgeleid – omnes mortales sumus – affectio pulmonaris – mijn taak afgeloopen – naar huis gaan – rekening schrijven – hm!’ –

– ‘Heb ik het genoegen, den Heer Drost te zien?’ vroeg Heynsz, terwijl hij groette en zijn naam en hoedanigheid bekend maakte: ‘ik wenschte UEd. even te spreken.’ –

– ‘Hm! – dieven zoeken – pakhuis bedreigd – aanslag op het Deensche schip – reeds vier gepakt – deze Heer mij gewaarschuwd.’ –

– ‘Met uw verlof!’ zeide Heynsz: ‘ik weet niet, wat UEd. bedoelt; maar mijne komst heeft een andere oorzaak.’ –

Dit zeggende, trok hij den Doctor naar het venster, waar beide zich een wijl onderhielden. Ik bespeurde intusschen uit de gelaatstrekken van den Drost, dat de hem gedane mededeeling hem niet bijzonder naar den zin was.

– ‘Hm!’ mompelde hij eindelijk: ‘Ter Schelling een vrijplaats – oude privilegies – inbreuken genoeg – volhouden – hm!’ –

– ‘Hoe!’ riep Heynsz uit, twijfelende of hij wel gehoord had: ‘wat bedoelt gij?’ –

– ‘Niet toelaten – Schepensbank bijeen roepen – zaak van gewicht – violatie van jurisdictie – hm!’ –

– ‘Wat meent gij toch?’ vroeg Heynsz: ‘acht gij het noodig te roepen bijeen een Schepensbank om te beslissen een zaak zoo eenvoudig als deze? – Gij ziet immers mijn orders: die zijn duidelijk en peremptoir. Gij kunt lezen, hoop ik.’ –

– ‘Orders – hm!’ – zeide Doedes, het hoofd schuddende en het hem aangeboden bevelschrift afwijzende: ‘hier niet geldig – Amsterdamsche Hoofd-Officier te huis regeeren – hier niet den baas spelen.’ –

– ‘Maar ziet gij dan niet, dat het is een bevel van de Staten,’ hernam Heynsz onverduldig.

– ‘Hm! – ja wel – maar dit een exceptioneel geval – voorrecht – hm! – Ter Schelling een vrijplaats – apprehensie zonder jurisdictie – Schepenen beslissen.’ –

Heynsz bleef met open mond staan, een oogenblik buiten staat tot spreken, zoo verbaasd was hij, dat een gerechtelijk ambtenaar een bevel dorst weerstaan, waar zelfs de Amsterdamsche regeering aan had toegegeven. Terwijl hij, zijn gewone gevatheid en tegenwoordigheid van geest voor een wijl verliezende, scheen te overpeinzen hoe hij best den koppigen Drost tot toegeeflijkheid zoude brengen en van zijn ongelijk overtuigen, wendde hij, ’t zij toevallig, ’t zij uit vrees van hem uit het oog te verliezen, den blik naar van Lintz: en de angst, dat deze het zonderling beweren van den Ter Schellingschen overheidspersoon gehoord zoude hebben en daarvan partij trekken, deed hem het zweet op het aangezicht stijgen; terwijl zijn gelaat een zoo kluchtige uitdrukking aannam, dat ik, in weerwil van mijzelf, niet kon nalaten te glimlagchen.

Ook van Lintz glimlagchte; want, schoon op een afstand gezeten, had hij de woorden van den Drost zeer goed verstaan: en hij was geen man om die onopgemerkt of ongebruikt voorbij te laten glippen. Hij rees op en naar de beide rechtsbëambten toetredende: ‘mij dunkt, vriend Heynsz!’ zeide hij, ‘dat gij u een weinig vergalopeerd hebt, althands naar het oordeel van dezen Heer.’ –

– ‘Niet in het minste,’ zeide Heynsz, zijn spijt vruchteloos zoekende te bedwingen: ‘ik heb mijn orders om u te apprehendeeren waar ik u vinde, – orders, gëemaneerd van onze Heeren Staten: – en het is maar een plaisanterie, dat die Heer zich zou opposeeren daartegen: – of behoort Ter Schelling niet langer aan de Heeren Staten van Holland en West-Friesland? par exemple! ’ –

– ‘Ongetwijfeld!’ antwoordde van Lintz: ‘sedert het door Karel Hertog van Aarschot aan H.H.M.M. is verkocht en overgedragen; maar die koop kon hun geen recht geven, de privilegiën te vernietigen, welke dit eiland bevorens van zijn wettige Heeren verkregen had en sedert onheugelijke jaren bezat.’ –

– ‘Dat geloof ik,’ zeide Heynsz, met een smalenden lach; – zoo onheugelijk, dat niemand zich kan herinneren, door wien of wanneer die ooit gegeven zijn.’ –

– ‘Hm!’ bromde Doedes er tusschen in: ‘de gëapprehendeerde heeft gelijk – privilegium rite concessum – Schepenen uitwijzen – morgen partijen hooren – beide cautie praesteren – hm!’ –

– ‘Morgen!’ herhaalde Heynsz, met de uiterste verbazing: ‘denkt gij, dat ik hier kom om mij te amuseren en dat mijne praesentie zoo maar kan gemist worden te Amsterdam dagen achtereen.’ –

– ‘Het is voorwaar wat erg,’ zeide van Lintz, glimlagchende: ‘ik wed dat de dieven reeds illumineeren wegens uwe afwezigheid: en, zonder gekscheren gesproken, het doet mij oprecht leed, dat gij zooveel moeite om mijnentwille hebt gedaan.’ –

– ‘Parbleu!’ riep Heynsz, ‘in welk een wespennest ben ik gevallen? mijn Heer Huyck! Schipper Pulver! – Zijt toch zoo goed en helpt mij dien Drost of wat hij wezen mag te brengen tot rede. Beduidt hem toch, dat hij zich bloot stelt te worden gesuspendeerd, gecasseerd, ja exemplaarlijk met boete en aan den lijve gestraft als rebel, zoo hij niet obtempereert aan de instructiën en bevelen van H.H. Staten, onze hooge Soeverein.’ –

– ‘Hm!’ zeide Doedes: – ‘cautie stellen – Ter Schelling een vrijplaats en daarmede uit – hm!’ –

– ‘Voor den duivel!’ schreeuwde Heynsz: ‘Ter Schelling zal geen vrijplaats zijn voor u, dat beloof ik u: en ik zal een relaas opmaken waar het behoort; – maar al deze praatjens hebben niets te beduiden: geef mij een behoorlijke sententie of ander legale afwijzing, en ik zal zien wat ik te doen heb.’-

– ‘Gij kunt dat niet weigeren;’ zeide ik tegen den Drost: ‘en in allen gevalle moet ik u dringend aanraden te bedenken wat gij doet, en of de gronden, waarop gij uw beweren bouwt, eenige kracht hebben: – bedenk, dat gij moeilijk iets tegen ‘sLands hooge regeering kunt volhouden.’ –

– ‘Mij dunkt!’ zeide Reynszen, die geheel niet van oordeel ontbloot was en, als zelf Lid van Schepensbank, begreep, zich in de zaak te moeten mengen: ‘wat mijn Heer daar zeit, is zoo gek niet: en je meugt wel bedenken wat je doet, Meester Doedes; want wat gij verricht, dat moet het eiland naderhand ontgelden, zoo als gij weet.’ –

– ‘Hm! – Zelf Schepen – daarom meêpraten – Drost beter weten – hm!’ –

– ‘Juist!’ hernam Reynszen: ‘ik ben zelf Schepen en een geboren Ter Schellinger daarenboven: en ik dien de oude herkomsten dus al zoo goed en beter te weten dan iemand die hier van den vasten wal gekomen is.’ –

– ‘Hoe!’ riep Heynsz, deze omstandigheid in zijn voordeel aangrijpende: ‘is de Drost geen Ter Schellinger? dan mag hij dubbel voorzichtig zijn, hoe hij het aanlegt in deze zaak.’ –

Twee of drie andere personen, die gedurende het gesprek waren binnen gekomen en, gelijk mij naderhand bleek, tot de Notabelen van het dorp behoorden, vereenigden zich met het gevoelen van Reynszen en drongen bij den Drost aan, dat hij Schepensbank zoude beleggen, en niet, om een onzeker privilegie vast te houden, de ontevredenheid wekken van het hooge Landsbestuur. Terwijl al de aanwezigen met het behandelen van dit vraagpunt bezig waren, naderde mij de vrouw des huizes, en fluisterde mij in het oor, dat de oude Heer, die met mij op Ter Schelling gekomen was, mijn terugkomst vernomen hebbende, mij liet verzoeken even bij hem te komen.

Ik gevoelde een oogenblik berouw van den goeden Helding in het midden der drokte vergeten te hebben, en te gelijk kwam het denkbeeld bij mij op, dat het raadzaam ware, Sander te waarschuwen, eer hij binnenkomen en Heynsz met zijn dienaars in den mond mocht loopen. Ik begaf mij dus naar achteren, waar mij een treurig schouwspel wachtte. Helding zat naast de bedstede, en hield de hand der ontslapene tusschen de zijne, terwijl hem de stille tranen langs de wangen liepen: en zijn blikken waren met een uitdrukking van diepe, maar gelatene droefheid naar den hemel gewend. Tegen over hem stond Sander tegen den wand te leunen: zijn oogen waren strak en stijf op het lijk gevestigd; maar het hevige zwoegen van zijn boezem verried de innerlijke gemoedsbeweging, die hem kwelde.

Zwijgend drukte ik de hand van den goeden Helding: ‘Het heeft zoo moeten wezen,’ zeide de arme man: ‘en ik zal in Gods wijzen wil berusten; maar het is hard voor een vader, te moeten zeggen: haar dood was beter dan haar leven.’ –

– ‘Ik beklaag u,’ zeide ik: ‘ook u, Sander Gerritz! maar’ – vervolgde ik, laatstgemelden ter zijde trekkende: ‘wees voorzichtig; want ook uw eigen leven loopt gevaar: Heynsz en zijn dienaars bevinden zich hier naast.’ –

Hij zag mij aan met een verwilderden blik, die mij naauwlijks deed geloven, dat hij mij verstaan had.

– ‘Ik herhaal het,’ hernam ik: ‘vertoon u niet: blijf hier, tot ik u waarschuwe. Er is misschien gelegenheid voor u, om met Kapitein Holmfeld te vertrekken. Ik zal u een brief voor hem medegeven. Het is hier voor u te gevaarlijk:’ – en met een sloeg ik het raam open, dat een uitgang naar den duinkant opende. Hij zag mij een wijl als sprakeloos aan, en toen, zich bezinnende, knikte hij, dat hij mij begreep.

– ‘Wat is er?’ vroeg Helding, opstaande en hem verbaasd aanziende.

– ‘Onderzoek het niet,’ antwoordde ik: ‘hij is hier in gevaar: ik zal u de opheldering later geven. Spreken wij thands over de schikkingen, die er in deze treurige omstandigheid te maken zijn.’ –

Hiertoe werd ons echter weinig tijds gegund: wij hadden slechts even het punt der begrafenis aangeroerd, toen de vrouw van Reynszen weder aankwam.

– ‘Die vreemde Heer,’ zeide zij, zich tot mij wendende, ‘heeft mij gezeid, hij wilde u nog gaarne eens spreken, aleer hij naar boord keerde.’ –

– ‘Welke Heer? Wien bedoelt gij?’ vroeg ik, eenigzins verwonderd.

– ‘Hij zeit dat hij.. – ja.. wie kan al die vreemde namen onthouen..? Blaek hiet hij, loof ik.’ –

– ‘Blaek!’ herhaalde Sander, plotslings opspringende met een uitdrukking van hevige drift.

– ‘Bedwing u,’ zeide ik, voor een uitbersting bevreesd: ‘denk aan de gevolgen! Wees bedaard.’ –

– ‘Blaek!’ zeide Helding: ‘Wie? Lodewijk Blaek? Komt hij hier, om den ouden man te tergen, wiens kind hij bedorven, wiens grijze hairen hij met schande bedekt heeft? – Hou mij niet tegen, mijn Heer Huyck! Ik wil hem spreken! – Gij zult het een vader niet beletten, den moordenaar zijner dochter op te zoeken.’ –

Ik zag het oogenblik, dat beide zich naar het voorhuis zouden begeven, en daar ik beiden niet kon tegenhouden, achtte ik het raadzaam den onstuimigen Sander, wiens drift ik het meest vreesde, bij den arm te nemen en den doortocht te beletten. Helding was mij intusschen ontsnapt; maar naauwlijks was hij met vrouw Reynszen de deur uit, of ik volgde hen, stootte Sander naar binnen, sloeg de deur dicht en schoof er den grendel op, waarna ik mij in de herberg spoedde.

Hier was men gedurende mijn afwezigheid tot een besluit gekomen, in den zin als door Reynszen was voorgesteld, en had men rondgezonden om de Schepenen bij elkander te roepen. Lodewijk, die tot dien tijd getoefd had, om te zien of hij kon te weten komen, wat de raadselachtige uitdrukking van van Lintz bedoelde, had eindelijk, bemerkende, dat het nog lang kon duren, eer deze vervoerd werd, besloten naar boord te keeren; doch mij eerst willende spreken, stond hij alsnu mij midden in de herberg af te wachten, toen Helding, wien ik op de voeten volgde, eensklaps voor zijn oogen stond.

– ‘Helding!’ riep hij, verbaasd: ‘hoe drommel komt gij hier verzeild, poëet?’ –

– ‘Komt gij uw werk zien, moordenaar van mijn kind?’ riep de verbolgen vader uit, zich voor hem plaatsende: ‘ha! gij dacht, omdatj gij gewoon waart den ouden man te bespotten, dat het u ook vrijstond, de dochter te misbruiken. Maar kom! – volg mij, en zie wat gij hebt uitgericht.’ –

-‘Wat beduidt dit?’ vroeg Lodewijk, wrevelig: ‘vertoont gij een treurspel van uw maaksel? – Of is het een klucht?’ –

– ‘Neen! God weet het,’ zeide Helding: het is wel een wezenlijk en waarachtig treurspel, en wee, driewerf wee u, die er de stoffe toe geleverd hebt. Mijn kind is dood: dood, verstaat gij? en gij zijt haar moordenaar; maar kom met mij – geen tien schreden van hier kunt gij haar beschouwen. Zie of zij u nog bekoren zal.’ –

– ‘Wat heb ik met uw dochter uitstaande?’ mompelde Lodewijk, op wien door dit voorval de algemeene oplettendheid gevestigd was.

– ‘Hebt gij een dochter verloren?’ vroeg Amelia, den ouden man met deelneming naderende.

– ‘En UEd. ook hier!’ riep Helding, haar de hand drukkende: ‘O Mejuffer! gij hebt wel gedaan, dien man daar uw kamer te ontzeggen. Hadt gij aan zijn verleidelijken praat gehoor gegeven, wellicht ware ook uw lot aan dat van mijn arme Klaartje gelijk geworden. O! waarom heb ik ook niet, even als uw vader, den slang van mijn kamer geworpen, in stede van zijn verfoeilijke geschenken aan te nemen! – Maar kom! – volg mij!’ vervolgde hij, Lodewijk bij den arm grijpende: ‘gij moet, gij zult uw slachtoffer zien.’ –

Het was voorwaar, voor iemand, die, als ik, deze beide personen te voren gekend had, een opmerkelijk schouwspel om den geheelen omkeer gade te slaan, die er in hun onderlinge betrekking had plaats gevonden. Helding, de anders zoo kruipende, vreesachtige, afhankelijke slaaf van de grillen zijner meerderen, dwong thands, met het hoofd omhoog, den arm gebiedend uitgestrekt, zijn voormaligen Patroon hem te volgen; terwijl deze, de trotsche, rijke, laatdunkende jongeling, met neergeslagen oogen en bevende stappen zijn geleider, voor wiens zedelijk overwicht hij zwichtte, naar het achterhuis volgde.

Ik, en verscheidenen onder de aanwezigen met mij, vergezelden hen naar de kamer, waar Klaartje op het doodbed lag uitgestrekt en waar zich, tot mijn blijdschap, Sander niet meer bevond. Waarschijnlijk had hij zich, op het hooren der naderende voetstappen, door het open venster verwijderd. Aan de bedstede gekomen, sloeg Helding het dekkleed op, en de ziellooze gelaatstrekken zijner dochter aan Lodewijk vertoonende: ‘aanschouw uw slachtoffer!’ zeide hij.

Lodewijk stond een oogenblik als verplet: zijn gelaat was doodsbleek, zijn lippen blaauw, en zijn oogen rolden hem wild door ’t hoofd. Hij vermande zich eindelijk, en, mij een woedenden blik toewerpende: ‘het is aan u,’ zeide hij, ‘dat ik dit alles verschuldigd ben. Maar ik zal het u betaald zetten.’ –

– ‘Aan wie wilt gij mij overleveren?’ vroeg ik, hem met verachting aanziende.

– ‘Vervloekt!’ riep hij, stampvoetende: en zich met een heftige beweging van den arm van Helding losrukkende, verliet hij de kamer en de herberg.

Na zijn vertrek bleef ik insgelijks niet langer, dan noodig was om met Helding en de vrouw des huizes de noodige schikkingen voor de begrafenis te maken, en begaf mij toen naar het Raadhuis, waar de Schepensbank reeds vergaderd en Heynsz met zijn gevangene heen getrokken was. Terwijl men alhier beraadslaagde, kwam de bagaadje van van Lintz van het vaartuig terug: en kort daarna meldde zich iemand bij Heynsz aan, dien ik terstond voor een der boden van mijn vader herkende.

– ‘Gelukkig, dat ik u vinde, Sinjeur!’ zeide hij, zich met Heynsz een weinig ter zijde begevende: ‘UEd. kon nog naauwlijks Pampus uit zijn, toen Z.E. Gestrenge, ten gevolge van berichten, uit den Haag ontfangen, mij gelastte u te gaan opzoeken. Hier is de brief.’ –

Heynsz had dien naauwlijks gelezen, of hij riep mij ter zijde: ‘dit verandert de zaak merkelijk, zeide hij: ‘Z. Ed. Gestr. gelast mij, zoo ik in handen krijge den Heer van Lintz, hem te houden in custodie tot nader order, en alleen op te zenden de papieren, die bij hem gevonden worden.’ –

– ‘Dat is een goed teeken voor den Heer van Lintz,’ zeide ik: ‘het bewijst, dat men het in den Haag nog niet eens is, of men hem houden wil.’ –

Heynsz ging terstond den bekomen last aan Schepenen mededeelen, en hun verzoeken, hem in het uitvoeren daarvan behulpzaam te zijn. Zij bewilligden gereedelijk in den voorgestelden maatregel van bewaking, waardoor hun voorgewend privilegie voor als nog ongeschonden bleef, en er werd een tijdelijke verblijfplaats voor den Heer van Lintz en zijn dochter aangewezen; terwijl diens bagaadje onderzocht en zijn papieren, na behoorlijk verzegeld te zijn, met een geleidenden brief van Heynsz aan mijn vader, waar ik er zelf een bijvoegde, aan den bode ter hand werden gesteld, die een paar uur later weder onder zeil ging.

Het eerste voornemen van den Drost was geweest, van Lintz in de gewone gevangenis van Ter Schelling te doen bewaren; maar Heynsz, de middelen van voorzorg en bewaking, die het eiland aan mocht bieden, weinig vertrouwende, had beter gëoordeeld, den gevangene zijn woord als edelman aftenemen, dat hij niet ontsnappen zoude, en op deze belofte gerust, hem met zijn dochter logies bezorgd bij een der gegoedste ingezetenen, waar wij nu dien dag gezamentlijk het avondeten gebruikten. Op het nagerecht ontfing ik een met potlood geschreven briefje van Sander, waarin deze mij verzocht, mijn belofte ten aanzien van den brief van aanbeveling aan Holmfeld gestand te doen, zeggende mij den volgenden morgen te zeven ure bij de meest noordelijke lantaarn te zullen wachten.

Ik verscheurde dit briefje terstond na de lezing en bleef eenige oogenblikken in gedachten. – ‘Ik hoop,’ zeide van Lintz, ‘dat dit geen cartel van den Heer Blaek is? – Wacht u voor dien man: hij ware niet te goed om u zonder waarschuwing overhoop te schieten.’ –

– ‘Neen,’ zeide ik: ‘dit briefje is niet van hem; maar echter het vordert van mij, dat ik mij iets vroeger van hier verwijdere, ten einde het antwoord gereed te maken.’ –

Dit gezegd hebbende rees ik op en verliet het vertrek. Aan de voordeur gekomen zag ik, dat Amelia mij volgde. ‘Doe geen moeite,’ zeide ik, ‘ik zal er wel uitkomen?’ –

– ‘Mijn Heer Huyck!’ zeide zij, met een bevende stem: ‘Vergeef mij mijn vrijpostigheid; maar ik ben zoo gewoon geraakt, altijd het ergste te vreezen. Is dit briefje wezenlijk niet van den Heer Blaek?’ –

– ‘Ik ben gevoelig aan uw belangstelling,’ zeide ik: ‘maar ik verzeker u dat uw vrees zonder grond is:’ en ik gaf haar in korte woorden te kennen, wat het geval was.

– ‘De Hemel zij gedankt!’ hernam zij: ‘ik herinner mij dien Sander wel, en den noodlottigen naam van Pedro Negro, dien wij hem gaven, en dien hij naderhand, hoor ik, maar al te berucht heeft gemaakt. Er zat een goede aart in den man: en God geve, dat hij zijn vroegere verkeerdheden door een verbeterd levensgedrag uitwissche.’ –

Ik keerde naar de herberg en schreef den brief, dien ik Sander beloofd had, waarna ik mij ter rust begaf, met last dat men niet verzuimen zoude mij te wekken. Den volgenden morgen was ik dan ook vroegtijdig op de been, en de aanbiedingen afslaande van Pulver en van Helding, die mij vergezellen wilden, begaf ik mij naar de bestemde plaats.

Het was een fraaie morgen: de wind was naar het Zuiden omgeloopen, en deze gelegenheid werd te baat genomen, zoowel door enkele koppels vinken en bontekraaien, die mij over ’t hoofd vlogen, aankondigende dat het najaar gekomen was, als door ettelijke vaartuigen, die, de ree van ’t Vlie verlaten hebbende, noordwaart opstevenden; maar niet weinig was ik te leur gesteld, toen ik bemerkte, dat ook de Kjöbenhavn het anker gelicht had, en met uitgespannen zeilen het zeegat uitstevende. Kapitein Holmfeld had zeker niet langer durven vertoeven, en nam nu ook de laatste hoop van Sander met zich mede.

Welhaast had ik het duin bereikt, waarop zich de vuurbaak verhief: een eenvoudige, van ruwe balken saamgestelde toestel, en welken men beklom langs een op verscheiden plaatsen van sporten ontbloote ladder. Ik zag om mij heen, of ik Sander ook ergens gewaar werd; maar hij kwam niet opdagen. Langen tijd wandelde ik op en neder: eindelijk werd ik ongeduldig: ik begon te vermoeden, dat ook hij het Deensche schip had zien wegzeilen, en, geen trek hebbende, den morgen hier door te brengen, besloot ik, weder naar het dorp te keeren.

Ik had ongeveer de helft van den terugtocht afgelegd, toen het mij voorkwam, dat ik in de nabijheid een geluid hoorde, als van iemand, die angstig steunde. Ik zag rond en ontdekte, in een laagte tusschen de duinen, een voorwerp, dat mij, voor zooveel de struiken mij toelieten te zien, een menschelijk lichaam toescheen. Ik snelde derwaart heen, en nog na zoovele jaren gaat er een huivering door mijn leden, bij de gedachte aan het schouwspel, dat zich aan mijn oogen voordeed.

Op het naakte zand lagen twee lichamen uitgestrekt: het eene was dat van Sander: hij lag op den rug: de doodskleur was op zijn gelaat verspreid, en zijn bloed, dat tappelings uit een aan ’t hoofd bekomen wond vloeide, vormde een rooden plas op den barren grond. Dwars over hem heen lag Lodewijk Blaek, met het aangezicht in het zand en een pistool naast hem op den grond.

Met een kreet van ontzetting trad ik nader en keerde het lichaam van dezen laatste om. Zijn hembd en vest waren stijf van bloed; en zijn trekken als die eens dooden; maar een pijnlijke zucht, die hem bij deze beweging ontsnapte, kondigde mij aan, dat het leven hem nog niet verlaten had, en redding misschien mogelijk ware. Ik rukte hem het hembd open, zag dat hij een diepe wond in de borst had en hield er mijn zakdoek voor, om de bloedvloeijing zoo mogelijk te stelpen. Wat Sander betrof, hij was reeds koud en had blijkbaar den adem uitgeblazen. Het bebloede mes, waarmede hij zijn weerpartij waarschijnlijk verwond had, was aan zijn hand ontvallen.

Onwetend, wat te doen, den gewonde niet willende verlaten, en toch buiten staat, hem zonder hulp te vervoeren, sloeg ik de oogen rond om te ontdekken, of zich ook een levend wezen in de nabijheid opdeed, toen ik plotslings, op een kleinen afstand, vlak voor mij iemand gewaar werd, die mij met aandacht scheen gade te slaan. Zijn aanblik verwekte in het eerste oogenblik dien indruk op mij, welken het staroogen der slang op den onschuldigen vogel te weeg brengt: ik had Andries herkend. Mijn volgende beweging was, het mes van Sander op te vatten, om mij des noods tegen een aanval van dien schelm te verdedigen. Maar wat hem betrof, hij keerde zich om, zonder een woord te spreken, en liep, onder het geschreeuw van ‘moord! moord!’ naar den kant van het dorp toe. Ik stond op: en zag terzelfder tijd Pulver en Helding, die met drift kwamen aanloopen.

– ‘God beware ons! Wat is hier geschied?’ vroeg de laatste.

– ‘Wij zijn toch nog niet tijdig genoeg gekomen om een ongeval te verhoeden,’ zeide Pulver: ‘benje ook gekwetst, Patroon?’ –

– ‘Raak de doode lichamen niet aan, mijn Heer Huyck!’ riep Helding, die op dit stuk met het gewone vooroordeel behebt was: ‘daar komt nooit eenig goeds van.’ –

– ‘Maar wie heeft dat toch gedaan?’ vroeg Pulver.

– ‘Ja! Wie heeft dat gedaan?’ vroegen nu onderscheidene stemmen: en eenige eilanders, wier getal meer en meer aangroeide, verzamelden zich om de plek, doch altijd, ten gevolge van hetzelfde vooroordeel, op zekeren afstand blijvende. Ik zag, dat sommigen het hoofd schudden, mij schuins aanzagen en elkander met den elboog aanstootten of toewenkten.

– ‘Helpt mij toch, om deze ongelukkigen naar het dorp te brengen,’ zeide ik: ‘de eene leeft nog.’ –

– ‘Wij zullen wachten, dat de Drost komt – wij zullen er geen hand aanslaan – of wij mal waren? om een lijk aanteraken en zoo doende den boedel te aanvaarden,’ – mompelden de omstanders.

– ‘Zij hebben elkander vermoord,’ zeide ik, den vragenden blik van Pulver bëantwoordende: ‘dat lijdt geen twijfel.’ –

– ‘Nu ja! – dat zal de Drost wel beslissen,’ – hernamen de dorpelingen: en ik zag, dat hun blikken gevestigd waren op het mes, dat ik in de hand hield.

– ‘Hij doet wel, dat hij de schuld aan de dooien geeft,’ mompelde Andries, die mede onder den hoop was teruggekeerd: ‘dooien spreken niet tegen,’ denkt hij: ‘hij is zoo leep als het hout van de galg.’ –

Ik zag, dat ik algemeen van den moord verdacht werd gehouden: mijn toestand was alles behalve aangenaam: ik begreep echter, alvorens mij te verdedigen, nogmaals een beroep op hun menschlievendheid te moeten doen. ‘Vrienden!’ riep ik, Lodewijk half oprichtende: ‘deze leeft nog. Wilt gij hem zonder hulp laten sterven?’ –

– ‘Wacht!’ zeide Pulver: ‘ik zal u helpen, Patroon. Als hij nog niet naar zijn grootje is, is er geen gevaar bij.’ –

– ‘En ik ook,’ zeide Helding: ‘ofschoon hij het juist aan mij niet verdiend hebbe; maar ik heb te veel verplichting aan mijn Heer Huyck, om hem alleen in den steek te laten.’ –

Op dit oogenblik kwam Doedes met Reynszen en eenige andere notabelen aangeloopen.

– ‘Hm!’ riep de eerste: ‘twee lijken? – Moord gepleegd? – door wien?’ –

Allen zwegen: een der aanwezigen wees op Andries en zeide: ‘die man is ons komen roepen.’ –

– ‘Ja!’ zeide Andries, mij aanziende: ‘ik zal geen grooteluiskinderen betichten, zoo min als met een kotter een Admiraalschip aanzeilen; – maar wanneer men een bebloed mes in de hand houdt…’ –

– ‘Menschen!’ riep ik, met een krachtige stem: ‘gelooft dien man niet: hij is een schelm, een straatroover, van wien gij u verzekeren moest. Ik ben hier gekomen, toen zij beide op den grond lagen: – dit mes behoorde aan den doode; – doch verliest geen tijd in onnut gepraat: – de Heer Blaek is misschien nog te redden.’ –

– ‘Hm!’ zeide Doedes, het hoofd schuddende: ‘de Heer Blaek uw vriend niet – vroeg uitgegaan – tweegevecht – hm! – nog te redden?’ en te gelijk naderende, onderzocht hij de wond: ‘hm!’ zeide hij: ‘snijdend werktuig diep ingedrukt,’ en toen mij aanziende: ‘dat mes, hm!’ – Ik gaf het hem: ‘wond met dit mes toegebracht – vena jugularis – kraakbeen gekwetst – langzame genezing – spoedig vervoeren.’ – Onder het spreken haalde hij zijn gereedschappen voor den dag en legde een haastig verband; waarna hij zich bij Sander begaf en diens wond peilde: ‘hm!’ zeide hij: ‘kogel in ’t herssenvlies – dood als een pier – hm! – vulnus letale .’ –

Hiermede besloot hij zijn lijkschouwing en begaf zich met Reynszen en nog twee of drie andere der met hem gekomen notabelen op zijde. Hun gesprek was kort en levendig: ik zag, aan de blikken, die zij naar mijn kant wierpen, dat ik daarvan het onderwerp was. Na den afloop daarvan, trad Doedes naar mij toe en zeide:

– ‘Gij ons volgen – u verantwoorden.’ –

– ‘Dat wil ik gaarne doen,’ zeide ik: ‘maar gij zult toch geen geloof hechten….’ –

– ‘Ja!’ zeide Reynszen, het hoofd schuddende: ‘’t zou mij van mijn Heer spijten: maar er is een zware praesumtie – UEd. was geen vriend van den gewonde.’ –

– ‘Benje dol?’ vroeg Pulver: ‘mijn Heer Huyck voor een moordenaar aan te zien!’ –

– ‘Goed recht geven,’ zeide Doedes: ‘geen aanzien des persoons – hei wat!’ vervolgde hij, ziende, dat Andries zich verwijderde: ‘die man blijven – meê gaan – getuigenis afleggen.’ –

– ‘Zorg, dat hij niet ontsnappe,’ zeide ik: ‘hij is de vent, waar ik met den kastelein over sprak, – de man, die plan had, het pakhuis te berooven.’ –

Men verzekerde zich van Andries en plaatste Lodewijk op een burrie, die inmiddels was aangebracht. Terwijl dit geschiedde, opende hij de oogen, zag rond en vroeg met een naauwlijks hoorbare stem: ‘waar ben ik?’ –

– ‘Nu zult gij allen de waarheid hooren!’ riep ik verheugd uit! ‘Blaek! om ‘shemels wil! zeg ons: wie was uw moordenaar?’ –

De gewonde zag mij een poos sprakeloos aan, als wilde hij zich bedenken, terwijl zich de omstanders in gespannen verwachting om ons heen drongen, ten einde de woorden van zijn lippen op te vangen. Op eens scheen hij zich te bezinnen, een boosaartige glimlach vertoonde zich op zijn gelaat, en mij scherp aanziende: ‘gij,’ zeide hij.

– ‘Ellendige!’ riep ik: ‘wilt gij met een leugen de eeuwigheid ingaan?’ –

Een diepe stilte volgde bij de aanwezigen. Reynszen zag mij met een medelijdenden blik aan, terwijl hij de schouders ophaalde, als wilde hij zeggen: ‘gij hoort het.’ Pulver zuchtte en beet op zijn vingers; Helding stond als versuft: hij drukte mij de handen, terwijl hem de tranen uit de oogen sprongen. Wat mij betreft, ik was zoodanig door de beschuldiging verplet, dat ik geen woord meer kon uitbrengen, en werktuigelijk mij op weg begaf in den trein, die nu met den gekwetste en den doode langzaam naar het dorp trok.

DigitalDroom Reader

Hoofdstuk XXXVIII

XXXVIII / XXXIX

De maar van het gebeurde was ons reeds vooruit-geloopen en het was niet dan met moeite dat wij ons een weg konden banen door de gandsche bevolking van het dorp, welke dit voorval op de been bracht. Geen oud wijf was aan ’t spinnewiel en geen kind op school gebleven: en alles was nieuwsgierig om te zien, hoe een Amsterdamsch rijkeluiskind werd opgebracht, omdat hij een anderen Heer had overhoop gestoken. Lodewijk werd in het huis van Doedes gevoerd, alwaar hij de noodige verpleging onderging: terwijl men Andries en mij op het Raadhuis bracht. Hier moesten wij wachten, tot de bijeengeroepen Schepenen in genoegzamen getale vergaderd waren om mij een voorloopig verhoor aftenemen. Eindelijk werd ik tusschen twee gerechtsdienaars binnen gebracht, en vond de Schepensbank vergaderd, aan wier hoofd vriend Reynszen in volle achtbaarheid gezeten was; die mij nu gelastte een verhaal van mijn wedervaren te doen.

Toen ik dit naar waarheid verricht had, werd Andries binnengeroepen.

– ‘Hebt gij iets op dezen getuige aan te merken?’ werd mij gevraagd.

– ‘Zeer veel!’ zeide ik: ‘hij is een erkende straatroover: en zoo men Heynsz laat roepen, zal deze mijn gezegde bevestigen.’ –

– ‘Wel mogelijk!’ bromde Doedes, die, aan het eene einde der tafel gezeten, zich vast de handen wreef van blijdschap over de belangrijke beschuldiging die hij te vervolgen had: ‘Heynsz een bemoeial – geen bewijs tegen dien getuige – voortgaan!’ –

– ‘Wij zullen den gëaccuseerde acte verleenen van zijn wraking,’ zeide Reynszen, met een deftigheid, die mij verbaasde: ‘en inmiddels voortgaan met den getuige te examineeren. Andries Matthijssen! wat hebt gij te deposeeren?’ –

Andries gaf hierop een verhaal, hetwelk niet dan een aaneenschakeling van leugens behelsde: hij had, zeide hij, een pistoolschot gehoord en was daarop komen aangieren: bij het naderen had hij Sander op den grond zien liggen en mij bezig gevonden met den Heer Blaek te worstelen, welken laatsten hij na een kort gevecht had zien vallen; waarop hij dadelijk hulp was gaan roepen.

Ik maakte geen aanmerking op deze getuigenis; maar vergenoegde mij de schouders op te halen en bij mijn vroegere verklaring te volharden. Nu werd Pulver binnen geroepen en insgelijks ondervraagd.

– ‘Ja!’ zeide hij: ‘ik weet van het geval niet anders te vertellen, als dat, toen ik er met Sinjeur Helding bijkwam, wij Sandertje achterover op den grond zagen liggen, als of hij zonshoogte nemen wou, en den Heer Blaek, dwars over hem heen, terwijl de Patroon er bij stond, als iemand, die geen raad weet. Maar dat hij part of deel aan het geval zou hebben, dat kan ik op al de waereld niet begrijpen.’ –

– ‘Hm!’ zeide Doedes: ‘uw opinie niet gevraagd – deposeeren – meer niet.’ –

– ‘Maar,’ vroeg Reynszen aan Pulver: ‘hoe kwaamt gij daar aan het duin met uw makker?’ –

– ‘Wij waren uitgegaan, om den Heer Huyck te zoeken, over wiens lang wegblijven wij ongerust begonnen te worden,’ antwoordde Pulver, in zijn eenvoudigheid.

– ‘Er was dus reden, om ongerust te wezen? Gij hadt dus vermoedens, dat zijn afwezenheid met verkeerde oogmerken gepaard ging?’ –

– ‘Dat is te zeggen,’ antwoordde de goede Schipper, verlegen: ‘de Patroon had gisteren een kartebelletje ontfangen; en wij waren bang of het ook van den Heer Blaek ware en of er altemet… in een woord – wij waren wel bang, dat zij mekaêr reis in ’t vaarwater zouen zitten.’ –

Ik voelde een koude rilling door mijn leden varen; want ik begreep, welke gevolgtrekking men uit deze verklaring trekken zoude.

– ‘Hm! hm!’ zeide Doedes, met een zegepralenden blik rondziende: ‘de zaak opgehelderd – klaar als de dag – hm!’ –

Helding, die na Pulver optrad, verklaarde in substantie hetzelfde als deze, en voegde er tevens het een en ander bij, betreffende de redenen van vete, welke Sander tegen Lodewijk Blaek kon voeden; en welke het niet onwaarschijnlijk maakten, dat er tusschen deze beiden een gevecht had plaats gehad. Zoowel hij als de Schipper werden ondervraagd of zij het ten processe overgelegde mes herkenden, als mij behoord te hebben. Beide betuigden, het nimmer te hebben gezien.

De laatste getuige, die gehoord werd, was schijnbaar in mijn voordeel. Het was een visschersknaap, die deposeerde, dat hij den avond te voren, van iemand, die naar zijn beschrijving volkomen met Sander overeen kwam, een briefje had ontfangen, met verzoek het aan mij te overhandigen, voor welke boodschap hij een stuiver genoten had.

– ‘De Heeren zien dus,’ zeide ik, ‘dat deze depositie met mijn verhaal overeenkomt, en dat ik naar het duin was gegaan om Sander Gerritz te zoeken. Hier is bovendien de brief, dien ik ten zijnen behoeve aan Kapitein Holmfeld geschreven had.’ –

– ‘Hm ja!’ zeide Doedes: ‘afspraak met den gedecedeerde – den Heer Blaek aan te vallen – aan Sander een brief – hem uit de voeten helpen na perpetratie van het feit – slim overlegd – hm!’ –

– ‘Als men aan al mijn daden een verkeerde uitlegging wil geven,’ zeide ik, terwijl mij het bloed naar ’t aangezicht steeg.

‘Hm!’ hernam Doedes, een boek, ’t welk hij had medegebracht, opnemende en aan Schepenen toonende: ‘gelijk staande casus – Consultatiën en Advysen, Deel I. bladz. 650 – depositie van den gekwetste – getuige bij avonture reprochabel – de geculpeerde gezien met een mes in de hand duo visi rixari et unus vulneratus – concurrerende indicia – in alles gelijkstaande – en dus: Gerechtigd te contenderen,’ – hier rees hij op, en zeide met meerdere stemverheffing, als iemand, die ambtshalve een eisch doet: ‘dat de gevangen zal worden getorqueerd ter discretie van den Rechter ende alzoo tot scherper examen gehracht.’ –

– ‘Getorqueerd!’ herhaalde ik terwijl mij het bloote denkbeeld sidderen deed: ‘gij wilt mij toch niet ter pijnbank brengen op deze bloote praesumtie; – want, mijne Heeren! de getuigenis van den gekwetste is extra judicium gegeven en kan in dit oogenblik niet tegen mij worden aangevoerd: hij moet zich bedrogen hebben, en niet geweten, wat hij zeide. Hij zal, zoo hij geneest, hetgeen God geve, zijn verklaring herroepen, daar is geen twijfel aan.’ –

– ‘De gëinculpeerde heeft gelijk,’ zeide de Voorzitter: ‘en bovendien, Heer Drost! wij weten nog niet, waar gij hem van beschuldigt, van moord of van bloote verwonding. – Wij zullen daarom de zaak voor alsnog suspendeeren en bevel geven, den gëinculpeerde te incarcereeren, tot hij nader gemandeerd wordt. Ook de getuigen moeten zoo lang hier blijven, tot zij nader gehoord kunnen worden.’ –

Met deze woorden werd de zitting opgeheven, en ik naar de gevangenis gebracht. Dergelijke localen zijn zelden zeer geriefelijk en de Ter Schellingsche kerker maakte geen uitzondering op den algemeenen regel: het was een klein en vochtig vertrek, met naakte wanden, en dat tot eenig ameublement eene tafel had, waar slechts drie pooten meer van in wezen waren, een stoel met gebroken zitting en een houten brits, die alle blijken droeg van veeljarige dienst.

Alleen gelaten zijnde, ging ik zitten en zocht mijn denkbeelden bijeen te zamelen; want de doorgestane ontroering, schrik, en angst hadden mij in een staat van verwarring gebracht, waarin mij al hetgeen mij was overkomen als een bange vreesselijke droom toescheen; maar het duurde een geruime poos, eer ik tot een recht besef van mijn toestand geraakte. Eindelijk echter gelukte het mij te bedaren: en nu stond de verschrikkelijke waarheid mij in al haar naaktheid voor de oogen. Ja! ik was hetzelf, ik Ferdinand Huyck, de zoon van den Hoofdschout, op wien het gewicht eener kapitale beschuldiging rustte: tegen wien zich zulke ontzettende verdenkingen verhieven: en, had ik in den aanvang de zaak licht geteld, en vertrouwd op het bewustzijn mijner onschuld, ik zag nu in, dat er krachtige gronden zouden moeten bijgebracht worden om de tegen mij aangevoerde bewijzen te ontzenuwen. En dan dacht ik aan mijn ouders: aan mijn brave moeder, wier zwak gestel de tijding niet zou weerstaan, dat haar zoon van zulk een misdaad verdacht werd gehouden: – aan mijn vader, die zijn leed met het Stoïcisme, dat hem kenmerkte, verkroppen, maar later des te meer bezuren zoude: en dan, de kwellende gedachte, dat ik hen zelfs niet van mijn onschuld overtuigen kon! – dat zij door een derde, die de zaak wellicht vergrooten of in een ongunstig daglicht stellen, van het gebeurde onderricht zouden worden: dat zij wellicht den naam zouden vloeken van den zoon, die hun grijze hairen met schande bedekte… dat alles was schrikkelijk: het deed mij het bloed in de aderen terug krimpen en het koude zweet door alle poriën uitbersten.

Nu wilde ik schrijven; maar daartoe ontbraken mij de middelen en niemand bëantwoordde mijn geroep: ik was alleen en – verlaten – zonder toegang. Ik zag mij verplicht te wachten, tot mijn bewaarder kwam, en dan was het nog de vraag, of mijn verzoek zoude worden ingewilligd; want ik hing van de grillen van Meester Doedes af en ik had reeds genoeg bespeurd, dat hij er verre af was van mij genegen te zijn.

Eindelijk, na uren, pijnlijk doorgebracht, zag ik de deur van mijn kerker opengaan en werd ik aangenaam verrast door het binnentreden van Heynsz. ‘Goddank!’ riep ik, zoodra ik hem zag: ‘ik ben dan nog niet geheel verlaten.’ –

– ‘Mijn Heer Huyck! mijn Heer Huyck!’ zeide hij, zoodra ons de sluiter alleen gelaten had, met een bedenkelijk gezicht: ‘dat is een geval voor mij, te zien den zoon van uw vader in zulk een ongelegenheid!’ –

– ‘Niet waar?’ vroeg ik, hem de hand toestekende: ‘gij gelooft niet aan mijn schuld?’ –

– ‘ Ma foi! ’ antwoordde hij: ‘alle praesumtie is tegen u: en er zouden in waarheid zijn termen, om u te appliceeren de torture; maar ik begrijp niet, waarom UEd. niet bekent; want ik veronderstel, gij hebt toegebracht die wond in cas van zelfdefensie.’ –

– ‘Hoe! ook gij zijt tegen mij?’ riep ik, met bittere teleurstelling.

– ‘Wat zal ik zeggen? Twee getuigen tegen u!…’

– ‘Waarvan de eene mijn vijand, en de andere een schurk is.’ –

– ‘Ja, die Andries! – nu die zal er niet afkomen zeer gemakkelijk; want, vrijplaats of niet, hangen zal hij: maar waarom, uit wat reden, zoude hij u bezwaren?’ –

– ‘Redenen genoeg: vooreerst uit ingeboren kwaadaartigheid: ten tweede omdat ik de zoon van den Hoofdofficier ben: ten derde, omdat hij een oude vete tegen mij heeft; – want zonder den Heer van Lintz had ik eens zijn mes in mijn ribben gevoeld.’ –

– ‘Goed! – de Heer van Lintz kan gehoord worden: – maar nu de Heer Blaek, zoude die zoover drijven de slechtheid om u valsch te betichten van hem vermoord te hebben… ’t Is mogelijk; maar dat is gruwzaam!’ –

– ‘Ik moet nog geloven,’ zeide ik, ‘dat zijn beschuldiging het gevolg is, of van een verzinning, of van een onwillekeurige gemoedsopwelling, en dat hij, zoo hij in ’t leven blijft, die wel weder zal intrekken.’ –

– ‘Dat geloof ik niet,’ zeide Heynsz: ‘want hij is beter en heeft toch niet ingetrokken zijn verklaring: maar integendeel die bevestigd met nadere omstandigheden.’ –

– ‘Welnu!’ hernam ik: ‘in dat geval ben ik overtuigd, dat zijne depositie met die van Andries moet variëeren.’ –

– ‘Dat doen zij ook,’ zeide Heynsz: ‘ik heb die gelezen, allebei; want, gezegd tusschen ons, Reynszen is een verstandig man, die wel hooren wil naar raad en niet is een dwarshoofd als die Doedes: en hij heeft in dit geval geraadpleegd mijne ondervinding: ook heb ik te danken aan hem, dat ik heb bekomen permissie om u te bezoeken; want de Drost wilde u houden buiten acces; hij is wat in de drokte, die Meester Doedes: een belangrijke casus als deze: doodslag en verwonding: en tot patiënt om te verzorgen een rijken Amsterdammer, dat is te veel plaizier op eenen tijd voor een man als hij.’ –

– ‘Ik geloof het wel,’ zeide ik: ‘maar nu de depositiën?’ –

– ‘Aha ja! – Wel dan: de Heer Blaek vertelt, dat hij van u ontfangen heeft een cartel om te vechten in duel op het duin: dat hij, daar gekomen zijnde, is gëattakeerd door u en Sander, en dat hij ontfangen heeft van u een steek met een mes, op het oogenblik dat hij, om te defendeeren zijn leven, door het hoofd schoot Sander: – of liever Zwarte Piet; – want het blijkt, dat het deze gevreesde gaauwdief is geweest, die ter dezer gelegenheid is omgekomen. – Andries vertelt daarentegen…’ –

– ‘Ik heb de depositie van dezen laatsten gehoord,’ viel ik in: ‘maar in allen gevalle volgt uit beider verklaring, dat Sander door Blaek is gedood, en dan is deze laatste insgelijks als getuige reprochabel, daar hij zelf ter verantwoording over een doodslag zal geroepen moeten worden.’ –

– ‘’t Is juste! en dit heb ik al gezegd aan Reynszen. ’t Is dood jammer, dat UEd. zijt getreden in de negotie en niet zijt geworden Advocaat; want UEd. saisisseert de punten van defensie juist als ’t behoort; maar ma foi! al had UEd. in drift of anderszins overhoop gestoken die canaille van een Blaek, ik zoude er UEd. niet te minder om achten.’ –

– ‘Maar ik herhaal u, dat mijn handen zuiver zijn van zijn bloed, en…’ –

– ‘Ik geloof u, mijn Heer Huyck! Ik geloof u – en zoo ik straks sprak anders, het is, omdat ik zoo ben gewend: wanneer men tegen een geculpeerde spreekt, moet men altijd beginnen te veronderstellen de schuld: anders komt men nooit achter de waarheid… maar dat daargelaten. Hoe kan ik van eenige dienst zijn aan UEd.?’ –

– ‘Kan ik geen schrijftuig bekomen? Ik wenschte zoo gaarne mijn vader kennis te geven van dit ongelukkige voorval eer hem zulks van een andere zijde ter ooren komt.’ –

– ‘Ik vrees, dat men u daartoe niet zal geven de permissie,’ zeide Heynsz, het hoofd schuddende: ‘maar laat mij over, te verrichten die onaangename taak. Ik zal Z. Ed. Gestr. voorbereiden op een voorzichtige wijze en het voorstellen bij provisie als een zaak, waar UEd. slechts in gemoeid zijt en waarbij het onzeker is of UEd. als getuige of als geculpeerde zult paraisseeren. Ik zal wel geven een goede kleur aan de zaak: wees gerust.’ –

Helaas! ik was zeer verre van gerust te zijn, of een onbepaald vertrouwen te bezitten op den gelukkigen briefstijl van Heynsz en op zijn voorzichtigheid en zijne wijze van de zaak voor te dragen. Ik moest echter wel berusten: er was niets anders aan te doen.

– ‘UEd. is hier slecht gelogeerd,’ zeide hij, nadat wij het voormelde punt hadden afgehandeld: ‘ik zal daarover spreken met Reynszen. Er is geen reden om te behandelen als een slechten boef iemand, die wel in staat is te betalen een goed logies. – Maar à-propos! ’ zeide hij: ‘eer ik het vergeet, ik moet UEd. de groete doen van den Heer van Lintz, van zijn dochter en van den armen Helding. Ik weet niet, wie bedroefder is van de twee over uw geval, de oude poëet of de jonge Juffer. De eerste doet niets als schelden en razen en de laatste is als een wanhopig mensch en beschuldigt zich zelve van de oorzaak te zijn van al deze ellende.’ –

– ‘Amelia? – Zij is toch waarlijk geheel onschuldig aan het voorgevallene.’ –

– ‘ Ma foi! ’ zeide Heynsz, glimlagchende: ‘niet zoo geheel en al. Had zij niet in de oogen gestoken den Heer Blaek, deze haar niet had achterna gevolgd en was niet aangekomen hier: – enfin! het eene is een gevolg van het andere.’ –

– ‘En Kaptein Pulver?’ vroeg ik.

– ‘O ho!’ die ware al gegaan naar Amsterdam om zich te beklagen over de regeering van Ter Schelling, dat zij had de brutaliteit van u vast te zetten; maar ik heb hem gelukkig teruggehouden daarvan; te meer daar zijn getuigenis u wellicht kan zijn van dienst. – Maar ik moet u verlaten; want ik dien de gelegenheid waar te nemen, om te schrijven: – ik zal zorg dragen, dat UEd. ontfangt betere meubelen.’ –

Heynsz verliet mij en was zoo goed als zijn woord; want een uur later bezorgde men mij een bed met zijn toebehooren, benevens een tafel, stoelen, die, schoon niet nieuwerwetsch, echter bruikbaar waren, en mijn bagaadje. Ik zal hier geene beschrijving geven van de treurige nachten en verveelende dagen, welke ik sleet zonder dat zich eenige verandering in mijn toestand of eenig uitzicht voor de toekomst opdeed. De eenige verstrooijing welke ik had, bestond in de bezoeken van Heynsz, die mij tijdingen bracht van hetgeen er voorviel en van den toestand van Lodewijk. De wond van dezen scheen minder gevaarlijk dan men in den aanvang gedacht had; maar de gestadige koortsen, welke hem teisterden, hadden hem zeer verzwakt. Men vleidde zich echter, dat zijn jeugd en sterk gestel de kwaal zouden te boven komen. Ten opzichte van het gepleegde feit bleef hij echter dezelfde taal voeren en zijn vroegere depositie staven; zoodat mijn zaak nog geen betere wending scheen te nemen.

Het was op den zesden ochtend na mijn gevangenneming, dat, terwijl ik mijmerend voor mijn tafel zat en aan de mijnen dacht, ik de grendelen van mijn kerkerdeur hoorde openschuiven. Ik rees op, eenigzins verwonderd; want dit was het uur niet, waarop ik eenig bezoek verwachtende was: de deur ging open: iemand trad met drift binnen: en ik deed van verbazing een stap terug op het zien van Reynhove!’ –

– ‘Reynhove!’ riep ik: ‘u was ik wel het minst te verwachten.’ –

– ‘En ik had niet verwacht, ooit Ter Schelling te zullen zien,’ antwoordde hij: ‘en voorwaar niet om zulk een reden. – Arme vriend! gij zijt mager en bleek geworden: dit logies deugt u niets.’ –

– ‘En mijn ouders!.. weet gij iets van hen?… van waar komt gij?’ vroeg ik, in gespannen verwachting.’ –

– ‘Allen wel: – een half uur geleden hier gëarriveerd – rechtstreeks van Amsterdam – en met commissiën van allerlei genre – rechts en links.’ –

– ‘Gij komt van Amsterdam? – Hebt gij mijn vader gezien? – Weet hij, weet mijn goede moeder?…’ –

– ‘Stil… Een oogenblik! Gun mij den tijd adem te halen,’ zeide Reynhove, zich nederzettende en zijn paruik in orde schikkende: ‘ ma foi, ’ vervolgde hij, rondziende: ‘gij zijt hier niet te best gelogeerd: – nu – dat verstaat zich. – Uw vader is wel; ik ben bij hem geweest: hij poogt zich goed te houden en voor uw moeder te verbergen wat hier is gepasseerd; maar het goede mensch is toch in doodlijke inquiétude ; want zij merkt wel, dat er iets gaande is. – Enfin , het is een mal geval: en ik wilde wel om duizend kroonen, dat gij hier nooit heengetrokken waart.’ –

– ‘Mijn arme ouders!.. en zij houden mij toch niet voor schuldig, Reynhove?’ –

– ‘Gij vergeet wat ik u zeide, dat niemand iets van de ware toedracht der zaak soupçonneert, behalve alleen uw vader… maar laat mij u alles toch ordelijk verhalen.’ –

– ‘En mijn zuster?… En… de andere betrekkingen?’ –

– ‘Uw zuster is wel, en uwe Tantes ook, en Mejuffrouw Blaek ook – ofschoon zeer gesaisisseerd van dat fatale geval.’ –

– ‘Ik wil wel geloven,’ hernam ik, ‘dat de toestand van Lodewijk…’

– ‘Ja! en dan de dood van haar oom…’

– ‘Hoe!’ riep ik uit: ‘is de oude Heer Blaek dood?’ –

– ‘De waereld gëabandonneerd,’ zeide Reynhove: ‘en wel, zonder het appel aftewachten. – Maar zoo gij mij niet aan het woord laat, zult gij nooit iets naar behooren vernemen. – Antwoord mij eerst: wien denkt gij in mij te zien?’ –

– ‘Een vriend, naar ik hoop,’ zeide ik, eenigzins verwonderd over deze vraag.

– ‘Dat spreekt van zelfs; – maar, behalve dat? Gij raadt het niet?’ –

– ‘Ach!’ zeide ik: ‘denk toch, in welke omstandigheid ik mij bevind, en hoe weinig ik, zelfs tot onschuldige scherts, gestemd ben.’ –

– ‘’t Is waar: gij hebt gelijk. – Welnu! gij ziet in mij een gedelegeerde van Hunne Hoogmogenden, pas moins que – ça . Ik ben hier op een missie uit en begin mijn diplomatieke carrière .’ –

– ‘Ik wensch u geluk,’ zeide ik, zuchtende: ‘maar in ’s Hemels naam…’

– ‘Uw vader had gelijk,’ vervolgde Reynhove: ‘het werd tijd, dat ik eens iets anders deed als rijden en mij amuseeren. Ik heb zijn raad gevolgd en ben in politieke betrekking gekomen. – Hoor nu verder: een paar dagen na uw vertrek van Amsterdam, werd door de Heeren in ’s Hage, ten gevolge de voorspraak van den Russischen Gezant, met wien men gaarne goede vrienden wilde blijven, van een dringend advies van de Amsterdamsche regeering, en van de demarches, door ettelijke lieden van influentie gedaan, werd er goedgevonden, zeg ik, om primo den Heer van Lintz, dien gij kent, niet uitteleveren aan Spanje: en secundo, om hem niet als deserteur te beschouwen; waartoe dan ook bleken geene termes aanwezig te zijn, daar zijn acte van ontslag reeds, op een paar formaliteiten na, was opgemaakt voor zijn escapade met Mejuffrouw Reefzeil: – kort en goed: alle difficulteiten waren weggeruimd en het bevel van apprehensie moest gecontramandeerd worden. Ik werd door mijn vader gechargeerd, die goede tijding aan de Amsterdamsche regeering te brengen: – rechtuit gezegd; ik had mij zelven gëoffreerd om die boodschap te doen: ik wist, dat de tijding uw vader welkom zoude zijn – en bovendien – waarom zoude ik het nieeren? – er was nog een trekpleister, die mij naar Amsterdam en wel naar uw huis deed verlangen.’ –

– ‘Hoe!’ viel ik Reynhove in de reden: ‘hebt gij zulke gedachten in ’t hoofd?’ –

– ‘Uw zuster Susanna is een plaaggeest,’ antwoordde hij lagchende: ‘maar met dat al, ik zoude mij hoogst gelukkig rekenen, indien zij mij levenslang tot het doel van haar plagerijen wilde nemen: wij zouden zien, wie het langst het uit zoude houden. – Maar dat daargelaten; want ik heb ernstiger zaken te verhandelen. Ik vond uw vader aan ’t Stadhuis: de Heer Blaek ging juist van hem van daan en scheen alles behalve opgeruimd. Uw vader wilde, toen hij mij gesproken had, terstond een tweeden expres naar Ter Schelling sturen om bevel te geven, van den Heer van Lintz te libereeren: – eenen had hij er reeds weg gezonden, op een vroegere tijding, dat de zaak goed stond; – maar terwijl wij nog aan ’t praten waren, daar kwam de brief aan van Heynsz, waarbij werd gemeld, hoe Lodewijk was gewond en hoe men u als getuige bij de zaak hield.. ik zag den man verbleeken toen hij den brief las, en merkte terstond, dat er onraad moest zijn. Hij vermande zich echter en reikte mij met een kalm gelaat den brief toe. Ik ontstelde insgelijks over den inhoud; maar zag niet terstond alles door. ‘Die tijding zal den ouden Heer Blaek geweldig frappeeren,’ zeide ik: ‘maar ik begrijp niet, hoe uw zoon daarin gëimpliqueerd is’ – ‘Ik maar al te wel,’ antwoordde hij: ‘zij hebben elkander geprovoceerd – de eene is als het slachtoffer gevallen van dat noodlottig punt van eer: en de andere.. (o God! mijn Zoon!..) heeft de wraak der wet te duchten. O! mijn Heer Reynhove! ik ben een ongelukkig vader!’ – Ik had innig medelijden met den braven man en bood hem aan, zelf als expres naar Ter Schelling te gaan en te onderzoeken, hoe het met de zaak geschapen stond. Hij aarzelde eenige oogenblikken; maar nam eindelijk mijn propositie met dankbaarheid aan. Daar ik toch niet voor den avond vertrekken kon, ging ik eerst naar den Heer Blaek om hem het ongeval zjjns zoons te verhalen – mede voorwaar geen aangename commissie; – ik vernam, dat hij niet te spreken was, maar mij verzocht een uur later terug te komen. Ik voldeed aan het verzoek: – toen ik op den bepaalden tijd weder aan zijn huis kwam, was hij een lijk. – Hij had, naar men vermoedt, zich met vergif om ’t leven gebracht.’ –

– ‘Ontzettend! en wat kan de reden zijn?..’

– ‘Die is nog een raadsel: droefheid over het ongeval zijns zoons kan het niet geweest zijn; want dat kon hem nog niet bekend wezen; – maar dat zal zich wellicht later ophelderen. Henriëtte was radeloos, en onwetend wat te doen. Ik stuurde naar uw vader. Hij kwam, uw moeder kwam, Mejuffrouw Susanna kwam … in ’t kort – het was een tooneel vol desolatie en drokte. Op de schrijftafel van den overledene lag een toegelakte brief aan zijn zoon: dien vermoedden wij, dat licht over het geval zoude verspreiden: – enfin! hij moest kennis van het gebeurde dragen en ik zeilde dus naar dit eiland af met een driedubbele missie.’ –

– ‘En.. Mejuffrouw Blaek…?’ –

– ‘Zoo als ik u gezegd heb, zij is violent geschrikt – bedroefd… enfin! zoo als men bij dergelijke gevallen gesteld is. – Om kort te gaan: ik heb mij bij mijn komst alhier geadresseerd aan zekeren vent, die den naam van Doedes draagt, en een quibus in folio is.’ –

– ‘Ik ken hem, tot mijn ongeluk,’ zeide ik.

– ‘Welnu! Ik ben begonnen met aan hem en aan Heynsz het bevel voor te lezen, om den Heer van Lintz te libereeren: – vervolgens heb ik mij naar Lodewijk begeven, en hem, met permissie van dienzelfden Doedes, die mij zoowel een zotte Doctor als een zotte Drost toeschijnt, na behoorlijke praeparatie, het overlijden van zijn Heer Papa gecommuniceerd. Hij was, ’t is zonde dat ik het zeg, meer verbaasd dan bedroefd – enfin! hij scandaliseerde mij: en ik ben maar spoedig van hem af geloopen, na hem den brief te hebben gelaten, die, hoop ik, meer impressie op hem zal maken. Toen heb ik aan dien Doedes gezegd, dat ik u moest zien en spreken, en de vent heeft, met al zijn wijsheid en waan, het niet durven weigeren aan iemand, die zulk een mooien rok aan had, die hem een bevel van HH. HH. MM. bracht en die op zulk een hoogen toon tegen hem sprak. – En nu ben ik hier – en recht verdrietig, van u in zulk een gek parquet te zien; want ik hoor, dat het hier geen quaestie van een duel is, maar dat Lodewijk u van moord beschuldigt.’ –

– ‘Hij liegt, Reynhove! bij al wat heilig is, hij liegt.’ –

– ‘In dat geval is het een heel gemeene leugen, en hoop ik, dat hij tot inkeer zal komen. – Maar..’ –

Op dit oogenblik werd ons gesprek gestoord door een groote drokte aan de deur, die met gedruis open ging; terwijl Reynszen, Pulver, Helding, Heynsz en de Stokwaarder bijna allen gelijktijdig binnen drongen, en allen dooreen schreeuwden.

DigitalDroom Reader

Hoofdstuk XXXIX

XXXIX / XXXIX

– ‘De Heer Blaek verlangt u te spreken!’ riep Reynszen mij toe.

– ‘Hij zal bakzeil inhalen!’ schreeuwde Pulver.

– ‘Hij wil met geen leugen de eeuwigheid ingaan,’ zeide Helding.

– ‘De Heer van Lintz is al gewaarschuwd,’ riep Heynsz.

– ‘Mijne Heeren!’ zeide ik, opstaande: ‘wij kunnen wel allen te gelijk zingen; maar niet te gelijk spreken: ‘mag ik vragen, wat er is voorgevallen, of welke tijding gij brengt?’ –

– ‘Stil! Stil!’ zeide Reynszen, tegen de overigen, die op nieuw vooraan drongen: ‘zie hier het geval. De Heer Blaek heeft een brief van zijn vader ontfangen, die, God vergeve het hem, zich zelven verdaan heeft. Wat het geval recht is, weet ik niet; maar hij heeft verlangd, den geinculpeerde, benevens den Heer van Lintz en dien Heer’ (op Reynhove wijzende) ‘te spreken. Ik wensch van harte, mijn Heer Huyck! dat het tot uw voordeel zij; doch ik mag u nog met niets vleien. Wees zoo goed, mij te volgen.’ –

Er was geen bevel, waaraan ik met meer bereidwilligheid voldoen kon: ik kleedde mij, en, eenige oogenblikken later, waren wij allen aan het huis van Doedes, die ons aan de voordeur ontfing.

– ‘Hoe is het met den lijder?’ vroeg hem Reynszen.

– ‘Hm!’ antwoordde hij: ‘slechte symptomata – brief gelezen – flaauwtens gehad – gisteren nog drok en woelig – met alles ontevrede – harde bedden – slechte bediening – rijkeluisklachten, – en nu – stil – gedwee – mak als een lam – geen koorts – erger – zwakte – vriendelijkheid – mis – slecht afloopen.’ –

Wij volgden den Drost naar het vertrek van den zieke, alwaar zich de Heer van Lintz en zijn dochter reeds bevonden, die bij onze komst oprezen en mij Zwijgend de hand kwamen drukken. Na een stillen wedergroet wendde ik de oogen naar de bedstede des gewonden, en ik kon niet nalaten, ondanks de redenen van wrevel, die ik tegen hem voedde, een diep medelijden te gevoelen met den toestand, waarin ik hem terugvond. Dat kort te voren nog zoo forsch en moedig gelaat was geheel ingevallen: door het strakke vel schenen de beenderen heen, een akelige bleekheid was over het geheele wezen verspreid en de in hun kassen weggezonken oogen van allen glans beroofd. Hij lag achterover, en zoo onbeweeglijk, dat ik hem in het eerste oogenblik voor dood hield: hij scheen echter mijn nadering te bespeuren, draaide het hoofd even naar mij toe en herkende mij: een licht rood bedekte even zijn gelaat: hij wendde het hoofd nog verder om, totdat hij Doedes in ’t oog kreeg, en vroeg, met een flaauwe stem, of de Notaris nog niet gekomen was.

– ‘Notaris naar Midland’ – antwoordde Doedes: ‘boodschap gestuurd – komen als hij terug is.’ –

Dit verwijl scheen den lijder te hinderen: hij deed eenige moeite om zich in ’t bed op te richten: zijn bedoeling bemerkende, trad de oppaster, welke hem verzorgde, toe, en met behulp van deze gelukte het hem een zittende houding aan te nemen. Wij stonden intusschen allen met pijnlijk ongeduld te verbeiden wat de uitslag zijner mededeeling zoude wezen.

– ‘Mijne Heeren!’ zeide hij, met een flaauwe en bevende stem, die langzamerhand in kracht en vastheid toenam: ‘ik heb u verzocht, hier te komen. Ik voel, dat het spoedig… met mij gedaan zal wezen:.. en ik wil.. zooveel in mij is, herstellen, wat ik bedorven heb.’ –

Hier hield hij een oogenblik stil, als om nieuwe kracht tot spreken te vergaderen. Allen bleven wij hem zwijgende aanstaren, in gespannen verwachting.

– ‘Het eerste wat ik doen moet,’ vervolgde hij, ‘is, hier in tegenwoordigheid van den voorzitter van Schepenen en van den Drost, te verklaren, dat ik den Heer Huyck valschelijk heb beticht… en dat hij geheel onschuldig is aan de wond, die mij het leven kost.’ –

– ‘God zij gedankt!’ hoorde ik Amelia, met een flaauwe stem achter mij uitroepen, en mijn hart zeide haar dien uitroep na.

– ‘Hm!’ – zeide Doedes: ‘ confessio in articulo mortis: eerst zóó spreeken – nu weer anders – moord toch gepleegd – dader op ’t kerkhof?’ –

– ‘Dat zou je wel kunnen raden,’ mompelde Heynsz, ‘want Zwarte Piet is begraven, en zoo die het niet gedaan heeft, weet ik niet wie er aan zoude zijn coupabel.’ –

– ‘Och ja!’ zuchtte Helding: ‘op het kerkhof ligt hij naast mijn arm kind! – verleden Maandag heb ik hen beide ter aarde besteld. Zij zijn in den dood vereenigd, die levend van elkander gescheiden waren.’ –

– ‘Indien het den zieke niet te veel vermoeide,’ zeide Reynszen: ‘zoude hij wel eenige nadere inlichtingen aan de Justitie dienen op te geven; dan konden wij daar acte van opmaken.’ –

Lodewijk knikte met het hoofd ten teeken van goedkeuring, en Reynszen, zich aan een tafel zettende, maakte zich gereed zijn verklaring opteteekenen.

– ‘De Heer van Lintz,’ zeide Lodewijk, ‘zal zich herinneren, mij eenige woorden te hebben toegevoegd, nopens papieren, onder hem berustende, en welke invloed op mijn fortuin konden maken. Ik weet thands, dat die bedreiging niet ijdel was; – maar hierover nader. Genoeg, zij verontrustte mij – en dit was oorzaak, dat ik hier bleef, ten einde te zien, wat het gevolg daarvan zoude kunnen zijn. – Ik was ongerust, ongedurig, als gejaagd – ik begreep, dat ik in de bewuste zaak een weinig voordeeligen rol gespeeld had: – ik had uit blinde wraakzucht jegens den Heer van Lintz, uit haat en liefde (want ik weet niet hoe het gevoel te bestempelen, dat zijn dochter mij inboezemde) mij verlaagd om een handlanger der Justitie te worden – en zag te laat in, hoe verachtelijk mij zulks in aller oogen maken zoude: kortom! ik was wrevelig en vol spijt; maar, gelijk het gaat, ik beschuldigde iedereen behalve mij zelven, en vloekte op den Heer van Lintz, op mijn dwaze hartstocht, op Heynsz – maar bovenal op den Heer Huyck, wien ik als mijn doodvijand beschouwde. Ik was naar mijn boeier gekeerd; maar bracht de nacht slapeloos door, en keerde, zoodra het dag werd, naar wal, met een koppel pistolen voorzien, en van zins den Heer Huyck tot een tweegevecht uittedagen. Hem niet aan de herberg vindende, liep ik het duin in, met het oogmerk van hem op te zoeken, toen ik de persoon van Sander Gerritz op zijde kwam. Naauwlijks had deze mij aangeblikt, of hij kwam in drift op mij af, en schold mij in hevige bewoordingen voor den moordenaar zijner liefste uit. Weinig lijdzaam van natuur, en wrevelig bovendien wegens al wat er gebeurd was, gaf ik hem een slag in ’t aangezicht; waarop hij mij in de borst greep en er een worsteling tusschen ons beiden ontstond, aan welke ik een einde maakte door een pistool uit mijn zak te halen en hem door ’t hoofd te schieten. Hij wankelde; maar, zijn laatste krachten bijeenzamelende, trok hij zijn mes, stootte het, eer ik het verhinderen kon, mij in den strot, en viel toen stijf achterover, terwijl ik te gelijkertijd bedwelmd nederstortte en niet weer bijkwam, dan toen ik, in ’t leven terug geroepen, den Heer Huyck nevens mij herkende. Toen was het, of mij een helsche geest influisterde, dat ikhem van den moord betichten moest. Ik voldeed aan die inblazing: later deden wraakzucht, haat, valsche schaamte, mij bij mijn verklaring volharden. Maar de ontzettende tijding, die ik heden bekomen heb, en de mededeelingen, mij door mijn ongelukkigen vader gezonden, hebben mij de oogen gëopend. Ik heb de hand van God herkend, die het kwaad niet ongewroken laat. – Ik heb van mij zelven gëijsd: – en van al de ongerechtigheden, die ik bedreven heb. Gave de Heer, dat ik die allen kon herstellen, gelijk ik deze doe… en gij, mijn Heer Huyck!.. Mejuffrouw!… mijn goede Helding!… vergeeft mij… opdat God mij vergeve.’ –

Bij het uiten dezer laatste woorden verzwakte zijn stem merkbaar en hij zakte in elkander als iemand, die een poging boven zijn krachten gedaan heeft. Wij traden dichter aan zijn legerstede om hem die geruststelling te schenken, die hij verlangde. – ‘Ik vergeef u,’ zeide van Lintz: ‘want ik weet bij eigen ondervinding te wel, tot welke uitersten gekrenkte eigenliefde en toomelooze zucht ter inwilliging onzer neigingen ons kunnen voeren. Gij hebt u willen wreken.. ik ken dat gevoel… ik heb het ook eenmaal.. en te vreesselijk.. ingewilligd.’ Dit gezegd hebbende, trad hij terug en bleef in sombere gepeinzen staan.

Helding drukte den lijder zwijgend de hand; maar was buiten staat zijn vol gemoed uit te storten. ‘Ik betuig oprecht, mijn Heer Blaek!’ zeide ik, op mijne beurt naderende, ‘dat bij mij geen greintje wrok jegens u overblijft; en moge de Algoede u niet alleen zoo volkomen vergeven als ik u vergeef; – maar u behouden om door een oprechten wandel zijn naam te verheerlijken.’ –

– ‘Hm!’ zeide Doedes, naderende, en zijn patiënt de pols voelende: ‘zwak – lassitudo – niet allen hier blijven – heengaan – hm!’ –

– ‘Wel ja!’ zeide Reynszen: ‘mij dunkt, het is nu alles beklonken: ik heb de verklaring opgemaakt, die de gewonde heeft afgelegd, zoo hij die nog verkiest te hooren en in staat is, die te teekenen, dan zie ik geen zwarigheid, den Heer Huyck onder handtasting te ontslaan; want die depositie van Andries Matthijssen is bij mij ook geen oortje waard en naar hetgeen onze vriend Heynsz vertelt, loopt hij meer kans zelf de galg te kussen, dan er anderen aan te helpen.’ –

Lodewijk, eenigzins bijgekomen zijnde, toonde zich bereid de verklaring te hooren lezen, en te teekenen, een daad, welke hij, schoon met moeite, ten einde bracht. Toen wilden wij afscheid van hem nemen en ons verwijderen; maar hij gaf te kennen, dat zijn gemoed nog niet geheel ontlucht was en dat hij nog iets met den Heer van Lintz had aftehandelen, waarbij echter alleen Reynhove en ik getuigen mochten zijn, weshalve hij verzocht, dat al de overigen het vertrek zouden verlaten.

Toen men aan zijn verlangen voldaan had, bleef hij nog een wijl op de deur staren, als vreezende, dat iemand het in zijn hoofd mocht krijgen, terug te keeren, en zich tot Reynhove wendende: ‘schuif den grendel dicht!’ zeide hij met een ongeduldige beweging: ‘en gij, Huyck! schenk mij dat glas nog eens vol… mijn lippen branden.’ –

Ik bood hem het gevulde glas aan: hij dronk het met langzame teugen ledig, terwijl wij elkander aanzagen, niet zonder nieuwsgierigheid, waar dit alles op zoude uitdraaien. Eindelijk zette hij het glas neder, haalde van onder zijn dek een papier voor den dag, hetwelk hij tusschen de vingers frommelde en, van Lintz aanziende, begon hij in dezer voege:

– ‘Gij hebt mijn vader vroeger gekend, mijn Heer?’ –

Van Lintz bëantwoordde deze vraag met een koele buiging.

– ‘Gij hebt waarschijnlijk vernomen, hoe zijn uiteinde is geweest,’ vervolgde Lodewijk: ‘maar wat gij noch iemand weet, hetgeen ik zelf eerst op dit oogenblik vernomen heb, is het zielelijden, waarmede hij zoovele jaren geworsteld heeft, en dat hem thands het leven gekost heeft. Het is echter nuttig, dat gij drieën hier mede bekend zijt, op dat gij ten minsten bij anderen, die geneigd mochten zijn, over hem een onbarmhartig vonnis te vellen, de getuigenis zoudt kunnen afleggen, dat hij meer te beklagen dan te veroordeelen was. Lees dezen brief overluid, Huyck! – en gij zult beseffen, welke uitwerking hij op mij maken moest.’ –

Ik nam het papier van hem aan en las. Het was de brief, dien Reynhove had medegebracht, en de inhoud luidde als volgt:

‘Wanneer gij dezen brief ontfangt, mijn zoon! zal uw vader voor den rechterstoel des Allerhoogsten verschenen zijn: – en, zoo de wroeging van een sedert vijftien jaren gefolterd geweten mij dringt, dit leven te verlaten, gij, ongelukkige! gij, die alleen in staat zoudt geweest zijn mij de rust terug te geven, en mij met het leven te verzoenen, gij verhaast den stap, die mij de eeuwigheid invoert.

‘O! dat ik vroeger gesproken had! Wellicht zoudt gij aan mijn raad, aan mijn wensch hebben gehoor gegeven en het hart pogen te winnen van haar, die ik voor u bestemde. Een huwelijk tusschen u en uwe nicht had alles vereffend! – maar wat zeg ik? – Het heeft zoo moeten zijn. Gij waart een zoo beminnelijke, zoo deugdzame gade niet waardig; en ik was bestemd, de straf voor mijn misdrijf te ontfangen en de schande, die mij wacht, in het graf te ontvlieden.

‘Dan, de tijd is kort: – en ik moet mij haasten, de laatste levenskrachten, die mij nog overblijven, te besteden. Luister dan: – beklaag mij: vloek mij niet: en laat mijn voorbeeld u tot leering strekken.

‘Gij zult wel gehoord hebben, dat mijn broeder en ik, in vroegere jaren, veel moeite hadden om behoorlijk rond te komen, en diensvolgens onze fortuin buiten ’s lands gingen beproeven. Men heeft er u bij verteld, dat ik gelukkig slaagde, terwijl het hem tegenliep. Hoor thands voor ’t eerst de zuivere waarheid:

‘Van mijn jeugd af had een onverzadelijke dorst naar schatten mij de ziel beheerscht. Ik zag zooveel rijkdom en weelde om mij heen, dat ik het denkbeeld niet verdragen kon, voor anderen, die mij in stand en geboorte gelijk waren, te moeten onderdoen. En echter scheen ik daartoe bestemd; want mijn vader bezat weinig buiten hetgeen zijn ambt hem schonk, en zijn levenswijze was niet van dien aart, dat hij veel kon sparen. Ik besloot dus, toen ik tot jongelings jaren gekomen was, dat een goed huwelijk het eerste middel zoude zijn om mijn doel te bereiken. Ik slaagde naar wensch; – immers ik dacht zoo: – ik zag niet naar schoonheid of zielsgaven: ik zocht slechts een rijke vrouw en trouwde haar schatten. Mijn eerste straf was het noodlottige leven, dat ik met uw moeder leidde: – ik wil daarover niet uitweiden. Zij stierf en toonde mij den haat, dien zij mij toedroeg, door bij uitersten wil te bepalen, dat haar vermogen op u zoude komen, zonder dat ik daarvan eenige vruchten zoude mogen trekken. Ik was nu even ver als ik te voren was: ik besloot naar de West te gaan en daar mijn fortuin te beproeven, terwijl ik u bij de meervermogende familie uwer moeder achterliet.

‘De uitkomst bëantwoordde wederom niet aan mijn verwachtingen. Na jaren vol tegenspoeds keerde ik terug en kwam te Lissabon aan. Daar ontmoette ik den Graaf van Talavera, die er voor de belangen van het Spaansche hof aanwezig was; en ik hernieuwde met hem de kennis, die ik vroeger met hem als Baron van Lintz had gemaakt. Van hem bekwam ik tijding van mijn broeder, die tevens zijn zwager was (zij hadden elk eene Juffrouw Reefzeil getrouwd) en vernam, hoe deze, die insgelijks zijn fortuin buiten’slands was gaan beproeven, en zaken in de Levant had verricht, eerstdaags te Lissabon werd verwacht. Ik nam voor, zijn komst te verbeiden: en werkelijk, hij kwam weldra opdagen; maar zijn uiterlijke verried geen rijkdom. Naauwlijks was hij een paar dagen met ons geweest, of hij werd door een hevige ziekte overvallen, die hem, na een korte ongesteldheid, aan den rand des grafs bracht. De Graaf van Talavera deelde met mij de zorgen zijner verpleging, en was de eerste, die hem waarschuwde, dat hij, na het oordeel des geneesheers, weinige dagen levens meer overig had, en orde op zijn zaken stellen moest. Mijn broeder glimlachte op een droevige wijze. ‘Dit laatste zal mij weinig moeite kosten,’ zeide hij: ‘ik had gehoopt mijn dochter, mijn eenigst pand, te zullen terugzien en haar de welvaart, die ik voor haar vergaêrde, zelf te brengen: nu zal mijn broeder zich met die taak dienen te belasten.’ – Wij zagen elkanderen verwonderd aan, de Graaf en ik; want wij begrepen niet, waar die welvaart schuilen kon. Toen haalde mijn broeder een dikke rotting voor den dag, die aan zijn voeteneinde lag, en waarmede wij, wegens haar lomp fatsoen, meermalen den spot hadden gedreven. Hij verzocht mij, den knop er aftedraaien en hetgeen zich daarin bevond op de tafel uitteschudden. Ik deed zulks, en nu ontdekten wij, met verbazing, dat de stok hol, en geheel gevuld was met edelgesteenten van een onschatbaren prijs. Mijn broeder nam er eenigen van af, en mij die ter hand stellende: ‘deze zijn voor u,’ zeide hij: ‘en zullen u, zoo gij die met overleg verkoopt, in staat stellen uw fortuin weder op te bouwen. De overige zult gij aan mijn dochter brengen, als haars vaders erfdeel..’ – Toen gelastte hij, dat men een juwelier zoude roepen: er werd een inventaris opgemaakt, waarop de prijzen volgens taxatie genoteerd werden: en daarvan een afschrift aan mij en een aan den Graaf ter hand gesteld; terwijl wij beide stukken teekenden, en de bestemming der juweelen daarop vermeldden. Weinige dagen later stierf mijn broeder in mijn armen, en terwijl zijn stervende mond mij zijn dochter aanbeval. Ik bleef niet langer te Lissabon dan voor de begrafenis noodig was, en zeilde af naar Amsterdam.

‘Ondertusschen was ik weinig te vrede, wanneer ik de fortuin, die mijn broeder gemaakt had, met de mijne vergeleek; en zonder te bedenken, dat hij geen genot van zijn moeizaam verkregen schatten had gehad, terwijl ik de toekomst nog voor mij had, dacht ik er slechts aan, om mijn nicht te benijden, die zoo gemakkelijk aan een erfenis kwam, waarop ik, zonder haar, alleen aanspraak zoude gehad hebben. Nu fluisterde mij de duivel in: waarom zoudt gij dien schat aan uw nicht brengen? behou hem voor u zelf, drijf er handel mede, en maak het op een andere wijze goed met de dochter uws broeders. Geen haan zal er naar kraaien, en de Graaf van Talavera zal er zich in Spanje niet over bekommeren, of gij aan het vertrouwen uws stervenden broeders bëantwoord hebt. Ik was te Amsterdam, zonder tot een besluit gekomen te zijn: men was aldaar reeds van den dood mijns broeders onderricht, en te gelijk overtuigd (zoozeer had hij zijn winsten bedekt gehouden), dat hij arm gestorven was. Nu had ik de zwakheid, of noem het de laagheid, de lieden niet uit den droom te helpen: ik verkocht mijn juweelen, of liever, die mijner nicht, niet op eens; maar langzamerhand, en begon een handel, dien ik meer en meer uitbreidde. Ik was voorspoedig: het scheen, als of het onrechtvaardig verkregen geld in mijne handen moest gezegend worden: dan, innerlijk was ik verre van mijn voorspoed te genieten.

‘Eenige jaren waren verloopen, toen ik (nog sidder ik bij de herinnering) een brief van den Graaf van Talavera ontfing. Hij had, schreef hij, vernomen, dat ik zeer vermogend was geworden, terwijl men van mijn nicht niets af wist: kortom, zijn brief gaf niet onduidelijk te kennen, dat hij iets van de zaak vermoedde. Hij eindigde, met mij te melden, dat hij het duplicaat van den inventaris naar Amsterdam zoude overzenden en bij den Notaris Bouvelt doen deponeeren. Dit bericht ontzette mij: om tegen den dreigenden slag gewapend te zijn, liet ik terstond mijn nicht van de school komen, waar zij zich bevond, nam haar bij mij en behandelde haar als mijn eigen kind, voornemens zijnde, om, zoo ik aangeklaagd werd, dadelijk rekening en verantwoording te doen. Maar nu bekwam ik de tijding, dat de Graaf in ongenade, en naar America was – en een jaar daarna verspreidde zich het gerucht van zijn dood. Ik was thands van mijn grootste zorg ontslagen; want ik hoopte altijd, dat hij zijn bedreiging om dat papier over te zenden, niet had ten uitvoer gelegd. Intusschen had ik Henriëtte als een dochter lief gekregen, en hoe meer ik haar leerde kennen en waardeeren, hoe feller verwijtingen ik mij deed van haar een vermogen te hebben onthouden, dat haar rechtmatig toebehoorde. Toen kwam het denkbeeld bij mij op, dat een huwelijk tusschen u beide alles in ’t gelijk zoude brengen: en ik behoef u mijn streven naar dat doel niet voor den geest terug te brengen: het is u genoeg bekend.

‘Verbeeld u mijn schrik, toen ik, eenige dagen geleden, den man, dien ik dood waande, ten huize van den Notaris Bouvelt ontmoette, en van hem hoorde, dat de bewuste inventaris zich onder andere papieren bevond, die hij in den tijd, wel verzegeld, naar Amsterdam had overgezonden, en nu was komen terug eischen; terwijl hij tevens dreigde, mijn gedrag openbaar te zullen maken. Ik had, ook toen nog, mijn volslagen schande kunnen voorkomen, door aan mijn nicht haar vermogen uit te keeren en er bij te voegen, dat ik haar om wijze redenen tot nog toe verborgen had gehouden, hoe rijk zij was; – maar valsche schaamte belette mij, dien stap te doen, daar ik vreesde, dat de ware toedracht der zaak bekend zoude worden. Ik smeekte derhalve den Heer van Lintz, mij mijn goeden naam niet te ontrooven: ik stelde hem uw huwlijk met Henriëtte als een bepaalde zaak voor: ik bood hem mijn invloed bij onze bewindslieden, mijn hulp ter ontvluchting aan. Door mijn gebeden verwonnen, nam hij aan om, zoodra hij in veiligheid zoude zijn en de tijding van uw huwlijk bekomen had, mij het noodlottig duplicaat toe te zenden.

‘Uw onberaden daad, om den man, van wien ik alles te vreezen had, in handen der Justitie te leveren, heeft al mijne pogingen verijdeld. Het bewuste stuk is daardoor, met de overige bij hem gevonden papieren, in beslag genomen, naar Amsterdam gezonden, en in handen van den Heer Hoofdofficier. Zoo even kom ik van zijn kantoor. Hij had mij laten roepen om te vernemen, wat het opschrift: Inventaris der juweelen enz. toebehoord hebbende aan den Heer Hendrik Blaek en thands het eigendom zijner dochter Henriëtte Blaek, te beduiden had. Wat ik geantwoord heb, weet ik niet; maar ik weet, wat het gevolg zal zijn, indien dit stuk gëopend wordt: en de schande, die mij wacht, wil ik niet beleven. God vergeve mij de misdadige wijze, waarop ik dit leven verlaat: Hij vergeve mij den slechten tucht waaronder ik u gehouden hebbe, en doe u tot inkeer komen, opdat gij van den verkeerden weg terug treedt, dien gij tot nog toe bewandelt hebt, en u spiegelt aan het vreesselijk voorbeeld van

Uw ongelukkigen vader

jacobus blaek .’

– ‘Gij ziet het, mijn Heeren!’ zeide Lodewijk, toen ik ten einde gelezen had: terwijl hij zijn hoofd in zijn handen verborg: ‘ik ben de oorzaak van mijns vaders dood. – Maar thands vraag ik u om raad, u, die tot nog toe alleen met het geheim bekend zijt, is er niets te doen om zijn nagedachtenis te sparen? – Wat Henriëtte betreft, zij zal hebben wat haar toekomt, en meer dan dat.’ –

– ‘Mijn Heer!’ antwoordde van Lintz: ‘de Heer Reynhove heeft mij de mij ontnomen papieren terug gebracht: indien het bewuste stuk zich daarbij bevindt, zal ik het aan uw nicht zenden. Zij alleen kan beslissen, wat daarmede gedaan moet worden.’ –

Hier werd er aan de deur getikt en de Notaris aangediend, met wien wij den lijder alleen lieten: twee dagen later, gedurende welke ik hem vaak bezocht had, blies hij den laatsten adem uit. Na het lijk te hebben doen kisten, nam ik, met dat overschot, en onze Hollandsche vrienden, de terugreis aan naar Amsterdam. –

Het was te Harlingen, dat ik afscheid nam van den Heer van Lintz en zijn dochter, die nu voornemens waren hun reis te land voorttezetten. ‘Nu mijn vriend!’ zeide de eerstgenoemde, terwijl hij mij de hand schudde: ‘nu zal het toch eindelijk wel voor goed zijn, dat ik u vaarwel zeg. Veel zegen op uw ondernemingen. Ik draag u de belangen mijner nicht Blaek op; want ik verwijt mij half en half, dat ik er tot heden niet beter voor gezorgd heb; doch, zoo iemand, zult gij die behartigen: gij hebt er dubbele reden toe.’ –

– ‘Ik vreesde maar,’ zeide ik, ‘dat zij nog te veel tegen mij zal ingenomen zijn, om mij tot haar zaakwaarnemer te benoemen.’ –

– ‘Heb ik u niet van het tegendeel verzekerd?’ zeide Amelia, langzaam het hoofd schuddende en op een toon van weemoedig verwijt: ‘ga tot haar, en vrees niet, haar de geheele, onbewimpelde waarheid te verhalen: zij zal u geloven: – wees daar overtuigd van: en wanneer gij haar ziet, stel haar dan uit naam van haar nicht dit aandenken ter hand, en verzoek haar, het uit liefde voor mij te willen dragen.’ –

Dit zeggende, reikte zij mij een halsband toe, dien zij gedurende haar verblijf op Ter Schelling van haar eigen schoone hairen gevlochten had, en aan welks uiteinde zij een effen gouden kruisje had vastgemaakt.

– ‘En zult gij mij geen aandenken laten?’ vroeg ik, terwijl ik haar met hartelijkheid de hand drukte.

– ‘Thands niet: ik zal u wellicht er een zenden, wanneer wij op de plaats onzer bestemming zullen zijn: – en dan wacht ik er een van u – en van uwe vrouw.’ –

Met deze woorden beantwoordde zij mijn handdruk, sloeg zich den sluier over ’t gelaat en stapte haastig in den wagen, die haar wachtte. Haar vader nam plaats nevens haar: de zweep des voermans klapte en het rijtuig voerde beiden uit mijn gezicht. Ik heb hen nimmer terug gezien.

Achttien uren later was ik te huis in de armen mijner moeder. Ik zal niet beproeven de gewaarwordingen te beschrijven, welke ons allen bij dit wederzien bezielden.

Den volgenden dag kwam Reynhove mij afhalen om naar Mejuffrouw Blaek te gaan, die, naar zijn zeggen, verlangd had, ons beide te spreken. Wij vonden haar alleen in een voegzaam rouwgewaad, bevallig als altijd, maar bleek, afgemat en diep bedroefd. Zij bloosde even, toen zij mij wederzag, maar herstelde zich terstond, bood ons stoelen aan en zette zich over ons.

– ‘Gij beide, mijne Heeren!’ ving zij aan, ‘zijt getuigen geweest van het overlijden van mijn rampzaligen Neef…?

– ‘Ja Mejuffrouw!’ antwoordde ik, naar eenige papieren tastende, die ik in mijn rokzak had, en ik ben belast….

– ‘Een oogenblik!’ hernam zij: ‘aleer wij over iets anders spreken, wenschte ik te weten, of iemand buiten u en den Heer van Lintz kennis draagt van zekeren brief, door mijn oom aan Lodewijk geschreven?’ –

– ‘Niemand,’ antwoordde ik: ‘ik heb dien brief en zal u dien, zoo UEd. verlangt, ter hand stellen, benevens…?

– ‘Ik zal dien verwachten,’ zeide zij: ‘maar vooraf moet ik u nog zeggen, dat ik een brief heb van mijn oom van Lintz, waarin hij mij de aanleiding mededeelt, welke mijn ongelukkigen oom Blaek tot den stap dien hij deed bewogen heeft, en mij tevens een stuk zendt, volgens hetwelk ik recht op een aanzienlijk vermogen zoude hebben. Ik heb geweend bij het zien van mijns vaders naamteekening, en bij de gedachte aan al de moeite, die de brave man zich gegeven heeft, om voor mij een vermogen te vergaderen; – ik heb die naamteekening er uit gesneden en het stuk zelf verbrand.’ –

– ‘Hoe!’ riep Reynhove verbaasd uit: ‘een zoo précieux document!..’

– ‘Ik ben te veel aan mijn oom verschuldigd, ik heb te veel bewijzen van zijn liefde ontfangen, om tot loon daarvan, nu hij dood is, zijn goeden naam aan te randen. Niemand dan ons is het geheim bewust. Lodewijk heeft het in het graf medegenomen: mijn oom van Lintz zal zwijgen, indien ik het hem verzoek: ook van u, mijne Heeren! wacht ik hetzelfde: men schrijft den dood mijns ooms aan een beroerte toe: – de ware toedracht der zaak kan dus voor elk verborgen blijven.’ –

– ‘Maar weet UEd. wel, Mejuffer!’ zeide Reynhove, ‘dat gij een important kapitaal hebt opgeofferd, ten gerieve van een paar dozijn collateralen, die er u geen dank voor zullen weten?’ –

– ‘Mejuffrouw offert niets op,’ zeide ik: ‘en, hoewel de verdiensten van haar handelwijze even groot blijven, de nadeelen daarvan worden geheel weggenomen door het stuk, dat ik de eer heb haar te overhandigen. Het is het testament van den Heer Lodewijk Blaek, natuurlijken erfgenaam zijns vaders, waarbij hij, op eenige legaten na, zijn nicht, Mejuffrouw Henriëtte Blaek, aanstelt tot zijn universeele erfgename.’ –

Henriëtte nam bevende het papier aan, dat ik haar ter hand stelde. Haar ontroering belette haar te spreken en zij antwoordde niets op de gelukwenschingen van Reynhove.

– ‘Mejuffrouw!’ vervolgde ik, toen zij weder wat bedaarder was geworden: ‘de overledene heeft in de laatste uren zijns levens verlangd, dat ik de man zoude zijn, die u dit afschrift van zijn uitersten wil aanbood: hij voegde er bij, dat het u wellicht… aangenaam zoude zijn… dat stuk uit mijne handen te ontfangen. Mag ik mij vleien, dat hij waarheid gesproken heeft?’ –

– ‘Mijn Heer!’ antwoordde zij, terwijl een hoogrood haar gelaat overdekte: ‘het is u ongetwijfeld bekend, dat ik, op den morgen van haar vertrek uit Amsterdam, een bezoek heb gehad van mijn nicht Amelia.’ –

Ik zag verbaasd op. Zoo had die brave ziel niet geschroomd zich aan een wellicht onaangename ontfangst te wagen, om mijne voorspraak te zijn. Het stellige der verzekering, die zij mij gegeven had, was mij thands opgelost.

– ‘En mag ik hopen,’ zeide ik, ‘dat dit bezoek u gunstiger gedachten van mij heeft doen opvatten?’ –

– ‘Amelia is een engel,’ zeide Henriëtte, ‘en ik vergeef het u nooit, dat gij niet smoorlijk op haar verliefd zijt geraakt. Wat zij zeide… hoe zij… in ’t kort, ik ben verplicht u verschoning te vragen voor de verkeerde gedachten, die ik van u had opgevat.’ –

Zes maanden later, kondigde de Voorzanger in de Oude Kerk met zijn neusstem, (waarvan in het derde Hoofdstuk dezer geschiedenis gesproken is) werkelijk aan, dat er trouwbeloften bestonden tusschen Willem Andries Reynhove, Heer van Wijdeplas, Groenewoud en Binnengeest, Jonkman, met Mejuffrouw Susanna Aletta Huyck, Jonge Dochter; maar liet daarop een gelijke aankondiging volgen, betreffende Meester Ferdinand Huyck en Mejuffrouw Henriëtte Blaek. –